Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3598

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
08.730474-14, 05.840829-14, 05.840723-14, 05.840724-14 en 05.131218-14 (gev.ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in een periode van nog geen jaar schuldig gemaakt aan zes strafbare feiten, te weten vernieling, bedreiging, diefstal met geweld, mishandeling, niet voldoen aan een ambtelijk bevel en geweldpleging in vereniging. Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 10 juni 2015 blijkt dat verdachte eerder een fors aantal geweldsdelicten, vermogensdelicten en drugs-gerelateerde delicten heeft gepleegd.

Verdachte dient als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden en legt aan hem de maatregel van TBS met voorwaarden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers:

08.730474-14, 05.840829-14, 05.840723-14, 05.840724-14 en 05.131218-14 (gev.ttz)

Datum vonnis: 28 juli 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] (Marokko),

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC)

in Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 april 2015 en 14 juli 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging (in de zaak met parketnummer 05.840724-14), ten laste gelegd dat:

08.730474-14

hij op een (of meer tijdstip(pen)) in of omstreeks de periode van 31 juli 2013 tot en met 2 juni 2014, in de gemeente Deventer, opzettelijk mishandelend zijn (toenmalig) levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1] , stelselmatig heeft mishandeld, bestaande uit

- het (met kracht) slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht en/of het (gehele) lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het (met kracht) trappen en/of schoppen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- bij de keel/hals vastpakken van die [slachtoffer 1] en of

- het slaan van/met een riem en/of een pen en/of een stok en/althans een (of meer) voorwerp(en) in/op/tegen het (gehele) lichaam van die [slachtoffer 1] , waardoor deze [slachtoffer 1] (telkens) letsel (diverse blauwe plekken) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

05.840829-14

1.

hij op of omstreeks 20 september 2014, in de gemeente Apeldoorn, opzettelijk en wederrechtelijk (de spiegel van) een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

2.

hij op of omstreeks 20 september 2014, in de gemeente Apeldoorn, een persoon genaamd [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend ten overstaan van die [slachtoffer 3] , in elk geval zichtbaar voor die [slachtoffer 3] met zijn hand(en) een of meer snijdende beweging(en) over en/althans langs zijn, verdachtes, keel/halsstreek gemaakt.

3.

hij op of omstreeks 17 oktober 2014, in de gemeente Apeldoorn, op de openbare weg, het Marktplein, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, (merk Apple, type I-phone) in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij heeft getracht bedoelde telefoon uit de jaszak, althans kleding van die [slachtoffer 4] te pakken en (vervolgens) die [slachtoffer 4] met kracht in het gezicht en althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of

(vervolgens) bedoelde telefoon uit de jaszak, althans de kleding van de in de (onmiddellijke) nabijheid van die [slachtoffer 4] zich bevindende [getuige 1] heeft weggenomen;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 17 oktober 2014, in de gemeente Apeldoorn, [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] in het gezicht en/althans tegen liet hoofd te stompen en/of te slaan;

en/of

dat hij op of omstreeks 17 oktober 2014,in de gemeente Apeldoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Apple, type
I-phone) , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

05.840723-14

hij op of omstreeks 28 juni 2014 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 5] ), - terwijl die [slachtoffer 5] , rijdend op een fiets, de verdachte wilde passeren -

met kracht een zogenaamde schouderduw tegen de bovenarm gaf, althans met kracht met de schouder tegen de bovenarm van die [slachtoffer 5] duwde, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 5] met haar fiets ten val kwam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

05.840724-14

hij op of omstreeks 10 augustus 2014 te Apeldoorn, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering te weten een gebiedsontzegging, opgelegd of gedaan krachtens artikel 2.4.10a eerste lid van de Algemeen Plaatselijke Verordening 2006 van de gemeente Apeldoorn, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, door de burgemeester van de gemeente Apeldoorn, (in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid,)

inhoudende:

dat hij, verdachte, zich gedurende de periode van zaterdag 9 augustus 2014 om 06:00 uur tot zondag 10 augustus 2014 om 06:00 uur, niet zal begeven in het horecagebied en/of uitgaansgebied van de gemeente Apeldoorn,

immers heeft hij, verdachte, zich op 10 augustus 2014 op of omstreeks 01:38 uur opzettelijk bevonden en/of opgehouden op of aan de Hoofdstraat, ter hoogte van de kruising met de Paslaan, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied.

05.131218-14

hij op of omstreeks 1 mei 2014 te Apeldoorn met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, op, of aan De Kil, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [slachtoffer 6] , welk geweld bestond uit het meermalen krachtig slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] en/of het meermalen, althans eenmaal slaan met een knuppel, althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] ;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 1 mei 2014 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 6] ), meermalen, althans eenmaal, (telkens met kracht) op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 De voorvragen

De raadsman heeft ten aanzien van hetgeen onder 3 subsidiair ten laste is gelegd op de dagvaarding met parketnummer 05.840829-14 betoogd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard, nu deze innerlijk tegenstrijdig is door geen keuze te maken tussen de cumulatieve of alternatieve tenlastelegging. Het is niet duidelijk of de verdediging nu tegen het één of het ander gevoerd moet worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman. Naar het oordeel van de rechtbank is de tenlastelegging, mede ook in samenhang bezien met hetgeen primair ten laste is gelegd en het dossier, voldoende duidelijk.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

08.730474-14

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] in de ten laste gelegde periode meermalen heeft mishandeld. De verklaring van [slachtoffer 1] vindt volgens de officier van justitie voldoende steun in de verklaring van getuige [getuige 2] en de zus van aangeefster, die beiden letsel bij haar hebben waargenomen. De buurvrouw van aangeefster heeft bovendien veelvuldig geschreeuw en gescheld uit haar flat horen komen.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van aangeefster van 1 augustus 2013 niet kan worden gebruikt voor het bewijs, onder meer omdat geen sprake zou zijn van een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal. Bovendien vinden de verklaringen van [slachtoffer 1] onvoldoende steun in ander bewijsmateriaal, aldus de raadsman.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

In het dossier bevindt zich een verhoor van [slachtoffer 1] van 2 juni 2014. Zij heeft toen verklaard dat zij in het verleden een relatie met verdachte heeft gehad en in de periode van 31 juli 2013 tot en met eind mei 2014 veelvuldig door hem is mishandeld. Zij verwijst in haar verklaring naar een eerder door haar gedane aangifte van 1 augustus 2013, waarvan zich een niet getekende uitdraai in het dossier bevindt.

Verdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] in haar verklaring van 2 juni 2014 slechts in algemene termen heeft verklaard over de mishandelingen door verdachte. Alleen over wat op 31 juli 2013 zou zijn gebeurd en een mishandeling die in mei op haar werk zou hebben plaatsgevonden heeft zij een meer concrete verklaring afgelegd.

De getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben weliswaar verklaard over letsel dat zij bij [slachtoffer 1] hebben waargenomen, doch de rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is geworden dat het letsel dat zij hebben waargenomen kan worden gerelateerd aan de mishandelingen waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] onvoldoende concrete steun vinden in ander bewijsmateriaal, zodat zij verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde op de dagvaarding met parketnummer 08.730474-14, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

05.840829-14

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht de onder 1 ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend te bewijzen gelet op de bekennende verklaring van verdachte. De onder 2 ten laste gelegde bedreiging kan volgens de officier van justitie, ondanks de ontkenning van verdachte, wettig en overtuigend worden bewezen op grond van de aangifte van [slachtoffer 3] en de getuigenverklaring van [getuige 4] . Ook de onder 3 primair ten laste gelegde diefstal met geweld acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen op basis van de aangifte en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 5] . De officier van justitie is van oordeel dat het jegens [slachtoffer 4] uitgeoefende geweld tot doel had om de diefstal van de telefoon mogelijk te maken.

Wat betreft het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman geen verweer gevoerd. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. Verdachte heeft dit feit immers ontkend en heeft aangeefster in het geheel niet waargenomen. Mogelijk hebben aangeefster en haar vriend bewegingen van verdachte verkeerd opgevat, maar hij heeft geen opzet gehad om [slachtoffer 3] te bedreigen.

De raadsman van verdachte heeft eveneens vrijspraak bepleit van hetgeen onder 3 primair ten laste is gelegd, nu de telefoon niet bij [slachtoffer 4] is weggenomen en jegens [getuige 1] geen geweld is gepleegd om [slachtoffer 4] tot afgifte te bewegen.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Feit 1

Verdachte heeft bekend dat hij op 20 september 2014 uit woede de autospiegel van de auto van [slachtoffer 2] heeft afgeschopt.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank acht gelet op de aangifte van [slachtoffer 2] , de verklaring van [slachtoffer 3] en de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Feit 2

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij, nadat zij zag dat verdachte een spiegel van een auto kapot trapte, de politie heeft gebeld. Zij zat op dat moment samen met haar vriend [getuige 4] en haar dochtertje in de auto. Ze heeft verklaard dat, toen ze de politie belde, verdachte naar haar keek en een snijdende beweging langs zijn hals maakte. Hij zei daarbij woorden als: “Kom maar op dan, kom maar uit, kuthoer”. Aangeefster voelde zich hierdoor bedreigd.

[getuige 4] heeft ook verklaard dat de man die de spiegel had vernield in hun richting keek toen aangeefster de politie belde. Hij zag ook dat de man een snijdende beweging langs zijn hals maakte en zei: “Kom uit de auto, kuthoer”.

Verdachte heeft bij de politie en op de terechtzitting de bedreiging ontkend. Hij heeft verklaard dat hij aangeefster niet heeft gezien. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij wel “kuthoer” heeft gezegd, maar dat hij daar [naam 1] mee bedoelde.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde op grond van de aangifte van [slachtoffer 3] en de verklaring van [getuige 4] wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van verdachte dat hij aangeefster niet heeft gezien, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Zowel [slachtoffer 3] als [getuige 4] hebben verklaard dat verdachte naar aangeefster keek en haar “kuthoer” noemde.

Feit 3

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 17 oktober met een groepje stond te praten, waaronder ook verdachte. Aangever heeft verklaard dat verdachte vervelend was en telkens zijn nieuwe I-phone probeerde af te pakken. Op een gegeven moment heeft aangever tegen verdachte gezegd dat hij moest opdonderen. Hij kreeg vervolgens een klap van verdachte in zijn gezicht. Hij kwam hierdoor ten val en had pijn aan zijn mond. Zijn mobiele telefoon had hij aan [getuige 1] gegeven en hij zag dat verdachte de telefoon vervolgens uit de jaszak van [getuige 1] pakte.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij met onder andere aangever stond te praten toen verdachte bij hen kwam staan. Verdachte was volgens [getuige 1] met aangever aan het ouwehoeren over het feit dat hij zijn telefoon wilde hebben. Opeens zag hij dat verdachte aangever een vuistslag gaf. Aangever kwam hierdoor ten val. Aangever heeft [getuige 1] vervolgens de telefoon gegeven. [getuige 1] heeft verklaard dat hij de telefoon in zijn jaszak heeft gestopt. Verdachte heeft de telefoon toen uit zijn zak gepakt en is ermee weggefietst.

Ook getuige [getuige 5] heeft gezien dat aangever een vuistslag kreeg van een voor hem onbekende man. Hij zag vervolgens dat de man iets uit de zak van [getuige 1] griste.

Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend. De rechtbank acht gelet op bovengenoemde verklaringen echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd door aangever [slachtoffer 4] te slaan en vervolgens de telefoon van [slachtoffer 4] , die inmiddels in het bezit was van [getuige 1] , weg te nemen.

05.840723-14

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier acht de ten laste gelegde mishandeling op basis van de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 6] wettig en overtuigend bewezen.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte heeft verklaard dat aangeefster en haar vriend met hoge snelheid op hem af kwamen gefietst. Aangeefster is tegen verdachte aangereden en kwam hierdoor ten val. Verdachte heeft aldus geen opzet gehad op het toebrengen van pijn of letsel, zodat hij moet worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij met haar vriend door de Kapelstraat te Apeldoorn fietste. Er liep een man in haar richting en die wilde ze ontwijken door rechts om hem heen te fietsen. De man deed echter een stap naar links en liep op haar af. De man gaf haar vervolgens met zijn linkerschouder een duw tegen haar linkerarm. Hij bewoog met zijn linkerschouder tegen haar aan. Aangeefster is hierdoor ten val gekomen en had pijn aan haar pols.

De vriend van aangeefster, getuige [getuige 6] , heeft verklaard dat verdachte recht op aangeefster afliep en haar vervolgens een schouderduw gaf. Hij bewoog zijn linkerschouder naar voren tegen de linkerzijkant van aangeefster aan. Hierdoor viel zij op de grond.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat twee mensen hard op hem af kwamen fietsen en dat het meisje vervolgens op hem is ingereden en hierdoor met haar fiets op de grond ten val kwam. Hij heeft verklaard dat hij wel zijn eigen ruimte heeft geclaimd, maar hij heeft ontkend dat hij haar opzettelijk heeft geduwd. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de jongen tegen hem aan fietste en daardoor in botsing kwam met aangeefster, waardoor zij is gevallen.

De rechtbank acht het ten laste gelegde, gelet op bovengenoemde verklaringen van aangeefster en [getuige 6] , wettig en overtuigend bewezen. Zij verklaren beiden dat zij zagen dat verdachte opzettelijk met zijn schouder tegen aangeefster aanduwde, terwijl verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en [getuige 6] te twijfelen.

05.840724-14

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht het op basis van het proces-verbaal van aanhouding en de verklaring van verdachte, dat hij wist dat hij een gebiedsverbod had, het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De raadsman van verdachte heeft in eerste instantie vrijspraak bepleit, nu verdachte volgens de oorspronkelijke tenlastelegging het gebiedsverbod op 10 juli 2014 zou hebben overtreden. Toen was er echter geen sprake van een gebiedsverbod. Voorts heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van 2006 in juli/augustus 2014 niet meer van kracht was.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat door de gewijzigde tenlastelegging, het verweer van de raadsman met betrekking tot de vermeende overtredingsdatum van het gebiedsverbod niet meer op gaat. Ten aanzien van het verweer van de raadsman terzake het niet meer van kracht zijn van de APV overweegt de rechtbank het volgende. Nu de rechtbank is gebleken dat de geldende APV Apeldoorn, namelijk die van 2014, op het betreffende punt materieel gezien gelijk is aan de APV Apeldoorn van 2006, is zij van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het gebiedsverbod krachtens een geldend wettelijk voorschrift is gegeven. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

05.131218-14

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 6] wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 7] .

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu er geen sprake was van samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte.

Wat betreft het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer, nu verdachte heeft verklaard dat hij zich alleen tegen [slachtoffer 6] heeft verdedigd omdat die hem aanviel met een zogenaamde ploertendoder.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Aangever [slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij op 1 mei 2014 werd geslagen door verdachte. Toen hij kans zag om weg te lopen, kwam verdachte achter hem aan en duwde hem op de grond. Verdachte begon hem toen weer in het gezicht te slaan. Vervolgens kwam de vriend van verdachte, door aangever [bijnaam betrokkene] genoemd, op hem af met een stalen pijp in zijn handen. Hij begon toen met de stalen pijp op hem in te slaan over zijn hele lichaam. Toen het lukte om overeind te komen werd aangever weer door verdachte geslagen. Hij werd vervolgens tegen de auto geduwd en werd weer met de ijzeren pijp geslagen door de vriend van verdachte. Aangever heeft verklaard dat de andere man die erbij was, heeft geprobeerd hen uit elkaar te halen. Deze man, die verdachte [bijnaam getuige 7] noemt, is samen met verdachte en [bijnaam betrokkene] weggereden.

Getuige [getuige 7] , afkomstig uit Somalië, heeft verklaard dat hij op die bewuste dag samen was met verdachte en [betrokkene] . Nadat zij bij een bekende waren geweest gingen ze terug naar de auto. Hij zag dat verdachte naar een donkere jongen liep en aan het schelden was. Hij zag dat verdachte de confrontatie zocht en heeft geprobeerd hen uit elkaar te houden. Verdachte sloeg echter uit het niets tegen het hoofd van de jongen en ging vervolgens door met slaan en schoppen. [getuige 7] heeft verklaard dat [betrokkene] zich er op een gegeven moment mee ging bemoeien. Toen de jongen tegen een auto aan stond werd hij door [betrokkene] met een stalen pijp op zijn hoofd geslagen. Verdachte stond hier vlakbij. Ook daarna heeft verdachte de jongen nog klappen gegeven, aldus de getuige.

Verdachte heeft verklaard dat aangever hem met een ploertendoder aanviel en dat hij hem in reactie daarop heeft geslagen. [betrokkene] heeft verklaard dat hij verdachte en aangever alleen uit elkaar heeft geprobeerd te halen.

De rechtbank acht gezien de aangifte van [slachtoffer 6] en de getuigenverklaring van [getuige 7] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met
[betrokkene] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 6] . De aangever en getuige verklaren op belangrijke punten gelijkluidend en de rechtbank heeft geen reden aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen te twijfelen. Dit geldt temeer nu de getuige [getuige 7] samen met verdachte en [betrokkene] op pad was. Hij heeft dus geen reden om belastend over verdachte en [betrokkene] te verklaren.

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte op de dagvaarding met parketnummer 08.730474-14 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

05.840829-14

1.

hij op 20 september 2014, in de gemeente Apeldoorn, opzettelijk en wederrechtelijk de spiegel van een auto toebehorende aan [slachtoffer 2] heeft vernield.

2.

hij op 20 september 2014, in de gemeente Apeldoorn, een persoon genaamd [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zichtbaar voor die [slachtoffer 3] met zijn hand een snijdende beweging langs zijn, verdachtes, keel/halsstreek gemaakt.

3.

hij op 17 oktober 2014, in de gemeente Apeldoorn, op de openbare weg, het Marktplein, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, (merk Apple, type I-phone) toebehorende aan [slachtoffer 4] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij heeft getracht bedoelde telefoon uit de jaszak van die [slachtoffer 4] te pakken en (vervolgens) die [slachtoffer 4] met kracht in het gezicht heeft geslagen en (vervolgens) bedoelde telefoon uit de jaszak, van de in de (onmiddellijke) nabijheid van die [slachtoffer 4] zich bevindende [getuige 1] heeft weggenomen.

05.840723-14

hij op 28 juni 2014 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 5] , terwijl die [slachtoffer 5] , rijdend op een fiets, de verdachte wilde passeren met kracht met de schouder tegen de bovenarm van die [slachtoffer 5] duwde, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 5] met haar fiets ten val kwam, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

05.840724-14

hij op 10 augustus 2014 te Apeldoorn, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsontzegging, opgelegd of gedaan krachtens artikel 2.4.10a eerste lid van de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Apeldoorn, door de burgemeester van de gemeente Apeldoorn,

inhoudende:

dat hij, verdachte, zich gedurende de periode van zaterdag 9 augustus 2014 om 06:00 uur tot zondag 10 augustus 2014 om 06:00 uur, niet zal begeven in het horecagebied en/of uitgaansgebied van de gemeente Apeldoorn,

immers heeft hij, verdachte, zich op 10 augustus 2014 op of omstreeks 01:38 uur opzettelijk bevonden op de Hoofdstraat, ter hoogte van de kruising met de Paslaan.

05.131218-14

hij op 1 mei 2014 te Apeldoorn met een ander, op de openbare weg, De Kil, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [slachtoffer 6] , welk geweld bestond uit het meermalen krachtig slaan/stompen op/tegen het hoofd en (elders) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] en het meermalen slaan met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd en (elders) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 6] .

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Voor zover de verdachte ook ter zake het primair op de dagvaarding met parketnummer 05.131218-14 ten laste gelegde een beroep op noodweer heeft willen doen overweegt de rechtbank dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dan sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Verdachte heeft als enige verklaard dat [slachtoffer 6] hem aanviel met een ploertendoder.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

05.840829-14

feit 1

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen, strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 3 primair

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg, strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

05.840723-14

het misdrijf: mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

05.840724-14

het misdrijf: opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met enige openbare dienst belast, strafbaar gesteld bij artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.

05.131218-14

het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd dat verdachte ter zake:

  • -

    het ten laste gelegde op de dagvaarding met parketnummer 08.730474-14;

  • -

    het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde op de dagvaarding met parketnummer 05.840829-14;

  • -

    het ten laste gelegde op de dagvaarding met parketnummer 05.840723-14;

  • -

    het ten laste gelegde op de dagvaarding met parketnummer 05.840724-14 en

  • -

    het primair ten laste gelegde op de dagvaarding met parketnummer 05.131218-14,

zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest. Tevens heeft hij gevorderd de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden, zoals opgenomen in het rapport van Novadic-Kentron van 9 juni 2015, aan verdachte op te leggen. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden wordt bevolen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] dient volgens de officier van justitie te worden toegewezen inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht aan verdachte geen TBS met voorwaarden op te leggen maar een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zoals reclasseringstoezicht en hulpverlening gericht op medicatieregulatie.

7.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich in een periode van nog geen jaar schuldig gemaakt aan zes strafbare feiten, te weten vernieling, bedreiging, diefstal met geweld, mishandeling, niet voldoen aan een ambtelijk bevel en geweldpleging in vereniging. Verdachte heeft de spiegel van een auto afgeschopt en vervolgens de vrouw die dat had gezien, bedreigd. Hij heeft geprobeerd de
I-phone van [slachtoffer 4] af te pakken en hem, toen dat niet lukte, een klap in zijn gezicht gegeven. Daarna heeft hij die I-phone, die [slachtoffer 4] ondertussen aan [getuige 1] had gegeven, uit de jaszak van [getuige 1] gestolen. Verder heeft verdachte een langsfietsende vrouw met zijn linkerschouder een duw gegeven waardoor zij van haar fiets is gevallen en er bij haar letsel is ontstaan. Verdachte is aanwezig geweest in het uitgaansgebied van Apeldoorn terwijl voor hem op dat moment en op die locatie een gebiedsverbod gold. Tot slot heeft hij, samen met een ander, [slachtoffer 6] diverse malen met de hand en met een hard voorwerp geslagen. Verdachte heeft door de geweldsdelicten te plegen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers gemaakt. Bij de diefstal heeft verdachte alleen aan zijn eigen geldelijk gewin gedacht zonder zich om het slachtoffer te bekommeren.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 10 juni 2015 blijkt dat verdachte eerder een fors aantal geweldsdelicten, vermogensdelicten en drugs-gerelateerde delicten heeft gepleegd.

Psychiater K.N. Broek en psycholoog A.J. Klumpenaar hebben over verdachte met betrekking tot het ten laste gelegde huiselijk geweld gerapporteerd, welke rapporten zijn uitgebracht op 18 februari 2015 respectievelijk 9 maart 2015. Blijkens deze rapportages is bij verdachte sprake van een bipolaire stoornis. Hij heeft een chronische (hypo-)manie. Er kan gesproken worden van een patroon van agressief gedrag dat ontstaat vanuit een chronische (hypo-)manie waardoor verdachte geen remming meer heeft op zijn gedrag, welke remming ook nog verminderd kan worden door misbruik van alcohol, cocaïne en cannabis met agressie als gevolg. Volgens beide deskundigen was er in de periode van 31 juli 2013 tot en met 2 juni 2014 een manie aanwezig. Verdachte heeft zijn impulsen niet meer onder controle. Hij handelt voordat hij denkt en verliest waarschijnlijk op bepaalde momenten het contact met de realiteit. Er vindt een sterk egocentrerende beweging plaats waarbij verdachte alleen gericht is op bevrediging van zijn eigen behoeften zonder oog te hebben voor de gevolgen voor het slachtoffer. De deskundigen achten de relatie tussen de chronische

(hypo-)manie, soms gepaard gaande met middelengebruik, en de agressie in sterke mate aanwezig. Zij hebben geadviseerd verdachte minimaal verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De kans op recidive wordt door de deskundigen als (zeer) hoog ingeschat, op het moment dat verdachte geen adequate medicatie gebruikt voor zijn bipolaire stoornis en overgaat tot gebruik van middelen. Zolang verdachte niet accepteert dat hij een bipolaire stoornis heeft, is hij niet gemotiveerd voor het innemen van een stemmingsstabilisator en zal hij een chronische (hypo-)manie hebben met de daarbij behorende agressie die verbaal maar ook fysiek kan zijn. Zijn impulsen schieten ernstig tekort, er treden verstoringen in de realiteitstoetsing op, zijn empathische vermogens nemen sterk af, hij is zeer snel agressief te prikkelen en is niet meer in staat zich te handhaven in de maatschappij. Daarnaast spelen sociaal-maatschappelijke factoren een belangrijke rol: financiële problemen, verlies van werk, van dagbesteding, van woonruimte en van adequate hulpverlening.

De deskundigen stellen voorop dat het instellen van verdachte op stemmingsstabiliserende medicatie centraal moet staan. Dit moet gebeuren in een instelling met een hoog beveiligingsniveau, in een omgeving die voldoende begrenzing en zorg kan bieden omdat een terugval in de (hypo-)manie te verwachten is bij het eventueel wisselen van middelen. Verdachte kan door de ontremming in die periodes fors geagiteerd en agressief zijn. Daarnaast moet verdachte zich onthouden van middelengebruik. Behandeling dient plaats te vinden binnen een stevig kader aangezien anders de kans groot is dat verdachte zich eraan zal onttrekken. De verwachte behandelduur zal langdurig zijn om verdachte blijvend gemotiveerd te houden voor het gebruik van medicatie. Vanuit deze overwegingen adviseren de deskundigen om verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen.

GGZ ERW Novadic-Kentron Den Bosch heeft een reclasseringsadvies – voorbereiding TBS met voorwaarden – opgesteld d.d. 9 juni 2015. Zij zien mogelijkheden om verdachte in het kader van een TBS met voorwaarden onder de door hen opgestelde voorwaarden te begeleiden en toezicht te houden. Uit het rapport komt naar voren dat verdachte geïndiceerd is voor behandeling binnen een Forensisch Psychiatrische Kliniek. Geadviseerd wordt om een TBS met voorwaarden op te leggen. Een klinische behandeling dient om betrokkene goed in te stellen op medicatie, als ook voor controle op zijn middelengebruik, om inzicht te geven in de problematiek en om op een gestructureerde en gefaseerde wijze toe te werken naar meer zelfstandigheid. Dit alles vraagt vooralsnog langere tijd dan de eerste TBS maatregel.

Verdachte heeft zich bereid verklaard zich aan de voorwaarden, als door Novadic-Kentron geadviseerd, waaronder ook een klinische behandeling, te houden.

Met de conclusies van voornoemde rapportages ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid kan de rechtbank zich verenigen. De rechtbank zal verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten dus als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

Blijkens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) dient voor een straatroof met licht geweld en voor de openlijke geweldpleging als de onderhavige, respectievelijk 6 maanden en 3 maanden gevangenisstraf als uitgangspunt te worden genomen. De rechtbank weegt als strafverzwarend mee dat verdachte al meerdere malen is veroordeeld wegens vergelijkbare delicten als thans ten laste gelegd.

Rekening houdend met het feit dat verdachte in de periode van 31 juli 2013 tot en met 2 juni 2014 verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden is.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van verdachtes persoon, diens persoonlijkheidsproblematiek, de reeks van door verdachte gepleegde feiten met een geweldscomponent en de hoge kans op recidive van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte klinisch zal worden behandeld. De rechtbank acht het onverantwoord verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf te laten behandelen, nu de kans bestaat dat verdachte er voor zal kiezen de onderliggende straf te ondergaan en vervolgens onbehandeld in de maatschappij zal terugkeren. Naar het oordeel van de rechtbank dient de behandeling bij de FPK in het kader van de maatregel van TBS met voorwaarden plaats te vinden, nu de veiligheid van de maatschappij daarmee gediend wordt en de kans dat een behandeling van de grond zal komen in dat kader volgens de deskundigen het grootst zal zijn.

De maatregel van TBS wordt opgelegd nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, de door verdachte begane feiten misdrijven zijn, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld als ook een misdrijf als omschreven in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank zal de voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van Novadic-Kentron van 9 juni 2015 aan de TBS verbinden.

De rechtbank zal gelet op hetgeen hiervoor omtrent het hoge recidivegevaar en de noodzaak tot behandeling van verdachte ten aanzien van de opgelegde TBS met voorwaarden de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

05.131218-14

[slachtoffer 6] , wonende te [woonplaats] aan de [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 895,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    € 185,- wegens bebloede kleding en schoenen;

  • -

    € 360,- wegens eigen risico zorgverzekering en

  • -

    € 350,- aan immateriële schade.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten met betrekking tot de bebloede kleding en schoenen zijn niet betwist en voldoende onderbouwd. Ook het door de benadeelde partij gevorderde immateriële bedrag acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van

€ 535,-, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 mei 2014. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade wat betreft het bedrag van eigen risico van de zorgverzekering is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Niet duidelijk is immers of dit bedrag, zou het door verdachte gepleegde feit niet zijn gepleegd, niet zou hoeven te worden betaald. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn vordering op dit punt alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 37a, 38, 38a, 57 en 63 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het op de dagvaarding met parketnummer 08.730474-14 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde op de dagvaarding met parketnummer 05.840829-14, het ten laste gelegde op de dagvaarding met de parketnummers 05.840723-14, het ten laste gelegde op de dagvaarding met de parketnummers 05.840724-14 en het primair ten laste gelegde op dagvaarding met parketnummer 05.131218-14 heeft begaan, zoals hierboven onder 5. omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

05.840829-14

feit 1

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort vernielen, strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 2

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

feit 3 primair

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd op de openbare weg, strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

05.840723-14

het misdrijf: mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

05.840724-14

het misdrijf: opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met enige openbare dienst belast, strafbaar gesteld bij artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.

05.131218-14

het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij als voorwaarden:

· verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

· verdachte stelt zich onder toezicht van de reclassering en zal zich houden aan de voorschriften een aanwijzingen door of namens deze instelling aan hem te geven;

· verdachte onthoudt zich van het plegen van strafbare feiten;

· verdachte moet zich melden bij Novadic-Kentron reclassering op het volgende telefoonnummer 0736409696 zodra hij in een nog nader te bepalen klinische behandelsetting wordt geplaatst. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

· verdachte wordt verplicht om, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, in een nog nader te bepalen RIBW of andere woonvorm (geïndiceerd door IFZ en/of de reclassering) te verblijven, en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

· verdachte wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK), zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. Verdachte gaat akkoord met de plaatsing zodra een klinische setting bereid is hem op te nemen;

· verdachte wordt verboden om alle soorten drugs en alcohol te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van urinecontrole.

· verdachte werkt mee aan de totstandkoming van de drie-partijen overeenkomst tussen verdachte, reclassering en de zorg/behandelinstanties;

· verdachte gaat akkoord met inzage in zijn financiën;

· verdachte laat zich, indien geïndiceerd door de reclassering, onder bewind stellen;

· verdachte houdt zich aan de richtlijnen van de behandelend geneesheer, ook indien dit inhoudt zich houden aan medicatievoorschriften, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

· verdachte heeft, in aansluiting op het klinische gedeelte, contact met een SPV-er of psycholoog en gaat akkoord met een ambulant behandeltraject, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

· verdachte werkt mee aan het geven van inzicht in zijn relaties.

- Novadic-Kentron wordt daarbij opdracht gegeven verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

- beveelt dat op grond van artikel 38, lid 6, Sr de opgelegde TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van een bedrag van € 535,- voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het op de dagvaarding met parketnummer 05.131218-14 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 535,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde en/of zijn mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde en/of zijn mededader aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] , wonende te [woonplaats] , aan de [adres] , voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Eerde, voorzitter, mr. S.M. Milani en
mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.

Mr. Van Bruggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

05.840829-14

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland met nummer 2014129125. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

Nu verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting het ten laste gelegde feit heeft bekend, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar:

- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 20 september 2014, p. 8-9;

- Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] d.d. 20 september 2014, p. 20-21;

- Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 september 2014, p. 29.

Feit 2

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 20 september 2014, p. 13, inhoudende:

Op zaterdag 20 september 2014, omstreeks 18.55 uur, reed ik samen met mijn vriend,

genaamd [getuige 4] en mijn dochtertje [naam 2] , over de Maasstraat,

komende uit de richting van de Oude Beekbergerweg in de richting van de supermarkt

Lidl, welke is gevestigd aan de Maasstraat. Ik reed en mijn vriend zat rechts

voorin. Mijn dochtertje zat achterin. Net voor de kruising Maasstraat/Waalstraat

zag ik een man de rechter buitenspiegel van een personenauto, welke ter hoogte van

Action aan de Maasstraat geparkeerd stond, kapot trapte. Ik zag een onderdeel van

de spiegel in de lucht schieten. Ik zag dat de spiegel helemaal verbogen was. (…) Ik zag vervolgens dat de man, die de spiegel kapot trapte, verder liep in de richting van de Waalstraat. Ik zag vervolgens dat hij een grijze container omver trapte. (…) Ik zag dat hij wankelde.

Vervolgens ben ik gestopt en de politie gebeld. Toen ik de politie aan de lijn hand

zag ik dat deze man naar mij keek. Hij dacht waarschijnlijk dat ik de politie aan het

bellen was. Ik zag dat deze man naar mij keek en zag dat hij zijn rechterhand over

zijn hals haalde. Terwijl hij naar mij keek zag ik dat hij snijdende bewegingen

maakte. Ik hoorde dat hij tegen mij/ons zei: “kom maar op dan, kom maar uit, kuthoer.” Door zijn uitlatingen voelde ik mij bedreigd.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , p. 18, inhoudende:


“Op zaterdag 20 september 2014, omstreeks 19.00 uur, zat ik in de auto van mijn

vriendin. Zij reed. Mijn vriendin heet [slachtoffer 3] . Ons dochtertje [naam 2] zat

achterin. Wij reden over de Maasstraat in de richting van de supermarkt Lidl, welke

is gevestigd aan de Maasstraat. Ter hoogte van Action aan de Maasstraat zag ik een

man de spiegel van een kleine groene personenauto kapot trapte. Ik zag dat hij

vervolgens een container omver trapte.

[slachtoffer 3] stopte om politie te bellen. Deze man had dit waarschijnlijk in de gaten dat

[slachtoffer 3] de politie aan het bellen was. Deze man keek in ons richting en deed met zijn

hand snijdende bewegingen. Ik zag dat hij zijn hand over zijn hals haalde. Ik

hoorde dat hij zei: “kom uit de auto, kuthoer.”

3.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 september 2014, p. 29-30, inhoudende:

Ik was gisteren zaterdag 20 september 2014 in snackbar het Boemeltje in

Apeldoorn. In die snackbar was [naam 1] ook. [naam 1] haat mij en ik weet niet waarom. Ik

zei dat hij mij met rust moest laten. Ik zat buiten en hij kwam steeds naar me toe.

Ik wilde weg bij de snackbar omdat [naam 1] daar was en liep weg. Ik liep over de stoep

en ik zag daar een auto staan en trapte met mijn linkervoet tegen een buitenspiegel

van een groene auto aan. Ik zag dat die spiegel eraf viel. Dit gaf me geen

voldoening en gaf toen nog een trap tegen een stukje van die spiegel. Die hele

spiegel is nu kapot. Vervolgens was ik nog steeds niet rustig en duwde tegen een

container aan. Deze viel niet om en dus pakte ik hem op er. tilde deze omhoog en

gooide hem ver weg. Dat voelde goed. Ik kon mijn frustratie kwijt.

(…)

Heb jij tegen iemand gezegd ‘kom maar op, kom maar uit, kuthoer”?

A: Ja toen ik liep heb ik wel kuthoer gezegd, maar daar bedoelde ik [naam 1] mee.

Feit 3 primair

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland met nummer 2014142170. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 17 oktober 2014, p. 7-8, inhoudende:

Op vrijdag 17 oktober omstreeks 17:15 uur stond ik samen met enkele personen op het

marktplein. De personen die er bij stonden waren [getuige 1] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5]

[naam 5] , [naam 6] . Wij stonden daar gewoon te praten en te auwhoeren met elkaar.

Ook stond [verdachte] bij dat groepje. Ik en de anderen vonden dat [verdachte] vervelend

aanwezig was. [verdachte] irriteerde iedereen een beetje, omdat bij sommige begon aan te

raken en hun gesprekken onderbrak. [verdachte] zei telkens tegen mij, ik ga je nieuwe Iphone

6 afpakken. [verdachte] herhaalde dit enkele keren. Ook zat [verdachte] hele tijd met zijn handen

aan mij en ging hij met zijn handen naar mijn jaszak. In mijn jaszak had ik mijn

mobiele telefoon zitten.

Toen [verdachte] dat telkens bij mij deed probeerde ik dit te negeren. Op een gegeven moment

was ik helemaal klaar met het gedrag wat [verdachte] vertoonde en zei ik met luide stem:

Opdonderen, ben der klaar mee! [verdachte] stond op dat moment voor mij toen ik dit zei.

Vervolgens kreeg ik een klap van [verdachte] op mijn gezicht. Ik weet niet hoe dit is

gebeurd, want het ging allemaal zo snel en onverwachts. Ik had het totaal niet zie

aankomen. Het enigste wat ik ervan kan herinneren is dat ik direct veel pijn aan mijn

mond had. Ik voelde mijn lippen opzwellen en het begon ook nog te bloeden.

Ik had ondertussen mijn mobiele telefoon al aan [getuige 1] gegeven. Ik had hem aan [getuige 1]

uit voorzorg gegeven, zodat [verdachte] niet aan mijn mobiele telefoon kon komen. (…)

Vervolgens zag ik [verdachte] bij [getuige 1] staan. Ik zag dat [verdachte] met zijn handen bij de

jaszakken van [getuige 1] . Ik zag [verdachte] wat uit [getuige 1] ’s jaszak pakken. Ik hoorde later dat

het om mijn mobiele telefoon ging. [verdachte] liep vervolgens naar zijn fiets en fietste er

vandoor.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 15, inhoudende:

Zojuist, vrijdag 17 oktober 2014, het zal omstreeks 17.15 uur geweest zijn,

stond ik met wat vrienden ter hoogte van het Stadhuis te praten op het Marktplein

te Apeldoorn.

Ik stond onder andere met [slachtoffer 4] te praten. Ook kwam op een gegeven moment een

Marokkaanse uitziende man bij ons staan. Ik ken hem als [verdachte] . Hij was met [slachtoffer 4]

aan het ouwehoeren en wilde de telefoon van [slachtoffer 4] hebben. Ik dacht dat [verdachte] een

geintje maakte.

Terwijl ik met een andere jongen aan het praten was, zag ik dat [verdachte] ineens

[slachtoffer 4] een vuistslag in het gezicht gaf. [slachtoffer 4] kwam te vallen en [verdachte] bleef

erbij staan.

Ik zag dat [slachtoffer 4] weer opstond en dat hij naar mij kwam lopen. [slachtoffer 4] gaf mij

zijn goudkleurige Iphone en vroeg of ik liet in mijn jas wilde stoppen, want hij

wilde voorkomen dat [verdachte] de telefoon pakte.

Ik stopte de telefoon en de linker binnenzak van mijn jas. [verdachte] had dit

kennelijk in de gaten en kwam naar mij toelopen. Hij begon toen met mij te

ouwehoeren en schreeuwde tegen mij dat hij recht had op de telefoon.

Ineens pakte hij de telefoon uit mijn binnenzak, stapte op zijn fiets en

fietste weg over het Marktplein in de richting van de Stationsstraat.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 23, inhoudende:

Op 17 oktober 2014 omstreeks 17:00 uur was ik aan het werk op het Marktplein te

Apeldoorn. Ik werk op de markt en was de marktkramen aan het opzetten. Ik zag op

ongeveer 50 meter tegenover mij een groepje jongens staan. Ik ken hun alleen een

beetje van naam.

Ik hoorde op een gegeven moment wat onrust, dat kwam uit die groep. Ik zag dat er

een man in het wit gekleed behoorlijk tekeer ging. Ik hoorde dat hij aan het

schreeuwen was tegen [slachtoffer 4] . Ik zag dat de man, die in het wit gekleed was, een

vuistslag gaf aan [slachtoffer 4] . Ik zag dat hij dit met de vuist deed en kracht.

Ik hoorde de man die [slachtoffer 4] sloeg iets zeggen over een telefoon. Ik weet niet

precies wat hij daarover zei. Ik zag vervolgens na die klap dat de man bij [getuige 1]

stond. Hij griste daar iets uit zijn zakken.

05.840723-14

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland met nummer 2014087325. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] d.d. 28 juni 2014, p. 6-7, inhoudende:

Op zaterdag 28 juni 2014 omstreeks 01.50 uur fietste ik samen met mijn vriend over

de Kapelstraat in Apeldoorn in de richting van de Hoofdstraat. Op dat moment zag ik

een man lopen over de Kapelstraat komende vanaf de Hoofdstraat. Ik zag dat de man

recht op mij afliep. Ik denk dat ik ongeveer 10 kilometer per uur fietste. Ik wilde

de man ontwijken dus ik wilde rechts om de man heen fietsen. Ik zag dat de man

hierop een stap naar links deed en recht op mij afliep. Vervolgens zag en voelde ik

dat de man met zijn linkerschouder mij een harde duw gaf tegen mijn linkerarm. Ik

zag en voelde dat de man mij een schouderduw gaf. Hij bewoog zijn linkerschouder

opzettelijk met kracht tegen mij aan. Direct hierop viel ik van mijn fiets. Dit

ging zo hard dat ik niet eens de kans kreeg om mijn evenwicht te bewaren. Ik viel

direct. Ik viel naar rechts en kwam als eerste met mijn linkerhand op de grond. Ik

voelde direct een pijnscheut in mijn linkerpols. Mijn linkerpols doet nu nog steeds

zeer.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] , p. 8, inhoudende:

Op zaterdag 28 juni 2014 omstreeks 01.50 uur fietste ik samen met mijn vriendin

over de Kapelstraat in Apeldoorn in de richting van de Hoofdstraat. Wij fietsen

langzaam. Op dat moment zag ik een man lopen over de Kapelstraat komende vanaf de

Hoofdstraat. Ik zag dat de man recht op mijn vriendin af liep en haar vervolgens

een schouder duw gaf. Ik zag dat de man met kracht zijn linkerschouder na voren

bracht tegen de linkerzijkant van mijn vriendin. Direct hierop zag ik dat mijn

vriendin hard op de grond viel. Deze duw was duidelijk opzettelijk.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 28 juni 2014, p. 18-19, inhoudende:

V: Wat is er vannacht, 28 juni 2014, omstreeks 01.50 uur, precies gebeurd?

A: Ik liep op dat moment over de Kapelstraat. Ik kwam vanuit de Hoofdstraat. Ik

liep ongeveer in het midden. (…) Ik keek naar de grond. Toen ik op keek zag ik twee personen fietsen. Ze reden naast elkaar. (…)

We raakten elkaar met mijn linker elleboog tegen haar arm. Waar precies weet ik

niet. Toen ze me raakte viel ze met haar fiets op de grond.

(…)

Ik heb wel mijn eigen ruimte geclaimd.

05.840724-14

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland met nummer 2014108890. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte van 10 augustus 2014, p. 3-4, inhoudende:

Op zondag 10 augustus 2014 omstreeks 01.35 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en

[verbalisant 2] , in uniform gekleed en belast met het toezicht in liet horecagebied van

Apeldoorn. Wij verbalisanten bevonden ons op de Hoofdstraat te Apeldoorn, nabij de

kruising met de Paslaan. Aldaar zagen wij verbalisanten de ons ambtshalve bekende

[verdachte] lopen.

Het was ons verbalisanten ambtshalve bekend dat [verdachte] een gebiedsverbod

heeft liet uitgaansgebied van Apeldoorn. Hieronder valt ook het gedeelte van de

Hoofdstraat waar wij hem zagen lopen.

Het gebiedsverbod is geldig van zaterdag 9 augustus 2014 om 06.00 uur tot zondag 10

augustus 2014 om 06.00 uur.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 10 augustus 2014, p.5, inhoudende:

V: U bent aangehouden in verband het aanwezig zijn in een gebied waarvoor u een

ontzegging had. Wat kunt u daarover verklaren?

A: Dat klopt, die papieren heb ik ontvangen. (…) Ik weet dat ik er tot 6 uur in de

ochtend niet mag komen.

05.131218-14

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland met nummer 2014059856. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

primair

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] d.d. 2 mei 2014, p. 8-9, inhoudende:

Op donderdagavond 1 mei 2014 parkeerde ik mijn voertuig aan de Kil te Apeldoorn.

Ik zag dat mijn buurman [verdachte] ook op de parkeerplaats stond met twee

vrienden. Ze hadden een krat bier bij zich. Een van die vrienden ken ik wel. Dat is

een Afrikaanse man. (…) Die andere man is een Arabier of iets. Ik ken hem niet.

Ik hoorde [verdachte] tegen mij zeggen: “kankerneger!” Ik probeerde [verdachte] te negeren. Ik

weet dat hij aandacht wil. Ik probeer [verdachte] de laatste tijd te negeren omdat hij

altijd bij mij loopt te bietsen en de baas wilt spelen over mij. Hij woont in

dezelfde flat als ik aan De Kil te Apeldoorn.

Nadat ik werd uitgescholden negeerde ik [verdachte] en wilde in de richting van de ingang

van de flat lopen. [verdachte] blokkeerde mijn weg door voor mij te gaan staan. Ik zei

tegen [verdachte] : “Ga eens aan de kant.” Hierop antwoordde [verdachte] : “Je doet de laatste

tijd wel stoer hé?” Voor ik het wist kreeg ik van [verdachte] een vuistslag op mijn

rechterwang. Hij deed dit met de vuist van zijn linkerhand. Ik voelde direct pijn

aan mijn rechterwang.

Deze klap werd gevolgd door een tweede klap in mijn gezicht, al weet ik u niet

precies waar in mijn gezicht die klap terecht kwam. Ik voelde wederom pijn aan de

rechterkant van mijn gezicht.

De vriend van [verdachte] , ik noem hem voor nu maar [bijnaam betrokkene] , kwam op mij af met een

stalen pijp in zijn hand van zo’n 100 centimeter denk ik. Ik lag nog op de grond.

(…)

De man begon gelijk met deze stalen pijp op mij in te slaan. Hij heeft mij zeker

meer dan tien keer over mijn gehele lichaam geraakt. Ik heb mij afgeweerd met mijn

linkerhand. Vandaar dat mijn hand nu gekneusd is. Mijn hand doet enorm veel pijn,

evenals de botten in mijn hele lichaam. (…)

Ik heb geen enkele keer terug geslagen of iets dergelijks. Ik wilde alleen mijzelf

beschermen. De andere man die erbij was wiens oudere broer ik ken probeerde ons nog

tevergeefs uit elkaar te halen. Ik noem hem voor de duidelijkheid [bijnaam getuige 7] . Ik

weet niet wat zijn naam is en waar hij woont.

Op een gegeven moment zag ik kans om overeind te komen en ik probeerde mijn

telefoon te pakken om 112 bellen. Blijkbaar had [verdachte] dit door want hij kwam achter

mij aan en ging enorm tekeer, hij sloeg mij daar ook bij. Ik weet niet meer waar

hij mij precies sloeg.

Ik werd vervolgens tegen een auto aangeduwd. Dit was een Opel. De kleur van deze

Opel weet ik niet. Deze auto is van [bijnaam getuige 7] . Op dat moment zag ik dat [bijnaam betrokkene]

[bijnaam betrokkene] weer met een ijzeren pijp op mij af kwam en ik voelde een enorme klap op

mijn hoofd gevolgd door pijn. Ik zag dat ik bloedde ten gevolge van deze klap. Ik

voelde dat ik een hoofdwond had. Ik voelde dat er bloed uit deze hoofdwond

stroomde.

Voordat de politie arriveerde waren [verdachte] , [bijnaam getuige 7] en [bijnaam betrokkene] weg gereden in

de Opel.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] d.d. 12 juni 2014, p. 30-33, inhoudende:

Ik werd die bewuste dag gebeld door een vriend van mij of ik als BOB wilde rijden

voor een andere vriend van mij. De vriend waar ik voor werd gevraagd om voor te

rijden heet [betrokkene] . Ik spel zijn naam voor u maar ik weet liet niet 100

procent zeker.

Ik zou naar cafetaria [cafetaria] gaan aan het Orderplein in Apeldoorn. Hier zou ik

[betrokkene] treffen.

(…)

Omstreeks 13.30 uur stapte ik in de auto van [betrokkene] als bestuurder. De auto is een Opel vectra.

Ik zag dat [betrokkene] en de andere man ook in de auto stapte. (…) De andere man stelde zich voor als [verdachte] .

(…)

Op een gegeven ogenblik gingen wij weg bij [naam 7] .

Ik had de auto geparkeerd op een parkeerplaats nabij de flat van [naam 7] .

Nadat wij de woning hadden verlaten, liepen wij terug naar de auto.

Ik zag dat een donkere jongen nabij een auto stond te telefoneren.

(…)

Ik zag dat [verdachte] naar deze jongen liep. Ik zag dat, zodra [verdachte] deze jongen zag,

direct naar hem toeliep.

Ik zag dat op de manier hoe [verdachte] naar de jongen toeliep, dat het foute boel was. Ik

kreeg gewoon die indruk van hem doordat [verdachte] grote stappen nam. Ik hoorde dat [verdachte]

scheldwoorden riep in liet Arabisch.

Ik ken een beetje Arabisch, vandaar dat ik dat weet.

Ik zag dat [verdachte] niet stopte met lopen op het moment dat [verdachte] bij de jongen was,

maar bewust met zijn borst vooruit tegen de jongen aanliep. Ik zag dat hierdoor de

jongen een stap achteruit moet doen om niet te vallen.

Het was mij duidelijk dat [verdachte] op een confrontatie uit was.

Ik hoorde dat [verdachte] tegen de jongen bleef praten. Ik kon niet horen wat [verdachte] zei.

Ik zag dat de jongen gewoon bleef telefoneren. Ik zag dat de jongen eerst een

handgebaar maakte met de bedoeling om [verdachte] te kalmeren. Ik zag dat dit geen effect

had op [verdachte] . Daarna hoorde ik dat de jongen stopte met bellen en tegen [verdachte] zei:’

wat is er aan de hand, tegen wie praat je?” of woorden van gelijke strekking.

Ik zag dat [verdachte] ging flippen en doordraaien. Ik kwam toen tussen beiden en zei

tegen de jongen dat hij beter weg kon gaan. Ik zei tegen de jongen dat [verdachte] teveel

had gedronken en dat het beter was dat de jongen weg ging.

Op een gegeven ogenblik zag ik dat de jongen wilde weglopen in de richting van de

flat.

Ik zag dat [verdachte] totaal uit het niets met opzet en kracht met zijn vuist tegen liet

achterhoofd van de jongen sloeg.

Ik zag dat [verdachte] niet stopte en meteen door ging slaan en schoppen. Dit ging

allemaal met opzet en kracht gericht op de jongen.

Ik zag dat de jongen zich ging afweren en ook zijn evenwicht verloor en tegen de

geparkeerde auto’s aan kwam te vallen.

Ik keek vervolgens weer in de richting van de vechtende [verdachte] en de jongen en ik zag

dat [betrokkene] zich ook ging bemoeien met het gevecht.

Ik zag dat [betrokkene] ook met opzet en kracht op de jongen in stond te slaan. Ik zag

dat [betrokkene] de jongen niet schopte, maar ik zag dat [betrokkene] de jongen wel sloeg met

gebalde vuisten. Ik zag dat de jongen meerdere keren werd geslagen door [betrokkene] . Ik

zag ook dat de jongen meerdere keren werd geslagen door [verdachte] .

Ik zag dat de jongen wel stond, maar dat hij zijn hoofd tussen zijn armen klemde om

zijn hoofd te beschermen.

Ik zag dat [betrokkene] en [verdachte] hem overal sloegen waar zij hem maar raken konden.

(…)

Ik zag dat de jongen weg wilde komen naar de ingang van de flat.

Ik zag dat dit werd belemmerd door [verdachte] en dat [verdachte] de jongen vast pakte en tegen

de auto aan gooide.

Ik zag [verdachte] de jongen op de grond in het gras gooide. Hier verdwenen zij enigszins

uit het zicht doordat er struiken tussen mij en de jongens staan. Ik hoorde wel

glasgerinkel. (…)

U vraagt aan mij of [betrokkene] de jongen met een stalen pijp had geslagen.

(…)

Ja eigenlijk wel. Ik had dit gezien. Ik had een witte blouse aan en later zag ik

bloedspetters op mijn blouse.

O vraagt aan mij hoe dit ging, het slaan met de pijp.

Ik zag dat de jongen rechtop stond met de rug tegen de van een auto.

Ik zag dat [betrokkene] meerdere keren uithaalde en met opzet en kracht met de stalen

pijp tegen het hoofd van de jongen sloeg.

Ik zag dat de jongen zich trachtte af te weren met zijn armen.

Wederom klemde de jongen zijn hoofd tussen zijn armen.

Ik zag dat [verdachte] er vlak naast stond.

(…)

Ik wist dat de stalen pijp in het zijvak van de passagiersportier in de auto van

[betrokkene] lag. Dit had ik eerder die dag al gezien.

O vraagt aan mij hoe ver ik er vanaf stond.

Ik stond er dichtbij. Ik was niet echt bang voor [betrokkene] , maar ik dacht wel dat,

indien ik mij er weer mee ging bemoeien, zij hun agressie op mij gingen richten.

Het was mij duidelijk dat zij niet te vertrouwen waren. Ik wist ook dat zij onder

invloed van alcohol waren.

Ik was in paniek en stapte vervolgens terug in de auto, daarna zag ik de jongens in

de buurt van het gras op de grond terecht komen en enigszins bij mij uit het zicht

verdwijnen.

Dan zie ik dat [betrokkene] terug bij de auto komt met de stalen pijp in zijn handen. Ik

zie dat [betrokkene] de stalen pijp terug legt in het zijvak van het portier.

Ik zie dat [verdachte] nog bij de jongen is en dat [verdachte] nog steeds de jongen klappen

geeft.

Daarna zie ik dat [verdachte] terug komt bij de auto en in stapt en daarna rijden wij weg.