Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3367

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/3277 en 14/3282
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1664, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op bezwaar vestiging Hornbach Bouwmarkt in Zwolle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/3277 en 14/3282

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-zelf-Center B.V., te Amsterdam, eisers,

gemachtigde: mr. J.R. van Angeren,

2. Van Neerbos Bouwmarkten B.V. en Van Neerbos Groep B.V, te Vlaardingen, en

[omwonende 1], [omwonende 2], [omwonende 3], [omwonende 4] en [omwonende 5], te Zwolle, eisers,

gemachtigde: mr. A. Kaspers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder.

Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: Hornbach Real Estate Zwolle B.V., te Nieuwegein,

gemachtigde: mr. C.W. Kniestedt.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft verweerder aan Hornbach Real Estate Zwolle B.V. (hierna: Hornbach) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een bouw- en tuinmarkt met drive-inn en het aanleggen van een uitrit en parkeerplaatsen op het perceel Katwolderweg 6 te Zwolle (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 juni 2014 heeft verweerder aan Hornbach een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van reclameobjecten op het perceel.

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft verweerder aan Hornbach een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een reclametoren op het perceel.

Hiertegen hebben Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-Zelf-Center B.V. (hierna: Praxis; enkelvoud), Van Neerbos Bouwmarkten B.V. en Van Neerbos Groep B.V. (hierna: Gamma; enkelvoud) en [omwonende 1], [omwonende 2], [omwonende 3], [omwonende 4] en [omwonende 5] (hierna: omwonenden; meervoud) bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 21 november 2014 zijn, samengevat weergegeven, Praxis, Gamma en de omwonenden deels niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren en zijn de drie primaire besluiten, al dan niet met een gewijzigde motivering, gehandhaafd.

Praxis, Gamma en de omwonenden hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft verweerder een nader welstandsadvies d.d. 22 april 2015 ingebracht.

Gamma heeft op 28 mei 2015 een tegenadvies ingebracht.

Hornbach heeft op 24 juni 2015 gereageerd op de beroepsgronden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2015. Praxis heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Gamma heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger Gamma], bijgestaan door haar gemachtigde. De omwonenden hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger gemeente Zwolle], werkzaam bij de gemeente Zwolle. Hornbach heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger Hornbach], bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Hornbach is voornemens een bouw- en tuinmarkt met drive-inn te realiseren op het perceel. Het project ziet tevens op het aanleggen van parkeerplaatsen en een uitrit ten behoeve van de bouw- en tuinmarkt, het plaatsen van reclameobjecten en het oprichten van een reclametoren op het perceel.

Daartoe heeft Hornbach op 6, 7 en 7 mei 2014 drie separate aanvragen om omgevingsvergunning bij verweerder ingediend.

De bestemming van het perceel is geregeld in het bestemmingsplan “Blaloweg en Katwolderweg (voormalig Shell-terrein en omgeving)” (hierna: het bestemmingsplan).

- De gronden alwaar de bouw- en tuinmarkt worden gerealiseerd hebben de bestemming “Bedrijf” met de dubbelbestemming “Waterstaat-Waterkering” en de gebiedsaanduiding “vrijwaringszone-dijk”.

- De gronden alwaar de reclameobjecten worden geplaatst hebben de bestemming “Bedrijf”.

- De gronden alwaar de reclametoren wordt geplaatst hebben de bestemming “Bedrijf” met de aanduiding “specifieke bouwaanduiding-attentiemast” en de gebiedsaanduiding “vrijwaringszone-dijk”.

Het bestemmingsplan is op 3 februari 2014 vastgesteld door de raad van de gemeente Zwolle. Tegen dit vaststellingsbesluit hebben Praxis, Gamma en de omwonenden beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

Het bestemmingsplan is in werking getreden en de drie aanvragen zijn vervolgens getoetst aan het bestemmingsplan.

Het primaire besluit van 10 juni 2014 betreft een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouw- en tuinmarkt met drive-inn en het aanleggen van een uitrit en parkeerplaatsen op het perceel. Dit betreft een omgevingsvergunning voor de navolgende activiteiten:

- ‘ bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo);

- ‘ aanleggen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo;

- ‘ strijdig gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en

- ‘ maken of veranderen van een uitweg’ als bedoeld in artikel 2.2. eerste lid, onder e, van de Wabo.

Voor wat betreft de activiteit ‘strijdig gebruik’ is binnenplans afgeweken van het bestemmingsplan op grond van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º van de Wabo juncto de artikelen 7.3.1 en 10.1.3 van het bestemmingsplan.

Het primaire besluit van 27 juni 2014 betreft een omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclameobjecten op het perceel. Dit betreft een omgevingsvergunning voor de navolgende activiteiten:

- ‘ bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo;

- ‘ het op of aan een onroerende zaak maken of voeren van handelsreclame’ als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder h, van de Wabo.

Het primaire besluit van 1 juli 2014 betreft een omgevingsvergunning voor het oprichten van een reclametoren op het perceel. Dit betreft een omgevingsvergunning voor de navolgende activiteiten:

- ‘ bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo;

- ‘ strijdig gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo;

- ‘ het op of aan een onroerende zaak maken of voeren van handelsreclame’ als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder h, van de Wabo.

Voor wat betreft de activiteit ‘strijdig gebruik’ is binnenplans afgeweken van het bestemmingsplan op grond van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo juncto artikel 10.1.3 van het bestemmingsplan.

Gamma en de omwonenden hebben, connex met hun beroep tegen het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan, de voorzitter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 22 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3254, heeft de voorzitter dit verzoek afgewezen.

Praxis heeft vervolgens, eveneens connex met haar beroep tegen het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan, een separaat verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 3 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3654, heeft de voorzitter dit verzoek afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het navolgende besloten:

- De omwonenden zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren tegen het besluit van 10 juni 2014 (bouw- en tuinmarkt en uitrit en parkeerplaatsen). De bezwaren van Praxis en Gamma tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard. Dit besluit is met een aanvullende/gewijzigde motivering, gehandhaafd. Verweerder is hierbij binnenplans afgeweken van de maximale parkeernorm (zoals neergelegd in artikel 9.1, onder b, van de planregels) op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo juncto artikel 9.3, onder b, van de planregels.

- Praxis, Gamma en de omwonenden zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren, gericht tegen het besluit van 27 juni 2014 (plaatsen reclameobjecten).

- De bezwaren van Praxis, Gamma en omwonenden tegen het besluit van 1 juli 2014 (reclametoren) zijn ongegrond verklaard. Dit besluit is met een aanvullende/gewijzigde motivering gehandhaafd.

Op 15 december 2014 heeft de raad van de gemeente Zwolle, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Deze wijziging betreft de redactie van artikel 9.1, onder b, van de planregels.

2. Hornbach heeft betoogd dat Praxis Vastgoed B.V., anders dan Praxis Doe-het-zelf-Center B.V., geen rechtstreeks belang heeft bij de drie in bezwaar gehandhaafde primaire besluiten, zodat het beroep van Praxis Vastgoed B.V. niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hornbach verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2342.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak het navolgende geoordeeld:

“Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 7 maart 2007 in zaak nr. 200606317/1 is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit belanghebbende. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen. De rechtbank heeft Praxis Doe-Het-Zelf Center, welke vennootschap werkzaam is binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als vergunninghouder, dan ook terecht aangemerkt als belanghebbende en ontvankelijk geacht in haar beroep, hetgeen door Hornbach en het college ook niet wordt betwist.

Het is evenwel niet gebleken dat de vestiging van Praxis Doe-Het-Zelf Center in Beek onder rechtstreeks beheer valt van Praxis Vastgoed. Het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel biedt hiervoor geen aanknopingspunten, nu de activiteiten van Praxis Vastgoed hierin zijn omschreven als: de handel in eigen onroerend goed, het verkrijgen, vervreemden, bezwaren, huren en verhuren van registergoederen. Praxis Vastgoed heeft ter zitting niet kunnen toelichten welk eigen belang rechtstreeks betrokken is bij het projectbesluit en de bouwvergunning eerste fase. De ter zitting door Hornbach ingenomen stelling dat Praxis Vastgoed eigenaar noch verhuurder is van het perceel, waar Praxis Doe-Het-Zelf Center een bouwmarkt in Beek exploiteert, is door haar niet betwist. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat Praxis Vastgoed als belanghebbende is aan te merken.”

In reactie hierop heeft Praxis ter zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2331, inzake Bauhaus Groningen. In die uitspraak zijn zowel Praxis Vastgoed B.V. als Praxis Doe-het-zelf-Center B.V. in hun beroep ontvangen.

Verder heeft Praxis ter zitting gesteld dat Praxis Vastgoed B.V. de huurder is van de Praxis-vestiging in Zwolle. Nu deze hoedanigheid niet is bestreden, wordt Praxis Vastgoed B.V. (in ieder geval) aangemerkt als belanghebbende bij de primaire besluiten van 10 juni 2014 (bouw- en tuinmarkt) en 1 juli 2014 (reclametoren).

2.1.

De rechtbank zal ambtshalve beoordelen of Van Neerbos Groep B.V. belanghebbende is bij de drie primaire besluiten. Daartoe overweegt de rechtbank dat Gamma desgevraagd ter zitting heeft meegedeeld dat deze rechtspersoon sinds september 2014 (dus na de drie primaire besluiten maar voor het bestreden besluit) geen eigenaar/verhuurder meer is van de Gamma-vestiging in Zwolle. Nu eveneens niet is gebleken dat Van Neerbos Bouwmarkten B.V. in Zwolle onder rechtstreeks beheer valt van Neerbos Groep B.V., is laatstgenoemde rechtspersoon sinds september 2014 geen belanghebbende meer bij de drie primaire besluiten. Verweerder heeft in het bestreden besluit deze rechtspersoon dan ook terecht, zij het met een afwijkende motivering, niet-ontvankelijk verklaard voor zover haar bezwaren zijn gericht tegen het primaire besluit van 27 juni 2014 (reclameobjecten).

Verweerder had evenwel deze rechtspersoon eveneens niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar bezwaren, gericht tegen de primaire besluiten van 10 juni 2014 (bouw- en tuinmarkt) en 1 juli 2014 (reclametoren). Door dit niet te doen, is het beroep in zo verre gegrond. De rechtbank zal, zelf in de zaak voorziend, Van Neerbos Groep B.V. niet-ontvankelijk verklaren in haar bezwaren tegen de primaire besluiten van 10 juni 2014 en 1 juli 2014.

Voor zover hierna in deze uitspraak wordt verwezen naar ‘Gamma’ wordt daarmee ‘Van Neerbos Bouwmarkten B.V.’ bedoeld.

3. Ter afbakening van het voorliggende geschil overweegt de rechtbank het volgende:

Praxis, Gamma en de omwonenden hebben in hun beroepschriften aangegeven dat de door hen ingediende bezwaarschriften als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit op de bezwaarschriften van Praxis, Gamma en de omwonenden is ingegaan en de daarin vervatte gronden heeft weerlegd dan wel zijn besluitvorming heeft voorzien van een nadere onderbouwing. Enkel en alleen voor zover Praxis, Gamma en de omwonenden in hun beroepschriften nader in gaan op de weerlegging van hun bezwaargronden, zal de rechtbank de gronden uit de bezwaarschriften bespreken. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraken van de Afdeling van

6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1794, en 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4624.

4. Met betrekking tot het niet-ontvankelijk verklaren van de omwonenden in hun bezwaren tegen het primaire besluit van 10 juni 2014 (oprichten bouw- en tuinmarkt) alsmede het in bezwaar handhaven van dit besluit overweegt de rechtbank het volgende.

4.1.

De omwonenden stellen dat zij evident direct zicht hebben op het op te richten gebouw. Zij verwijzen hierbij naar een foto, die op pagina 6 van hun bezwaarschrift is ingevoegd. Zij zijn dan ook ten onrechte niet ontvangen in hun bezwaren, aldus de omwonenden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in geval van een ruimtelijk relevant besluit als de in geding zijnde omgevingsvergunning, bepalend is voor de belanghebbendheid of betrokkene in de nabijheid van het bouwplan woont, waarbij mede betekenis toekomt aan de mate van zicht op en ruimtelijke uitstraling van het bouwplan. Het enkele feit dat een omwonende zicht heeft op het bouwwerk, betekent nog niet dat hij belanghebbende bij de verlening van de omgevingsvergunning is. Datgene wat er te zien is moet ook dusdanig zijn dat de persoon in kwestie door de aanwezigheid van het vergunde bouwwerk meer dan anderen in zijn belangen wordt geraakt.

In casu blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de omwonenden woonachtig zijn in een appartementengebouw/flatgebouw en dat de afstand tussen dit appartementengebouw en de vergunde bouw- en tuinmarkt ongeveer 350 meter bedraagt. Tussen deze appartementen en het bouwplan bevindt zich bedrijfsbebouwing, een waterpartij, een weiland/groenvoorziening en meerdere bomen. Vanuit de appartementen is enig zicht op het bouwplan. Dit zicht is naar het oordeel van de rechtbank van een dermate geringe betekenis dat de omwonenden door deze omgevingsvergunning niet rechtstreeks in hun belangen worden geraakt. Verder oordeelt de rechtbank dat, gelet op deze ruime afstand en de geplande ontsluiting van de bouw- en tuinmarkt, de omwonenden eveneens niet zullen worden geconfronteerd met een toenemend aantal verkeersbewegingen langs het appartementengebouw ten gevolge van dit bouwplan.

Gelet op vorenstaande heeft verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de omwonenden geen belanghebbende zijn bij de omgevingsvergunning voor het oprichten van de bouw- en tuinmarkt sec. Verweerder heeft dan ook terecht de omwonenden niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren tegen het primaire besluit van 10 juni 2014.

4.2.

Praxis stelt dat de instandhouding van de buitenruimte, zoals vereist in artikel 3.2.1 van de planregels, niet voldoende is verzekerd. De reden hiervoor is dat in hoofdstuk 6 (Landschappelijke inpassing) van het Stedenbouwkundig Programma van Eisen een groot aantal uitgangspunten is genoemd. Uit de “Toets voorwaardelijke verplichting artikel 3.2.1 regels bestemmingsplan” blijkt niet dat aan al deze uitgangspunten is voldaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de toepassing van artikel 8:69a van de Awb bepalend is of de betrokken rechtsregel of het betrokken rechtsbeginsel strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Het achterliggende motief voor het instellen van het beroep is hierbij niet van belang (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1669).

In casu strekt de betrokken rechtsregel (artikel 3.2.1 van de planregels) tot bescherming van stedenbouwkundige belangen. Nu de Praxis-vestiging in Zwolle is gesitueerd op een afstand van, over de weg gemeten, 6,5 kilometer van het bouwplan en derhalve in stedenbouwkundige zin op ruime afstand van het bouwplan, zijn slechts de concurrentiebelangen van Praxis in het geding. Nu deze norm kennelijk niet strekt tot bescherming van concurrentiebelangen, staat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit om deze reden in de weg. De rechtbank zal daarom deze beroepsgrond niet bespreken.

4.3.

Gamma stelt dat het bouwplan, voor wat betreft de drive-in, niet past in het bestemmingsplan. Deze strijd blijkt volgens Gamma uit de definitie van de term ‘bouwmarkt’, zoals neergelegd in artikel 1.17 van de planregels. Hieruit blijkt dat er sprake moet zijn van zelfbediening. Een drive-in annex afhaalgedeelte voldoet daar niet aan. Of een drive-in op grond van de toelichting wel is toegestaan is niet relevant, nu een toelichting niet juridisch bindend is.

De rechtbank overweegt als volgt.

De bestemming van de gronden alwaar de bouw- en tuinmarkt wordt opgericht is “Bedrijf” volgens het bestemmingsplan. Artikel 3.1 van de planregels bepaalt, voor zover van belang, dat de voor “Bedrijf” aangewezen gronden bestemd zijn voor:

a. (…);

b. een bouwmarkt;

c. een tuincentrum.

Artikel 1.47 van de planregels bepaalt, voor zover van belang, dat onder ‘tuincentrum’ wordt verstaan: een terrein voor detailhandel in tuinplanten en kamerplanten met daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals (…).

Artikel 1.17 van de planregels bepaalt dat onder ‘bouwmarkt’ wordt verstaan: een detailhandelsbedrijf met een al dan niet geheel overdekt winkelverkoop vloeroppervlak (wvo) waarop het volledige assortiment aan (grove) bouw en doe-het-zelf-producten en dierbenodigdheden uit voorraad aan zowel de uiteindelijke verbruiker of gebruiker op basis van zelfbediening uitsluitend op de begane grond wordt aangeboden.

De rechtbank constateert allereerst dat de door Gamma aangehaalde term ‘zelfbediening’ enkel wordt gebruikt in de definitie van een bouwmarkt. Deze term wordt daarentegen niet gebruikt in de definitie van een tuincentrum.

Verder overweegt de rechtbank dat de termen ‘detailhandel’ en ‘zelfbediening’ in het kader van een bouwmarkt betekenen dat de kopende partij de bouwmarktproducten ter plaatse komt ophalen; deze producten worden niet naar de bouwplaats van de kopende partij gebracht. Hier wordt in casu aan voldaan. Dat (grotere) bouwmaterialen vanuit de bouwmarkt intern naar de drive-in worden vervoerd en vervolgens in de auto/aanhanger van de kopende partij worden geladen, betreft de logistieke afhandeling binnen de bouwmarkt. Deze afhandeling laat onverlet dat de kopende partij de producten ter plaatse moet komen afhalen. Van strijd met het bepaalde in artikel 3.1 juncto artikel 1.17 van de planregels is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

4.4.

Praxis stelt dat bij het afwijken van het bestemmingsplan de actuele regionale behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, in kaart moet worden gebracht bij de belangenafweging. Verweerder heeft zich (in de bestemmingsplanprocedure) beroepen op cijfers en berekeningen van Rho. Deze cijfers zijn volgens Praxis evenwel niet realistisch. Praxis verwijst hierbij naar de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 3 oktober 2014 en naar (eigen) onderzoek van Praxis en Formido.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro bepaalt dat in de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Het standpunt van Praxis dat dit vereiste eveneens van toepassing is op afwijkingsbesluiten (in het kader van de belangenafweging) is niet (zonder meer) juist. Immers, uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij het verlenen van vrijstelling (thans: afwijking) niet voorbij kan worden gegaan aan de mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan, waarvan vrijstelling wordt verleend, reeds voorziet. In casu voorziet het bestemmingsplan reeds in het oprichten van een bouw- en tuinmarkt. De afwijkingen van het bestemmingsplan zien daarentegen op ondergeschikte aspecten, niet zijnde het oprichten sec. De afweging of überhaupt ter plaatse een bouw- en tuinmarkt kan worden toegestaan, waaronder de vraag of de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte, heeft dan ook plaatsgevonden in de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan. Deze vraag hoeft bij de thans in het geding zijnde binnenplanse afwijkingsbevoegdheden niet wederom te worden beantwoord.

De impliciete stelling van Praxis dat de voorzitter van de Afdeling haar standpunt onderschrijft, is niet juist. De voorzitter heeft in zijn uitspraak geoordeeld dat in het in opdracht van Praxis uitgevoerde BSP-rapport van dezelfde cijfers is uitgegaan. Bij gebreke aan andere cijfers zag de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeenteraad op dit punt niet heeft mogen uitgaan van het Rho-rapport.

4.5.

Praxis stelt dat de dijk weliswaar geen onderdeel uitmaakt van de plannen van Hornbach maar dat niet is uitgesloten dat deze plannen negatieve gevolgen zullen hebben voor de op het aangrenzende dijkgebied bevindende door de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) beschermde soorten.

De rechtbank overweegt dat de ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Deze normen strekken kennelijk niet tot bescherming van concurrentiebelangen. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve aan vernietiging van het bestreden besluit om deze reden in de weg. De rechtbank zal daarom deze beroepsgrond niet bespreken.

4.6.

Praxis en Gamma stellen dat verweerder ten onrechte is afgeweken van de maximale parkeernorm, zoals neergelegd in artikel 9.1, onder b, van de planregels. Dit afwijken is gebaseerd op artikel 9.3, onder b, van de planregels. Hierdoor worden er meer parkeerplaatsen gerealiseerd (te weten 440 parkeerplaatsen) dan volgens de norm in het bestemmingsplan maximaal is toegestaan (te weten 377 parkeerplaatsen). Het feit dat Hornbach bij al haar vestigingen meer parkeerplaatsen realiseert dan strikt noodzakelijk is, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die deze afwijking rechtvaardigt. Dit speelt des te meer nu het bestemmingsplan juist is vastgesteld om de vestiging van een Hornbach-vestiging mogelijk te maken.

Gamma stelt zich verder op het standpunt dat ondanks dat verweerder is afgeweken van de maximale parkeernorm en anders dan zij in bezwaar heeft betoogd, zij thans van mening is dat het aantal parkeerplaatsen niet te groot maar te klein is. Volgens Gamma moeten er 542 parkeerplaatsen worden aangelegd. Ter zitting heeft Gamma desgevraagd meegedeeld dat dit aantal van 542 parkeerplaatsen is gebaseerd op het gemiddelde aantal parkeerplaatsen bij Hornbach-markten. Voorts heeft Gamma desgevraagd meegedeeld dat zij vreest voor parkeerproblemen bij haar eigen vestiging in Zwolle indien er bij het bouwplan te weinig parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

De gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan op 15 december 2014 is volgens Praxis onvoldoende gemotiveerd, nu in de (maximale) CROW-normen de verstedelijkingstyperingen en de bereikbaarheid met openbaar vervoer reeds zijn verdisconteerd. Volgens Gamma voorziet de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan niet in de noodzakelijke 542 parkeerplaatsen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 9.1, onder a en b, van de planregels strekt er enerzijds toe te waarborgen dat voor een bouwplan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om zo parkeeroverlast in de directe omgeving van het perceel waarop het bouwplan is voorzien te voorkomen. Anderzijds strekt dit artikel ertoe te waarborgen dat er niet meer parkeerplaatsen worden aangelegd dan noodzakelijk is om parkeeroverlast te voorkomen. Hierdoor wordt voorkomen dat er een te groot beslag op de openbare ruimte in de directe omgeving van het bouwplan wordt gelegd. Dit artikel strekt er dan ook toe om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat alsmede een aanvaardbaar werkklimaat in de directe omgeving van het bouwplan te waarborgen.

Artikel 9.3, onder b, van de planregels voorziet in een afwijkingsbevoegdheid met betrekking tot het bepaalde in artikel 9.1.

In casu wordt de maximale parkeernorm overschreden. Dit betekent dat er meer parkeerplaatsen zullen worden aangelegd dan, volgens de parkeernormen in het bestemmingsplan, noodzakelijk is om parkeeroverlast te voorkomen. Verweerder is op grond van artikel 9.3, onder b, van de planregels afgeweken van het bestemmingsplan om de aanleg van de meerdere parkeerplaatsen mogelijk te maken.

De vestiging van Praxis is gevestigd op een afstand van ongeveer 6,5 kilometer van het bouwplan. Gelet op deze afstand kan van het aantasten van de werkomgeving van Praxis geen sprake zijn door de aanleg van de, door Praxis gestelde, overmaat aan parkeerplaatsen. De rechtbank oordeelt daarom dat de ingeroepen norm kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van Praxis. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve in de weg aan een vernietiging van het bestreden besluit om deze reden. De rechtbank zal deze beroepsgrond, voor zover ingediend door Praxis, daarom niet bespreken. De vestiging van Gamma daarentegen is gesitueerd op een afstand van 360 meter van het bouwplan. Beide bouwmarkten zijn bovendien op hetzelfde bedrijventerrein gesitueerd. Het relativiteitsvereiste staat daarom niet in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit onder verwijzing naar deze beroepsgrond, voor zover ingediend door Gamma. De rechtbank zal deze beroepsgrond, voor zover ingediend door Gamma, daarom bespreken.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat tussen partijen niet in geschil is dat in casu wordt voldaan aan de CROW-normen inzake parkeren. Deze parkeernormen zijn algemeen geaccepteerd en het voldoen aan deze normen betekent in de regel dat voor parkeeroverlast niet behoeft te worden gevreesd. Dat Hornbach bij haar vestigingen er naar streeft om meer parkeerplaatsen te realiseren dan de CROW-normen voorschrijven, betekent niet dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning gehouden zou zijn om uit te gaan van de (hogere) parkeernormen die Hornbach in de regel hanteert. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.7.

Gamma stelt dat de welstandsadviezen onvoldoende zijn gemotiveerd. Over de vormgeving van het gebouw, de inpassing van het gebouw in de omgeving en de kleurstelling wordt immers met geen woord gerept. Voor wat betreft het nadere advies van de welstandscommissie d.d. 22 april 2015 verwijst Gamma naar een in haar opdracht uitgebracht tegenadvies.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder andere de uitspraak van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2020) mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het verweerder in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet (thans: artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo) of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derdebelanghebbende.

In casu heeft Gamma een tegenadvies ingebracht, opgesteld op 26 mei 2015 door ing. [ingenieur] (hierna: [ingenieur]), architect BNA. Ter zitting hebben zowel verweerder als Hornbach betoogd dat [ingenieur] werkzaam is voor Gamma en daarom niet onafhankelijk is. Hornbach heeft hieraan toegevoegd dat [ingenieur] in 2013 een nieuwe Gamma-bouwmarkt heeft getekend/ontworpen en daarnaast de bouwwerkzaamheden heeft begeleid. Gamma heeft desgevraagd beaamd dat [ingenieur] voor Gamma een project heeft uitgevoerd maar dat [ingenieur] verder niet aan Gamma is verbonden.

De rechtbank oordeelt dat, nu [ingenieur] weliswaar niet in dienst is bij Gamma maar wel door haar in het recente verleden is ingehuurd voor een grote opdracht, de schijn is gewekt dat het tegenadvies niet geheel onpartijdig en onafhankelijk tot stand is gekomen. Het had op de weg van Gamma gelegen om een tegenadvies te laten opstellen door een architect die nimmer voor Gamma is ingehuurd dan wel een tegenadvies te laten opstellen door een onafhankelijke en onpartijdige welstandscommissie, zoals bijvoorbeeld Het Gelders Genootschap. Dit heeft Gamma evenwel nagelaten. Nu niet vaststaat dat het tegenadvies is opgesteld door een onafhankelijke en onpartijdige ter zake deskundige, kent de rechtbank meer gewicht toe aan de adviezen die zijn opgesteld door de welstandscommissie. De rechtbank zal dan ook niet nader in gaan op het gestelde in het tegenadvies, maar de welstandsadviezen zelfstandig beoordelen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De welstandscommissie heeft in haar nadere advies van 22 april 2015, voor zover van belang, geoordeeld dat de bouwmarkt een vrijwel gesloten doosvormig volume heeft, hetgeen eigen is aan de bedrijfspanden in de omgeving. De platte doosvorm en de kleuren passen in de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij wordt opgemerkt dat elk bedrijf zijn eigen huiskleur heeft. De welstandscommissie concludeert dat het ingediende plan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

De rechtbank constateert dat de welstandscommissie gemotiveerd is ingegaan op het bouwplan sec, de relatie tussen het bouwplan en de omgeving alsmede de kleurstelling. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit nadere advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit nadere advies niet aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank constateert verder dat dit nadere welstandsadvies eerst hangende beroep, oftewel na het bestreden besluit, is opgesteld. Het bestreden besluit bevat daardoor een motiveringsgebrek. Gamma is in de gelegenheid gesteld om een tegenadvies in het geding te brengen en van deze gelegenheid heeft Gamma gebruik gemaakt. Hierdoor is aannemelijk dat belanghebbenden (in casu Gamma) niet door het motiveringsgebrek zijn benadeeld en bestaat aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

4.8.

Praxis stelt dat niet blijkt of er kan worden voldaan aan artikel 2.1.5.3 van de Algemene Plaatselijk Verordening Zwolle 2007 (hierna: APV). De reden hiervoor is dat uit de (in bezwaar gehandhaafde) omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitrit niet blijkt op grond waarvan het veilig en doelmatig gebruik van de weg niet wordt aangetast. De uitgevoerde Mobiliteitstoets ziet niet op deze aspecten. Verder bevat deze Mobiliteitstoets volgens Praxis geen enkele onderbouwing van verweerders stelling dat de uitrit op voldoende afstand van de kruising met de Blaloweg wordt gerealiseerd om filevorming te voorkomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De ingeroepen norm van de APV strekt tot bescherming van de bruikbaarheid van de weg en tot bescherming van een veilig en doelmatig gebruik van de weg. Nu de vestiging van Praxis is gesitueerd op een afstand van ongeveer 6,5 kilometer van deze uitrit en de bouw- en tuinmarkt bovendien op meerdere alternatieve manieren wordt ontsloten, zijn slechts de concurrentiebelangen van Praxis in het geding. De ingeroepen norm strekt kennelijk niet tot bescherming van concurrentiebelangen. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve aan vernietiging van het bestreden besluit om deze reden in de weg. De rechtbank zal daarom deze beroepsgrond niet bespreken.

4.9.

Samenvattend oordeelt de rechtbank dat het beroep van de omwonenden, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen het primaire besluit van 10 juni 2014, ongegrond is. Het beroep van Praxis en Gamma, voor zover gericht tegen het in bezwaar handhaven van het primaire besluit van 10 juni 2014, is eveneens ongegrond.

5. Met betrekking tot het niet-ontvankelijk verklaren van Praxis, Gamma en de omwonenden in hun bezwaren tegen het primaire besluit van 27 juni 2014 (plaatsen van reclameobjecten) overweegt de rechtbank het volgende.

5.1.

Praxis en Gamma stellen dat zij ten onrechte niet in hun bezwaren zijn ontvangen. Het voeren van reclame heeft een aanzuigende werking op potentiële klanten. De omwonenden stellen dat zij direct zicht hebben op de reclameobjecten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De reclameobjecten hebben naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige betekenis en krijgen eerst betekenis op het moment zij bij, op of aan de gevel van de bouwmarkt worden bevestigd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, voor wat betreft de vraag of Praxis, Gamma en de omwonenden kunnen worden aangemerkt als belanghebbende, de omgevingsvergunning voor het plaatsen van de reclameobjecten de omgevingsvergunning voor het oprichten van de bouw- en tuinmarkt volgt.

Dit betekent dat Praxis en Gamma belanghebbende zijn bij de omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclameobjecten bij, op en aan de gevel van de bouw- en tuinmarkt. Dat vanuit de vestigingen van Praxis en Gamma geen zicht is op deze reclameobjecten, zoals verweerder heeft betoogd, is hierbij niet relevant. Immers, Praxis en Gamma ontlenen de status van belanghebbende aan het feit dat zij concurrenten zijn die opereren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied en niet aan het zichtcriterium.

Nu de omwonenden geen belanghebbende zijn bij de omgevingsvergunning voor het oprichten van de bouw- en tuinmarkt sec, zijn zij eveneens geen belanghebbende bij de omgevingsvergunning voor het plaatsen van de reclameobjecten.

De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de omwonenden geen belanghebbende zijn bij het primaire besluit van 27 juni 2014. Het beroep van de omwonenden, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen het primaire besluit van 27 juni 2014, is daarom ongegrond. Het beroep van Praxis en Gamma, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen dit besluit, is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit in zo verre vernietigen.

5.2.

De rechtbank zal thans bezien of zij zelf in de zaak kan voorzien. Daartoe zal de rechtbank de gronden van Gamma en Praxis, gericht tegen het plaatsen van de reclameobjecten, bespreken.

5.2.1.

In haar beroepschrift, nader toegelicht ter zitting, heeft Gamma aangevoerd dat de welstandadviezen zich ten onrechte niet expliciet uitstrekken over de reclameobjecten.

De rechtbank constateert dat de welstandscommissie in haar advies van 2 oktober 2014 heeft gesteld dat de reclameobjecten voldoen aan de welstandscriteria en de criteria voor reclame. Nu de welstandscommissie in haar advisering is ingegaan op de reclameobjecten, mist deze beroepsgrond in zo verre feitelijke grondslag.

Indien deze beroepsgrond zo gelezen moet worden dat Gamma stelt dat het welstandadvies van 2 oktober 2014 onvoldoende is gemotiveerd, overweegt de rechtbank dat de welstandscommissie op 22 april 2015 een nader gemotiveerd advies heeft uitgebracht. In dat nadere advies is de welstandscommissie gemotiveerd ingegaan op de samenhang tussen de reclameobjecten en de relatie tussen de reclameobjecten en de huisstijl. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit nadere advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit nadere advies niet aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank constateert verder dat dit nadere welstandsadvies eerst hangende beroep, oftewel na het bestreden besluit, is opgesteld. Het bestreden besluit bevat daardoor een motiveringsgebrek. Gamma is in de gelegenheid gesteld om een tegenadvies in het geding te brengen en van deze gelegenheid heeft Gamma gebruik gemaakt. Nu daardoor aannemelijk is dat belanghebbenden (in casu Gamma) niet door het motiveringsgebrek zijn benadeeld, bestaat aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

5.2.2.

Ter zitting heeft Praxis aangevoerd dat de reclameobjecten in strijd zijn met artikel 3, sub b, f en h, van de Beleidsregel reclame. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Praxis verwezen naar haar aanvullende bezwaarschrift, onderdelen 10 tot en met 16.

De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt, zoals geponeerd ter zitting, dat artikel 3 van de Beleidsregel reclame niet ziet op gevelreclame. Dit blijkt immers uit de aanhef van dit artikel, waarin expliciet staat vermeld dat dit artikel betrekking heeft op het plaatsen van reclameobjecten, niet zijnde gevelreclame. Verder ziet het artikel voor wat betreft de zinsnede betreffende de maximale breedte van 80 centimeter, maximale hoogte van 2 meter en de maximale hoeveelheid van 2 per pand op losse reclameobjecten. Daarvan is hier geen sprake. Van strijd met het bepaalde in de genoemde onderdelen van artikel 3 van de Beleidsregel reclame is dan ook geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

5.3.

Samenvattend oordeelt de rechtbank dat het beroep van de omwonenden, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen het primaire besluit van 27 juni 2014, ongegrond is. Het beroep van Praxis en Gamma, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen het primaire besluit van 27 juni 2014, is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit in zo verre vernietigen. Zelf in de zaak voorziend verklaart de rechtbank de bezwaren van Praxis en Gamma tegen het primaire besluit van 27 juni 2014 ongegrond.

6. Met betrekking tot het in bezwaar handhaven van het primaire besluit van 1 juli 2014 (oprichten reclametoren) overweegt de rechtbank het volgende.

6.1.

Praxis stelt, samengevat weergegeven, dat de reclametoren buitenproportioneel hoog is. Verweerder had moeten onderzoeken of hetzelfde resultaat (zichtbaarheid vanaf de A28) bereikt had kunnen worden met een minder hoge mast.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het bestemmingsplan staat een attentiemast met een hoogte van 40 meter toe, gelet op het bepaalde in artikel 3.2.3, onder e, van het bestemmingsplan. Gelet op het dwingende karakter van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo, is verweerder gehouden een gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ te verlenen indien een bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Een eventueel onderzoek naar alternatieven kan eerst in beeld komen indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en er wordt afgeweken van het bestemmingsplan. In casu ziet de verleende omgevingsvergunning tevens op de activiteit ‘strijdig gebruik’. Hierbij is verweerder afgeweken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1º, van de Wabo juncto artikel 10.1.3 van het bestemmingsplan. Deze afwijking heeft betrekking op de situering van de mast (en niet op de hoogte van de mast) zodat de belangenafweging (en de vraag of er alternatieven zijn) slechts betrekking kan hebben op de situering. Voor een onderzoek naar alternatieven voor wat betreft de hoogte van de mast was dan ook geen ruimte, gelet op het dwingende karakter van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

6.2.

In haar beroepschrift, nader toegelicht ter zitting, hebben Gamma en de omwonenden aangevoerd dat de welstandadviezen zich ten onrechte niet expliciet uitstrekken over de reclametoren. Ter zitting heeft Gamma, als reactie op verweerders standpunt dat de welstandsadviezen zich wel uitstrekken over de reclametoren, gesteld dat dit advies vergeleken kan worden met een stempeladvies.

De rechtbank overweegt als volgt.

De welstandscommissie heeft op 24 juni 2014 een positief advies over het oprichten van de reclametoren uitgebracht. De rechtbank onderschrijft het standpunt van Gamma en de omwonenden dat dit advies, qua motivering, gelijk kan worden gesteld aan een stempeladvies.

De welstandscommissie heeft op 2 oktober 2014 een nader advies uitgebracht. Daarin is aangegeven dat de vormgeving van de reclametoren voldoet aan het beleid voor attentiemasten. Verweerder heeft ter zitting onbestreden gesteld dat dit beleid in overleg met de welstandscommissie is opgesteld. Dat in dit beleid niet expliciet is ingegaan op de thans in het geding zijnde reclametoren, zoals Gamma en de omwonenden ter zitting hebben gesteld, is evident. In beleid worden immers ‘slechts’ de toetsingskaders weergegeven waarna aanvragen aan die toetsingskaders worden getoetst.

In het bestreden besluit is verweerder tegemoet gekomen aan de bezwaren van de omwonenden door een aanvullend voorschrift te verbinden aan de omgevingsvergunning voor de reclametoren. In dit voorschrift is bepaald dat de reclametoren maximaal van twee verlichte reclameborden mag worden voorzien waarbij de onverlichte zijde van de reclametoren loodrecht op de zichtlijn vanuit de woningen van de omwonenden dient te worden gepositioneerd. Hierdoor hebben de omwonenden vanuit hun appartementen geen zicht op een verlichte reclame-uiting maar op een onverlicht grijs vlak.

De welstandscommissie heeft op 22 april 2015 een nader gemotiveerd advies uitgebracht. Daarin wordt wederom verwezen naar het beleid voor attentiemasten. Verder wordt aangegeven dat er sprake is van een eenvoudige rechte kolom met een dubbel bord in de top, overeenkomstig andere attentiemasten langs of nabij de A28. De rechtbank constateert dat de welstandscommissie gemotiveerd is ingegaan op de reclametoren sec en de relatie tussen de reclametoren en andere attentiemasten langs of nabij de A28. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit nadere advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit nadere advies niet aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank constateert verder dat dit nadere welstandsadvies eerst hangende beroep, oftewel na het bestreden besluit, is opgesteld. Het bestreden besluit bevat daardoor een motiveringsgebrek. Gamma en de omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om een tegenadvies in het geding te brengen en van deze gelegenheid hebben zij gebruik gemaakt. Nu hierdoor aannemelijk is dat belanghebbenden (in casu Gamma en de omwonenden) niet door het motiveringsgebrek zijn benadeeld, bestaat aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

6.3.

Samenvattend oordeelt de rechtbank dat het beroep van Praxis, Gamma en de omwonenden, voor zover gericht tegen het in bezwaar handhaven van het primaire besluit van 1 juli 2014, ongegrond is.

7. Het beroep is gegrond voor zover verweerder Van Neerbos Groep B.V. in haar bezwaren, gericht tegen de primaire besluiten van 10 juni 2014 en 1 juli 2014, heeft ontvangen. De rechtbank zal het bestreden besluit in zo verre vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, Van Neerbos Groep B.V. in zo verre niet-ontvankelijk verklaren in haar bezwaren.

Het beroep van Praxis Vastgoed B.V., Praxis Doe-het-zelf-Center B.V. en van Van Neerbos Bouwmarkten B.V., voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen het primaire besluit van 27 juni 2014, is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit in zo verre vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, de bezwaren ongegrond verklaren.

Het beroep van Praxis Vastgoed B.V., Praxis Doe-het-zelf-Center B.V. en van Van Neerbos Bouwmarkten B.V. is voor het overige ongegrond.

Het beroep van de omwonenden is ongegrond.

8. Omdat de rechtbank het beroep (deels) gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan Praxis en Gamma het door hen betaalde griffierecht vergoedt

Voor wat betreft de vergoeding van het betaalde griffierecht aan Praxis overweegt de rechtbank dat betaling aan één rechtspersoon bevrijdend werkt jegens de andere rechtspersoon. Ditzelfde geldt voor de vergoeding van het betaalde griffierecht aan Gamma.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door Praxis en Gamma gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Voor wat betreft de vergoeding van de proceskosten aan Praxis overweegt de rechtbank dat betaling aan één rechtspersoon bevrijdend werkt jegens de andere rechtspersoon. Ditzelfde geldt voor de vergoeding van de proceskosten aan Gamma.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover Van Neerbos Groep B.V. is ontvangen in haar bezwaren tegen de primaire besluiten van 10 juni 2014 en 1 juli 2014;

- vernietigt het bestreden besluit in zo verre;

- verklaart, zelf in de zaak voorziend, de bezwaren in zo verre niet-ontvankelijk en

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zo verre vernietigde bestreden besluit;

- verklaart het beroep gegrond voor zover Praxis Vastgoed B.V., Praxis Doe-het-zelf-Center B.V. en Van Neerbos Bouwmarkten B.V. niet in hun bezwaren tegen het primaire besluit van 27 juni 2014 zijn ontvangen;

- vernietigt het bestreden besluit in zo verre;

- verklaart, zelf in de zaak voorziend, de bezwaren in zo verre ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het in zo verre vernietigde bestreden besluit;

- verklaart het beroep van Praxis Vastgoed B.V., Praxis Doe-het-zelf-Center B.V. en Van Neerbos Bouwmarkten B.V. voor het overige ongegrond;

- verklaart het beroep van [omwonende 1], [omwonende 2], [omwonende 3], [omwonende 4] en [omwonende 5] ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-zelf-Center B.V. te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan Van Neerbos Groep B.V. en Van Neerbos Bouwmarkten B.V. te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-zelf-Center B.V. tot een bedrag van € 980,-.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van Van Neerbos Groep B.V. en Van Neerbos Bouwmarkten B.V. tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, en mr. R.M. Fieten en

mr. J.M. Weststeijn, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.