Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3499

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
ak_15_313
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ-waarde. Besluit proceskosten bestuursrecht. Hoogte proceskostenvergoeding. Samenhangende zaken.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 3 lid 2, geldigheid: 2015-07-21
Wet waardering onroerende zaken, geldigheid: 2015-07-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 15/313


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in het geschil tussen

[naam],

wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: G. Gieben, werkzaam bij Previcus Vastgoed,

en

de ambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] vastgesteld bij beschikking van 28 februari 2014. Daarbij is de waarde per waardepeildatum 1 januari 2013 voor het belastingjaar 2014 vastgesteld op € 855.000,-. Tegelijk met deze beschikking heeft verweerder eiser voor het belastingjaar 2014 een aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) opgelegd van € 2992,02.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 januari 2015 heeft verweerder het hiertegen door eiser ingediende bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaak

[adres] in [woonplaats] verlaagd naar € 848.000,-. Tevens heeft verweerder in deze uitspraak op bezwaar aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 551,80.

Tegen deze uitspraak op bezwaar heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

Het beroep is op 19 mei 2015 ter zitting behandeld. Namens eiser zijn verschenen

A. van den Dool en B.M.T. Claassen, kantoorgenoten van de gemachtigde van eiser, bijgestaan door ing. R.J.A. Groot Koerkamp, taxateur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Kisteman, A.H. Bouwmeester, M.M. Lobeek en R.M.E. Vos.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 De feiten

Eiser is eigenaar van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak). Deze onroerende zaak betreft een melkveebedrijf, bestaande uit een vrijstaande woning, bouwjaar 2009, met een inhoud van 696 m³, een perceel grond met een oppervlakte van in totaal 342.999 m² en meerdere bedrijfsbijgebouwen, waaronder een buitenbak/buitenmanege.

Van de onroerende zaak is geen op of rond de waardepeildatum gerealiseerde verkoopprijs bekend.

De in de bestreden uitspraak op bezwaar aan eiser toegekende proceskostenvergoeding is als volgt opgebouwd:

  • -

    € 36,45 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het indienen van het bezwaarschrift;

  • -

    € 36,45 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het bijwonen van de hoorzitting;

  • -

    € 471,90 aan kosten voor het laten opstellen van een taxatierapport;

  • -

    € 7,- aan kosten voor het verkrijgen van kadastrale uittreksels.

3 Het geschil

In geschil is de WOZ-waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2013. Daarnaast is in geschil de vraag of verweerder in de uitspraak op bezwaar aan eiser terecht een proceskostenvergoeding van € 551,80 heeft toegekend.

Eiser is van mening dat de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak niet hoger kan zijn dan € 750.000,-. Ter onderbouwing hiervan heeft hij gewezen op het in bezwaar door hem overgelegde taxatierapport dat is opgesteld door ing. R.J.A. Groot Koerkamp.

Met betrekking tot de toegekende proceskostenvergoeding is eiser van mening dat verweerder zijn bezwaar ten onrechte heeft aangemerkt als een met negen andere bezwaarprocedures samenhangende zaak. Volgens eiser zijn de grieven in deze bezwaarprocedures niet (nagenoeg) identiek en dienden de bezwaren afzonderlijk van elkaar te worden behandeld. Dat de behandeling (nagenoeg) gelijktijdig heeft plaatsgevonden kan een gevolg van andere factoren of zelfs toeval zijn. Daarbij acht hij van belang dat de behandeltermijn voor bezwaren tegen WOZ-beschikkingen niet dertien weken bedraagt, maar tot het einde van het kalenderjaar duurt. Eiser is van mening dat in het gewijzigde Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) met samenhangende zaken worden bedoeld zaken die betrekking hebben op (nagenoeg) identieke woningen zoals bijvoorbeeld tussenwoningen in dezelfde straat of appartementen in hetzelfde complex, waarin bezwaar wordt gemaakt op basis van dezelfde argumentatie en dezelfde vergelijkingsobjecten worden gehanteerd. Verder zou eiser graag zien dat, zoals hij ook heeft verzocht, verweerder de proceskostenvergoedingen in het vervolg overmaakt naar de bankrekening van Previcus Vastgoed en niet naar zijn rekeningnummer.

Verweerder heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Daarnaast is verweerder van mening dat de proceskostenvergoeding in bezwaar op een juist bedrag is vastgesteld en op juiste wijze is uitbetaald.

Met betrekking tot het gelijktijdig behandelen van de bezwaren heeft verweerder toegelicht dat het team belastingen haar werkzaamheden volgens een vast protocol uitvoert. De door de gemachtigde ingediende bezwaren worden verzameld en collectief behandeld. Het proces start met een beoordeling per dossier door verweerders taxateur per gemachtigde. De voorlopige waardeoordelen worden in een Excel-bestand gezet en op dit bestand kan de gemachtigde reageren en daarbij aangeven over welke waarden overeenstemming is en voor welke objecten een hoorzitting gewenst is. De eventueel nieuw toegevoegde grieven uit de hoorzitting worden direct, een dag na de zitting ook weer collectief door de taxateurs behandeld en in een dossier aangeboden aan de fiscaal juridisch medewerkers. Daarna worden op basis van deze dossiers door de fiscaal juridisch medewerkers conceptuitspraken gemaakt, die vervolgens door de senior fiscaal juridisch medewerker per gemachtigde beoordeeld worden op uniformiteit, consistentie en juridische aspecten. Nadat de concept- uitspraken akkoord zijn bevonden, worden ze definitief gemaakt, ondertekend, gescand en ter verzending aangeboden.

Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

De hoogte van de WOZ-waarde

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44).

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt de waarde voor

niet-woningen bepaald door middel van een methode van kapitalisatie van de bruto huur, door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten waarvan marktgegevens beschikbaar zijn dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode.

Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank op dat het verweerder vrij staat om in elke fase van het geding de vastgestelde waarde met nieuwe gegevens te onderbouwen.

Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Verweerder heeft daartoe verwezen naar het in beroep overgelegde taxatierapport, dat is opgesteld door M.M. Lobeek, taxateur. In dit rapport wordt geconcludeerd tot een waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2013 van € 875.000,-.

Uit het taxatierapport blijkt dat de WOZ-waarde van eisers onroerende zaak daarin is vastgesteld op basis van de Taxatiewijzer Agrarische gebouwen en de Taxatiewijzer Grond bij agrarische objecten. Daarbij zijn tevens de volgende objecten als referentieobjecten gehanteerd:

  • -

    [adres] in [woonplaats], verkocht op 20 december 2013 voor € 1.026.558,-;

  • -

    [adres] in [woonplaats], verkocht op 16 juni 2014 voor € 1.141.300,-.

Uit het taxatierapport blijkt dat bij de waardebepaling van eisers onroerende zaak 9.520 m² aan grond en 700 m² aan erfverharding is betrokken. 333.494 m² aan grond is buiten de waardebepaling gelaten. Van de meegetaxeerde grond is 850 m² aangemerkt als ‘grond bij eengezinswoning’ en 8.670 m² als ‘grond bij niet-woning’.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder in dit geval de WOZ-waarde van eisers onroerende zaak heeft kunnen bepalen met toepassing van de agrarische taxatiewijzers. Eiser heeft dit ook niet bestreden.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat in het taxatierapport van verweerder de taxatiewijzers onjuist zijn toegepast of dat bij de waardebepaling van de verschillende onderdelen van eisers onroerende zaak is uitgegaan van een te hoge waarde per m² of per m³. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op basis van het door verweerder overgelegde taxatierapport niet kan worden gezegd dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak van eiser te hoog is vastgesteld.

Het door eiser overgelegde taxatierapport leidt niet tot een ander oordeel. Aan de waarde-bepaling van eisers onroerende zaak zijn in dit rapport de verkoopgegevens van vier melkveebedrijven ten grondslag gelegd. Het rapport maakt echter op geen enkele wijze inzichtelijk waarom op basis van de verkoopgegevens van deze onroerende zaken dient te worden geconcludeerd tot een waarde van eisers onroerende zaak op de waardepeildatum

1 januari 2013 van € 750.000,-.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het overgelegde taxatierapport alsmede met hetgeen hij overigens heeft aangevoerd voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van eisers onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2013 niet te hoog is.

De hoogte van de proceskostenvergoeding

Bij Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Bpb in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken (Stb. 2014, 411) is artikel 3, tweede lid, van het Bpb gewijzigd. Dat artikellid luidt met ingang van 1 januari 2015 als volgt:

“Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

Op grond van het overgangsrecht, dat is opgenomen in artikel II van het Besluit van

27 oktober 2014 heeft de wijziging onmiddellijke werking. Dat betekent dat zowel de proceskostenvergoeding in beroep als de kostenvergoeding in bezwaar in de zaak van eiser op basis van het gewijzigde artikel 3, tweede lid, van het Bpb moet worden vastgesteld.

In de nota van toelichting bij het Besluit van 27 oktober 2014 is onder meer opgenomen:

“In de praktijk komt het regelmatig voor dat verschillende zaken met eenzelfde rechtsbijstandverlener tegelijkertijd of volgtijdelijk worden behandeld op een zitting of hoorzitting. Daarbij wordt tijdens die (hoor)zitting in kort tijdsbestek een veelvoud van zaken behandeld die sterk op elkaar lijken. Een strikte toepassing van het Bpb kan dan onredelijk uitwerken. Dergelijke zittingen kunnen zelden worden aangemerkt als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Vaak is niet voldaan aan alle in die bepaling gestelde vereisten, namelijk dat de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld en dat het nagenoeg identieke besluiten betreft, waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. De Hoge Raad ziet in belastingzaken niet snel aanleiding om te spreken van nagenoeg identieke zaken, aangezien veelal per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag zijn opgelegd (zie ook HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3090). Immers, bij veel aanslagen zullen de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden betreffen.

Om die reden is het wenselijk te komen tot een verruiming van het begrip “samenhangende zaak” in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit wordt bewerkstelligd door schrapping van de vereisten dat het moet gaan om nagenoeg identieke besluiten waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Het vereiste dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn ingediend, wil sprake kunnen zijn van samenhangende zaken, is vervangen door het criterium dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn behandeld. Zo is men voor de vraag of sprake is van samenhangende zaken niet afhankelijk van de rechtsbijstandverlener en de vraag of deze de bezwaren of beroepen al dan niet gelijktijdig indient. Leidend wordt de vraag of het bestuursorgaan onderscheidenlijk de bestuursrechter de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt. Door deze verruiming van het tweede lid zal dus sneller sprake zijn van een samenhangende zaak waardoor het bestuursorgaan en de rechter vaker in situaties dat meerdere zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld, en dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak, voor de kosten de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5 zaak (bij vier of meer zaken) in aanmerking zal nemen. Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor iedere zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden.”

Bij de artikelsgewijze toelichting op artikel 3, tweede lid, van het Bpb is gesteld:

“Het nieuwe tweede lid van artikel 3 van het Bpb strekt ertoe dat de rechter en het bestuursorgaan bezwaren en beroepen waarbij rechtsbijstand is verleend door één of meer personen en die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elke individuele zaak nagenoeg identiek konden zijn en welke (nagenoeg) gelijktijdig zijn behandeld, moeten aanmerken als één zaak. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten alsdan worden vastgesteld conform de in onderdeel C2 van de bijlage opgenomen wegingsfactoren voor samenhangende zaken.”

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden uitspraak op bezwaar (met procedurenummer 79204) heeft geconcludeerd dat het bezwaar van eiser samenhangt met de bezwaarprocedures met de nummers 78205, 79196, 79199, 79201, 79202, 79206, 79207, 79301 en 79310. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder gesteld dat dit door één of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren betreffen, die gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld en waarin de gemachtigde rechtsbijstand heeft verleend en de werkzaamheden voor deze tien zaken nagenoeg identiek waren. Op grond van het Bpb heeft verweerder vervolgens een wegingsfactor van 1,5 toegepast. De proceskostenvergoeding voor zowel het indienen van het bezwaar als het bijwonen van de hoorzitting door eisers gemachtigde heeft verweerder als volgt berekend: € 243,- x 1,5 x 1/10 = € 36,45.

De rechtbank stelt vast dat de tien genoemde bezwaarprocedures alle zaken betreffen waarin dezelfde gemachtigde namens verschillende belanghebbenden is opgetreden. Verder heeft op 5 december 2014 een hoorzitting plaatsgevonden waarin deze procedures zijn behandeld en heeft verweerder in al deze procedures op 6 januari 2015 een uitspraak op bezwaar afgegeven. Deze bezwaren hadden alle betrekking op de WOZ-waarde van een agrarische bedrijfswoning met bijbehorende bedrijfsgebouwen, waarvan de waarde met toepassing van de landelijke agrarische taxatiewijzers is bepaald. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de procedures met de nummers 79196 en 79207 daarnaast ook nog betrekking hadden op de vaststelling van de WOZ-waarde van een tweede object. Dat betreft in beide gevallen een naast het agrarisch bedrijf gelegen woning, waarvan de WOZ-waarde op basis van de vergelijkingsmethode is vastgesteld. In de procedure met nummer 79196 is het hiertegen ingediende bezwaar gegrond verklaard en is de WOZ-waarde van de woning verlaagd. In de procedure met nummer 79207 is het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de woning ongegrond verklaard. Alleen in deze laatste procedure is tevens beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van de woning.

De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft de tien genoemde bezwaarprocedures sprake is van werkzaamheden die in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

Nu de besluitgever blijkens de toelichting het begrip ‘samenhangende zaken’ wenste te verruimen, ziet de rechtbank geen aanleiding eiser te volgen in zijn standpunt dat alleen sprake is van werkzaamheden die nagenoeg identiek konden zijn als de te waarderen objecten bijvoorbeeld appartementen in hetzelfde appartementencomplex of identieke woningen in dezelfde rij betreffen. In het criterium ‘werkzaamheden die nagenoeg identiek konden zijn’ ligt besloten dat de samenhang niet moet worden beoordeeld op basis van de concrete werkzaamheden die de rechtsbijstandverlener heeft verricht, maar dat een meer abstracte toets moet worden aangelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat op basis van overeenkomsten inzake de aard van de gewaardeerde objecten (in dit geval uitsluitend agrarische bedrijven met bijbehorende bedrijfswoning) en de gehanteerde waarderingsmethode (in dit geval telkens een waardebepaling op basis van de agrarische taxatiewijzers) moet worden beoordeeld of sprake is van werkzaamheden die nagenoeg identiek konden zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook overeenkomstig de per 1 januari 2015 geldende regeling sprake van tien samenhangende zaken en dienen de zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb als één zaak te worden aangemerkt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet volgt dat de kostenvergoeding voor de in bezwaar verleende rechtsbijstand op onjuiste wijze is vastgesteld.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de uitbetaling van de proceskosten een handeling van feitelijke aard en derhalve een privaatrechtelijke aangelegenheid betreft. De bestuursrechter is dan ook niet bevoegd omtrent de feitelijke uitbetaling van de proceskostenvergoeding een oordeel te geven.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

5 Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van N. Schuchart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

afschrift verzonden op: