Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3702

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
ak_15_1663
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning in Almelo voor de duur van zes maanden in verband met aangetroffen harddrugs: afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1663

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te Almelo, verzoeker,

gemachtigde: mr. I. Mercanoglu, advocaat te Enschede,

en

de burgemeester van Almelo, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2015 heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet juncto artikel 3 lid 1 onder a (drugshandel in woningen) van de Beleidsregel Damoclesbeleid 2014, aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd die inhoudt dat zijn woning aan de [adres] te Almelo (de woning) voor de duur van zes maanden – van 6 augustus 2015 tot en met 5 februari 2016 – wordt gesloten.

Namens verzoeker is tegen dit besluit op 3 augustus 2015 bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter op dezelfde datum verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mw. A. Hooghiemstra, juridisch beleidsmedewerker.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2 Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

3. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid hanteert verweerder het beleid zoals neergelegd in de “Beleidsregel Damoclesbeleid ”(hierna: het beleid). In artikel 3 van het beleid is bepaald dat in het geval van handel in harddrugs bij een eerste overtreding van de Opiumwet de woning wordt gesloten voor een periode van 6 maanden.

4. Aan de oplegging van de last onder bestuursdwang heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op 13 juli 2015 van de politie een bestuurlijke rapportage (verder: de rapportage) is ontvangen, waaruit is gebleken dat vanuit de woning artikel 13b van de Opiumwet is overtreden.

In de rapportage is opgetekend dat tijdens de doorzoeking in de woning van verzoeker op 30 juni 2015 onder meer 579 bolletjes harddrugs zijn aangetroffen. De meeste bolletjes waren wit van kleur en betrof cocaïne. Een kleiner deel van de bolletjes was lichtbruin gekleurd en dit betrof heroïne. Gelet op de ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning van verzoeker heeft verweerder de sluiting van de woning conform het beleid opportuun geacht.

5. Verzoeker heeft aangevoerd dat de sluiting voor de duur van zes maanden een buitenpro-portionele maatregel is, omdat verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aan-gedragen die deze maatregel kunnen rechtvaardigen, Verzoeker is daarbij van mening dat het beleid onvoldoende ruimte biedt om rekening te houden met de persoonlijke omstandig-heden van het geval. Verzoeker is tevens van mening dat de maatregel verder strekt dan een herstelsanctie. Naar het oordeel van verzoeker had gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting verweerder eerst een waarschuwing moeten geven of een sluiting van kortere duur moeten opleggen. Volgens verzoeker heeft verweerder de psychische proble-men van verzoeker onvoldoende bij de besluitvorming betrokken.

6. In een uitspraak van 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2362) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) overwogen dat de hoeveel-heid van een in een pand aanwezige drug kan indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en dat derhalve artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is. De Afdeling heeft verder overwogen dat in dit verband in redelijkheid kan worden aangeslo-ten bij de door het Openbaar Ministerie (OM) toegepaste criteria, inhoudende dat een hoe-veelheid van 0,5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik kan worden aangemerkt. Verweerder heeft dit criterium ook in het beleid verwerkt.

7. Uit de rapportage blijkt dat in de woning van verzoeker op 30 juni 2015 totaal 135 gram aan heroïne en cocaïne is aangetroffen. Cocaïne en heroïne staan op de bij de Opium-wet behorende lijst I, welke lijst harddrugs betreft. De hoeveelheid aangetroffen harddrugs overschrijdt de door het OM als hoeveelheid voor eigen gebruik aangemerkte hoeveelheid dan ook meer dan aanzienlijk. Tevens zijn een weegschaaltje en administratie aangetroffen. Derhalve is in beginsel aannemelijk dat de harddrugs bestemd waren voor verkoop, afle-vering of verstrekking in of vanuit de woning.

De enkele stelling van verzoeker dat hij zelf niet heeft gehandeld doet geen afbreuk aan dit uitgangspunt. Verzoeker heeft ook aangevoerd niet te hebben gemerkt dat zijn huisgenoot (die bij een controle op 30 juni 2015 is aangehouden en 27 verpakkingen/bolletjes met harddrugs bij zich had) in drugs handelde. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij deze huisgenoot slechts enkele malen in een horecagelegenheid heeft gesproken en daarna toestemming heeft geven zijn woning te gebruiken in het kader van onderverhuur. Volgens verzoeker was hij zelf verder weinig thuis en wist hij niet waarmee zijn huisgenoot zich bij zijn afwezigheid bezighield. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in deze omstandigheden de nu nadelige gevolgen voor rekening en risico van verzoeker zelf dienen te blijven omdat verzoeker de verantwoordelijkheid draagt voor hetgeen zich afspeelt in zijn woning.

8. Anders dan verzoeker heeft betoogd vindt met de oplegging van de last onder bestuursdwang geen vaststelling van zijn schuld plaats en wordt van die schuld ook niet uitgegaan. Verwezen wordt naar een uitspraak van de Afdeling van 8 september 2010 in zaak nr. 200910265/1/H3, waarin is overwogen dat een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel strekt tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht, waarmee wordt opgetreden tegen schending van verboden, neergelegd in de Opiumwet. Overeenkomstig laatstgenoemde bepaling mag de toepassing van bestuursdwang slechts strekken tot beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet, zoals geconstateerd door de burgemeester. Indien toepassing van deze bevoegdheid in een concreet geval verder zou strekken, zou de sanctie niet meer uitsluitend het karakter van een herstelsanctie, maar ook een leedtoevoegend karakter hebben en derhalve als een strafsanctie moeten worden beschouwd. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Dat verzoeker de sluiting als een straf ervaart, en dat de toepassing van artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet ingrijpende gevolgen kan meebrengen voor een bewoner, maakt dat niet anders. Voorts dient het strafrechtelijke traject te worden onderscheiden van het bestuursrechtelijke traject in die zin dat de burgemeester bij de vaststelling van zijn beleid bij de aanwending van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid een eigen belangenafweging dient te maken.

9. Ter zitting heeft verzoeker een lijst overgelegd waarop een aantal bewoners aan de Olmstraat middels een handtekening hebben verklaard geen overlast van verzoeker te onder-vinden. Deze stelling kan echter niet slagen nu volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling verweerder niet aannemelijk hoeft te maken dat er sprake is van een drugspand of overlast.

Uit het voorgaande staat vast dat verweerder aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid kon ontlenen tot sluiting van de woning over te gaan.

10. Het betoog van verzoeker dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen gelasten dat de woning voor de duur van zes maanden wordt gesloten, slaagt niet. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, beschikt verweerder bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid. Daaruit vloeit voort dat de rechter de invulling van die bevoegdheid terughoudend moet toetsen. Weliswaar is in de Kamerstukken (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2) in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, doch dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. In het licht van het voorgaande acht de voor-zieningenrechter het beleid, zoals dit thans is toegepast, niet onredelijk. Gezien de aangetrof-fen hoeveelheden harddrugs die in de woning zijn aangetroffen is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een ernstig geval en in verband hiermee acht de voorzieningen-rechter sluiting van de woning voor zes maanden dan ook niet onredelijk. De voorzieningen-rechter verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412.

11. Uit de rapportage blijkt dat vanuit de Olmstraat de laatste tijd meerdere meldingen zijn gekomen dat personen bij de [adres] kwamen die daar niet woonden. Deze personen zouden vaak heen en weer lopen nabij genoemd adres. In de rapportage is aangegeven dat door de aanwezigheid van drugsdealers in de wijk een groot gevoel van onveiligheid ont-staat. Dit gevoel van onveiligheid is gebleken uit het aantal meldingen van buurtbewoners en de gesprekken van de wijkagent met verschillende buurtbewoners.

Verweerder heeft, gelet op de ernst van de situatie, het algemeen belang dat is gediend met beëindiging van de drugshandel door sluiting van de woning in redelijkheid dan ook zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van verzoeker bij het ongestoord kunnen uitoefenen van zijn woongenot en privéleven. In de persoonlijke omstandigheden van verzoeker behoefde verweerder in redelijkheid geen aanleiding te zien om, in afwijking van zijn beleid af te zien van de een sluiting voor de duur van zes maanden nu verzoeker reeds vanaf 14 juli 2015 van het voornemen tot sluiting op de hoogte is en verzoeker in eerste instantie een beroep zal moeten doen op zijn familie en met eventueel ondersteuning van maatschappelijk werk aan een oplossing kan werken. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat bewoning bij zijn vader tot ruzies zal leiden maar de voorzieningenrechter is niet gebleken dat met het maken van goede afspraken en het feit dat een tijdelijke periode betreft dit alternatief geen enkele kans van slagen heeft. Verder heeft verweerder in het verweerschrift aangegeven dat het mogelijk is om verzoeker aan te melden bij het vangnet zorg. De stelling dat de behandeling die verzoeker ondergaat bij een psychiater in gevaar komt, is verder niet onderbouwd, zodat verweerder daaraan geen gevolgen hoefde te verbinden. Verweerder heeft er voorts nog op gewezen dat eiser dubbele woonlasten kan voorkomen door de huur van de woning op te zeggen.

De overige door verzoeker aangevoerde omstandigheden, waaronder de stelling dat de gevolgen voor hem zeer groot zijn, moeten worden geacht te zijn verdisconteerd bij de totstandkoming van het beleid.

12. Anders dan verzoeker ten slotte nog heeft aangevoerd is het besluit niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De bevoegdheid tot het gelasten van sluiting van de woning is immers bij wet voorzien, in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM.

Uit het voorgaande volgt dat het aannemelijk is dat het bestreden besluit in de hoofdzaak de rechterlijke toets zal kunnen doorstaan.

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.