Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3529

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
C/08/173225 / KG ZA 15-216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/173225 / KG ZA 15-216

datum vonnis: 21 juli 2015 (jk)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1 [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats], gemeente Twenterand,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. F. Hoff te Almelo,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

allen wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. drs. T. van Kooten te Utrecht.

en waarin hebben gevorderd om zich als partij te mogen voegen aan de zijde van gedaagden in de hoofdzaak:

de kerkgenootschap

5. de kerkgenootschap Pinkstergemeente De Banier,

zetelende te Almelo,

eiseres in het incident,
advocaat: mr. drs. T. van Kooten te Utrecht.

Partijen zullen hierna afzonderlijk ‘[eiser]’, ‘[eiseres]’, ‘[gedaagde 1]’, ‘[gedaagde 2]’, ‘[gedaagde 3]’, ‘[gedaagde 4]’ en ‘De Banier’ genoemd worden. Eisers gezamenlijk zullen worden aangeduid als ‘[eiser]’ (in mannelijk enkelvoud) en gedaagden gezamenlijk ook als ‘leden van de KOR’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding inclusief producties,

  • -

    de aanvullende productie zijdens [eiser],

  • -

    incidentele conclusie houdende een verzoek tot voeging zijdens De Banier, inclusief producties zijdens gedaagden en De Banier,

  • -

    de aanvullende productie zijdens gedaagden en De Banier,

  • -

    de akte vermeerdering van eis, alsmede aanvullende producties zijdens [eiser],

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiser],

  • -

    de pleitnota van gedaagden en De Banier.

1.2.

Het vonnis is - bij vervroeging - bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2.

De Banier is een pinkstergemeente en op 30 maart 1956 opgericht.

2.3.

De Banier heeft op 9 november 2007 haar statuten (schriftelijk) vastgesteld. Hierin is

- voor zover hier van belang - onder meer bepaald:

“7.1 De oudstenraad is belast met het bestuur van de gemeente en bestaat uit ten minste vijf personen, waaronder een voorzitter, een secretaris en een penningmeester.

7.2

De oudstenraad bestaat uit de oudsten en de voorgangers van de gemeente. De eerste voorganger is tevens voorzitter van de oudstenraad.

7.3

Leden van de oudstenraad en diakenen worden door de oudstenraad gekozen uit de leden van de gemeente. Een voorganger kan echter ook van buiten de gemeente worden benoemd.

7.4

Voorgangers, oudsten en diakenen worden benoemd voor onbepaalde tijd, tenzij bij aanstelling anders wordt bepaald.

7.5

De oudstenraad wijst ui zijn midden een dagelijks bestuur aan, verder genoemd “de dagelijkse oudstenraad”. Deze dagelijkse oudstenraad zal tenminste bestaat uit de voorzitter, de secretaris en de penningmeester.

7.6

De dagelijkse oudstenraad kan in spoedeisende gevallen, waarin het niet mogelijk is een gewone oudstenvergadering te beleggen, besluiten nemen. Een dergelijk besluit wordt in de eerstvolgende oudstenraadvergadering verantwoord. Beleidsbepalende beslissingen worden echter te allen tijde genomen in de voltallige oudstenraadsvergadering.

(..)

9.2

Besluiten in de oudstenraad worden in principe genomen met algemene stemmen.

9.3

Indien geen eenstemmigheid kan worden bereikt, wordt over een besluit gestemd, waarbij elk lid een stem heeft. Een zodanig besluit kan worden genomen met een meerderheid van drie vierde van de uitgebrachte stemmen, mits drie vierde van de leden aanwezig is.

(…)

12.1

Deze statuten kunnen te allen tijde op voorstel van de oudstenraad worden gewijzigd.”

2.4.

De dagelijkse oudstenraad wordt in de praktijk de Kern Oudsten Raad, oftewel de KOR genoemd, en de voltallige oudstenraad vergadering de VOR, hetgeen staat voor Voltallige Oudsten Raad.

2.5.

[eiser] is sinds 2001 lid van De Banier en vervult sinds oktober 2014 de functie van (wijk)oudste. Als zodanig maakt hij deel uit van de VOR.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven en na eiswijziging - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden te verbieden met onmiddellijke ingang in strijd te handelen met de statuten van De Banier van 9 november 2007;

II. gedaagden te gebieden met onmiddellijke ingang alle voor het besturen van

De Banier van belang en noodzakelijk zijnde informatie tijdig aan de VOR ter beschikking te stellen;

III. gedaagden te veroordelen om zich met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis, te onthouden van iedere actie waarmee zij de belangen van De Banier schaadt, althans een zodanige beslissing te nemen die de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

IV. gedaagden te gebieden artikel 7.6 van de statuten van De Banier van

9 november 2007 na te komen en alle beleidsbepalende beslissingen met betrekking tot De Banier, waaronder doch niet beperkt tot: samenstelling en aanstelling van besturen, commissies, het beheren van vermogen, sluiten en beëindigen van arbeidsovereenkomsten, toekenning van vergoedingen voor zover die de lopende dagelijkse zaken te boven gaan, invulling gastsprekers, inhoud en vorm van onderwijs en onderricht, te allen tijde aan de voltallige oudstenraad voor te leggen en door de voltallige oudstenraad te laten beslissen, althans een zodanige beslissing te nemen die de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

[eiser] heeft deze vorderingen gebaseerd op de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en op, voor zover hier van belang, de navolgende stellingen:

Kort gezegd stelt [eiser] zich op het standpunt dat sinds hij de functie van (wijk)oudste vervult, hem is gebleken dat de KOR in strijd handelt met de vastgestelde statuten uit 2007, meer in het bijzonder artikel 7.6. De KOR neemt zelfstandig (beleids)bepalende beslissingen terwijl de VOR verstoken blijft van belangrijke informatie en er ook geen deugdelijke verantwoording aan de VOR wordt afgelegd. De KOR verstrekt weliswaar (summiere) notulen, maar de VOR wordt op deze wijze voor voldongen feiten geplaatst. Voorts is er/geeft de KOR onvoldoende inzicht in de financiële gang van zaken. De verhoudingen tussen de KOR enerzijds en een groot deel van de leden en (wijk)oudsten van De Banier anderzijds, zijn als gevolg hiervan ernstig verstoord geraakt. De KOR handelt in strijd met de statuten, hetgeen per definitie onrechtmatig is jegens De Banier, de VOR en haar leden. De KOR schendt een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens de leden van De Banier en de overheidsrechter is hier bevoegd, nu in de statuten niet in een eigen bindende vorm van geschilbeslechting wordt voorzien. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, aangezien de leden van de KOR zich bij de vervulling van hun taken niet richten naar het belang van De Banier, met alle gevolgen (uiteenvallen van de gemeente) en financiële risico’s van dien.

3.3.

De leden van de KOR voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot

niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser].

3.4.

Daartoe stellen de leden van de KOR dat de ingestelde vorderingen te onbepaald zijn en dat er ook geen sprake is van enig spoedeisend belang. Bovendien zou toewijzing van de vorderingen een declatoir karakter hebben, het zou immers materieel een wijziging, althans uitleg van de statuten impliceren. Een kort geding is aldus niet de aangewezen weg.

Daarenboven geldt, dat de burgerlijke rechter terughoudendheid dient te betrachten, nu de scheiding tussen kerk en staat met zich brengt dat een kerkgenootschap een ruime organisatievrijheid kent. In de rechtspraak is bovendien het beginsel aanvaard dat het kerkgenootschap primair zelf bevoegd is tot uitleg van haar statuten en haar organisatie- en bestuursstructuur.

Meer specifiek geldt echter, dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen omdat er op 29 november 2010 een statutenwijziging heeft plaatsgevonden waarin de bestuurlijke structuur is gewijzigd. Hoewel deze wijziging niet schriftelijk is vastgelegd (hetgeen overigens ook niet vereist is) hebben de leden van de VOR en KOR die ook de statuten in 2007 hebben vastgelegd, in verklaringen opgeschreven dat er in 2010 een dergelijke statutenwijziging heeft plaatsgevonden. Nu de bestuurlijke structuur al sinds 2010 is gewijzigd en sindsdien daar ook naar gehandeld is komt [eiser] thans het recht niet meer toe om tegen deze statutenwijziging op te komen.

De vorderingen in de zaak tot voeging

3.5.

De Banier vordert bij vonnis, zich te mogen voegen aan de zijde van de leden van de KOR en [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen met hoofdelijke veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

4 De beoordeling

In het incident

4.1.

Ter zitting is de vordering van De Banier om zich te mogen voegen in het geding toegewezen. [eiser] heeft weliswaar bezwaar gemaakt, maar De Banier heeft aannemelijk gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Omdat de vorderingen betrekking hebben op persoonlijke en op bestuurlijke verhoudingen binnen het kerkgenootschap heeft De Banier daarbij een evident belang. Voorts is van belang dat nu over voeging in een kort geding op korte termijn diende te worden beslist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de KOR, die fungeert als het dagelijks bestuur van de VOR, bevoegd om dit besluit te nemen zonder voorafgaande raadpleging van de VOR (zie artikel 7.6 van de statuten).

4.2.

Hoewel De Banier belang heeft zich aan de zijde van gedaagden in deze procedure te scharen, ziet de voorzieningenrechter geen reden om [eiser] met de kosten in het incident te belasten en dient De Banier haar eigen kosten te dragen.

In de hoofdzaak

4.3.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde.

4.4.

De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de stelling, dat gedaagden jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld door (in hun hoedanigheid van leden van de KOR) in strijd met de statuten van De Banier (a) aan [eiser] (in zijn hoedanigheid van lid van de VOR) geen informatie te verschaffen, en (b) in de KOR beleid vast te stellen, welke bevoegdheid blijkens de statuten niet toekomt aan de KOR, maar aan de VOR.

4.5.

De stelling van [eiser] dat gedaagden jegens hem onrechtmatig zou hebben gehandeld houdt in dat gedaagden inbreuk hebben gemaakt op zijn burgerlijke rechten. De voorzieningenrechter is uit hoofde van artikel 112 Grondwet bevoegd om van deze vordering kennis te nemen.

4.6.

Gedaagden bestrijden de vorderingen onder meer op grond, dat [eiser] zich ten onrechte beroept op de statuten, zoals die in 2007 zijn vastgesteld, nu deze statuten in 2010 en ook later zijn gewijzigd.

4.7.

Van zo’n wijziging is, ook nadat de voorzieningenrechter daarnaar ter zitting had gevraagd, echter geen tekst overgelegd. Gedaagden hebben desgevraagd verwezen naar de overgelegde notulen en besluitenlijst van 29 november 2010, maar daarin wordt geen melding gemaakt van statuten, noch van enig voorstel, voornemen of besluit tot wijziging van de bestuursstructuur van De Banier.

4.8.

Enkele door gedaagden overgelegde schriftelijke verklaringen van enkele leden van de VOR en de KOR(gedateerd op 30 juni 2015 of 1 juli 2015) vermelden onder meer, dat tijdens de vergadering van de Oudstenraad op 29 november 2010 werd voorgesteld en besloten om de bestuurlijke structuur van De Banier zo te wijzigen, dat werd afgestapt van het model van de Oudstenraad. Een KernOudstenraad (KOR) zou fungeren als het dagelijks bestuur waarin de eindbeslissingen zouden worden genomen over onder andere het algemene beleid voor financiën, beheer, personele bezetting (benoeming oudsten) en dergelijke.

4.9.

Die verklaringen maken echter niet duidelijk waarom in de notulen en de besluitenlijst van die vergadering elke verwijzing naar een voornemen, voorstel of ‘besluit tot’ met betrekking tot een bestuurlijke structuurwijziging ontbreekt.

4.10.

Als (conform Asser/Rensen 2-III) zou moeten worden aangenomen dat een kerkgenootschap zijn statuut of statuten mondeling mag wijzigen, dan is denkbaar dat de statuten van De Banier in en/of na 2010 eens of meermalen mondeling zijn gewijzigd in de door gedaagden gestelde zin. Echter, bij gebrek aan iedere schriftelijke vastlegging achteraf van zulke mondelinge statutenwijziging (bijvoorbeeld notulen van vergaderingen of nieuwsbrieven aan de gemeenteleden) kan de inhoud van zulke wijzigingen in dit geding niet worden geverifieerd.

4.11.

[eiser] handelt in deze omstandigheden niet onbehoorlijk door gedaagden aan te spreken op correcte naleving van de in 2007 schriftelijk vastgestelde statuten. De kennelijke intentie van [eiser] en de strekking van zijn vorderingen zijn naar algemeen gangbare maatsteven niet onredelijk, nu deze zijn gericht op (in de kern samengevat) handhaving van de door de in 2007 vastgestelde statuten voorgeschreven bestuurlijke transparantie.

4.12.

Zo’n door [eiser] beoogde handhaving kan echter niet worden afgedwongen bij de overheidsrechter. Ingevolge artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) is een kerkgenootschap in hoge mate autonoom in de inrichting van hun interne organisatie. Deze bepaling vloeit voort uit het beginsel van scheiding van kerk en staat. Dat beginsel staat in de weg aan rechterlijke ingrepen in interne bestuurlijke geschillen binnen een kerkgenootschap.

4.13.

Een vordering van die materiele strekking kan ook niet met succes worden ingesteld tegen individuele leden van een kerkelijk bestuursorgaan. Indien, in het kader van een meningsverschil over de statutair geldende verdeling van bestuurlijke bevoegdheden tussen de VOR en de KOR, jegens [eiser] in zijn hoedanigheid van lid van de VOR onzorgvuldig is gehandeld door hetzij de voltallige KOR, dan wel door individuele leden van de KOR, dan moet dit handelen uitsluitend, althans in overwegende mate worden beschouwd als intern bestuurlijk handelen van, en tussen, organen van het kerkgenootschap.

4.14.

De overheidsrechter is ingevolge inhoud en strekking van artikel 2:2 BW pas dan bevoegd tot enigerlei ingreep in dat bestuurlijk functioneren, tenzij als gevolg van dat bestuurlijk handelen wettelijke bepalingen van dwingend recht zijn geschonden. Van dat laatste is echter in deze procedure niets gesteld of gebleken.

4.15.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen moeten worden afgewezen. [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden belast met de proceskosten. Gelet op het feit dat de advocaat van zowel gedaagden als De Banier een gezamenlijk pleidooi heeft gehouden, zullen de salariskosten die normaliter in kort geding worden toegewezen aan een partij (ad € 816,-) worden gehalveerd en toebedeeld aan enerzijds gedaagden en anderzijds De Banier.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

In het incident

I. laat De Banier toe als voegende partij.

II. bepaalt dat De Banier haar eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak

III. wijst af de vorderingen.

IV. veroordeelt [eiser] hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 285,- aan verschotten en € 408,- aan salaris van de advocaat.

V. veroordeelt [eiser] hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Banier begroot op € 613,- aan verschotten en € 408,- aan salaris van de advocaat.

VI. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.