Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3665

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
C/08/156882 / HA ZA 14-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid bestuurder. Onrechtmatige daad.

In deze zaak gaat het om de vraag of sprake is van benadeling van eiseres als schuldeiser van gefailleerde, waarvan gedaagden (middellijk) bestuurders waren.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of gedaagden uit hoofde van artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schuld van gefailleerde aan eiseres.

Voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder wegens het voortzetten van een onderneming en het dientengevolge onbetaald blijven van schuldeisers kan slechts aanleiding zijn in uitzonderlijke omstandigheden. Deze hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat aan gedaagden persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken van de door hen indertijd gemaakte beoordeling van de financiële situatie en de door haar op grond van die inschatting gemaakte afwegingen. Van enige intentie om eiseres te benadelen is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0307
AR 2015/1453

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/156882 / HA ZA 14-286

Vonnis van 8 juli 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres]

advocaat mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

hierna afzonderlijk aan te duiden met [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] en gezamenlijk aan te duiden met: [gedaagde 1 c.s.] ,

advocaat mr. J.T. Stekelenburg te Holten (gemeente Rijssen-Holten).

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met productie;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties;

  • -

    de akte uitlating producties aan de zijde van [eiseres] .

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[gedaagde 1] is bestuurder geweest van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Allure Bouw B.V.

(hierna te noemen: Allure Bouw).

2.2

[gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] en is derhalve ook middellijk bestuurder van Allure Bouw geweest.

2.3

Uit de jaarrekening van Allure Bouw over het jaar 2011, die is vastgesteld op

30 november 2012 en bij de Kamer van Koophandel is gedeponeerd op 27 mei 2013, volgt dat in dat jaar sprake was van een negatief eigen vermogen van € 1.122.074,00 en een negatief werkkapitaal van € 1.921.970,00.

2.4

Bij vonnis van 3 juni 2013 heeft deze rechtbank, op eigen aangifte van [gedaagde 1] , Allure Bouw in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. F. Kolkman tot curator.

2.5

[eiseres] heeft eind 2012 en begin 2013 in opdracht en voor rekening van Allure Bouw diverse (aannemings)werkzaamheden verricht.

2.6

In verband met voornoemde werkzaamheden heeft [eiseres] in de periode van 4 december 2012 tot en met 28 mei 2013, derhalve voordat het faillissement van

Allure Bouw is uitgesproken, voor een totaalbedrag van € 115.904,94 aan facturen aan Allure Bouw verzonden.

Allure Bouw heeft die facturen onbetaald gelaten.

3 De standpunten van partijen

3.1

[eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

zal verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en hen hoofdelijk zal veroordelen om aan

[eiseres] te betalen alle schade voortvloeiend uit hun onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.

3.2

Bij conclusie van repliek geeft [eiseres] te kennen dat zij de grondslag van haar vordering vermeerdert, in die zin dat zij vordert te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , althans [gedaagde 1] , hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld.

3.3

Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij, in hun hoedanigheid van bestuurders van Allure Bouw, Allure Bouw verplichtingen hebben laten aangaan met [eiseres] terwijl zij wisten, althans behoorden te weten dat Allure Bouw die verplichtingen niet zou kunnen nakomen.

Volgens [eiseres] had [gedaagde 1 c.s.] haar moeten informeren over de slechte financiële positie van voornoemde onderneming.

Verder verwijt zij [gedaagde 1 c.s.] dat Allure Bouw de van [eiseres] ontvangen facturen onbetaald heeft gelaten, terwijl zij andere schuldeisers wel heeft betaald.

3.4

[gedaagde 1 c.s.] bestrijdt gemotiveerd dat zij jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens haar kan [gedaagde 2] als indirect bestuurder niet aansprakelijk worden gesteld. Verder stelt zij zich op het standpunt dat [gedaagde 1 c.s.] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Subsidiair betwist [gedaagde 1 c.s.] , bij gebrek aan wetenschap, de omvang van de vordering. Zij erkent dat een aantal facturen onbetaald is gebleven, maar voert in dat verband aan dat zij geen toegang heeft tot de administratie van Allure Bouw, zodat zij niet kan controleren of het de door [eiseres] genoemde facturen betreft.

Voor het geval de omvang van de vordering alsnog wordt aangetoond, betwist

[gedaagde 1 c.s.] dat zij gehouden is om deze aan [eiseres] te voldoen. Zij voert in dat verband aan dat zij zich, in het geval er geen faillissement was geweest, had beroepen op opschorting en verrekening wegens door [eiseres] ondeugdelijk verrichte werkzaamheden.

3.5

In reactie op de bij repliek ingestelde vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , althans [gedaagde 1] hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld, voert [gedaagde 1 c.s.] aan dat het volstrekt onduidelijk is wat [eiseres] nu precies vordert, althans hoe beide vorderingen zich tot elkaar verhouden. Volgens [gedaagde 1 c.s.] dient dat ertoe te leiden dat [eiseres] in haar vordering(en) niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans dat deze vordering(en) worden afgewezen.

3.6

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

In deze zaak gaat het om de vraag of sprake is van benadeling van [eiseres] als schuldeiser van Allure Bouw door het onbetaald blijven van haar facturen.

4.2

Ter beoordeling ligt voor de vraag of [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] uit hoofde van artikel 6:162 BW (jo. 2:11 BW) Burgerlijk Wetboek (BW) persoonlijk aansprakelijk kan/kunnen worden gehouden voor de schuld van Allure Bouw aan [eiseres] .

De rechtbank stelt in dat verband voorop dat, indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is alleen onder bijzondere omstandigheden, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een (indirect) bestuurder van de vennootschap.

Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld, waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken vennootschap ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is, dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (Hoge Raad 8 december 2006, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen)

en Hoge Raad 5 september 2014, NJ 2015, 21 en 22).

Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, maar er kunnen zich ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

4.3

Bij de beoordeling of een bestuurder jegens een specifieke schuldeiser van de vennootschap waarvan hij bestuurder is onrechtmatig heeft gehandeld in de hiervoor bedoelde zin, spelen alle omstandigheden van het geval een rol

(Hoge Raad 27 februari 2015, NJ 2015/240).

4.4

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) rust op [eiseres] , als degene die zich op de rechtsgevolgen beroept van het door haar gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde 1 c.s.] , de last om de feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.5

[eiseres] verwijt [gedaagde 1 c.s.] allereerst dat zij, op het moment waarop Allure Bouw de (onder)aannemingsovereenkomst(en) met [eiseres] sloot, wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat Allure Bouw haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

Zij voert in dat verband - onder meer - aan dat er blijkens de toelichting op de jaarrekening van 2009 al twijfels waren over de continuïteit van Allure Bouw alsmede dat uit de jaarstukken blijkt dat de vermogenspositie van Allure Bouw in de jaren daarna is verslechterd.

Verder wijst [eiseres] erop dat de jaarrekening van Allure Bouw over het jaar 2011 pas is gedeponeerd op 27 mei 2013, kort voor de eigen aangifte tot faillietverklaring. Volgens [eiseres] had deze jaarrekening uiterlijk op 31 januari 2013 gedeponeerd moeten zijn en leidt overschrijding van die termijn binnen het kader van het faillissement tot persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1 c.s.]

[eiseres] betoogt dat [gedaagde 1 c.s.] , door het niet tijdig deponeren van die jaarrekening, haar bewust de mogelijkheid heeft ontnomen om inzicht te krijgen in de financiële positie van Allure Bouw.

Zij voert - samengevat - aan dat uit die jaarrekening blijkt dat de vermogenspositie van Allure Bouw aan het einde van 2011 dusdanig slecht was dat Allure Bouw op dat moment al technisch failliet was alsmede dat zij, als zij inzage had gehad in de administratie en vermogenspositie van Allure Bouw, de opdrachten niet had aanvaard of daarvoor in ieder geval zekerheid had gevraagd.

[eiseres] verwijst ook nog naar pagina 8 van de als productie 4 aan de dagvaarding gehechte verslag van de curator, waarin valt te lezen dat de administratie van Allure Bouw geen getrouw beeld geeft van het vermogen in de jaren 2012 en 2013, omdat het onderhanden werk in die jaren niet is vastgesteld.

Verder stelt [eiseres] zich op het standpunt dat [gedaagde 1 c.s.] haar zowel bij het verstrekken van de opdrachten als daarna had moeten waarschuwen voor de slechte financiële positie van Allure Bouw, zodat zij haar werkzaamheden had kunnen staken en een retentierecht had kunnen uitoefenen. Daarnaast verwijt zij [gedaagde 1 c.s.] dat zij wel betalingen aan derden heeft verricht, terwijl zij de facturen van [eiseres] onbetaald heeft gelaten.

4.6

[gedaagde 1 c.s.] voert, samengevat, als verweer aan dat Allure Bouw bij haar bedrijfsvoering bijzonder veel last had van de crisis in de bouw, dat haar omzet in de jaren 2008, 2009 en 2010 daardoor fors is teruggelopen, dat zij in de loop der jaren allerlei maatregelen heeft genomen om het tij te keren en dat zij ten tijde van de opdrachten aan [eiseres] nog vertrouwen had in de toekomst.

Volgens [gedaagde 1 c.s.] bleek pas in mei 2013 dat Allure Bouw niet meer in staat was om haar hoofd boven water te houden en genoodzaakt was het faillissement aan te vragen.

Zij voert in dat verband aan dat Allure Bouw toen, tegen alle verwachtingen in, een rechtszaak had verloren en (ingevolge het vonnis van 24 april 203) per direct een bedrag van € 103.012,98, vermeerderd met rente en kosten moest voldoen. Verder voert zij aan dat de belastingdienst de toegezegde uitstelregeling eind mei 2013 alsnog had ingetrokken. Tot die tijd bankierde Allure Bouw, aldus [gedaagde 1 c.s.] , nog binnen de limiet van de bank en had zij zelfs nog kredietruimte.

[gedaagde 1 c.s.] betwist dat zij [eiseres] de financiële gegevens van Allure Bouw bewust heeft onthouden. Verder stelt zij zich op het standpunt dat zij niet gehouden was om [eiseres] te waarschuwen. Ook de door [eiseres] gestelde selectieve betalingen worden door [gedaagde 1 c.s.] betwist.

4.7

In het onderhavige geval staat tussen partijen vast dat [eiseres] eind 2012 en begin 2013 werkzaamheden voor Allure Bouw heeft verricht en dat die werkzaamheden in de periode van 4 december 2012 tot en met 28 mei 2013 aan Allure Bouw zijn gefactureerd.

Ook staat vast dat de omzet van Allure Bouw ten gevolge van de crisis in de bouw in de periode voor het faillissement fors is teruggelopen. Uit de jaarrekening van 2011, die is vastgesteld op 30 november 2012, blijkt dat Allure Bouw aan het einde van dat jaar een negatief eigen vermogen van € 1.122.074,00 en een negatief werkkapitaal van

€ 1.921.970,00 had.

De vraag ligt voor of die omstandigheden ertoe leiden dat [gedaagde 1 c.s.] als (indirect) bestuurder aansprakelijk is voor de door [eiseres] gestelde schade.

4.8

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.2 vermeld, kan voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder wegens het voortzetten van een onderneming en het dientengevolge onbetaald blijven van schuldeisers slechts aanleiding zijn in uitzonderlijke omstandigheden.

Deze hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (Hoge Raad 20 juni 2008, NJ 2009/21 en

Hoge Raad 5 september 2014, NJ 2015/22).

Inherent aan ondernemen is dat bij de bedrijfsvoering risico’s worden gelopen c.q. genomen. Dit brengt met zich dat de wetenschap van een (ook meer dan verwaarloosbaar) risico dat een bepaalde verplichting niet kan worden nog nagekomen, nog niet betekent dat de aansprakelijkheid van de bestuurder wordt aangenomen als dat risico zich vervolgens verwezenlijkt.

De omstandigheid dat bestuurders van ondernemingen worden geconfronteerd met vele onzekerheden en risico’s vereist dat hen een zekere bestuurs- en beleidsvrijheid wordt gelaten.

4.9

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen [eiseres] in deze procedure heeft gesteld ten aanzien van het aan [gedaagde 1 c.s.] persoonlijk te maken verwijt onvoldoende is om te komen tot de conclusie dat [gedaagde 1 c.s.] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken, op grond waarvan naast een eventuele aansprakelijkheid van Allure Bouw ook sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] als (indirect) bestuurder(s).

Zij zal dat hierna nader toelichten.

4.10

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de door [eiseres] gestelde wetenschap van [gedaagde 1 c.s.] moet worden uitgegaan van de situatie op het moment waarop Allure Bouw de opdrachten aan [eiseres] heeft verstrekt. Om die reden kunnen de jaarstukken van 2009, waarnaar [eiseres] verwijst, niet van doorslaggevend belang zijn. Hetzelfde geldt voor de stukken van 2012 en 2013, waarnaar in het door [eiseres] aangehaalde verslag van de curator wordt verwezen, omdat deze ten tijde van de opdrachten aan [eiseres] nog niet gereed waren en dus geen aanleiding kunnen zijn geweest voor de gestelde wetenschap van [gedaagde 1 c.s.]

4.11

[eiseres] heeft haar stelling dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid, omdat de jaarrekening niet tijdig is gedeponeerd, onvoldoende onderbouwd.

4.12

Uit de jaarstukken over het jaar 2011 volgt weliswaar dat Allure Bouw een negatief eigen vermogen en een negatief werkkapitaal had, maar op zichzelf rechtvaardigt dat niet de conclusie dat [gedaagde 1 c.s.] als bestuurder van Allure Bouw jegens de schuldeisers van laatstgenoemde onrechtmatig heeft gehandeld door nieuwe verplichtingen aan te gaan.

Gelet op het uitzonderlijke karakter van de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders is het in zijn algemeenheid niet voldoende dat een bestuurder ten tijde van de opdracht met de mogelijkheid van een faillissement rekening diende te houden. Een noodlijdende onderneming zal in beginsel zo lang als mogelijk proberen het hoofd boven water te houden.

Het gaat er dan ook om dat de bestuurder ten tijde van het geven van de opdracht wist of had behoren te weten dat de vennootschap feitelijk geen overlevingskansen meer had.

In dat geval had het immers voor de hand gelegen om de ondernemingsactiviteiten te staken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat [gedaagde 1 c.s.] ten tijde van de gegeven opdracht(en) aan [eiseres] wist of had moeten begrijpen dat Allure Bouw feitelijk geen overlevingskansen meer had.

Het enkele feit dat de opdrachten enkele maanden voor de faillissementsdatum zijn geplaatst, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat zij wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de opdrachten onbetaald zouden blijven.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat Allure Bouw ten gevolge van de crisis in de bouw al enkele jaren een slechte vermogenspositie had en desondanks operationeel kon zijn.

Voorts heeft [gedaagde 1 c.s.] onbestreden gesteld dat Allure Bouw nog kredietruimte had, dat zij met de belastingdienst een uitstelregeling was overeengekomen en dat Allure Bouw tot vlak voor de faillissementsaanvraag nog in onderhandeling was met investeerders en de ING Bank om haar kredietmogelijkheden uit te breiden en zodoende een eventueel faillissement af te wenden.

Daarbij komt dat Allure Bouw bij het uitoefenen van haar kernactiviteiten afhankelijk was van onderaannemers zoals [eiseres] , zodat zij, als zij zou stoppen met het inschakelen van onderaannemers, automatisch ook haar bedrijfsvoering zou moeten staken. In haar pogingen om het hoofd boven water te houden, was het inschakelen van onderaannemers derhalve noodzakelijk.

4.13

De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat [gedaagde 1 c.s.] haar hadden moeten waarschuwen voor de slechte financiële positie van Allure Bouw.

[gedaagde 1 c.s.] heeft als bestuurder van het noodlijdende Allure Bouw geprobeerd het hoofd boven water te houden. In die situatie kan niet worden verwacht dat zij crediteuren van Allure Bouw waarschuwt. [gedaagde 1 c.s.] wijst er terecht op dat het waarschuwen van crediteuren in zo’n situatie een averechts effect zou hebben gehad, waardoor de kans op overleven bij voorbaat zou zijn verkeken.

Dat [gedaagde 1 c.s.] de fiscus wel heeft geïnformeerd over de slechte financiële positie van Allure Bouw, kan haar niet worden tegengeworpen, omdat zij daarmee invulling heeft gegeven aan de op grond van artikel 36 lid 2 van de Invorderingswet op haar rustende plicht om tijdig betalingsonmacht te melden.

4.14

Ten aanzien van het standpunt van [eiseres] dat Allure Bouw selectieve betalingen heeft verricht, overweegt de rechtbank dat het een bestuurder in beginsel vrij staat om op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan.

Een bestuurder van een vennootschap kan onrechtmatig handelen door voorafgaand aan het faillissement bij besteding van de baten van de vennootschap geen rekening te houden met de (voor)rechten van haar crediteuren. Gesteld noch gebleken is dat dit ten tijde van de onderhavige betaling het geval was. Bovendien zal de bestuurder die weet of moet weten dat het faillissement onafwendbaar is, onrechtmatig handelen indien voor de selectieve betaling geen rechtvaardiging is te geven. De rechtbank acht in dit geval zo’n rechtvaardiging aanwezig, nu Allure Bouw moest voldoen aan een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis en aldus een faillissement beoogde te voorkomen.

4.15

Gezien bovenstaande omstandigheden concludeert de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat aan [gedaagde 1 c.s.] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken van de door haar indertijd gemaakte beoordeling van de financiële situatie en de door haar op grond van die inschatting gemaakte afwegingen.

Van enige intentie om [eiseres] te benadelen is niet gebleken.

4.16

[eiseres] heeft aangeboden haar stellingen te bewijzen. Dat bewijsaanbod zal worden gepasseerd, omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat door haar gestelde feiten (indien bewezen) onvoldoende zijn om te kunnen concluderen tot bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde 1 c.s.]

4.17

Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , als bestuurders van

Allure Bouw, persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de benadeling van [eiseres] , zijn zij niet persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden ten gevolge van het onbetaald blijven van haar facturen.

De vordering tot verklaring voor recht dat [gedaagde 1 c.s.] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, en in verband daarmee de vordering tot veroordeling van [gedaagde 1 c.s.] tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade, op te maken bij staat, zullen worden afgewezen.

4.18

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.2 vermeld, heeft [eiseres] bij conclusie van repliek te kennen gegeven de grondslag van haar vordering aan te vullen, in die zin dat zij vordert dat de rechtbank zal verklaren voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , althans [gedaagde 1] hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld.

Nu [eiseres] kennelijk het petitum wil aanvullen, is er - anders dan door [eiseres] wordt vermeld - geen sprake van een aanvulling van de grondslag, maar van een eiswijziging. De rechtbank is met [gedaagde 1 c.s.] van oordeel dat [eiseres] deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Onduidelijk is waarop zij daarmee doelt en wat zij daarmee beoogt. De gevorderde verklaring voor recht zal om die reden eveneens worden afgewezen.

4.19

[eiseres] zal, als de in het ongelijk gesteld partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [gedaagde 1 c.s.] worden begroot op € 608,00 aan griffierecht en

€ 2.842,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief V ad € 1.421,00 per punt).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

wijst de vorderingen af;

5.2

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde 1 c.s.] begroot op € 608,00 voor griffierecht en op € 2.842,00 voor salaris van haar advocaat;

verklaart dit vonnis, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Smit en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2015.