Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3634

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
AWB 15/150
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op bezwaar tegen opgelegde last onder dwangsom vanwege geplaatste bijgebouwen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/150

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geding tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser ,

gemachtigde: mr. D. Schilstra,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats] ,

gemachtigde: ing. E.J.M. Zandbelt.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser als eigenaar van het perceel [adres] te [plaats] , onder oplegging van een dwangsom, gelast om vóór 1 september 2014 de op gronden met de bestemming “tuin” geplaatste kas (bijgebouw 1) te slopen en gesloopt te houden, de binnen de bestemming “wonen-buitengebied” gerealiseerde bijgebouwen (bijgebouw 2 en 3) te slopen en gesloopt te houden dan wel te veranderen tot hetgeen vergunningsvrij is toegestaan, alsmede het gebruik van bijgebouw 3 ten behoeve van bedrijfsactiviteiten voor [bedrijf] te staken en gestaakt te houden.

Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2015.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede de door eiser als deskundige meegebrachte K. van den Akker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .

Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft op 30 december 2008 het perceel met opstallen aan de [adres] te [plaats] in eigendom verkregen. Op genoemd perceel bevinden zich de onder procesverloop genoemde bijgebouwen 2 en 3. Het eveneens genoemde bijgebouw 1 is inmiddels verwijderd en verplaatst naar de achterzijde van de woning.

Door verweerder is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, welke voor zover thans nog van belang, ziet op bijgebouw 2 en bijgebouw 3. Na door eiser gemaakt bezwaar is deze last in het bestreden besluit gehandhaafd.

Bijgebouw 2 betreft een aan de zuidoostzijde van de woning gelegen kapschuur met garage, met aan beide zijden een overdekt terras. Eiser heeft de constructie van dit bijgebouw vervangen en de wanden opnieuw geplaatst.

Bijgebouw 3 is gelegen aan de zuid/zuidwestzijde van de woning heeft een oppervlakte van circa 121m2. Niet in geschil is dat voor (een deel van) dit laatste bijgebouw in 1993 een bouwvergunning is verleend. Evenmin is in geschil dat de goothoogte van de entree hoger is dan toegestaan. Dit bijgebouw wordt onder meer als kantoorruimte gebruikt. Eiser beschikt daarnaast over een vergunning voor bed&breakfastfaciliteiten.

Eiser heeft de rechtbank ter ondersteuning van zijn beroep bij zijn aanvullend beroepschrift een rapportage van 11 februari 2015 van Van den Akker Bouwkosten Consultancy b.v. doen toekomen

2. Tussen partijen is in geschil of verweerder bevoegd was eiser een last onder dwangsom op te leggen. Daarbij spitst het geding zich ten aanzien van bijgebouw 2 toe op de vraag of voor dit gebouw in het verleden een vergunning is verleend en of en in hoeverre dit gebouw onder het overgangsrecht kan vallen. Tevens is de vraag aan de orde of legalisatie mogelijk is.

Ten aanzien van bijgebouw 3 spitst het geding zich toe op de vraag welke oppervlakte bij de in 1993 verleende bouwvergunning is verleend en of het gebruik voor het aan huis verbonden beroep tezamen met de vergunde bed & breakfast-activiteiten meer dan 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte bedraagt.

3. Eiser voert, onder verwijzing naar de rapportage van Van Den Akker, aan dat bijgebouw 2 even oud is als het uit 1928 daterende hoofdgebouw en dat er nadien verschillende aanpassingen aan het object zijn uitgevoerd. Eiser stelt slechts de constructie te hebben vervangen en de wanden opnieuw geplaatst te hebben. Eiser bestrijdt dat maatvoering van dit bijgebouw bij het in eigendom verkrijgen in 2008, slechts 8 x 4 meter (32 m2) bedroeg. In dat verband wijst eiser er op dat de breedte blijkens de bouwtekening 20130617.2 van TTM Bouwkundig Tekenbureau van 27 augustus 2014, reeds 4,5 meter bedroeg en dat de oude houten kolommen nog zichtbaar zijn in de betonvloer. Eiser stelt dat verweerder niet onomstotelijk kan aantonen dat er ten tijde van de aankoop slechts 32m2 bebouwd was, nu verweerder geen in het verleden verstrekte vergunningen in het archief heeft.

Ook ten aanzien van de maatvoering van bijgebouw 3 stelt eiser dat deze ongewijzigd is gebleven en dat slechts de verouderde en grotendeels vergane materialen zijn vervangen en de gevelbekleding intact is gelaten. Eiser stelt dat verweerder indien men ter plekke een inspectie had gedaan had kunnen constateren dat de oude fundering intact is gebleven en niet is uitgebreid. Tevens stelt eiser dat de schaalverdeling en maatvoering op de bouwtekening bij de op 13 juli 1993 verleende bouwvergunning voor de “Bouw van een garage c.q. schuur die als bouwpakket geleverd wordt” niet overeenstemmen en dat het er voor moet worden gehouden dat een vergunning is verleend voor een oppervlakte van 112m2 (16 x 7 meter).

Tenslotte voert eiser ten aanzien van legalisatiemogelijkheden voor het gebruik van bijgebouw 3 ten behoeve van zijn bedrijf aan dat de totale oppervlakte aan nevenactiviteiten niet meer bedraagt dan 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte uitgaat van een totaal oppervlak aan legale bebouwing van 948m2 waarvan 410m2 zou moeten worden aangemerkt als bed & breakfast.

Eiser stelt dat de oppervlakte van de woning, bijgebouw 2, bijgebouw 3 en de vergunningsvrije bouwwerken totaal 963,9m2 bedraagt, waarvan het binnen de woning gelegen deel van de bed & breakfast volgens eiser slechts 191,2m2 bedraagt. Daarnaast wordt in het rapport van Van den Akker betwist dat er een bedrijfsgedeelte in bijgebouw 3 aanwezig is, waardoor het totaal aan nevenactiviteiten niet meer dan 35% van de oppervlakte zou innemen, maar slechts 20%.

Verweerder stelt zich kort weergegeven op het standpunt dat voor bijgebouw 2 nimmer een bouwvergunning is afgegeven en derhalve niet onder het overgangsrecht valt omdat het geen bestaande legaal bouwwerk betreft. Voorts is aangegeven dat dit evenmin kan worden gelegaliseerd omdat ten behoeve van gebouw 3 in 1993 een vergunning is afgegeven voor 96m2 en de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland (hierna: de beheersverordening) slechts een totaal oppervlak aan bijgebouwen toestaat van 100m2. Daarnaast stelt verweerder dat eiser bijgebouw 3 zonder omgevingsvergunning heeft uitgebreid en dat ook die uitbreiding niet kan worden gelegaliseerd, omdat daarmee eveneens het totaal oppervlak aan toegestane bijgebouwen zal worden overschreden.

Tevens stelt verweerder dat het totaal oppervlak aan nevenactiviteiten meer dan 35% bedraagt.

4. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid van genoemde bepaling wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitoefent.

Ingevolge artikel 5:31d van de Awb wordt onder een last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is het (voor zover hier van belang) verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

(……..)

c. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.3, aanhef en onder b van die wet is het (voor zover hier van belang) verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de wet.

De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of het handelen ter zake waarvan een dwangsom wordt opgelegd, in strijd is met een wettelijk voorschrift.

Krachtens de beheersverordening rust op genoemd perceel de bestemming “wonen-buitengebied”. Ingevolge artikel 25.1.1. van de beheersverordening zijn de gronden met die bestemming, voor zover hier van belang, bestemd voor:

a. wonen;

met daaraan ondergeschikt:

1. …

2. …

3. kleinschalige bedrijvigheid, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – kleinschalige bedrijvigheid”;

4. een bed and breakfast, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “bed and breakfast”.

5. …

6. …

7. …

8. …

Ingevolge artikel 25.2.3, aanhef en onder a, van de beheersverordening mag de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van botenhuizen en carports, bij een bestaand bouwperceel vanaf 2.500m2, zoals hier aan de orde, maximaal 100m2 bedragen dan wel maximaal de bestaande oppervlakte.

Op grond van het bepaalde in artikel 25.5.1 a, aanhef en onder 3, van de beheersverordening mag de totale oppervlakte aan nevenactiviteiten niet meer bedragen dan 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte tezamen.

Op grond van het bepaalde in artikel 39, eerste lid onder a, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van de beheersverordening, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2 na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Op grond van het bepaalde in artikel 39, eerste lid onder c, van de beheersverordening is het overgangsrecht niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Niet in geschil is dat de totale oppervlakte aan bijgebouwen meer dan 100m2 bedraagt.

5.1

Bijgebouw 2

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat voor bijgebouw 2 in het verleden een bouwvergunning is afgegeven en dat ook overigens niet is aangetoond dat dit bouwwerk onder het overgangsrecht van artikel 39 valt. Zoals ook is weergegeven in de door eiser overgelegde “Rapportage bouwkundige aspecten verschil in zienswijze fam. [eiser] – gemeente Steenwijkerland” heeft eiser immers de gehele constructie van dit gebouw vervangen en de wanden opnieuw geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat daarbij geen sprake is van het slechts gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, zoals bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder a, aanhef en onder 1. Evenmin is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onder 2.

Verweerde was derhalve bevoegd om in beginsel handhavend op te treden ten aanzien van dit bouwwerk.

5.2

Bijgebouw 3

Ten aanzien van bijgebouw 3 is tussen partijen niet in geschil dat hiervoor in 1993 een bouwvergunning is verleend. Nu zowel de aanvraag, als de op de bouwtekening aangegeven maatvoering (16 x 5 meter) uitgaat van een oppervlakte van 80 m2 is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van een verleende vergunning voor 96m2 (80m2 + 16m2 aan overstek). Dat de weergave op schaal hier van afwijkt maakt dat niet anders. Voor zover thans sprake is van een bouwwerk van ca. 121m2 is dus sprake van een zonder omgevingsvergunning gerealiseerde uitbreiding. Verweerder was derhalve ook bevoegd om in beginsel handhavend op te treden ten aanzien van de uitbreiding van dit bouwwerk.

Ten aanzien van het gebruik van dit bouwwerk stelt de rechtbank vast dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat dit bijgebouw voor een belangrijk deel door eiser wordt gebruikt als kantoor, onder meer ten behoeve van zijn bedrijf [bedrijf] en de bed & breakfast. Niet in geschil is dat slechts 25m2 aan kantoorruimte is toegestaan. Blijkens de namens verweerder uitgevoerde lasermeting bedroeg de binnenmuurse oppervlakte van het kantoor alleen al op de begane grond 41,7 m2 (7,75 x 5,38). Reeds hierom is ook dit het gebruik als kantoor (deels) in strijd met de voorschriften en was verweerder bevoegd hier tegen op te treden.

5.3

Bijzondere omstandigheden

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dat kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Nu op grond van de beheersverordening slechts een totaal oppervlak aan bijgebouwen is toegestaan van 100m2 is gelet op de vergunde oppervlakte van 96m2 nog slechts ruimte voor een uitbreiding met 4m2. Daarmee staat voor zowel bouwwerk 2 als bouwwerk 3 vast dat legalisatie niet tot de mogelijkheden behoort, omdat dat tot overschrijding van het totaal oppervlak aan toegestane bijgebouwen zal leiden.

Ook ten aanzien van het gebruik als kantoorruimte is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerder er toe zouden moeten brengen om van het opleggen van de last onder dwangsom af te zien. In dat verband wijst de rechtbank er op dat het strijdige gebruik als kantoor, vanwege de aanwezigheid van mensen, gelet op de afstand tot het bedrijf van derde partij er toe zou leiden dat dat bedrijf zou worden belemmerd in zijn uitbreidingsmogelijkheden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen.

6. Het beroep is ongegrond

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.