Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:2844

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-06-2015
Datum publicatie
15-06-2015
Zaaknummer
08.760219-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor de moord op een straatmuzikant en de poging moord op een omstander bij een winkelcentrum in Zwolle is een 17-jarige jongen veroordeeld tot de maximale jeugddetentie van 2 jaar en krijgt hij de PIJ-maatregel opgelegd. De rechtbank Overijssel oordeelt dat de jongen sterk verminderd toerekeningsvatbaar is en behandeld moet worden binnen deze vorm van jeugd-TBS. Ook moet er aan de nabestaanden en het slachtoffer schadevergoedingen betaald worden van in totaal ruim €14.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.760219-14 (P)

Datum vonnis: 15 juni 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] (Columbia),

wonende te [woonplaats 1],

nu verblijvende in Intermetzo JJI Lelystad te Lelystad.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting met gesloten deuren van 16 maart 2015 en 1 juni 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. E.M. van Zuuk, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte wordt verdacht van:

feit 1: Moord op [slachtoffer 1], dan wel doodslag op [slachtoffer 1] op 2 december 2014;

feit 2 primair: Poging tot moord op [slachtoffer 2] op 2 december 2014;

feit 2 subsidiair: Poging tot doodslag op [slachtoffer 2] op 2 december 2014;

feit 2 meer subsidiair: Zware mishandeling van [slachtoffer 2] op 2 december 2014;

feit 2 nog meer subsidiair: Poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] op 2 december 2014.

Voluit luidt – na wijziging tenlastelegging op 1 juni 2015 - de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 2 december 2014 te Zwolle opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met (zeer veel) kracht in diens gezicht en/of tegen diens hoofd geschopt en/of getrapt en/of die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in en/of ter hoogte van diens borst(streek) en/of buik(streek) en/of de rug, althans in diens (boven)lichaam gestoken en/of geprikt en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] (op 3 december 2014) is overleden;

2.

hij op of omstreeks 02 december 2014 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in en/of ter hoogte van diens borst(streek) en/of buik(streek) althans in diens (boven)lichaam heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair terzake dat

hij op of omstreeks 02 december 2014 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in en/of ter hoogte van diens borst(streek) en/of buik(streek) althans in diens (boven)lichaam heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, meer subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 02 december 2014 te Zwolle opzettelijk aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel(te weten longperforatie en/of hartperforatie) heeft toegebracht door opzettelijk die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans met

een scherp en/of puntig voorwerp in en/of ter hoogte van diens borst(streek) en/of buik(streek) althans in diens (boven)lichaam te steken en/of te prikken en/of te snijden;

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, nog meer subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 02 december 2014 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in en/of ter hoogte van diens borst(streek) en/of buik(streek) althans in diens (boven)lichaam heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

4.1

Inleiding

Op woensdag 2 december 2014 vanaf 19.33 uur zijn meerdere meldingen bij de politie binnengekomen van een steekpartij op het winkelcentrum in de wijk AA-landen te Zwolle.

Verbalisanten zijn ter plaatse gegaan en zagen in de supermarkt Jumbo net voorbij de kassa’s één manspersoon in een plas bloed liggen. Dit bleek de straatmuzikant/accordeonspeler [slachtoffer 1] te zijn. Voorts zagen verbalisanten op de groenteafdeling nog een gewonde manspersoon liggen. Dit bleek [slachtoffer 2] te zijn.

Verbalisanten zagen tevens dat op de groenteafdeling een man op de grond door meerdere omstanders onder controle werd gehouden. Deze persoon, verdachte, werd hierop aangehouden.

Slachtoffer [slachtoffer 1] werd op 2 december 2014 in kritieke toestand overgebracht naar de Isala Klinieken te Zwolle. Op 3 december 2014 is [slachtoffer 1] om 2.05 uur aan zijn verwondingen overleden.

Bij de schouw op het lichaam van [slachtoffer 1] is gebleken dat hij op 2 december 2014 om 20.10 uur op de Spoedeisende Hulp is binnengebracht met ruim 20 steekwonden, onder andere in de linkerschouder, links op de schouder, borst en in de buik. Gebleken is dat ondanks maximale therapie [slachtoffer 1] is overleden ten gevolge van shock veroorzaakt door bloeding uit de verwondingen. De conclusie luidt dat [slachtoffer 1] is gestorven aan een niet-natuurlijke dood, waarbij de doodsoorzaak is verbloeding ten gevolge van uitgebreide steekverwondingen.

Uit het pathologisch onderzoek d.d. 9 december 2014 is voorts gebleken dat bij sectie tekenen aanwezig waren van bij leven opgetreden inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld – zeer veel steekletsels opgeleverd door minimaal 29 keer steken - met één deels eenzijdig snijdend mes. Een deel van de steken heeft geleid tot ernstig letsel aan de inwendige borst- en buikorganen en een deel tot ernstige letsels aan bloedvaten. De letsels aan de longen samen met het bloedverlies verklaren het overlijden van [slachtoffer 1].

Slachtoffer [slachtoffer 2] werd op 2 december 2014 eveneens in kritieke toestand overgebracht naar de Isala Klinieken te Zwolle en vrijwel meteen geopereerd.

Uit de letselrapportage is gebleken dat bij [slachtoffer 2] links en rechts van het borstbeen twee steekwonden zichtbaar waren. Tijdens de operatie werd gezien dat de rechter hartkamer was geperforeerd, veroorzaakt door het steken met een scherp voorwerp. Tevens was sprake van perforerend letsel van de rechter bovenkant van de long. Daarbij waren twee slagaderen in de borstholte doorkliefd. Voorts werd op de rechter handrug een snijwond met een lengte van 6,5 centimeter gezien.

De forensisch arts heeft geoordeeld dat de letsels aan de long en het hart steekverwondingen zijn en dat de snijwond tevens letsel is dat is toegebracht door een scherp voorwerp en is te duiden als afweerletsel. Een dergelijke verwonding aan het hart kan zeer ernstige gevolgen, zoals het overlijden van het slachtoffer, hebben. Daarnaast kunnen de doorgekliefde slagaderen niet meer hersteld worden.

Verdachte heeft op 5 december 2014 bij de Rechter-Commissaris over dit incident het volgende verklaard:

U vraagt mij of ik op 2 december 2014 een accordeon speler en een meneer heb neergestoken.

Dat klopt. Ik was boos. Ik heb een mes uit de keuken van mijn woning aan de [adres 1] gepakt. Ik had toen al het plan om de eerste de beste die ik tegenkwam neer te steken. Ik kan mij 90% van wat er gebeurd is nog herinneren. Ik ben afgestormd op de accordeonspeler en heb hem gestoken. Hij liep de winkel in. Toen kwam de tweede man. Hem stak ik ook, omdat hij er zich mee bemoeide. Andere mensen hielden mij tegen. Ik ben toen aangehouden door de politie.

Op 2 december 2014 is [slachtoffer 2] zwaar gewond geraakt en op 3 december 2014 is [slachtoffer 1] in Zwolle overleden. Voor de rechtbank staat vast dat [slachtoffer 2] zwaar gewond is geraakt en [slachtoffer 1] is overleden door toedoen van verdachte. De vragen die de rechtbank dient te beantwoorden zijn of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als (poging tot) moord of (poging tot) doodslag en voorts, zo ja, in welke mate dit handelen aan verdachte kan worden toegerekend.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig de inhoud van het door hem aan de rechtbank overgelegde schriftelijk requisitoir – gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 ten laste gelegde en het onder 2 primair ten laste gelegde tot jeugddetentie voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest en oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat hij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door hem meermalen met een mes in de borststreek en de rug te steken. Verdachte heeft in het RIBW al het besluit genomen dat er ‘iemand’ dood moest. Verdachte was boos op een huisgenoot en heeft hierop een mes gepakt. Vervolgens heeft verdachte in zijn kamer geoefend door meermalen te steken met het mes in zijn kussen, zijn matras, een verhuisdoos en de gordijnen. Verdachte is hierop naar buiten gegaan en heeft hierover verklaard dat ‘de eerste de beste dood moest’. Verdachte is op zijn fiets naar het winkelcentrum gegaan en zag daar [slachtoffer 1] die muziek aan het spelen was. Daar heeft verdachte het besluit genomen om [slachtoffer 1] te doden en heeft hij [slachtoffer 1] meermalen gestoken met het mes. [slachtoffer 1] is hierop naar binnen bij de Jumbo gevlucht. Verdachte is achter [slachtoffer 1] aangelopen en heeft [slachtoffer 1] binnen in de Jumbo meermalen geschopt en wederom meermalen met het mes gestoken.

Verdachte heeft reeds in het RIBW het besluit tot het doden van iemand genomen en heeft meerdere momenten en langere tijd de gelegenheid gehad om over zijn daad na te denken. Er is bij het doden van [slachtoffer 1] dan ook sprake geweest van ‘voorbedachte raad’, zodat moord op [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde betoogd dat hij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gepoogd van het leven te beroven door hem meermalen met een mes in de borstreek te steken. De poging om [slachtoffer 2] van het leven te beroven is een direct gevolg geweest van het besluit dat verdachte eerder al had genomen om ‘iemand’ te doden. Er is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Tevens zijn geen andere feiten en omstandigheden aanwezig geweest die een contra-indicatie voor de voorbedachte raad zouden kunnen vormen. Er is dan ook sprake geweest van ‘voorbedachte raad’, zodat het onder 2 primair ten laste gelegde - de poging tot moord op [slachtoffer 2] - wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich – overeenkomstig de inhoud van de door haar aan de rechtbank overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de onder 1 ten laste gelegde moord vrijspraak moet volgen, nu geen sprake is geweest van voorbedachte raad bij verdachte. Bij verdachte is op 2 december 2014 sprake geweest van een ernstige agressieve impulsdoorbraak, die gepaard is gegaan met dissociatieve symptomen, waarbij verdachte het ten laste gelegde vanuit een vernauwde staat van bewustzijn heeft meegemaakt. Er is dan ook geen sprake geweest van kalm beraad en rustig overleg, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’. De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de onder 1 impliciet ten laste gelegde doodslag wel een bewezenverklaring kan volgen.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat ook ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde vrijspraak moet volgen, nu de voorbedachte raad niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte heeft in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling gehandeld.

Wel kan de onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend worden bewezen.

4.4

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Overweging met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit – het meermalen steken met een mes van [slachtoffer 1] - sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank is gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 2 december 2014 [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, doordat verdachte meermalen met een mes in de borstreek en buikstreek en rug heeft gestoken waardoor deze [slachtoffer 1] op 3 december 2014 is komen te overlijden.

De vraag die de rechtbank thans moet beantwoorden is of sprake is geweest van moord, zoals door de officier van justitie wordt gevorderd, dan wel doodslag, zoals door de verdediging wordt betoogd.

Voorbedachte raad.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad - in de tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden “na kalm beraad en rustig overleg”- moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (Hoge Raad 28 februari 2012, LJN BR2342).

Het gaat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van voorbedachte raad bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechtbank er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen sommige omstandigheden de rechtbank uiteindelijk tot het oordeel brengen dat verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Om te kunnen beoordelen of bij verdachte op 2 december 2014 sprake is geweest van handelen met voorbedachte raad, dient de rechtbank allereerst de feitelijke toedracht vóór het delict vast te stellen.

Voorzover het de gebeurtenissen van 2 december 2014 betreft heeft verdachte meerdere verklaringen afgelegd, zowel bij de politie, als bij de Rechter-Commissaris als ter zitting.

Zo heeft verdachte op 3 december 2014 en 4 december 2014 bij de politie verklaard:

Ik had slecht geslapen, omdat het boven mij rumoerig was, erg lawaaierig. Daar begon de irritatie eigenlijk al en het werd dus steeds erger, ook met het verleden enzo. Omdat ik mijn ouders nooit heb gekend enzo. Dus dan ga je een beetje nadenken. Niet alles loopt zoals je wilt zeg maar. Je kropt dan je gevoelens op en dan explodeert dat op een gegeven moment. Ik heb me altijd ingehouden en op een gegeven moment kan dat niet meer. (..)

Ik haat mijn hele leven. (..) Gewoon mijzelf zijn, ik moet me altijd aanpassen en daar word je gek van. Eigenlijk was ik al doorgedraaid maar ik hield mijzelf eigenlijk altijd in, zo is het mijn hele leven al.

(V: Mag ik het dan zo samenvatten dat wat er gisterenavond uit is gekomen er dan in één keer uitkomt?)

Ja, ik denk het wel.(..)

(V: Ben je ooit zo boos geweest?)

Nee, ik had me tot die tijd altijd ingehouden.(..)

(V: Maar wat is daar gebeurd dan?)

Dat was aan tafel, toen liep het uit de hand. Het ging toen niet goed. Er was een conflict tussen mij en nog iemand, een jongere van daar. (..) Er was onenigheid en toen werd ik boos en toen is dit gebeurd. (..) Ik voelde niets omdat ik over de rooie was. Ik heb dus wel klappen gehad. Ik heb ook teruggeslagen. (..) Ik ben direct naar buiten gegaan en toen gebeurde het hele verhaal. (..)

(V: Hoe is dat nu met dat mes gegaan, bij het RIBW?)

Die heb ik uit de keukenla gepakt en ben toen naar buiten gelopen, heb de fiets gepakt. Onderweg heb ik tegen een boom of een ander voorwerp geslagen. Ik ben boos verder gegaan. Bij het winkelcentrum heb ik iemand neergestoken, vervolgens ook nog een tweede slachtoffer. Ik op de grond, de politie kwam, mensen om mij heen. (..)

(V: Wat kun je nog herinneren over het mes?)
Dat ik hem neerstak. (..)

(V: Waar had je dat mes gelaten toen je van het RIBW onderweg was naar het winkelcentrum?)
In mijn hand of in mijn jaszak. (..)

(V: Wat was je van plan te gaan doen?)
Iemand neersteken. Ja, graaien in de keukenla en uiteindelijk neem je dan een mes mee. Volgens mij heb ik met dat mes nog op mijn kamer in een doos geprikt en iets met de gordijnen gedaan. Dit om te kijken hoe scherp het mes was. Ik werd niet rustiger en toen ben ik naar buiten gegaan, op de fiets naar het winkelcentrum. Dat naar buiten gaan was echt geen goed plan.

(V: Wanneer is er in je opgekomen om iemand te gaan neersteken?)
Ik denk die middag al, er komen weer veel herinneringen binnen.(..)

(V: Wat had je toen in gedachten toen je iemand wilde neersteken?)

Dat dus, dat ik iemand neer wilde steken.

(V: Hoe zag je dat voor je dan?)
Gewoon op iemand afgaan, de eerste die ik zou tegenkomen wilde ik neersteken. Dit is wat ik toen dacht.

(V: Dus die meneer die nu dood is, was dat de eerste die je tegenkwam?)
Ja. Ik snap ook niet waarom het die man moest zijn, ik moest me heel erg afreageren.

Verdachte heeft op 5 december 2014 bij de Rechter-Commissaris verklaard:

U vraagt mij of ik op 2 december 2014 een accordeon speler en een meneer heb neergestoken.

Dat klopt. Ik was boos. Ik heb een mes uit de keuken van mijn woning aan de [adres 1] gepakt. Ik had toen al het plan om de eerste de beste die ik tegenkwam neer te steken. Ik kan mij 90% van wat er gebeurd is nog herinneren. Ik ben afgestormd op de accordeonspeler en heb hem gestoken. Hij liep de winkel in. Toen kwam de tweede man. Hem stak ik ook, omdat hij er zich mee bemoeide. Andere mensen hielden mij tegen. Ik ben toen aangehouden door de politie.

Verdachte heeft ter terechtzitting op 5 juni 2014 het volgende verklaard:

Ik had die dag een slechte dag, omdat ik naar de leerplichtambtenaar moest. Daarvan had ik veel stress. Tijdens het avondeten in het RIBW kreeg ik een conflict met een andere jongen. Dat was [naam 1]. [naam 1] begon mij uit te schelden over mijn biologische ouders. Dat is een heel gevoelig punt voor mij. Ik werd daar boos over. Ik begon na te denken dat ik mijn biologische ouders nooit heb gekend en dat ik niet geadopteerd had willen worden. Ik had destijds geen eigen keuze om in mijn eigen land te blijven. Ik had er niets over te zeggen dat ik uit mijn land weg moest. Ik was al boos, maar werd steeds bozer. Na het eten zei de groepsleiding dat ik rustig moest worden en werden [naam 1] en ik uit elkaar gehaald. Ik moest de vaatwasmachine inruimen. Ik zag toen in de keuken een mes liggen. Dit mes was ongeveer 20 centimeter lang en dat mes heb ik stiekem meegenomen naar mijn kamer. Op mijn kamer ging ik mijn boosheid uiten. Ik heb toen een paar keer in de gordijnen en in de dozen gestoken. Ik deed dit om mijn woede af te reageren. Ik kon mij niet beheersen. Daarna wilde ik naar buiten, maar toen kwam ik [naam 1] tegen. Ik had op dat moment het mes in mijn binnenzak. Ik reageerde mij verbaal af op [naam 1] en wilde uitleg van hem waarom hij opmerkingen maakte over mijn biologische ouders. Dit liep uit de hand en ik werd steeds bozer. De groepsleiding heeft mij toen weggestuurd. Ik ben toen naar buiten gegaan naar mijn fiets. Ik was heel erg boos en verdrietig. Ik ben toen naar het winkelcentrum gefietst. De man speelde een liedje, volgens mij kerstmuziek, waardoor ik het gevoel kreeg dat ik nergens bij hoorde. Ik kan mij nog vaag herinneren dat ik daar die man aanvloog en hem een paar keer heb neergestoken. Die man rende naar binnen en ook in de Jumbo heb ik hem neergestoken.

Ik weet niet waarom ik juist deze man heb neergestoken. Volgens mij werd ik boos toen hij stopte met muziek maken. Daarvoor wilde ik [naam 1] al neersteken met het mes, want dat mes had ik toen al bij me. Dat is niet gebeurd, omdat de groepsleiding ons uit elkaar haalde. Toen ben ik naar buiten gegaan en werd het alleen nog maar erger.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden op 2 december 2014, kort samengevat en zakelijk weergegeven:

Verdachte had op 2 december 2014 een slechte dag en zat niet lekker in zijn vel. Vervolgens kreeg verdachte in het RIBW tijdens het avondeten ruzie met medebewoner [naam 1], omdat deze [naam 1] richting verdachte opmerkingen maakte over de biologische ouders van verdachte, hetgeen een zeer gevoelig punt is voor verdachte. Hierop werd verdachte boos. Verdachte moest van de groepsleiding rustig worden en moest na het eten de vaatwasmachine inruimen. Verdachte zag in de keuken een mes, van in totaal 20 centimeter, liggen en heeft dat mes stiekem meegenomen. Verdachte heeft vervolgens in zijn kamer meermalen met dat mes in de gordijnen en in een doos gestoken om te kijken hoe scherp het mes was en om zijn boosheid te uiten. Dit wordt bevestigd door de foto’s die zijn gemaakt van de gordijnen en van de doos op de kamer van verdachte. Verdachte wilde naar buiten, maar kwam op de gang [naam 1] tegen en wilde uitleg van [naam 1] en zocht de confrontatie met hem op. Verdachte had op dat moment het mes in zijn binnenzak en stond op het punt [naam 1] met het mes neer te steken. Verdachte heeft verklaard dat dit niet is gebeurd, omdat de groepsleiding tussen verdachte en [naam 1] is gekomen en verdachte heeft weggestuurd. Dit wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1], die als woonbegeleider bij de RIBW werkzaam is.

Hierop heeft verdachte zijn fiets gepakt en is hij naar het winkelcentrum gefietst. Verdachte was boos en verdrietig en heeft onderweg nog tegen een boom getrapt. Verdachte is bij het winkelcentrum aangekomen, terwijl straatmuzikant [slachtoffer 1] een liedje speelde dat de gevoelens van verdachte dat hij nergens bij hoorde versterkte. Toen [slachtoffer 1] stopte met muziek maken, is verdachte [slachtoffer 1] aangevlogen en heeft verdachte hem meermalen met het meegenomen mes gestoken. [slachtoffer 1] kon ontkomen en is gewond de Jumbo binnengestrompeld. Verdachte is achter [slachtoffer 1] aangelopen en heeft in de Jumbo [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht en tegen het lichaam geschopt en hem tevens meermalen met het mes gestoken. Dit wordt ondersteund door meerdere getuigenverklaringen in het dossier. Gebleken is uit het sectierapport dat [slachtoffer 1] minimaal 29 keer door verdachte met het mes is gestoken en uiteindelijk op 3 december 2014 aan zijn verwondingen is overleden.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte op 2 december 2014 na de avondmaaltijd op het moment dat hij in de keuken het mes heeft zien liggen en dit stiekem heeft meegenomen reeds het besluit heeft genomen om iemand met dat mes neer te steken. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij op dat moment al het plan had om de eerste de beste die hij tegen kwam neer te steken.

Gelet op de gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat het plan om iemand te doden door verdachte welbewust werd genomen op het moment dat hij die avond in de keuken het mes mee nam. Daarna is sprake geweest van een langdurige opgebouwde boosheid bij verdachte waarvan hij zich terdege bewust was en die hij, tot het moment dat [slachtoffer 1] stopte met muziek maken, heeft kunnen onderdrukken. Op dat moment werd verdachte echter dusdanig getriggerd dat hij in grote razernij is gaan insteken op [slachtoffer 1]. Eerst buiten de Jumbo en vervolgens is hij daarmee doorgegaan in de Jumbo.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte reeds in de keuken het besluit heeft genomen om iemand neer te steken en dat hij tot het moment van het daadwerkelijk neersteken van [slachtoffer 1] meerdere keren en momenten de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij overweegt de rechtbank dat aanzienlijke tijd is verstreken tussen het moment van het pakken van het mes in de keuken en het uiteindelijke neersteken van [slachtoffer 1] in het winkelcentrum.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Alhoewel bij verdachte sprake is geweest van een langdurig opgebouwde boosheid ontaardend in een razernij was geen sprake van een plotseling opkomende drift, omdat het besluit en voornemen van verdachte om iemand neer te steken immers al eerder die avond in de keuken was genomen. Daarbij heeft de rechtbank in haar overweging meegewogen dat verdachte zich de periode vanaf het moment dat hij het mes in de keuken heeft gepakt tot het moment dat hij [slachtoffer 1] aanviel goed kon herinneren en heeft kunnen navertellen. Vanaf het moment dat verdachte [slachtoffer 1] is aangevallen en meermalen heeft gestoken met het mes zijn de herinneringen van verdachte pas minder helder.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen andere feiten en omstandigheden aanwezig zijn geweest die een contra-indicatie voor de voorbedachte raad zouden kunnen vormen.

De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer 1], zodat de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

Overweging met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit – het meermalen met een mes steken van [slachtoffer 2] - sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank is gelet op de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 2 december 2014 opzettelijk heeft gepoogd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, doordat verdachte meermalen [slachtoffer 2] met een mes in de borstreek en buikstreek heeft gestoken.

De vraag die de rechtbank thans moet beantwoorden is of sprake is geweest van poging tot moord, zoals door de officier van justitie wordt gevorderd, dan wel poging tot doodslag, zoals door de verdediging wordt betoogd.

Uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen en hetgeen de rechtbank reeds hiervoor onder 1 heeft geoordeeld is gebleken dat verdachte op 2 december 2014 in de keuken van het RIBW het mes heeft meegenomen en toen reeds het besluit heeft genomen om ‘de eerste de beste’ neer te steken. Verdachte heeft vervolgens op de parkeerplaats straatmuzikant [slachtoffer 1] aangevallen en meermalen met een mes gestoken. Toen [slachtoffer 1] de Jumbo is binnengevlucht is verdachte achter hem aangegaan en heeft verdachte in de Jumbo [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht en tegen het lichaam geschopt en hem wederom meermalen met het mes gestoken.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van verdachte, de verklaring van aangever [slachtoffer 2] en de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3], is vervolgens gebleken dat op het moment dat verdachte de op de grond gelegen [slachtoffer 1] schopte en met het mes op hem instak, [slachtoffer 2] met zijn winkelwagentje in de richting van verdachte kwam en tegen verdachte riep ‘stop daarmee’ of iets dergelijks. Op dat moment heeft verdachte zich gericht tot [slachtoffer 2] en heeft ook de woede van verdachte zich op [slachtoffer 2] gericht. Gebleken is dat [slachtoffer 2] verdachte heeft proberen af te weren door het winkelwagentje tussen hem en verdachte in te houden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij als een beest tekeer ging, waarbij het winkelwagentje omviel en ook [slachtoffer 2] op de grond terechtkwam. Toen [slachtoffer 2] op de grond lag, heeft verdachte hem met het mes tweemaal in de borststreek gestoken waarbij [slachtoffer 2]’s rechter hartkamer werd geperforeerd alsmede zijn long. Verdachte is vervolgens door meerdere omstanders overmeesterd en in bedwang gehouden en daarna aangehouden door de politie. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ook [slachtoffer 2] had omgebracht als omstanders niet hadden ingegrepen. [slachtoffer 2] is naar het ziekenhuis gebracht en geopereerd. Uit de letselrapportage is gebleken dat de verwonding aan het hart van [slachtoffer 2] zeer ernstige gevolgen kan hebben, zoals het overlijden van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, zoals hiervoor reeds onder 1 is geoordeeld, op 2 december 2014 in de keuken van het RIBW op het moment dat hij het mes pakte en meenam het besluit heeft genomen om ‘de eerste de beste’ neer te steken en daarmee met voorbedachte raad heeft gehandeld. Dat verdachte tijdens het neersteken van [slachtoffer 1] werd aangesproken door [slachtoffer 2] en daarop zijn woede richtte op [slachtoffer 2] en vervolgens met het mes op [slachtoffer 2] begon in te steken is naar het oordeel van de rechtbank een voortvloeisel geweest van het door verdachte aanvankelijk reeds in de keuken genomen besluit om met dat mes iemand neer te steken. Verdachte heeft daarna meerdere keren en momenten de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen besluit.

De rechtbank komt op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer 2], zodat de rechtbank het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

4.5

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 2 december 2014 te Zwolle opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] meermalen, met (zeer veel) kracht in diens gezicht en tegen diens hoofd geschopt en/of getrapt en die [slachtoffer 1] meermalen, (met kracht) met een mes, in diens borst(streek) en buik(streek) en rug gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] (op 3 december 2014) is overleden;

2.

hij op 02 december 2014 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] meermalen, (met kracht) met een mes, in diens borst(streek) en/of buik(streek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en onder 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: Moord;

feit 2 primair

het misdrijf: Poging tot moord.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de strafoplegging betoogd dat verdachte – gelet op de rapportages – en de persoonlijke omstandigheden van verdachte het minderjarigen strafrecht moet worden toegepast en dat hij tevens als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat een langdurige behandeling is geïndiceerd. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen moet worden opgelegd. Daarnaast dient gelet op de ernst van de feiten – een moord en een poging tot moord – de maximale jeugddetentie voor de duur van 24 maanden te worden opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de strafmaat betoogd dat zij zich aansluit bij het advies van Teylingereind en de Raad voor de Kinderbescherming waarin wordt geadviseerd om aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige feiten die zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, te weten moord. Verdachte heeft een willekeurig slachtoffer, straatmuzikant [slachtoffer 1], in het openbaar bij een winkelcentrum met kracht geschopt en meermalen met een mes in zijn borst, buik en rug gestoken, als gevolg waarvan het slachtoffer in het ziekenhuis is komen te overlijden.
Verdachte heeft met zijn manier van handelen geen enkel respect getoond voor het leven van het slachtoffer en daarmee het slachtoffer zijn meest waardevolle bezit ontnomen. Voorts heeft verdachte door zijn handelen de familie en vrienden van het slachtoffer een onbeschrijfelijk leed aangedaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat nabestaanden van een dergelijk ernstig feit nog lange tijd, zo niet de rest van hun leven, lichamelijke en psychische klachten kunnen ondervinden. De dood van straatmuzikant [slachtoffer 1] heeft niet alleen groot verdriet en leed bij de nabestaanden van [slachtoffer 1] veroorzaakt, maar ook de samenleving is door dit feit ernstig geschokt, doordat dit feit heeft geleid tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op het slachtoffer [slachtoffer 2]. Bij de aanval op [slachtoffer 2] in de Jumbo is verdachte overmeesterd door meerdere omstanders en is het bij een poging gebleven. [slachtoffer 2] is ernstig gewond geraakt aan zijn hart en longen, maar dit had veel ernstiger kunnen zijn afgelopen als omstanders minder adequaat hadden gehandeld. [slachtoffer 2] heeft de aanval van verdachte overleefd, wat echter niet aan enig handelen of nalaten van verdachte te danken is. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 2] doodsangst bezorgd en tot op de dag van de zitting heeft het slachtoffer te kampen met de lichamelijke en geestelijke gevolgen van de aanval van verdachte en de grote impact die de gebeurtenis op zijn, maar ook het leven van zijn gezinsleden, heeft gehad. Dit is ook duidelijk gebleken uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2], zoals deze ter terechtzitting is voorgelezen.

De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat de impact van deze feiten in het openbaar – en dan met name de enorme razernij van verdachte en de hoeveelheid steekwonden - voor de aanwezige omstanders in het winkelcentrum en in de Jumbo enorm is geweest. De rechtbank rekent verdachte dit handelen aan.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van:

  • -

    het klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia rapport d.d. 16 april 2015 opgemaakt op de observatieafdeling van het Forensisch Consortium Adolescenten (ForCa) door drs. R. Haveman, GZ-psycholoog en drs. D. Matser, kinder- en jeugdpsychiater;

  • -

    het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 12 mei 2015 opgemaakt door E. Peters, raadsonderzoeker;

  • -

    het blanco uittreksel justitieel documentatieregister d.d. 12 februari 2015.

Uit voornoemd ForCa rapport komt naar voren dat verdachte een zeventienjarige jongen is van Colombiaanse afkomst, die zich vanaf jonge leeftijd als een overlever heeft moeten opstellen en egocentrisch in het leven moest staan. Verdachte is door zijn biologische ouders afgestaan en op vijfenhalfjarige leeftijd door een Nederlands gezin geadopteerd. Verdachte heeft zich op gedragsmatig niveau aangepast, maar heeft in emotionele zin een muur om zich heen gebouwd. Duidelijk is geworden dat verdachte de symptomen van een reactieve hechtingsstoornis van het geremde type vertoonde en dat hij moeite had met het aangaan van vertrouwensrelaties en in affectieve zin onbereikbaar was. Hieruit is een dynamiek ontstaan tussen verdachte en zijn adoptiemoeder die erin heeft geresulteerd dat verdachte wederom werd afgewezen.

Uit voornoemd rapport is voorts gebleken dat verdachte op emotioneel vlak nauwelijks contact met zijn eigen negatieve emoties heeft en dat bij hem sprake is van een grote mate van woede over de verlating door zijn biologische ouders. Verdachte kampt met veel negatieve emoties, die hij niet weet te uiten. Verdachte is een beschadigde jongen die zich eenmaal in Nederland dermate aan zijn nieuwe omgeving heeft aangepast dat hij zijn negatieve emoties is gaan verloochenen. Als gevolg hiervan is sprake geweest van een voortdurende opbouw van gevoelens van ongenoegen, die zich in gedragsmatig opzicht hebben vertaald in passief agressief gedrag tegen ouders en familie die hem hebben opgevangen. In psychodynamische zin heeft verdachte er onbewust voor gezorgd dat hij opnieuw werd afgewezen. Bij verdachte zijn de regulerende functies goed ontwikkeld, waarbij zelfs sprake is van een overmatige controle, hetgeen in zekere zin als een risicofactor kan worden beschouwd. Bij verdachte zijn de agressieregulatie en impulsregulatie dan wel goed ontwikkeld, maar het zou in psychische zin gezonder zijn voor verdachte om eerder in meer directe zin uiting te geven aan zijn negatieve effecten. Hierdoor doet de tegenstrijdigheid zich voor waarbij verdachte enerzijds een kwetsbare, beschadigde jongen is, die eigenlijk ontremd gedrag zou moeten laten zien, maar anderzijds vanuit zijn sociaal contextuele omgeving dermate gestructureerd is dat hij de controle heeft geïnternaliseerd. Dit resulteert in een spreekwoordelijke snelkookpan, die de druk niet kan ontladen.

Voorts is uit het rapport gebleken dat bij verdachte het vermogen tot empathie en ook de gewetensfunctie in cognitieve zin goed zijn ontwikkeld, waarbij echter de affectieve empathie ernstige gebreken vertoont. Verdachte is goed in staat te bedenken hoe iets voor een ander voelt, maar hij voelt niet mee met een ander. Tevens is gebleken dat de gewetensfunctie ook goed is ontwikkeld in de zin dat verdachte goed en fout van elkaar weet te onderscheiden. Verdachte lijkt echter meer door schaamte dan door schuldgevoel te worden geleid, hetgeen doet concluderen dat het niveau van moreel redeneren zich vermoedelijk op een laag niveau bevindt. Verdachte laat op het gebied van de empathie en de gewetensontwikkeling dan ook een atypisch beeld zien.

Bij verdachte is derhalve sprake van forse hechtingsproblematiek, die als een reactieve hechtingsstoornis van het geremde type wordt geclassificeerd. Van hieruit heeft zich een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling gemanifesteerd die als een identiteitsprobleem wordt geclassificeerd. Daarnaast is sprake van duidelijke ouder-kind relatieproblemen. De kern is dat verdachte een beschadigde jongen is die bij aankomst in Nederland zijn identiteit heeft moeten inleveren. Het gevolg hiervan is dat bij verdachte op onbewust niveau veel boosheid is ontstaan die hij nooit heeft kunnen uiten. Bij verdachte is sprake van een enorme woede, zonder een mogelijkheid om deze goed te sublimeren.

Tevens is uit het rapport gebleken dat door het langere bestaan van de hechtingsstoornis de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte gestagneerd is geraakt, waarbij een borderline persoonlijkheidsontwikkeling werd bereikt. Bij oplopende stress kan zich dit uiten in piekeren, tunnel denken, bewustzijnsvernauwing en uiteindelijk in een paranoïde psychotische gedachtegang.

Geconcludeerd kan worden dat bij verdachte dan ook sprake is van een ziekelijke stoornis te weten een reactieve hechtingsstoornis van het geremde type, een identiteitsprobleem en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Er is sprake van een tegenstrijdigheid, omdat verdachte vanuit zijn sociaal contextuele omgeving dermate gestructureerd is dat hij de controle heeft geïnternaliseerd, terwijl hij onderliggend persoonlijkheidskenmerken heeft die geassocieerd zouden kunnen worden met externaliserend gedrag. De opgekropte woede, het niet kunnen uiten van de negatieve emoties en de toenemende stresserende factoren hebben ervoor gezorgd dat er sprake is geweest van een ernstige agressieve impulsdoorbraak, die gepaard is gegaan met dissociatieve symptomen. Verdachte heeft het ten laste gelegde vanuit een vernauwde staat van bewustzijn meegemaakt. Op grond van zijn problematiek kunnen de ten laste gelegde feiten, volgens de deskundigen, derhalve aan verdachte sterk verminderd worden toegerekend.

Uit de voornoemde onderzoeksrapporten komt tevens naar voren dat ten aanzien van het recidive-risico vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van een geleidelijke opbouw van negatieve effecten die verdachte onvoldoende heeft weten te sublimeren. Bij verdachte zijn de woede over de adoptie en zijn persoonlijkheidsproblematiek nog steeds aanwezig, zodat een kans op nieuw delictgedrag bestaat indien de sociaal contextuele factoren opnieuw veranderen. De deskundigen adviseren dat verdachte baat kan hebben bij een langdurige psychotherapeutische behandeling, welke is gericht op identiteitsontwikkeling en het leren uiten van emoties op een adequate manier. De meest geschikte vorm van therapie hiervoor is de Mentalisation Based Therapy (MBT). De deskundigen adviseren, gelet op de ernst van het delict, de sociaal contextuele factoren en de verwachte behandelduur, aan verdachte een onvoorwaardelijke plaatsing in een jeugdinrichting als maatregel op te leggen. Vanwege de aanwezige hechtingsstoornis is de plaats van de behandeling van belang, zodat met name wordt gedacht aan de VIC (Very Intensive Care)-psychiatriegroepen van RIJ De Hartelborgt.

Uit het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 12 mei 2015, opgemaakt door E. Peters, komt ook naar voren dat bij verdachte sprake is van een hechtingsstoornis, onverwerkte adoptieproblematiek en een identiteitsstoornis, welke problematiek heeft geleid tot een ernstige agressie-impulsdoorbraak waarbij sprake is geweest van zeer ernstige strafbare feiten. Er is kans op herhaling van zo een grote impulsdoorbraak zonder intensief langdurige begeleiding. Deze langdurige behandeling dient ook gewaarborgd te zijn, zodat wordt geadviseerd om dit in een geheel onvoorwaardelijk kader te laten plaatsvinden. Door de Raad wordt voor verdachte een Very Intensive Care plek welke gericht is op jeugdigen met psychiatrische problematiek, en gelet op de kleinschaligheid en intensieve begeleiding, als passend geacht. Bij de behandeling dient aandacht te zijn voor mogelijk onderliggende psychiatrische problematiek bij verdachte, maar ook voor het gebruik van middelen in het verleden en de invloed hiervan op het gedrag en het gevoel van verdachte.

Tot slot heeft de Raad geadviseerd dat in het belang van verdachte het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. Verdachte is een minderjarige jongen die qua gedrag en emotionele ontwikkeling, door zijn leven, onvoldoende tot groei heeft kunnen komen. Zijn identiteitsontwikkeling is nauwelijks op gang gekomen. Er dient dan ook gekeken te worden naar hoe het netwerk en in het bijzonder de adoptiefouders van verdachte betrokken kunnen worden bij de behandeling.

De Raad heeft zich aangesloten bij de adviezen van de deskundigen en adviseert oplegging van een onvoorwaardelijke plaatsing in een justitiële jeugdinrichting.

De rechtbank neemt de conclusies en de adviezen van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte gelet op zijn leeftijd van 17 jaar ten tijde van het plegen van het delict wordt berecht binnen de kaders van het jeugdstrafrecht. Bij voornoemde persoonlijkheidsonderzoeken en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is besproken of bij de strafbepaling het sanctierecht voor meerderjarigen moet worden toegepast. De rechtbank ziet echter gelet op de adviezen van voornoemde deskundigen geen grond om het sanctierecht voor meerderjarigen toe te passen. De deskundigen hebben uitdrukkelijk geadviseerd het jeugdstrafrecht bij verdachte toe te passen en de rechtbank neemt deze adviezen over. Dit impliceert dat voor zulke ernstige feiten als moord en poging tot moord het wettelijke strafmaximum van twee jaar jeugddetentie geldt en dat bij de strafoplegging meer dan bij volwassenen rekening wordt gehouden met de gevolgen van de strafoplegging voor de ontwikkeling van de jeugdige.

De rechtbank concludeert voorts op basis van voornoemde rapporten dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd en zal bij de strafoplegging rekening houden met deze verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen wijzen op een onvermijdelijke keuze voor de onvoorwaardelijke oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (en waarop volgens het jeugdstrafrecht een maximale strafbedreiging van twee jaar jeugddetentie staat). Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de Raad in de rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat daarnaast de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van twee misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen jeugddetentie als strafverzwarende omstandigheid laten meewegen dat de steekpartij in het openbaar in een winkelcentrum in aanwezigheid van veel mensen heeft plaatsgevonden, waarbij sprake is geweest van twee willekeurige slachtoffers, waarbij één slachtoffer minimaal 29 steekwonden heeft opgelopen.

Als strafmatigende omstandigheden laat de rechtbank meewegen dat bij verdachte sprake is van verzachtende persoonlijke omstandigheden, dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict, dat hij er blijk van heeft gegeven spijt te hebben van zijn handelen en tevens dat hij bereid is zich te laten behandelen.

Rekening houdend met al het voorgaande en kijkend naar de strafmaatrichtlijnen die gelden in geval van een veroordeling van een jeugdige voor een levensdelict zoals moord, is de rechtbank van oordeel dat de maximale onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, zoals ook door de officier van justitie is geëist, een passende straf is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel dient te worden opgelegd.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen mes gevorderd. Ten aanzien van de in beslag genomen laptop is bij eerdere beslissing reeds besloten dat deze terug naar verdachte kan.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de in beslaggenomen goederen op het standpunt gesteld dat de verdediging zich refereert aan het oordeel van de rechtbank op dit punt.

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen mes dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten met behulp van dit voorwerp zijn begaan.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Feit 1

[naam 2] wonende te [woonplaats 2] (Bulgarije) (gemachtigde Tas advocatuur en Letselschade), heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 7.430,21 (zevenduizendvierhonderdendertig euro en eenentwintig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Deze materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    Kosten ambulancevervoer € 675,21;

  • -

    Reiskosten Zwolle – [adres 2] in het kader van bijwonen begrafenis € 2.702,--;

  • -

    Reiskosten Zwolle - [adres 2] in het kader van bijwonen zitting € 1.351,--;

  • -

    Reiskosten Zwolle – [adres 2] in het kader van bijwonen zitting € 2.702,--.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 7.430,21 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot voornoemd bedrag.

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 2] betoogd dat deze vordering kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, maar dat geen vervangende jeugddetentie wordt opgelegd nu verdachte dit bedrag omgaand zal overmaken naar de benadeelde partij.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer en diens nabestaanden. De opgevoerde schadepost met betrekking tot de materiële kosten is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde toewijzen tot een bedrag van

€ 7.430,21 inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

Feit 2

[slachtoffer 2], wonende te [woonplaats 3] (gemachtigde A.J. van der Kolk) heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 14.652,51 (veertienduizendzeshonderdentweeënvijftig euro en éénenvijftig eurocent) als voorschot.

Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    Materiële schade van € 4.652,51;

  • -

    Immateriële schade van € 10.000,--.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ten aanzien van de gevorderde materiële kosten te ingewikkeld is en daardoor een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt zodat dit gedeelte niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de immateriële schade gevorderd dat de rechtbank gebruik maakt van haar schattingsbevoegdheid tot een bepaald bedrag aan immateriële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot voornoemd bedrag.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ten aanzien van de materiële en immateriële kosten op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces met zich meebrengt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder 2 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten ten aanzien van de materiële kosten zijn betwist. De rechtbank acht de opgevoerde schadeposten voldoende onderbouwd met uitzondering van het verlies van arbeidsvermogen (€ 220,--), huishoudelijke hulp (€ 1.260,--) en zelfwerkzaamheid (€ 475,--). De rechtbank zal het gevorderde ten aanzien van de materiële kosten dan ook deels toewijzen tot een bedrag van € 2.697,51 inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank acht ten aanzien van de immateriële schade een bedrag van € 4.000,-- in aanmerking genomen de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de schokschade die bij het slachtoffer is opgetreden aannemelijk en alleszins redelijk en billijk. Bij de bepaling van dit laatstgenoemde bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de norm voor schokschade in de letselschadelijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot in totaal een bedrag van € 6.697,15, te weten € 2.697,51 aan materiële kosten en € 4.000,-- aan immateriële kosten. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De rechtbank zal de benadeelde partij wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren.

8.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 en feit 2 is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s en 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en onder 2 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit1: moord;
    feit 2 primair: poging tot moord;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 24 maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- legt voorts aan de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

schadevergoeding

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van een bedrag van € 7.430,21 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2014);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 7.430,21 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende jeugddetentie voor de tijd van 72 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van

€ 6.697,15;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 6.697,15 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2014);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 6.697,15, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende jeugddetentie voor de tijd van 68 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk.

de inbeslaggenomen voorwerpen

- onttrekt aan het verkeer het in beslag genomen mes.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mr. H.F.J.M. Schröder en mr. H.Th. Pos, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2015.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland, team recherche Zwolle met dossiernummer PL0600-2014198323. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

 De bekennende verklaring van verdachte1;

 De bekennende verklaring van verdachte bij de Rechter-Commissaris2;

 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting3;

 Het verslag gemeentelijke lijkschouwer4;

 Het NFI rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood5;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1]6.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair ten laste is gelegd, gelet op de volgende bewijsmiddelen:

 De bekennende verklaring van verdachte7;

 De bekennende verklaring van verdachte bij de Rechter-Commissaris8;

 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting9;

 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2]10;

 De letselbeschrijving van GGD IJsselland11;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2]12;

 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3]13.

1 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 3 december en d.d. 4 december 2014, pag. 39, 41 en 51 t/m 56.

2 Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de R-C d.d. 5 december 2014.

3 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 juni 2015.

4 Het verslag gemeentelijke lijkschouwer d.d. 3 december 2014 opgemaakt door W.L.J.M. Duist forensisch arts, pag. 108 t/m 112.

5 NFI-rapport pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood d.d. 9 december 2014, opgemaakt door B. Kubat, pag. 128 t/m 141.

6 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 3 december 2014, pag. 175 en 177.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 4 december 2014, pag. 50 t/m 56.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de R-C d.d. 5 december 2014.

9 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 juni 2015.

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2014, pag. 94 t/m 99.

11 Letselbeschrijving van GGD IJsselland d.d. 2 december 2014 opgemaakt door W.L.J.M. Duijst, pag. 102 t/m 104.

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 4 december 2014, pag. 170 en 171.

13 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 2 december 2014, pag. 202.