Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3507

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
C/08/172706 / KG ZA 15-203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil – opheffen executoriaal beslag – risico wijze van procederen – deel vordering betaald en ‘zwevende’ creditnota

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/172706 / KG ZA 15-203

datum vonnis: 10 juli 2015 (sl(o)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat: mr. M.D. Ubbink te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, inclusief producties

- de mondelinge behandeling.

1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2.

Op 7 april 2015 heeft de kantonrechter in deze rechtbank, locatie Enschede, (verstek) vonnis (hierna: ‘het vonnis’) gewezen in de procedure tussen partijen ([gedaagde] als eiser en [eiseres] als gedaagde) met zaaknummer 3930461 \ CV EXPL 15-1983 welk dictum als volgt luidt:

“De beslissing

Veroordeelt de gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 25000,00, vermeerderd met de in de dagvaarding gevorderde rente over € 22135,65 vanaf 9 februari 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de gedaagde partij in de kosten, inclusief eventuele nakosten, van deze procedure, tot op deze uitspraak begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd.

De eventuele nakosten zijn toewijsbaar bij niet-nakoming van dit vonnis binnen 14 dagen na aanschrijving ervan.

Veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.”

2.3.

Voornoemd vonnis is op 23 april 2015 door [gedaagde] aan [eiseres] betekend.

2.4.

De raadsvrouw van [eiseres] heeft bij faxbrief van 24 april 2015 - en met diverse stukken onderbouwd - aan de deurwaarder laten weten dat de facturen tot betaling waarvan [eiseres] bij verstek werd veroordeeld door [eiseres] al op 9 maart 2014 aan [gedaagde] waren betaald. [gedaagde] is voorts verzocht af te zien van executiemaatregelen en de uitkomst van een te starten verzetprocedure af te wachten, met verzoek om bevestiging van de bereidheid daartoe uiterlijk dinsdag 28 april 2015 om 14.00 uur, onder aankondiging van een executiegeschil bij uitblijven daarvan. Op deze brief werd van de zijde van [gedaagde] geen reactie ontvangen.

2.5.

Op 11 mei 2015 is namens [eiseres] een verzetdagvaarding aan [gedaagde] betekend.

2.6.

Op 22 mei 2015 heeft [gedaagde] executoriaal derdenbeslag laten leggen onder de Coöperatieve Rabobank Centraal Twente U.A. (hierna: ‘Rabobank’) te [vestigingsplaats] ten laste van [eiseres].

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het door [gedaagde] gelegde executoriale beslag op te laten heffen, alsmede hem te verbieden verdere executiemaatregelen van het vonnis te treffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe stelt [eiseres] kort gezegd dat zij de facturen waarop het vonnis berust al heeft voldaan en het door [gedaagde] gelegde executoriale derdenbeslag derhalve onrechtmatig is gelegd.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat - in tegenstelling tot hetgeen in de dagvaarding is vermeld - zijn bevoegdheid kan worden ontleend aan artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, nu executoriaal derdenbeslag is gelegd onder de Rabobank te [vestigingsplaats]. Voor het leggen van executoriaal (derden)beslag is - dit in tegenstelling tot conservatoir beslag - immers geen verlof van de voorzieningenrechter vereist.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het door [eiseres] gestelde spoedeisend belang voort uit de aard van het gevorderde.

4.3.

Het onderhavige geschil is een executiegeschil. Voor de beantwoording van de vraag of de vordering tot opheffing van het beslag bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen, dient de voorzieningenrechter te beoordelen of [gedaagde] de bevoegdheid tot executie toekomt, en zo ja, of hij bij gebruikmaking van deze bevoegdheid misbruik maakt van recht. Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.4.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [gedaagde] gerechtigd was om op 22 mei 2015 over te gaan tot het leggen van executoriaal derdenbeslag, stellende dat [eiseres] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de veroordeling bij vonnis van 7 april 2015. De (achterliggende) kern van het geschil spitst zich echter toe op de vraag of de facturen waarop het vonnis is gebaseerd al dan niet zijn voldaan door [eiseres].

4.5.

[eiseres] heeft diverse stukken in het geding gebracht, waaruit volgens [eiseres] zou moeten blijken dat de facturen waarop het vonnis is gebaseerd zijn voldaan. Zo is onder meer een door [gedaagde] opgesteld financieel overzicht overgelegd, waarin alle door [gedaagde] aan [eiseres] verzonden facturen staan opgenomen, en waaruit voorts is vermeld of deze al dan niet zijn betaald. Uit het overzicht blijkt onder meer dat er door [gedaagde] een totaalbedrag van € 188.804,14 in rekening is gebracht en dat er een bedrag van € 146.001,90 door [eiseres] in totaal in mindering op voornoemd bedrag is voldaan. Desgevraagd heeft [eiseres] verklaard dat partijen een totaalbedrag van € 146.001,90 zijn overeengekomen en al hetgeen [gedaagde] meer in rekening heeft gebracht wordt betwist. Op welke facturen haar betwisting specifiek ziet kon zij echter niet zeggen.

4.6.

Meer in het bijzonder heeft [eiseres] gesteld dat zij de facturen 20140007 en 20140012 heeft voldaan op of omstreeks 9 maart 2014 en dat zij deze facturen heeft verrekend met een creditnota, te weten factuur 20140014. Daartoe heeft zij een interne crediteurenkaart overgelegd waaruit zulks duidelijk blijkt.

4.7.

[gedaagde] heeft daarentegen verklaard dat er wel degelijk meerwerk is verricht en dat hij om die reden ook meer in rekening heeft gebracht dan hetgeen partijen oorspronkelijk hadden afgesproken. Daarenboven stelt [gedaagde] dat hij diverse keren aan [eiseres] heeft verzocht om de gedane betalingen te specificeren en uit te leggen op welke facturen de gedane betalingen zien. Hier heeft [eiseres] naar de mening van [gedaagde] nimmer voldaan. Desgevraagd heeft [gedaagde] verklaard dat uit zijn bankafschriften blijkt dat er op

19 maart 2014 een betaling is gedaan door [eiseres] waarbij staat vermeld: 10/12/13.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] geen bewijs van betaling heeft overgelegd. Het overleggen van een interne crediteurenkaart, facturen en een e-mail met daarin een toelichting van het hoofd administratie laten - in tegenstelling tot een bankafschrift - niet zien dat er daadwerkelijk is betaald en nu dat juist de stelling is waarop [eiseres] haar vordering grondt mag van haar ten aanzien van die stelling ook het nodige worden verwacht. Dat is gebleken dat de (interne) boekhouding bij [eiseres] een zooitje is (hoewel voor haar wellicht werkbaar is er voor een derde nauwelijks wat van te maken, onder meer doordat in het systeem bij een mutatie maar één factuurnummer kan worden vermeld) en het zeer begrijpelijk is dat [gedaagde] de weg kwijt is geraakt bij het uitzoeken welke facturen nu wel en niet zijn voldaan, neemt het vorenstaande niet weg dat ter zitting is gebleken dat de gedane betaling op 19 maart 2014 ziet op in ieder geval factuur 20140012 en vermoedelijk ook de creditnota 20140014 (welke in eerste instantie door [gedaagde] in rekening was gebracht onder nummer 20140013 en als gevolg van een dubbeling aldus gewijzigd in 20140014).

4.9.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het feit dat [gedaagde] er - begrijpelijkerwijs - voor heeft gekozen om zijn vordering te beperken tot een bedrag van € 25.000,- (zodat de kamer voor kantonzaken bevoegd is teneinde de proceskosten te beperken), maar er daarbij voor heeft gekozen om een tweetal facturen uit te kiezen om daar zijn vordering op te gronden terwijl nu blijkt dat in ieder geval een van deze facturen door [eiseres] is voldaan en er bovendien een creditnota ‘zweeft’, voor rekening en risico van [gedaagde] dient te komen. De vraag of [gedaagde] terecht een meerprijs van € 42.802,24 in rekening heeft gebracht gaat het bestek van dit kort geding te buiten, maar dit laat onverlet dat niet onaannemelijk is dat hij wellicht nog een en ander te vorderen heeft en dat hij de grondslag van zijn vordering in de verzetprocedure door een eiswijziging alsnog kan .

4.10.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het beslag opheffen en voorts een executieverbod opleggen. Nu [gedaagde] beschikt over een executoriale titel heeft [eiseres] hier belang bij. De gevorderde dwangsom zal echter worden gematigd en gemaximeerd als hierna te melden.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. heft op het executoriaal derdenbeslag dat [gedaagde] op 22 mei 2015 ten laste van [eiseres] heeft gelegd.

II. verbiedt [gedaagde] maatregelen te (doen) treffen ter executie van het op 7 april 2015 door deze rechtbank, kamer voor kantonzaken, locatie Enschede tussen partijen gewezen (verstek)vonnis, waaronder middels het (doen) leggen van beslagen;

III. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij in strijd handelt met het onder II. bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeurd van

EUR 500,- per overtreding en EUR 500,- per dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van EUR 10.000,-;

IV. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € ** aan verschotten en € 527,- aan salaris van de advocaat.

V. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VI. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.