Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:3239

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-07-2015
Datum publicatie
17-07-2015
Zaaknummer
vk_ 15 _ 2845
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing is.

Ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers gedragingen niet heeft kunnen kwalificeren als (het faciliteren van) zware mishandeling dan wel zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend en daarmee evenmin als ernstige, niet-politieke misdrijven.

Nog afgezien van de omstandigheid dat in rechte vaststaat en ook niet meer in geschil is dat eiser door zijn handelingen geen mensenrechtenschendingen heeft gepleegd (daaronder naar het oordeel van de rechtbank tevens begrepen gefaciliteerd) bestaat ook overigens geen grond voor het oordeel dat sprake is van ernstige, niet-politieke misdrijven. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder niet heeft onderbouwd in hoeverre er causaal verband bestaat tussen eisers gedragingen - het handelen in olie en het storten van de inkomsten hiervan op een particuliere, Jordaanse bankrekening - en het onthouden van voedsel en medicijnen aan de Iraakse bevolking. Evenmin heeft verweerder onderbouwd wat het causale verband is tussen eisers gedragingen en de hem door verweerder verweten (facilitering van) ernstige mishandeling en ernstige mishandeling de dood ten gevolge hebbend. Verweerder heeft daarmee niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk gehouden kan worden voor ernstige, niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Eisers beroepsgrond slaagt derhalve.

Nu voorts in rechte vaststaat dat zelfstandige tegenwerping van artikel 1F, aanhef en onder c, van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van eiser niet mogelijk is, kan artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet aan eiser worden tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2845 en 15/3353, 15/2848 en 15/3354, 15/2843 en 15/3355

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

geboren op 4 februari 1960,

V-nummer […], eiser, Awb 15/2845 en 15/3353,

en

[naam],

geboren op 19 maart 1961,

V-nummer […], eiseres 1, Awb 15/2848 en 15/3354, mede namens hun minderjarige dochter

[naam],

geboren op 31 juli 1999,

V-nummer […]

en

[naam],

geboren op 9 november 1987,

V-nummer […], eiseres 2, Awb 15/2843 en 15/3355,

allen van Iraakse nationaliteit, eisers,

(gemachtigde: mr. P.L.E.M. Krauth),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2015, uitgereikt op 11 februari 2015 (het door eiser bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Tevens is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar, gerekend vanaf de datum dat hij Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, hieraan is Awb kenmerk 15/2845 toegekend. Tevens is tegen het in het bestreden besluit vervatte terugkeerbesluit en inreisverbod afzonderlijk beroep ingesteld, hieraan is Awb kenmerk 15/3353 toegekend.

Bij onderscheiden besluiten van 2 februari 2015, uitgereikt op 11 februari 2015 (de door eiseressen 1 en 2 bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen 1 en 2 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Daarnaast is aan eiseressen 1 en 2 niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Eiseres 1 heeft tegen het door haar bestreden besluit beroep ingesteld, hieraan is Awb kenmerk 15/2848 toegekend. Tevens heeft zij beroep ingesteld tegen het in het bestreden besluit vervatte terugkeerbesluit, hieraan is Awb kenmerk 15/3354 toegekend.

Eiseres 2 heeft tegen het door haar bestreden besluit beroep ingesteld, hieraan is Awb kenmerk 15/2843 toegekend. Tevens heeft zij beroep ingesteld tegen het in het bestreden besluit vervatte terugkeerbesluit, hieraan is Awb kenmerk 15/3355 toegekend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat de beroepen met Awb kenmerken 15/3353, 15/3354 en 15/3355 ter zitting zijn ingetrokken door de gemachtigde van eisers.

2. De rechtbank zal eerst het beroep (Awb 15/2845) van eiser beoordelen, gelet op de afhankelijkheid van de beroepen van eiseressen daarvan.

Ten aanzien van het beroep van eiser voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag

3. Aan eiser is een inreisverbod uitgevaardigd met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000.

4. Ambtshalve overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298), dat een vreemdeling tegen wie verweerder een

inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 heeft uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij beoordeling van het beroep gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Omdat de vreemdeling in dat geval geen rechtmatig verblijf kan hebben, kan dat beroep immers nimmer leiden tot de door die vreemdeling beoogde verblijfsvergunning.

5. De rechtbank overweegt dat in de voornoemde uitspraak van de Afdeling wordt overwogen dat de vraag of de desbetreffende vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning ten volle in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde kan worden gesteld.

De rechtbank begrijpt dit aldus dat, in dit geval, alles wat in het kader van het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door eiser naar voren is gebracht aan de orde kan worden gesteld in het beroep gericht tegen het inreisverbod en in het kader van die procedure kan worden beoordeeld.

Ten aanzien van het beroep van eiser voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod

6. Aan eiser is een inreisverbod op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000, juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) opgelegd voor de duur van 10 jaar omdat eiser naar het oordeel van verweerder een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid gelet op de tegenwerping van artikel 1F van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag). Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is in het bestreden besluit bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid (het terugkeerbesluit).

7. Door eiser is betwist dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag - en daarmee artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 - op hem van toepassing is. Daarmee ontvalt de grondslag aan het terugkeerbesluit en inreisverbod, aldus eiser.

8. Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te

veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

9. In paragraaf C2/6.2.8.4 van Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) heeft verweerder een nadere uitwerking van de beoordeling van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag neergelegd. Hierin is, voor zover hier van belang, onder meer het volgende opgenomen:

“Voor tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag moet verweerder aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Indien verweerder ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag te voorkomen.

Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag onderzoekt verweerder of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).”

10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van eiser ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b en c, van het Vluchtelingenverdrag.

Eiser wordt in verband gebracht met het onthouden van voedsel en medicijnen aan de Iraakse bevolking door het onthouden van gelden aan het Oil for Food Programme (OFFP, neergelegd in resolutie 986 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties) door het verduisteren van gelden verkregen uit de verkoop van (stook/ruwe) olie in de periode van 1997 tot 2003, die ten goede van de Iraakse bevolking hadden moeten komen. Hij wordt op grond daarvan in verband gebracht met (het faciliteren van) ernstige mishandeling en ernstige mishandeling de dood ten gevolge hebbend, aangemerkt als ernstige, niet-politieke misdrijven, en met het zich schuldig maken aan handelingen die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

11. De rechtbank stelt vast dat de aanvragen van eisers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd eerder zijn afgewezen bij onderscheiden besluiten van 26 maart 2012, waarin aan eiser tevens een inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd. De hiertegen ingestelde beroepen zijn bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats van 17 mei 2013, Awb 12/11727, 12/11734 en 12/11741, gegrond verklaard. De besluiten van 26 maart 2012 zijn vernietigd. Het door verweerder ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2014, nr. 201305360/1/V3 ongegrond verklaard en de uitspraak van 17 mei 2013 is bevestigd.

12. Hiermee is, voor zover thans van belang, in rechte vast komen te staan dat eiser in Irak tussen 1997 en 2003, ten tijde van resolutie 986 van de Veiligheidsraad van de VN (het OFFP), als oliehandelaar werkzaam is geweest. Hij heeft daartoe als eigenaar van zijn eigen bedrijf contracten gesloten met de State Oil Marketing Organization (SOMO) en olie verhandeld. De inkomsten van deze olieverkoop werden gestort op een particuliere, Jordaanse bankrekening. Ook is in rechte komen vast te staan dat eiser wist dat hij handelde in strijd met het OFFP en dus in strijd met resolutie 986. Eveneens is in rechte komen vast te staan dat eiser geen mensenrechten heeft geschonden door zijn handelingen. Verder is niet meer in geschil dat de zelfstandige tegenwerping van artikel 1F, aanhef en onder c, van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van eiser niet mogelijk is.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 17 mei 2013, bevestigd in hoger beroep, overwogen dat in het destijds bestreden besluit noch ter zitting duidelijk is geworden met welke doelstelling van de VN het overtreden van resolutie 986 in strijd zou zijn, alsmede dat dit evenmin blijkt uit de resolutie zelf.

13. Eiser heeft betoogd dat verweerder de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 mei 2013 heeft genegeerd door eisers gedragingen thans te kwalificeren als zware mishandeling dan wel zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend. Voorts heeft hij de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder c, van het Vluchtelingenverdrag gemotiveerd betwist. Ten slotte heeft hij opgemerkt dat hij zich er niet mee kan verenigen dat geen beslissing wordt genomen met betrekking tot artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing is.


Ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers gedragingen niet heeft kunnen kwalificeren als (het faciliteren van) zware mishandeling dan wel zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend en daarmee evenmin als ernstige, niet-politieke misdrijven.

Nog afgezien van de omstandigheid dat in rechte vaststaat en ook niet meer in geschil is dat eiser door zijn handelingen geen mensenrechtenschendingen heeft gepleegd (daaronder naar het oordeel van de rechtbank tevens begrepen gefaciliteerd) bestaat ook overigens geen grond voor het oordeel dat sprake is van ernstige, niet-politieke misdrijven. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder niet heeft onderbouwd in hoeverre er causaal verband bestaat tussen eisers gedragingen - het handelen in olie en het storten van de inkomsten hiervan op een particuliere, Jordaanse bankrekening - en het onthouden van voedsel en medicijnen aan de Iraakse bevolking. Evenmin heeft verweerder onderbouwd wat het causale verband is tussen eisers gedragingen en de hem door verweerder verweten (facilitering van) ernstige mishandeling en ernstige mishandeling de dood ten gevolge hebbend. Verweerder heeft daarmee niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser verantwoordelijk gehouden kan worden voor ernstige, niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Eisers beroepsgrond slaagt derhalve.


Nu voorts in rechte vaststaat dat zelfstandige tegenwerping van artikel 1F, aanhef en onder c, van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van eiser niet mogelijk is, kan artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag niet aan eiser worden tegengeworpen.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat ook in het thans bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd met welke doelstelling van de VN het overtreden van resolutie 986 in strijd is. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder nader gemotiveerd dat eiser, door buiten resolutie 986 om olie te verkopen, in strijd heeft gehandeld met de embargo’s neergelegd in resoluties 661 en 687. De resoluties 661 en 687 hadden ten doel te bewerkstelligen dat Irak zich zou terugtrekken uit Koeweit en - nadat dit was gebeurd - dat Irak een deel van zijn wapenarsenaal zou ontmantelen. In beide resoluties wordt volgens verweerder verwezen naar de doelstellingen en beginselen van de VN als neergelegd in artikel 1 van het Handvest van de VN, meer in het bijzonder ‘de internationale vrede en veiligheid te handhaven en, met het oog daarop: doeltreffende gezamenlijke maatregelen te nemen ter voorkoming en opheffing van bedreigingen van de vrede (…)’. In het voornemen en de beschikking is eiser echter enkel in verband gebracht met het onthouden van gelden aan het OFF-programma, waardoor de Iraakse bevolking volgens verweerder een groot gebrek leed aan voedsel en medicatie. De rechtbank begrijpt het betoog van verweerder over deze twee resoluties aldus, dat verweerder eiser thans tevens in verband brengt met het frustreren van de terugtrekking van Irak uit Koeweit en de ontmanteling van het wapenarsenaal van Irak. Dit veronderstelde gevolg van het door eiser verkopen van olie in strijd met resolutie 986 is echter in het bestreden besluit niet tegengeworpen en kan daarom niet bij de beoordeling worden betrokken. Daarbij komt dat het zich niet met de goede procesorde verdraagt dat verweerder eerst in zijn, vier dagen voor de zitting ingediende, verweerschrift de motivering van zijn besluit op een zodanig fundamenteel onderdeel aanvult.

14. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte artikel 1F, aanhef en onder b en c, van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen en hem op die grond een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van tien jaar op heeft gelegd. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

Hierdoor ontstaat belang voor eiser bij de beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag. Gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is het beroep ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit ten aanzien van eiser zal daarom geheel worden vernietigd.

15. De beroepen van eiseressen zijn, gelet op de inhoudelijke samenhang, eveneens gegrond. De besluiten ten aanzien van hen zullen eveneens worden vernietigd.

16. De beroepen zijn gegrond.

17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de zaken redelijkerwijs hebben moeten maken. Het bedrag van de proceskosten wordt, gelet op de samenhang van de zaken, met verwijzing naar het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en bijlage C van het Bpb, bepaald op € 980,-- (1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 490,--;

wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de besluiten van 2 februari 2015;

  • -

    bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvragen beslist met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 980,-- te voldoen aan de gemachtigde van eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en

mr. A.P.W. Esmeijer en mr. B. van Dokkum, leden, in aanwezigheid van mr. W. Markwat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.