Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:2816

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
3882258 CV EXPL 15-1513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weliswaar zijn nadere incassohandelingen niet nodig voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten maar om te dagvaarden voor enkel de buitengerechtelijke kosten is, mede gelet op de inhoud van de veertiendagen-aanmaning, een vervolgstap nodig. Nu die stap niet is gezet, is er sprake van rauwelijks dagvaarden en dienen de proceskosten voor rekening van eiseres te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/213

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 3882258 CV EXPL 15-1513

Uitspraak : 2 juni 2015

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Menzis Zorgverzekeraar N.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Wageningen

eisende partij, hierna ook wel Menzis te noemen

gemachtigde: GGN Tijhuis & Partners te Almelo

- tegen -

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, hierna ook wel [gedaagde] te noemen

schriftelijk procederend

1 procedure

Deze blijkt uit de navolgende stukken:

- de dagvaarding van 9 februari 2015;

- de zowel mondelinge als schriftelijke conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de schriftelijke reactie van [gedaagde], ontvangen ter griffie op 21 april 2015 en aangemerkt als een conclusie van dupliek.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 feiten

2.1

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist, het navolgende vast.

2.2

[gedaagde] heeft bij Menzis een zorgverzekering en een aanvullende zorgverzekering afgesloten.

2.3

[gedaagde] heeft uit hoofde van voormelde overeenkomst nagelaten de door hem te betalen premie over de maanden september en oktober 2014, zijnde in totaal een bedrag van
€ 210,80, tijdig te betalen.

2.4

In de zogeheten veertiendagen brief d.d. 25 november 2014, een aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW, is o.a. het volgende opgenomen:

Wij hebben de opdracht gekregen om het openstaande bedrag bij u te innen. Wij verzoeken u het totaalbedrag binnen 14 dagen na de datum van deze brief te voldoen.

Indien u niet het volledige bedrag binnen de gestelde termijn betaalt zullen er vanaf de vijftiende dag na de datum van deze brief buitengerechtelijke incassokosten in rekening worden gebracht ad € 40,00 boven op het totaalbedrag van de vordering.

Omdat Menzis Zorgverzekeraar N.V. niet BTW-plichtig is, zal u over de kosten tevens BTW in rekening worden gebracht ad € 8,40.

2.5

Op woensdag 3 december 2014 te 09:55 uur bericht [gedaagde] de incassogemachtigde van Menzis (hierna: GGN) het volgende:

Op 25 november jl heb ik de brief van jullie ontvangen op het oude adres. Echter, heb ik deze gemist en de betaling voor menzis voor de maand september 2014 op 26 november 2014 gedaan. […]

Ik zou graag willen vragen hoe nu verder. Als ik het juist heb blijft nu het bedrag van (hoofdsom 212,20 – betaling 105,40) = 106,70 over. Kan ik gebruik maken van de bestaande bijgevoegde acceptgiro ?

Aangezien het totale bedrag binnen 14 dagen na 25 november dient te worden overgemaakt zou ik graag een bevestiging van ontvangst willen ontvangen. Om eventuele problemen in de toekomst voor te zijn.

2.6

Op donderdag 4 december 2014 mailt [gedaagde] GGN:

Graag zou ik een reactie op onderstaande ( mail 3 december, ktr) willen ontvangen.

2.7

Op vrijdag 12 december 2014 deelt GGN [gedaagde] via de mail het volgende mee:

Bijgaand treft u onze reactie aan op uw schrijven. Volledigheidshalve verwijzen wij u naar de bijlage.

2.8

In de hiervoor gememoreerde bijlage is als totaal verschuldigd bedrag € 107,00 aangegeven.

2.9

[gedaagde] heeft dit bedrag op 22 december 2014 betaald.

3 geschil

de vordering:

3.1

Menzis vordert de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van
€ 48,71, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. Tevens vordert zij veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2

Menzis baseert haar vordering op de vaststaande feiten waarbij zij het navolgende nog heeft aangevoerd. Omdat van [gedaagde] geen betaling viel te verkrijgen, zag Menzis zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. De kosten daarvoor bedragen
€ 48,40 en komen, evenals de op voorhand tot 9 januari 2015 berekende wettelijke rente
ad € 1,91 voor rekening van [gedaagde]. In mindering kunnen strekken de twee betalingen van € 105,40 en € 107,00 zodat resteert een bedrag van € 48,71.

3.3

Naar aanleiding van het door [gedaagde] gevoerde verweer dat hem nimmer een termijn is gesteld voor betaling van de incassokosten verwijst Menzis naar de aanmaning van
25 november 2014 waarin wel degelijk een termijn is gegeven.

Tevens verwijst Menzis naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 waarin bepaald is dat voor de verschuldigdheid voor de buitengerechtelijke kosten de verzending en ontvangst van de veertiendagenbrief van artikel 6:96 lid 6 BW en het verstrijken van de in die brief aangeduide termijn volstaat.

het verweer:

3.4

[gedaagde] erkent de gevorderde buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn. Hij betwist evenwel de uitleg die Menzis geeft aan het arrest van de Hoge Raad. [gedaagde] stelt niet verzuim is geraakt met betrekking tot de betaling van de buitengerechtelijke kosten zodat Menzis ten onrechte tot dagvaarden is overgegaan.

4 de beoordeling

4.1

De vraag waar het in deze procedure feitelijk om draait is of de uitleg die Menzis geeft aan het arrest van de HR d.d. 13 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1405) de juiste is.

Voormeld arrest is gewezen naar aanleiding van de navolgende, door een kantonrechter gestelde prejudiciële vraag aan de HR:

“Dient art. 6:96 lid 6 BW aldus te worden uitgelegd dat na het verzenden van de daarin genoemde veertiendagenbrief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, dus zonder dat de crediteur na het verzenden van die (veertiendagen)brief nog een nadere incassohandeling verricht?”

4.2

Die verschuldigdheid is in deze kwestie echter niet aan de orde: [gedaagde] erkent ruiterlijk buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn. Deze kosten, € 48,40, kunnen dan ook onverkort worden toegewezen.

4.3

De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] aldus dat [gedaagde] nimmer in de gelegenheid is gesteld de buitengerechtelijke kosten te betalen waarmee een gerechtelijke procedure voorkomen had kunnen worden.

Menzis verwijst in dat kader naar de aanmaning van 25 november 2014 waarin een termijn bepaald is. De in die aanmaning gegeven termijn is bedoeld voor de betaling van hoofdsom van dat moment. Daarbij wordt aangekondigd, niets meer of minder, dat er buitengerechtelijke kosten in rekening zullen worden gebracht indien de hoofdsom niet binnen de gestelde veertien dagen betaald is.

De kantonrechter constateert dat het bij die aankondiging is gebleven, dat Menzis niet adequaat heeft gereageerd op de e-mailberichten van [gedaagde] en dat [gedaagde] nimmer een bedrag van € 48,40 incl. btw in rekening is gebracht. Menzis stelt dat zij op grond van voormeld arrest daartoe ook niet gehouden was en geen nadere incassohandeling behoefde te worden verricht. In dit arrest luidt overweging 3.7.2 alsvolgt:


Hetgeen hiervoor in 3.4 – 3.6 is overwogen brengt mee dat (ervan uitgaande dat de schuldeiser in redelijkheid tot het nemen van incassomaatregelen kon overgaan, hetgeen in de regel het geval is indien de schuldenaar in verzuim verkeert) de consument-schuldenaar de in het Besluit genormeerde incassokosten verschuldigd wordt indien hij, nadat de schuldeiser hem de veertiendagenbrief heeft gestuurd, zijn schuld niet binnen veertien dagen voldoet. Daartoe zijn geen nadere incassohandelingen van de zijde van de schuldeiser vereist.

Nadere incassohandelingen zijn dus niet nodig voor de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten. Op de beantwoording van de vraag of er nadere handelingen nodig zijn voor het incasseren van die verschuldigde kosten geeft de HR in dezelfde rechtsoverweging 3.7.2 het volgende antwoord:

Weliswaar is op een enkele plaats in de parlementaire stukken vermeld dat de schuldeiser na het sturen van de veertiendagenbrief toch nog nadere handelingen moet verrichten (zie bijv. de citaten in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.21.3 en 3.22.2, in het bijzonder de aldaar gecursiveerde passages). Maar mede gelet op de overige inhoud van de parlementaire stukken, is hiermee kennelijk niet bedoeld dat dit een vereiste is voor de verschuldigdheid van de door het Besluit genormeerde kosten, doch slechts dat in de praktijk bij het uitblijven van betaling na het verstrijken van de veertiendagentermijn veelal nog handelingen door de schuldeiser moeten worden verricht om de vordering (met inbegrip van de reeds verschuldigde incassokosten) daadwerkelijk te kunnen incasseren.

In de conclusie van de Advocaat-Generaal ( ECLI:NL:PHR:2014:289) is onder 3.21.3 het volgende opgenomen:

[..]

Daarmee is dan eigenlijk alleen gezegd, wat reeds vanzelf spreekt: wie na de veertiendagenbrief nog steeds zijn geld niet heeft, zal een vervolgstap moeten zetten. Brengt men dit echter in verband met de sub 18 bedoelde passage over het rauwelijks dagvaarden, dan zou men echter kunnen zeggen dat daaruit blijkt dat na de veertiendagenbrief nog een buitengerechtelijke stap moet worden gezet, alvorens tot dagvaarding kan worden overgegaan.

4.4

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat voor het daadwerkelijk incasseren van de buitengerechtelijke kosten en in het verlengde daarvan, het overgaan tot dagvaarden, een vervolgstap nodig is. Alvorens tot dagvaarden over te gaan had Menzis die vervolgstap moeten maken in de vorm van een factuur waarbij zij de reeds aangekondigde buitengerechtelijke kosten definitief in rekening had gebracht.

Die kans had [gedaagde] geboden moeten worden al was het alleen maar om een gerechtelijke procedure met alle hoge kosten van dien te voorkomen.

4.5

Nu het beroep van Menzis op het arrest van de Hoge Raad d.d. 13 juni 2014 geen doel treft en Menzis geen vervolgstap heeft genomen zoals aangegeven door de A-G en bevestigd door de HR, is de conclusie dat [gedaagde] rauwelijks is gedagvaard. De proceskosten dienen om die reden voor rekening van Menzis te blijven.

5 De beslissing:

Veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Menzis te betalen het bedrag van € 48,71 met de wettelijke rente hierover vanaf 9 februari 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt Menzis in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen te Enschede door mr. M.H. van Rhijn, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 2 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.