Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3301

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
ak_15_619
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2010, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor nieuwbouw van een supermarkt.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12, geldigheid: 2015-07-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/619

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], te [vestigingsplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M. Bekooy,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 8 december 2014 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de nieuwbouw van een supermarkt op het perceel [adres].

Op 19 maart 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [naam]. Namens verweerder zijn verschenen S. Grendelman en J.J.P. Groeneveld.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 8 december 2014 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de nieuwbouw van een supermarkt op het perceel [adres], alsmede voor het maken van handelsreclame en het veranderen van een uitweg.

Bij brief van 20 februari 2015 heeft eiseres aan verweerder meegedeeld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en verweerder verzocht de van rechtswege verleende omgevingsvergunning zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken bekend te maken.

Bij brief van 23 februari 2015 heeft verweerder meegedeeld het standpunt van eiseres dat sprake is van een van rechtswege verleende vergunning niet te delen.

Bij brief van 25 februari 2015 heeft eiseres haar standpunt dat sprake is van een van rechtswege verleende vergunning herhaald en verweerder in gebreke gesteld de van rechtswege verleende omgevingsvergunning tijdig bekend te maken.

Bij brief van 12 maart 2015 heeft verweerder aan eiseres bekendgemaakt dat verweerder voornemens is de gevraagde vergunning te weigeren, dat de ontwerpbeschikking zal worden gepubliceerd en dat binnen de termijn van terinzagelegging zienswijzen door een ieder kunnen worden ingediend.

Bij brief van 23 maart 2015 heeft eiseres zienswijzen ingediend tegen de voorgenomen vergunningweigering.

2. Eiseres heeft op 19 maart 2015 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig bekend maken van een beslissing van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de aanvraag om een omgevingsvergunning van 8 december 2014. Eiseres heeft daarbij - kort samengevat - aangevoerd dat voor de aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure geldt en dat de beslistermijn daarvoor ruimschoots is verstreken. Eiseres is dan ook van mening dat de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

3. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en binnenplanse afwijking niet mogelijk is.

4.1

Beoordeeld dient te worden welke procedure ingevolge de Wabo op de aanvraag van toepassing is. Enkel bij de reguliere voorbereidingsprocedure kan een vergunning van rechtswege ontstaan indien de beslistermijn is overschreden. Deze procedure is onder andere van toepassing indien er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan, indien er wel sprake is van strijd met het bestemmingsplan, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (artikel 4 van bijlage II van het Bor), en indien de aanvraag valt binnen de reikwijdte van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1465). Indien er weliswaar sprake is van strijd met het bestemmingsplan, maar de omgevingsvergunning kan worden verleend met gebruikmaking van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, dient de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd te worden en kan er geen vergunning van rechtswege ontstaan.

4.2

Ter discussie staat de vraag of een supermarkt in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming “Bedrijventerrein” met de “aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2.” ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Denekamp”.

4.3

Artikel 4.1 van de planregels, bepaalt dat de voor “Bedrijventerrein” aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijven genoemd in bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat:

c. ter plaats van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2” uitsluitend een bedrijf tot en met categorie 3.2 is toegestaan.

f. detailhandel in voluminueze goederen, uitsluitend overeenkomstig de bestaande bedrijfsvoering;

g. productiegebonden detailhandel.

Artikel 4.2.1 onder a bepaalt dat op de voor “Bedrijventerrein” bestemde gronden uitsluitend mag worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met het bepaalde in lid 4.1.

Artikel 4.5.1 bepaalt dat het verboden is de gronden en bouwwerken te gebruiken, dan wel te laten gebruiken op een wijze of tot en doel strijdig met de in lid 4.1 gegeven bestemmingsomschrijving. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen (b.) het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel, anders dan het in lid 4.1 toegestane gebruik.

Artikel 4.6.1 van de planvoorschriften bepaalt dat bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1 onder a en worden toegestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt voor detailhandel in volumineuze goederen, in de vorm van bouwmarkten en in de vorm van individuele meubeltoonzalen.

Onder “bedrijf” wordt volgens artikel 1.10 van de planvoorschriften verstaan een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan en/of herstellen van goederen danwel het bedrijfsmatig verlenen van diensten

In de “Staat van bedrijfsactiviteiten“ neergelegd in Bijlage I van het bestemmingsplan wordt onder 471 genoemd “supermarkten, warenhuizen” met daarbij vermeld categorie 1.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, hoewel in Bijlage 1 van het bestemmingsplan “Staat van bedrijfsactiviteiten“ een supermarkt wordt genoemd en de supermarkt in categorie 1 valt, een supermarkt niet als zodanig onder het begrip “bedrijf” valt, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de planvoorschriften. Ook valt een supermarkt niet onder artikel 4.1 lid f en g. Uit het systeem van de planregels volgt volgens verweerder dat binnen de Staat van bedrijfsactiviteiten een nader onderscheid gemaakt dient te worden tussen bedrijven en niet-bedrijven op basis van de definitie in artikel 1.10.

6 Eiseres stelt zich op het standpunt dat alle categorieën van bedrijven die worden genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden aangemerkt als activiteiten van bedrijven.

Voor zover er discrepantie ontstaat tussen het begrip bedrijf als omschreven in artikel 1.10 van de planregels en het begrip bedrijf zoals dit volgt uit artikel 4.1 in samenhang met de Staat van Bedrijfsactiviteiten is eiseres van mening dat de materiële planregels dienen te prevaleren. Daarbij wijst eiseres er op dat artikel 4.1 materiële voorschriften bevat over het toegestane gebruik, terwijl de definitiebepaling alleen is bedoeld ter verduidelijking van de genoemde begrippen. Aan de planregel dient in dat kader meer gewicht te worden toegekend omdat de burger daarop mag vertrouwen.

Bij brief van 11 mei 2015 heeft eiseres aanvullend aangevoerd dat de gemeenteraad van Dinkelland op 21 april 2015 een voorbereidingsbesluit heeft genomen dat onder meer ziet op het in geding zijnde perceel. Bepaald is dat het voor het betrokken gebied verboden is het gebruik te wijzigen en dat onder strijdig gebruik in ieder geval wordt verstaan het vestigen van een supermarkt en/of het vestigen van een detailhandel en/of het voorbereiden van op particulieren gerichte handel.

Nu in het voorbereidingsbesluit expliciet is bepaald dat is een supermarkt ter plekke niet meer is toegestaan, is de planwetgever kennelijk van mening dat een supermarkt op basis van het geldende bestemmingsplan wel is toegestaan, althans niet expliciet is uitgesloten.

7.1

De rechtbank stelt vast dat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan de bouwregels en de bestemming. Nu in het onderhavige geval in de bestemming wordt verwezen naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten dient die daarbij te worden betrokken. Daarbij kan echter niet worden voorbijgegaan, en dient eveneens te worden betrokken de definitie van het begrip bedrijf zoals neergelegd in artikel 1 van de planvoorschriften.

7.2

Ter plekke zijn derhalve toegestaan bedrijven genoemd in bijlage I van de Staat van bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.2, waarbij onder bedrijven wordt verstaan een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan en/of herstellen van goederen danwel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Daarnaast zijn ter plekke slechts twee vormen van detailhandel toegestaan, te weten detailhandel in volumineuze goederen, uitsluitend overeenkomstig de bestaande bedrijfsvoering, en productiegebonden detailhandel.

7.3

De rechtbank betrekt bij deze toets van het bouwplan aan de bestemming het specifieke gebruiksverbod neergelegd in artikel 4.5.1 van de planvoorschriften, dat bepaalt dat onder strijdig gebruik in ieder geval wordt verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor detailhandel, anders dan het in lid 4.1 toegestane gebruik, waarmee wordt gedoeld op de in lid 4.1 genoemde vormen van toegestane detailhandel.

7.4

Dat een in de planregels opgenomen specifiek gebruiksverbod dient te worden betrokken bij de toets of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen in overeenstemming is met de bestemming heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recentelijk expliciet overwogen in haar uitspraak van 6 mei 2015 (nrs. 201307326/1/R4 en 201307331/1/R4, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl).

7.5

Aan het op 21 april 2015 door de gemeenteraad genomen voorbereidingsbesluit komt voor wat betreft de uitleg van de planvoorschriften niet de betekenis toe die eiseres daaraan toekent.

7.6

Uit het voorgaande volgt dat het bouwplan in strijd is met de ter plekke geldende bestemming. Verweerder kan voorts uitsluitend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3˚ van de Wabo omgevingsvergunning verlenen zodat de reguliere voorbereidingsprocedure niet van toepassing is.

8. Er is dus geen sprake van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Verweerder heeft terecht geweigerd die bekend te maken. Verweerder heeft, anders dan eiseres stelt, dan ook geen dwangsom verbeurd.

9. Het beroep is ongegrond

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.