Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3688

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
C/08/163712 HA ZA 14-531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid juridische adviseurs.

Gedaagden traden in het onderhavige dossier op als juridische adviseurs van eisers, die al eerder cliënt waren van het notariskantoor. Tussen partijen bestond dus een overeenkomst van opdracht.

Gedaagden hebben zich ten opzichte van eisers niet, althans niet voldoende, gehouden aan de norm dat zij jegens hun opdrachtgevers de zorgvuldigheid dienden te betrachten die van een redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/163712 HA ZA 14-531

datum vonnis: 8 juli 2015

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

verder te noemen [eiser] ,

advocaat: mr. M.A.A. Bakker te Enschede,

tegen

1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagden,

verder te noemen [gedaagden] ,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

1 Het procesverloop
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding, met vijftien producties,
- de conclusie van antwoord, met zeven producties,
- de conclusie van repliek, met vier producties,
- de conclusie van dupliek, met twee producties,
- een ‘akte houdende uitlating producties’ zijdens [eiser] .

1.2.

Partijen hebben vonnis verzocht. De datum van de uitspraak is, na aanhouding, vastgesteld op vandaag.

2 De feiten
2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende, door de ene partij gestelde en door de wederpartij niet gemotiveerd betwiste feiten, waaronder (voor zover hier van belang) de feiten, die het Gerechtshof te Arnhem heeft vastgesteld in zijn door [eiser] overgelegde arresten van 12 oktober 2010 en 19 april 2011, gewezen tussen enerzijds (onder meer) de curatoren in het faillissement van [X] en anderzijds [eiser] .

2.2.

[eiser] was eigenaar van een perceel grond met daarop een horecacomplex,

genaamd “ [D] ” aan de [adres] te [woonplaats 1] . Dit horecacomplex is begin 1999

door brand verwoest en vervolgens gesloopt. [eiser] had voor het complex een

opstalverzekering afgesloten bij Interpolis. In de polisvoorwaarden van de verzekering

is ‘herbouwwaarde’ gedefinieerd als het bedrag nodig voor herbouw van het gebouw onmiddellijk na de gebeurtenis op dezelfde plaats en met dezelfde bestemming ter voortzetting van het bedrijf.

2.3.

Interpolis heeft een akte van taxatie van de verzekerde zaken laten opstellen. Daarin is de op basis van herstel c.q. bouwkosten getaxeerde schade bepaald op fl. 1.052.633,-- en is de schade op basis van verkoopwaarde bepaald op f1. 219.000,--.

2.4.

[eiser] heeft op 28 januari 1999 een bespreking gehad met (onder meer) de

heer [J] , directeur van projectontwikkelaar [H] , waarvan [X] een dochteronderneming was, en met de heer [B 1] , directeur van aannemersbedrijf [naam] BV. Deze partijen hebben een intentieverklaring opgesteld, zakelijk inhoudende dat de [H] , [B 1] en [eiser] tot ontwikkeling van (project-)plannen met betrekking tot “ [D] ” zouden overgaan.

2.5.

[eiser] verklaarde zich akkoord met deze intentieverklaring, op voorwaarde dat hij van Interpolis een uitkering zou krijgen “op een normaal aanvaardbaar niveau” en de [H] hem daarnaast een vergoeding zou betalen van (minimaal) f1. 600,00 per m2 voor de grond.

2.6.

[eiser] en [J] hebben zich gewend tot notariskantoor [V] om daar te bespreken welke mogelijkheden bestonden om aan [eiser] de verzekeringspenningen op basis van herbouwwaarde te laten uitkeren en daarnaast voldoende waarborgen voor [X] te creëren om te kunnen bouwen. Het ging [X] er daarbij om dat zij eigenaar zou worden van de geplande appartementen, van de ondergrond en van het op de begane grond te realiseren horeca-complex.

2.7.

[J] heeft op zich genomen om met Interpolis te onderhandelen over de

mogelijkheid om op de grond een complex met appartementen te ontwikkelen, zonder dat de

aanspraken van [eiser] op een uitkering naar herbouwwaarde verloren zouden gaan.

Bij brief van 30 augustus 1999 heeft hij (middels [X] ) aan Interpolis toestemming gevraagd om over te gaan tot herbouw van een horecagelegenheid op de begane grond, met daarboven 2 tot 3 lagen appartementen.

2.8.

Hij heeft daarbij verwezen naar het al eerder door Interpolis ingenomen standpunt, dat [eiser] ingevolge de polisvoorwaarden een persoonlijke, niet overdraagbare plicht had om zelf te herbouwen. Daarom zou [eiser] in het voorstel van [J] fungeren als opdrachtgever voor de herbouw, in nauwe samenwerking met [X] . [X] vroeg instemming van Interpolis met deze “voorgestane constructie” die inhield dat [X] als projectontwikkelaar het te realiseren complex zou afnemen, waartoe zij in een vroeg stadium een overeenkomst zou sluiten met [eiser] . In de brief is op dit punt nog vermeld:

Hierbij merken wij op dat wij de onderliggende grond reeds op korte termijn willen

afnemen. Het object zelf zal echter volledig in opdracht van de heer [eiser]

vervaardigd worden en te zijner tijd middels een daartoe gesloten koop

aannemingsovereenkomst door ons afgenomen worden.”

2.9.

Interpolis heeft hiermee niet ingestemd. Bij brief van 13 september 1999 antwoordde zij onder meer als volgt:

Het op voorhand verkopen van de ondergrond is een daad die

terstond leidt tot schaderegeling op basis van verkoopwaarde. In het kort komt het hierop

neer dat de herbouw

• door de verzekerde op dezelfde locatie dient plaats te vinden en bovendien

• dient ter voortzetting van het bedrijf zoals in de polis is omschreven.

Binnen deze laatste verplichting heeft de heer [eiser] een grote vrijheid om de

herbouw op een eigen keuze te laten geschieden. In de praktijk betekent dit dat wij volstaan

met een eindcontrole ter plaatse en bij goedkeuring het restant van de schadepenningen

overmaken. Wij wensen dan ook geen partij te zijn in een bijzondere constructie zoals door u omschreven.

2.10.

Bij brief van 25 november 1999 heeft [J] aan Interpolis een schetsontwerp doen toekomen van het te bouwen complex. Daarin staat onder meer:
De begane grond is geprojecteerd als horeca-c. q. zalencentrum (nader en

flexibel in te delen naar wens van de toekomstige huurder c.q. exploitant) en zal zoals reeds

aan u medegedeeld, gerealiseerd worden in opdracht van de heer [eiser] . (...)

Teneinde de afwikkeling over en weer volledig te formaliseren en daarmee eventuele

misverstanden op voorhand uit te sluiten, verzoeken wij u om een schriftelijke bevestiging

dat bij herbouw overeenkomstig de voorliggende planopzet en het bestemmingsplan

onherroepelijke- en volledige uitkering van het (resterende-) schadebedrag aan de heer [eiser]

[eiser] gewaarborgd is. (...)“

2.11.

Interpolis antwoordde op 29 november 1999 onder meer als volgt:

Op uw verzoek deel ik u mee dat bij herbouw overeenkomstig de voorliggende planopzet en

het bestemmingsplan uitkering van het resterende schadebedrag aan onze verzekerde

gewaarborgd is. Uiteraard onder de voorwaarde dat voldaan wordt aan het beginsel van

herinvestering, maar daar ga ik van uit.

2.12.

Op 12 januari 2000 hebben [B 1] en [eiser] een “Overeenkomst van aanneming van werk” ondertekend betreffende de herbouw van de horecaruimte voor een aanneemsom van fl. 1.125.000,-. Deze aannemingsovereenkomst is ook naar Interpolis verzonden. Een door [B 1] , [J] en ook door [eiser] zelf ondertekende brief aan [eiser] d.d. 13 januari 2000 vermeldt:

Bijgaand doen wij U toekomen contract met bijlage betreffende herbouw horecaruimte met

opslag c.q. koelruimte in parkeerkelder d.d. 12 januari 2000 ad fl. 1.125.000,-.

Dit contract geldt alleen als een af te leggen verantwoording Uwerzijds t. o. v. de

verzekeringsmaatschappij. Aan dit contract kunnen geen rechten worden ontleend t. o. v. de werkelijke bouwkosten.

2.13.

Interpolis is vervolgens overgegaan tot het doen van uitkeringen aan

[eiser] op basis van herbouwwaarde. Bij brief van 9 februari 2000 heeft zij aangekondigd fl 202.053,20 te vergoeden, en heeft zij verzocht om kopieën van door [eiser] ontvangen rekeningen.

2.14.

Bij brief van 17 februari 2003 deelde Interpolis aan [X] mede:

Wij gaan niet akkoord met uw voorstel om, op basis van een hypothecaire inschrijving op de grond, nu reeds het resterende schadebedrag beschikbaar te stellen. Evenmin gaan wij

akkoord met het telefonische voorstel van de heer [J] om, op basis van een bankgarantie, nu al tot uitkering over te gaan. Wel heb ik de heer [J] laten weten, dat

wij bereid zijn om de termijn nogmaals te verlengen.
(…)
Onze polisvoorwaarden bepalen dat er sprake moet zijn van herstel- of herbouw, formeel binnen een termijn van drie jaar. Deze termijn is te rekenen vanaf de datum van de schade. In dit geval dus 01.01.1999.

Daarnaast mag u natuurlijk niet uit het oog verliezen, dat wij optreden als brandverzekeraar

voor de heer [eiser] . Wij zijn partij als verzekeraar en niet als (voor-)financier in

bouwprojecten. Ook niet via allerlei constructies, zoals waarborgen in de vorm van

bankgaranties of tijdelijke eigendom van grond. Voor ons is dus van belang in hoeverre er wordt voldaan aan onze polisvoorwaarden. (...)

2.15.

Op 10 april 2003 is [X] failliet verklaard. Op dat moment was nog geen bouwvergunning afgegeven voor de herbouw van het horecacomplex (en de daarboven gelegen appartementen), en was er ook nog geen aanvang genomen met de bouw.

2.16.

Interpolis heeft vanaf oktober 2003 sommaties aan [eiser] verzonden tot

terugbetaling van het bedrag dat [eiser] inmiddels boven de verkoopwaarde van de

grond van haar had ontvangen. Uiteindelijk heeft [eiser] slechts een vergoeding van de verkoopwaarde van Interpolis ontvangen.

2.17.

Op 18 maart 2005 heeft [eiser] de grond aan [C] verkocht voor een bedrag van € 500.000,--. Van de koopprijs is een

bedrag van € 363.024,-- in depot gestort bij [K] Notarissen.

2.18.

De onderhavige materie is beoordeeld door het gerechtshof te Arnhem in zijn tussen (onder meer) enerzijds de curatoren in het faillissement van [X] en anderzijds [eiser] gewezen arresten van 12 oktober 2010 en 19 april 2011. [eiser] heeft die arresten in dit geding overgelegd. De beoordeling door het hof wordt, voor zover hier van belang, in de hierna volgende overwegingen zakelijk samengevat.

2.19.

Uit de hiervoor onder 2.9 en 2.11 geciteerde, door Interpolis aan [X] gerichte brieven blijkt dat Interpolis voor het doen van een uitkering aan [eiser] op basis van de herbouwwaarde op grond van de tussen Interpolis en [eiser] geldende polisvoorwaarden uitdrukkelijk als eis heeft gesteld, dat [eiser] zelf tot herbouw zou overgaan. [eiser] mocht om die reden de grond niet verkopen vóórdat tot herbouw was overgegaan.

2.20.

Uit de hiervoor vermelde brief van 13 januari 2000, in samenhang bezien met het

feit dat een tussen [B 1] en [eiser] opgestelde aannemingsovereenkomst naar Interpolis is opgestuurd, volgt dat [eiser] en [X] hebben beoogd om Interpolis ertoe te bewegen jegens [eiser] een uitkering op basis van de herbouwwaarde van het horecacomplex te verstrekken, terwijl [eiser] feitelijk niet als opdrachtgever voor de herbouw zou fungeren en daarmee niet aan zijn herbouwverplichting zou voldoen.

2.21.

Zij hebben immers jegens Interpolis de schijn gewekt dat [eiser] aan aannemer [B 1] opdracht tot herbouw van het horecacomplex had gegeven, conform hetgeen zij bij brief van 25 november 1999 aan Interpolis hadden medegedeeld. Uit de vermelde stukken blijkt echter dat deze opdracht tussen partijen geen rechten en verplichtingen met zich bracht en klaarblijkelijk uitsluitend was opgesteld om Interpolis te misleiden. Interpolis is naar aanleiding van de door [eiser] getekende aannemingsovereenkomst ook daadwerkelijk overgegaan tot het uitbetalen van de eerste termijnen op basis van de herbouwwaarde.

2.22.

[eiser] heeft al op 13 december 2000, en dus al eerder dan de beoogde herbouw van het complex, de grond verkocht aan [X] . Dit was dus in strijd met de polisvoorwaarden en met de desbetreffende brief van Interpolis van 13 september 1999, waaruit blijkt dat een dergelijke verkoop terstond zou leiden tot afwikkeling van de schade op basis van (slechts) de verkoopwaarde. Aan Interpolis werd geen mededeling gedaan over deze koopovereenkomst en de leveringsakten.

2.23.

Deze constructie draagt een frauduleus karakter. Deze frauduleuze strekking moet ook voor [eiser] kenbaar zijn geweest. Dat [gedaagden] daaraan hebben meegewerkt, verandert niets aan het frauduleuze strekking van de gemaakte afspraken. De ter uitvoering van die afspraken gesloten overeenkomsten zijn daarom in strijd met de goede zeden en daarom nietig.

2.24.

Tekenend voor het kennelijk op misleiding van Interpolis gerichte oogmerk van partijen achtte het hof de verklaring van notaris [gedaagde 2] , dat in zijn aantekeningen van een bespreking met [eiser] en [J] op zijn kantoor de woorden stonden: “beuren en wegwezen”. Het hof verwees in dit verband naar de getuigenverklaring van notarieel medewerker [L] als volgt: “Met betrekking tot de herbouwplicht kan ik niet anders verklaren dan dat [eiser] het perceel van de hand wilde doen, tegen ontvangst van de koopsom van de grond en de verzekeringsuitkeringen.”

2.25.

Het gegeven dat [eiser] en [X] uiteindelijk niet in hun opzet — het laten uitbetalen van de herbouwwaarde — zijn geslaagd, is voor het aannemen van die nietigheid niet relevant. Als gevolg van die nietigheid kon [eiser] (van de curatoren van [X] ) geen nakoming vorderen van de met [X] gemaakte (garantie-)afspraken, hij kon deze overeenkomsten niet (rechtsgeldig) ontbinden en komt hem ook geen recht op schadevergoeding toe ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten.

3
3. De vordering
3.1. In aanvulling op deze vaststaande feiten heeft [eiser] het volgende gesteld. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn ieder persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor alle destijds door het door hen geëxploiteerde notariskantoor en/of hun daarin werkzame ondergeschikten verstrekte adviezen en uitgevoerde werkzaamheden, nu deze adviezen en werkzaamheden hebben geleid tot een constructie, die later door het gerechtshof te Arnhem is gekwalificeerd als frauduleus en daarom nietig wegens strijd met de goede zeden.

3.2.

De verantwoordelijkheid van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] voor die constructie blijkt onder meer hieruit, dat in het gehele dossier geen aanwijzing te vinden is dat zij [eiser] voor het frauduleuze karakter van de constructie hebben gewaarschuwd, terwijl ook niet is gebleken dat zij zelf rechtstreeks te rade zijn gegaan bij Interpolis, de opstalverzekeraar van [eiser] , om zelf te verifiëren of en in hoeverre Interpolis met de constructie kon instemmen.

3.3.

Door, al dan niet op verzoek van en in samenspraak met [X] (vertegenwoordigd door [J] ) een constructie te bedenken, te adviseren, te initiëren en/of uit te werken, aan de uitvoering ervan actief medewerking te verlenen en ten aanzien van [eiser] te adviseren en/of de suggestie te wekken dat één en ander legaal, solide, haalbaar en oorbaar was, hebben [gedaagden] jegens [eiser] hun zorgplicht en/of hun informatieplicht en/of hun waarschuwingsplicht geschonden.

3.4.

Op grond van artikel 21 lid 2 van de Wet op het notarisambt moet een notaris zijn diensten weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging de werkzaamheid die van hem verlangd wordt leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft.

3.5.

Daarnaast geldt voor iedere notaris als maatstaf voor diens beroepsaansprakelijkheid, dat een notaris moet handelen zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris mag worden verwacht. In dat verband rust op [gedaagden] een zwaarwegende zorgplicht, waarbij rekening moet worden gehouden met de belangen van alle betrokken partijen.

3.6.

Op grond van deze normen en maatstaven hadden [gedaagden] , gezien doel en strekking van de beoogde constructie, [eiser] moeten waarschuwen voor de ondeugdelijkheid, onmogelijkheid en onoorbaarheid daarvan. Zij hadden [eiser] daarvoor moeten behoeden. Als goede professionals hadden zij de haalbaarheid van de constructie moeten verifiëren door daarover zelf contact op te nemen met Interpolis.

3.7.

[eiser] stelt dat hij, als gevolg van de hiervoor beschreven nalatigheid van [gedaagden] , schade heeft geleden als volgt. De schade-uitkering op basis van herbouw zou € 519.445,84 hebben bedragen. In plaats daarvan heeft [eiser] van Interpolis slechts ontvangen een schadevergoeding op basis van verkoopwaarde van fl. 276.134,- (gulden). Het verschil tussen deze bedragen is € 393.453,31, welk schadebedrag [gedaagden] aan [eiser] dienen te vergoeden.

3.8.

Als tweede schadepost voert [eiser] aan, dat de gerealiseerde verkoopprijs van de grond ad € 500.000,- niet aan hem ten goede is gekomen maar aan de curatoren van [X] . [eiser] verkocht de grond aan [C] voor € 500.000,- . Dat bedrag is echter betaald aan de boedel van [X] , als terugbetaling van een eerder door [X] aan [eiser] betaald voorschot op de koopprijs van de grond. Ook dit bedrag valt aan te merken als door [eiser] als gevolg van de nalatigheid van [gedaagden] geleden schade.

3.9.

De derde schadepost betreft de kosten van verschillende gerechtelijke procedures. [eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de door hem gemaakte kosten van juridische bijstand zowel als van de te zijnen laste uitgesproken proceskostenveroordelingen in de met betrekking tot dit dossier gevoerde procedures bij de rechtbank in [woonplaats 2] (in een bodemzaak en in een kort geding), en vervolgens bij het gerechtshof in Arnhem. [eiser] heeft deze kosten gespecificeerd en gesteld op in totaal € 184.951,06.

3.10.

Op grond van het voorgaande vordert [eiser] in totaal € 1.078.404,37 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 augustus 2007 en met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

4
4. Het verweer
4.1. [gedaagden] hebben de vordering op de volgende gronden betwist. Zij ontkennen een beroepsfout te hebben gemaakt. Indien zo’n fout is gemaakt ontbreekt causaal verband tussen die fout en de door [eiser] gestelde schade.

4.2.

De vraag of een beroepsfout is gemaakt, dient te worden beantwoord aan de hand van de hier toepasselijke norm, of [gedaagden] de zorgvuldigheid hebben betracht, die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht, één en ander beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden, die bij [gedaagden] destijds bekend waren. Het moet gaan om objectief evident onjuiste belangenbehartiging, te beoordelen naar de omstandigheden van het moment waarop de beroepsbeoefenaar de relevante beslissingen nam.

4.3.

[gedaagde 1] noch [gedaagde 2] zijn zich ooit bewust geweest van enigerlei frauduleuze strekking van in het onderhavige kader door hetzij [H] , hetzij [X] , hetzij [J] , hetzij [eiser] verrichte handelingen betreffende verkoop en/of herbouw van de onderhavige in 1999 door brand verwoeste onroerende zaak. Zij hebben tijdens de besprekingen met [J] en [eiser] onderzocht welke mogelijkheden er bestonden om de gewenste koop te realiseren binnen de door de verzekeraar gestelde voorwaarden. De bedachte constructie diende dan ook te worden goedgekeurd door Interpolis.

4.4.

Niet [gedaagden] , maar [J] heeft alle onderhandelingen met Interpolis gevoerd. Hij was als directeur van een verzekeringsbedrijf ( [H] ) bij uitstek deskundig inzake verzekeringen. De zorgplicht van [gedaagden] ging niet zo ver, dat zij zelf bij Interpolis moesten verifiëren of de mededelingen van [J] wel juist waren.

4.5.

Het hof heeft bovendien de strekking van de gemaakte afspraken frauduleus geacht mede op grond van de door [eiser] en [J] met [B 1] aangegane “aannemingsovereenkomst”; het hof heeft daarvan vastgesteld dat dat contract niet leidde tot een verplichting voor [B 1] om te gaan bouwen, maar dat het (blijkens de bijbehorende brief d.d. 13 januari 2000) slechts moest dienen als “een af te leggen verantwoording Uwerzijds t.o.v. de verzekeringsmaatschappij”, en dat aan dit contract geen rechten worden ontleend t.o.v. de werkelijke bouwkosten. [gedaagden] hebben met dat “contract’ en met die brief niets te maken gehad en dragen daarom geen verantwoordelijkheid voor het evt. frauduleuze karakter van die stukken.

4.6.

Zelfs als sprake zou zijn van een beroepsfout zoals gesteld, dan ontbreekt nog het vereiste causale verband tussen de beweerde normschending en de beweerde schade.

4.7.

De gestelde schadepost van € 393.453,31 heeft betrekking op het bedrag, dat [eiser] van Interpolis (boven het door Interpolis op basis van verkoopwaarde betaalde schadebedrag) aan [eiser] zou vergoeden op basis van herbouw door [eiser] van de door brand verwoeste onroerende zaak. Interpolis zou dat bedrag echter alleen betalen bij herbouw binnen een bepaalde termijn. Die termijn is echter niet gehaald. Interpolis heeft dan ook niet uitgekeerd op basis van herbouwwaarde. Het hier bedoelde bedrag kan niet worden gezien als schade, die [gedaagden] aan [eiser] zouden moeten vergoeden.

4.8.

Ten onrechte stelt [eiser] dat bij de door hem geleden schade moet worden opgeteld een bedrag van € 500.000,-, omdat hij dat bedrag zou zijn ‘misgelopen’. Het gaat hier om de door [C] betaalde koopprijs van € 500.000,- voor de door [eiser] verkochte grond. Kennelijk bedoelt [eiser] te stellen dat hij die koopprijs niet daadwerkelijk heeft ontvangen omdat deze is verrekend met vorderingen van [X] op [eiser] .

4.9.

Deze redenering van [eiser] in onjuist, althans onbegrijpelijk. Dat de door [eiser] van [C] ontvangen koopprijs is gebruikt ter betaling van schulden van [eiser] betekent nog niet dat [eiser] die koopprijs is ‘misgelopen’ en dat dit een schadepost oplevert, die [gedaagden] dienen te vergoeden.

5 De beoordeling

Beroepsfout
5.1. Blijkens de vastgestelde feiten traden [gedaagden] in het onderhavige dossier op als juridische adviseurs van zowel [eiser] als [J] . Beiden waren al eerder cliënt van het notariskantoor. Tussen partijen bestond dus een overeenkomst van opdracht.

5.2.

De door [gedaagden] ingevolge die overeenkomst met [eiser] in acht te nemen norm houdt in, dat [gedaagden] jegens [eiser] de zorgvuldigheid dienden te betrachten, die van redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

5.3.

Of en zo ja, hoe [gedaagden] die norm hebben geschonden beantwoordt de rechtbank op basis van de vastgestelde feiten, alsmede de hierboven onder 2.18 tot en met 2.25 weergegeven beoordeling van die feiten door het gerechtshof te Arnhem. De rechtbank overweegt en beslist, in lijn met de beoordeling van de relevante feiten door het gerechtshof, als volgt.

5.4.

[gedaagden] hebben zich ten opzichte van [eiser] niet, althans niet voldoende, gehouden aan de hiervoor onder 5.2 aangegeven norm, dat zij als opdrachtgevers jegens hun opdrachtgever [eiser] de zorgvuldigheid dienden te betrachten, die van redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

5.5.

Concreet betekende dit dat zij als juridisch adviseurs van [eiser] ten eerste moesten beoordelen of, en zo ja welke, juridische risico’s voor [eiser] aan de onderhavige door hem af te sluiten transacties verbonden zouden kunnen zijn, en ten tweede dat zij hem voor zulke risico’s tijdig moesten waarschuwen, zodat hij desgewenst nog zou kunnen besluiten om van die transacties af te zien.

5.6.

[gedaagden] hebben echter niet aan die waarschuwingsplicht voldaan. Zij hebben kennelijk niet, althans niet tijdig, onder ogen gezien wat de juridische consequenties zouden kunnen zijn van de door hun opdrachtgevers [eiser] en [J] gewenste constructie, die in de kern hierop neer kwam dat [eiser] enerzijds wèl een verzekeringsuitkering wilde ontvangen op basis van herinvestering van die schade-uitkering door herbouw van het door brand verwoeste gebouw op zijn grond, maar anderzijds juist níet zelf tot die herinvestering en herbouw op zijn grond wilde overgaan omdat hij die grond in plaats daarvan zo snel mogelijk wilde verkopen zonder zelf eerst herbouw te plegen.

5.7.

[gedaagden] hadden zich dienen te realiseren dat deze beoogde constructie zou kunnen stuiten op zo ernstige bezwaren bij de verzekeraar, dat deze daarin juridisch sterke redenen zou kunnen zien om op grond van de desbetreffende polisvoorwaarden te besluiten om af te zien van uitkering van een (hoge) schadevergoeding op basis van herbouwwaarde, en zou volstaan met uitbetaling van een (veel lagere) schadevergoeding op basis van verkoopwaarde, zoals tenslotte ook is gebeurd.

5.8.

[gedaagden] hadden vervolgens moeten nagaan of en zo ja, in hoeverre de verzekeraar van de door [eiser] en [J] beoogde voornemens op de hoogte was, en welk standpunt de verzekeraar daarover innam. De hiervoor onder 2.9 vermelde brief van Interpolis van 13 september 1999 was op dat punt concreet en duidelijk genoeg, en de latere brieven van Interpolis d.d. liggen geheel in dezelfde lijn.

5.9.

De notarissen hebben niet gesteld dat zij niet, of niet tijdig, van deze correspondentie op de hoogte waren. Zij hadden daarin aanleiding moeten zien om hun cliënten uitdrukkelijk en bij voorkeur schriftelijk te waarschuwen voor het risico, zoals hiervoor omschreven. Er is niet gesteld of gebleken dat zij dit hebben gedaan. Het zou daarbij ook in de rede hebben gelegen om hun cliënten daarbij te adviseren om hetzij van de beoogde constructie af te zien, hetzij om (eerst) te trachten om met Interpolis te onderhandelen over een ook voor de verzekeraar aanvaardbaar eindresultaat.

5.10.

Indien en voor zover [gedaagden] stellen dat op hen geen waarschuwingsplicht rustte, omdat met name [J] geacht kon worden als directeur van een verzekeringsbedrijf zelf te beschikken over voldoende expertise om zelfstandig met Interpolis te onderhandelen en te contracteren faalt dat betoog, omdat [eiser] en [J] nu juist [gedaagden] hadden opgedragen om hen over de juridische mogelijkheden en risico’s van de gewenste transacties te adviseren.

5.11.

Ook de omstandigheid, dat [gedaagden] de uitvoering van hun opdracht kennelijk voor een niet onbelangrijk gedeelte hebben overgelaten aan hun personeel kan niet leiden tot disculpatie. Als de door [eiser] en [J] ingeschakelde juridische professionals bleven zij zelf persoonlijk verantwoordelijk voor de kwaliteit van de onder hun eindverantwoordelijkheid verstrekte adviezen en begeleiding.

5.12.

Hun werkzaamheden behoefden daarbij uiteraard niet zo ver te gaan dat zij persoonlijk contact zouden opnemen en onderhouden met Interpolis, en zulks zeker niet buiten [eiser] en [J] om. Het lag immers niet op hun weg om zelf ongevraagd contact op te nemen met die wederpartij van hun cliënten. Wel hadden zij als juridisch adviseurs hun cliënten duidelijk moeten waarschuwen om hen te behoeden voor de juridische risico’s, die zij dreigden te lopen.

5.13.

Als de notarissen [eiser] en [J] aldus hadden gewaarschuwd, hadden deze hun plannen dienovereenkomstig kunnen heroverwegen en wijzigen. Nu [gedaagden] niet hebben gewaarschuwd en [eiser] en [J] hun voornemens vervolgens onveranderd hebben uitgevoerd, is daarmee het voor toewijzing van de vordering vereiste causale verband tussen de beroepsfout en de schade in beginsel gegeven. De afzonderlijke gestelde schadeposten zullen hierna achtereenvolgens worden beoordeeld als volgt.


Schade

5.14.

De gevorderde schadepost van € 393.453,31 heeft betrekking op het bedrag, dat [eiser] van Interpolis boven het door Interpolis op basis van verkoopwaarde betaalde schadebedrag aan [eiser] zou ontvangen op basis van herbouw door [eiser] van de door brand verwoeste onroerende zaak.

5.15.

[eiser] maakt kennelijk aanspraak op dat bedrag, omdat hij dat zou hebben ontvangen als Interpolis hem dat bedrag zou hebben betaald, zulks in het kader van de door [eiser] en [J] beoogde juridische constructie. In de visie van [eiser] heeft hij die ontvangst gederfd als gevolg van de beroepsfout van [gedaagden] .

5.16.

Die redenering volgt de rechtbank echter niet. Het lag niet op de weg van [gedaagden] om die juridische constructie tot een succes te maken, maar slechts om te adviseren over de juridische risico’s daarvan. De constructie is door het gerechtshof vervolgens aangemerkt als frauduleus, waarbij het hof onder meer heeft overwogen dat die frauduleuze strekking ook voor [eiser] kenbaar moet zijn geweest, en dat de omstandigheid, dat [gedaagden] daaraan hebben meegewerkt, niets aan het frauduleuze strekking van de gemaakte afspraken verandert, zodat de ter uitvoering van die afspraken gesloten overeenkomsten in strijd met de goede zeden en daarom nietig zijn.

5.17.

Het gegeven dat [eiser] en [X] uiteindelijk niet in hun opzet — het laten uitbetalen van de herbouwwaarde — zijn geslaagd, is voor het aannemen van die nietigheid niet relevant, aldus het hof. Als gevolg van die nietigheid kon [eiser] (van de curatoren van [X] ) geen nakoming vorderen van de met [X] gemaakte (garantie-)afspraken, kon hij deze overeenkomsten niet (rechtsgeldig) ontbinden en komt hem ook geen recht op schadevergoeding toe ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten.

5.18.

Gezien deze overwegingen en beslissingen van het hof moet worden geoordeeld dat aan [eiser] nooit enig recht heeft gekregen op het hier bedoelde bedrag van
€ 393.453,31, omdat hij dat geld alleen van Interpolis zou hebben gekregen bij realisatie van de door het hof nietig verklaarde constructie. Uit het oordeel van het hof blijkt dat Interpolis dat bedrag nooit aan [eiser] verschuldigd is geworden. Hij kan dat bedrag daarom niet bij wijze van schadevergoeding ten laste van [gedaagden] brengen.

5.19.

Als tweede schadepost heeft [eiser] aangevoerd, dat de gerealiseerde verkoopprijs van de grond ad € 500.000,- niet aan hem ten goede is gekomen, maar aan de curatoren van [X] . [eiser] verkocht en leverde de grond aan [C] voor € 500.000,- . Dat bedrag is volgens [eiser] echter betaald aan de boedel van [X] , als terugbetaling van een eerder door [X] aan [eiser] betaald voorschot op de koopprijs van die grond. Ook dit bedrag valt volgens [eiser] daarom aan te merken als door hem als gevolg van de nalatigheid van [gedaagden] geleden schade.

5.20.

Ook die redenering treft geen doel. Ten onrechte stelt [eiser] dat hij de koopprijs van € 500.000,- zou zijn ‘misgelopen’ en dat hij tot dat bedrag schade heeft geleden als gevolg van de beroepsfout van [gedaagden] . Het gaat hier om de door [C] betaalde koopprijs van € 500.000,- voor de door [eiser] aan [C] verkochte en geleverde grond.

5.21.

[eiser] bedoelt kennelijk te stellen dat hij die koopprijs niet daadwerkelijk heeft ontvangen, omdat deze is verrekend met vorderingen van [X] op [eiser] . Dat de door [eiser] van [C] ontvangen koopprijs is gebruikt ter betaling van schulden van [eiser] aan derden betekent echter nog niet dat [eiser] die koopprijs niet van de koper [C] heeft ontvangen. Deze post is daarom niet toewijsbaar als schadevergoeding ten laste van [gedaagden] .

5.22.

Van de gevorderde schadevergoeding wegens juridische kosten ad € 184.951,06 zijn de vereiste causaliteit noch de gespecificeerde schadebedragen gemotiveerd betwist. Er is ook geen beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [eiser] in de zin van artikel 6:101 BW.

5.23.

Dit onderdeel van de eis is daarom voor toewijzing vatbaar. De ingangsdatum van de wettelijke rente over genoemd bedrag moet echter naar redelijkheid en billijkheid worden aangepast. [eiser] heeft deze ingangsdatum bij dagvaarding gesteld op 27 augustus 2007, waarschijnlijk op grond dat [gedaagden] reeds op die datum (zoals blijkt uit productie 14 bij de dagvaarding) namens [eiser] aansprakelijk zijn gesteld voor alle schade, indien de rechter uiteindelijk tot het oordeel mocht komen dat sprake is van nietige overeenkomsten.

5.24.

Het in hoofdsom toewijsbare bedrag is echter samengesteld uit verscheidene posten over vrijwel de gehele periode van 2005 tot en met 2014, namelijk:
(1) proceskostenveroordelingen van [eiser] in respectievelijk een kortgeding-vonnis van de rechtbank [woonplaats 2] van 22 april 2005, een bodemvonnis van dezelfde rechtbank van 18 maart 2009 (in conventie) en het arrest van het gerechtshof Arnhem van 19 april 2011, en uit (2) een groot aantal declaraties van de advocaat van [eiser] over de gehele periode van 2005 tot en met 2014.
5.25. Gezien deze gegevens zal de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente over het gehele bedrag van € 184.951,06 naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op 19 april 2011, zijnde de datum van het eindarrest van het hof, waarbij de nietigheid der overeenkomsten onherroepelijk werd vastgesteld.

Proceskosten
5.26. Omdat de vordering voor het overgrote deel wordt afgewezen dient [eiser] als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de proceskosten.

6
6. De beslissing

De rechtbank:

I. Veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen € 184.951,06, te vermeerderen met de wettelijk rente over dat bedrag van 19 april 2011 tot de dag der voldoening.

II. Veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagden] tot deze uitspraak begroot op € 1.614,80 voor verschotten (dagvaarding en vast recht) en op € 6.422,- voor salaris van hun advocaat (Tarief VIII, twee punten).

III. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Hangelbroek, Van der Veer en Bottenberg – van Ommeren, en op woensdag 8 juli 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.