Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3651

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
C/08/172202 / KG ZA 15-188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering ex 3:174 BW.

Afwijzing vordering uitsluitend gebruik woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/172202 / KG ZA 15-188

Vonnis in kort geding van 22 juli 2015

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.A. Schuring te Almelo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. Sleeswijk Visser te Nijverdal.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door de vrouw ingebrachte productie

  • -

    de door de man ingebrachte producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de vrouw

  • -

    de pleitnota van de man

  • -

    de aanhouding ten behoeve van partijonderhandelingen

  • -

    de brief van 6 juli 2015 van de vrouw

  • -

    de brief van 7 juli 2015 van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn voormalig echtelieden. Bij wijze van voorlopige voorziening gedurende de echtscheidingsprocedure heeft deze rechtbank bij beschikking van

10 juni 2014 (zaaknummer C/08/154009 / ES RK 14-766) bepaald dat de man, bij uitsluiting van de vrouw, bevoegd is om gedurende de echtscheidingsprocedure de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] te gebruiken.

2.2.

De echtscheiding tussen partijen is bij beschikking van [datum] (zaaknummer C/08/150467 / ES RK 14-119) uitgesproken en op 8 oktober 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

In de echtscheidingsbeschikking is partijen bevolen om met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, waartoe ook de echtelijke woning behoort. Tevens is de vordering van de man tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning toegewezen, nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd.

2.4.

De man verblijft sinds de voorlopige voorziening in de echtelijke woning, die te koop staat voor € 190.000,--. De man betaalde alle woon- en gebruikslasten.

2.5.

De man heeft kenbaar gemaakt dat hij vanwege een wijziging in zijn inkomen niet langer in staat is om de woon- en gebruikslasten van de woning te voldoen naast de partneralimentatie.

2.6.

Teneinde de betaling van de alimentatie door de man veilig te stellen heeft de vrouw het LBIO ingeschakeld om de alimentatie te incasseren.

2.7.

De man heeft op 23 juni 2015 een verzoekschrift tot wijzing van de alimentatie ingediend.

2.8.

Er is inmiddels een achterstand ter zake de hypothecaire lasten ontstaan, waardoor een BKR-registratie dreigt voor partijen. Ter voorkoming van een dergelijke registratie heeft de vrouw één maand van de ontstane betalingsachterstand voldaan.

2.9.

Om de woon- en gebruikslasten van de woning te kunnen blijven betalen heeft de vrouw voorgesteld de woning in het kader van de Leegstandswet te verhuren. Als alternatief heeft de vrouw aan de man voorgesteld dat zij in de woning zal verblijven totdat deze is verkocht.

2.10.

De man wenst noch aan verhuur noch aan verblijf van de vrouw in de woning mee te werken. Vanwege deze weigerachtige houding heeft de vrouw zich genoodzaakt gezien om dit kort geding te entameren.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert:

primair:

I. de vrouw te machtigen ex artikel 3:174 BW tot het verhuren van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ;

II. de vrouw te machtigen alles te mogen doen wat noodzakelijk is voor de verhuur van de onder punt I genoemde onroerende zaak, met bepaling dat het in dezen te wijzen vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van de man tot het in verhuur geven van het onroerend goed bij de makelaar, alsmede te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of handtekening van de man;

III. de man te veroordelen om de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen en ontruimd te houden binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag;

IV. de man te veroordelen in de kosten van dit geding;

subsidiair:

I. te bepalen dat de vrouw, met uitzondering van de man, het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] zal hebben totdat de woning is verkocht en geleverd aan een derde, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

II. de man te veroordelen om de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen en ontruimd te houden binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag;

III. de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat de man de gemeenschap benadeelt door een achterstand te laten ontstaan in de betaling van de hypotheeklasten rustend op de voormalige echtelijke woning. Partijen zijn overeengekomen dat de man de hypothecaire lasten draagt en bij het berekenen van de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie is daarmee volgens de vrouw ook rekening gehouden. Door de ontstane betalingsachterstand dreigt voor partijen een BKR-registratie en dreigt de hypotheekhouder tot openbare verkoop van de woning over te gaan. In dat geval zal de gemeenschap worden benadeeld door de veelal lage verkoopopbrengst bij een openbare verkoop. De vrouw stelt dat de makelaar inmiddels huurders heeft gevonden voor de woning, die de woning in het kader van de Leegstandswet kunnen betrekken. De huuropbrengsten kunnen worden aangewend ter voldoening van de hypothecaire lasten. Volgens de vrouw heeft de hypotheekhouder met de verhuur ingestemd. De man weigert echter zijn medewerking te verlenen aan verhuur van de woning, aldus de vrouw. Evenmin heeft de man volgens de vrouw gereageerd op haar voorstel om zelf de woning te betrekken, aangezien de vrouw wel in staat is de hypothecaire- en gebruikerslasten te betalen.

3.3.

De man voert verweer. Hij betwist het bestaan van een spoedeisend belang, aangezien hij een verzoek tot het wijzingen van de alimentatie heeft ingediend en een beslissing daarop ertoe zal leiden dat hij zowel de hypotheeklasten als de nieuw vast te stellen alimentatie kan voldoen. De man is bereid om in afwachting van de beslissing in de alimentatiezaak de door hem nieuw becijferde alimentatie naast de hypotheeklasten te voldoen. De man stelt dat hij door een wijziging in zijn inkomen, niet langer in staat is om zowel de bij de echtscheidingsbeschikking vastgestelde partneralimentatie- als de hypotheeklasten te voldoen. Hoewel de man de vrouw er meerdere keren op heeft gewezen dat het niet mee willen werken aan verlaging van de alimentatie ertoe zou leiden dat de man zijn betalingsverplichtingen niet meer zou kunnen voldoen, is de vrouw ertoe overgegaan de alimentatie te laten incasseren en is zij haar medewerking aan verlaging van de alimentatie blijven weigeren, aldus de man. Het verhuren van de woning, zoals de vrouw voorstelt, zal volgens de man voor hem niet leiden tot een lastenvermindering. Hij zal immers een woning moeten huren, terwijl de huur niet fiscaal aftrekbaar is en de hypotheekrente wel. De man ontkent bij gebrek aan wetenschap dat, zoals de vrouw stelt, de hypotheekhouder heeft ingestemd met verhuur in het kader van de Leegstandswet. De vrouw heeft niet aangetoond dat de bank toestemming heeft gegeven voor verhuur van de woning. Partijen hebben volgens de man dan ook te maken met het verbod tot verhuur van de woning, zoals neergelegd in de voorwaarden van de hypothecaire geldlening. De vorderingen van de vrouw vinden bovendien geen grondslag in de wet, onder meer omdat de vrouw haar vordering baseert op 3:174 BW, dat volgens de man enkel strekt tot verkoop en niet tot verhuur van een goed. Tot slot stelt de man nog dat in het geval van toewijzing van de primaire dan wel subsidiaire vordering, de gevorderde ontruimingstijd te kort is en de gevorderde dwangsom onredelijk hoog. Nu de vrouw dwars ligt en kennelijk bewust op de onderhavige procedure heeft aangestuurd, dient zij volgens de man te worden veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. De vrouw heeft immers onweersproken gesteld dat de man de hypotheeklasten van de woning niet meer betaalt, waardoor BKR-registratie en openbare verkoop door de hypotheekhouder dreigen. Het is de voorzieningenrechter voorts ambtshalve bekend – zoals hij partijen overigens ter zitting ook heeft voorgehouden – dat op het door de man ingediende verzoekschrift tot vermindering van de aan de vrouw te betalen alimentatie (nota bene gedateerd 22 juni 2015, derhalve een dag vóór de behandeling van dit kort geding) op zijn vroegst eind 2015 door deze rechtbank zal kunnen worden beslist. De vrouw kan derhalve worden ontvangen in haar vorderingen.

4.2.

Het primair door de vrouw gevorderde zal worden afgewezen en wel hierom. De man heeft onweersproken gesteld dat de hypotheekhouder geen toestemming heeft verleend tot verhuur, terwijl de vrouw geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit de instemming van de hypotheekhouder zou kunnen blijken. Onder dergelijke omstandigheden kan binnen het bestek van deze voorziening geen sprake zijn van een machtiging van de vrouw om over te gaan tot verhuur van de woning van partijen, te meer nu de voorzieningenrechter onvoldoende concreet is ingelicht over de nieuwe potentiële huurder(s) die er volgens de vrouw zou(den) zijn.

4.3.

Het subsidiair door de vrouw gevorderde zal eveneens worden afgewezen. De man heeft onweersproken gesteld dat deze vordering van de vrouw geen grondslag vindt in de wet, terwijl de vrouw verder ook geen grondslag heeft aangevoerd. Van enige grondslag is de voorzieningenrechter ambtshalve voorts niet gebleken.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat het te betreuren is dat partijen de voorlopige regeling die zij ter zitting hebben getroffen, niet gestand hebben weten te doen. Hierin lijken overigens de advocaten van partijen blijkens hun brieven van

6 en 7 juli 2015 eveneens een aandeel te hebben, waarbij irritaties over de gang van zaken in de communicatie blijkbaar de overhand hebben gekregen.

4.5.

Het zou te prijzen zijn wanneer partijen, maar toch in ieder geval hun advocaten, zich over deze irritaties heen zouden kunnen zetten en met elkaar weer de dialoog zouden zoeken om een oplossing te vinden die in hun beider belang is. De voorzieningenrechter heeft partijen in dat kader reeds ter zitting voorgehouden en houdt partijen ook nu weer nadrukkelijk voor dat de geldbedragen, die gemoeid zijn met deze procedure en de procedure die de man nu weer aanhangig heeft gemaakt om vermindering van zijn alimentatieplicht aan de vrouw te bewerkstelligen, beter besteed hadden kunnen worden aan het betalen van de hypotheeklasten.

4.6.

Gelet op de omstandigheid dat partijen voormalig echtelieden zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: coll: