Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:2463

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
08/900006-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een directeur en een medewerker van een hypotheek- en assurantiekantoor tot taakstraffen en voorwaardelijke celstraffen wegens oplichting, witwassen en valsheid in geschrifte. De 40-jarige directeur uit Enschede krijgt een maximale taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke celstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Zijn medewerker, een 50-jarige man uit Enschede, is voor dezelfde feiten veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke celstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

In het kader van hypothecaire en assurantiebemiddeling maakten de Enschedeërs zich gedurende een periode van drie jaar meerdere malen schuldig aan oplichting, verduistering en valsheid in geschrift. Door hun strafbare handelingen verrijkten zij zich op onrechtmatige wijze ten koste van hun clientèle. Als gevolg van deze handelwijze is een aantal klanten in grote financiële problemen gekomen.

De rechtbank houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en ziet daarin reden om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Beide mannen moeten schadevergoedingen betalen aan enkele slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/900006-10

Datum vonnis: 26 mei 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1974 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 april 2015, 24 april 2015 en 12 mei 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Haan en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. A.M.G. Wolffs, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1.

in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 30 november 2009 feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het oplichten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 9.644,--,

danwel dat hij zelf samen met anderen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor dat bedrag heeft opgelicht,

danwel dat hij in dezelfde periode feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het verduisteren van € 9.644,-- van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2],

danwel dat hij zelf samen met anderen dat geldbedrag van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verduisterd;

feit 2.

in de periode van 1 september 2009 tot en met 21 september 2009 feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het oplichten van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voor een bedrag van € 3.448,--,

danwel dat hij zelf samen met anderen die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voor dat bedrag heeft opgelicht,

danwel dat hij in dezelfde periode feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het verduisteren van € 3.448,-- van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4],

danwel dat hij zelf samen met anderen dat geldbedrag van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft verduisterd;

feit 3.

in de periode van 1 december 2006 tot en met 27 mei 2008 feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het oplichten van

[slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] voor een bedrag van € 9.629,57,

danwel dat hij zelf samen met anderen die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] voor dat bedrag heeft opgelicht,

danwel dat hij in dezelfde periode feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het verduisteren van € 9.629,57 van

die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6],

danwel dat hij samen met anderen dat geldbedrag van die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft verduisterd;

feit 4.

in de periode van 1 december 2006 tot en met 27 mei 2008 feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het plegen van valsheid in geschrift m.b.t. een verzekeringscertificaat van Lloyds TSB en bij het gebruikmaken van dat vervalste verzekeringscertificaat door het aan [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] te doen toekomen,

danwel dat hij zelf samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd m.b.t. dat verzekeringscertificaat van Lloyds TSB en dat hij van dat vervalste verzekeringscertificaat gebruik heeft gemaakt door het aan die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] te doen toekomen;

feit 5.

in de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 mei 2009 feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het oplichten van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] voor een bedrag van € 3.510,--,

danwel dat hij zelf samen met anderen die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] voor dat bedrag heeft opgelicht,

danwel dat hij in dezelfde periode feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het verduisteren van € 3.510,-- van

die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8],

danwel dat hij samen met anderen dat geldbedrag van die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] heeft verduisterd;

feit 6.

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2009 feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het plegen van valsheid in geschrift m.b.t. een vijftal facturen en een declaratieformulier en bij het gebruikmaken van die facturen en dat declaratieformulier door deze aan de ABN Amrobank NV te doen toekomen,

danwel dat hij zelf samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd m.b.t. een vijftal facturen en een declaratieformulier en van die valse facturen en dat valse declaratieformulier gebruik heeft gemaakt door deze aan de ABN Amrobank NV te doen toekomen;

feit 7.

in de periode van 4 maart 2010 tot en met 23 april 2010 feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het opzettelijk witwassen van een personenauto, een bedrijfsauto, een aanhangwagen, een caravan, een boot en een jetski, danwel dat hij zelf samen met anderen opzettelijk een personenauto, een bedrijfsauto, een aanhangwagen, een caravan, een boot en een jetski heeft witgewassen;

feit 8.

in de periode van 28 mei 2008 tot en met 19 november 2009 feitelijk leiding en/of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] BV bij het opzettelijk witwassen van geldbedragen van resp. € 5.000,--, € 2.770,80, € 2.706,66 en € 494,--,

danwel dat hij zelf samen met anderen opzettelijk die geldbedragen heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, na wijziging ter terechtzitting, dat:

1. zaaksdossier 5)

[bedrijf 1] B.V. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks de periode 1 augustus 2009 tot en met 30 november 2009, in Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen,

met het oogmerk om zich en/of een of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans (een) ander(en), heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van 9.644 euro, althans een geldbedrag, althans van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld (van 9.644 euro),

immers heeft/hebben [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid onder neer:

- zich voorgedaan als bonafide financiële intermediair(s) en/of adviseur(s) en/of vertrouwensperso(o)n( en), en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (in verband met een door die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] af te sluiten hypothecaire lening) een risicoverzekering diende af te sluiten en/of dat dit een verplichting was van de bank, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat [bedrijf 1] BV. en/of zijn mededader(s) een gunstig aanbod kon(den) doen (te weten dat de premie in één keer kon worden afgekocht middels een storting van 9.644 euro), en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat dit bedrag van 9.644 euro kon worden meegefinancierd (in de hiervoor vermelde hypothecaire lening), en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat dit bedrag van 9.644 euro aan hen kon worden voorgeschoten, en dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] dit bedrag na ontvangst van het hypotheekbedrag zouden moeten terugbetalen,

waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 326 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of neer tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks de periode 1 augustus 2009 tot en met 30 november 2009, in Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

met het oogmerk om zich en/of een of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans (een) ander(en), heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van 9.644 euro, althans een geldbedrag, althans van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld (van 9.644 euro),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid onder meer:

- zich voorgedaan als bonafide financiële intermediair(s) en/of adviseur(s) en/of vertrouwensperso(o)n(en), en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (in verband met een door die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] af te sluiten hypothecaire lening) een risicoverzekering diende af te sluiten en/of dat dit een verplichting was van de bank, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat hij, verdachte, en/of [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) een gunstig aanbod kon(den) doen (te weten dat de premie in één keer kon worden afgekocht middels een storting van 9.644 euro), en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat dit bedrag van 9.644 euro kon worden meegefinancierd (in de hiervoor vermelde hypothecaire lening), en/of

- tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gezegd dat dit bedrag van 9.644 euro aan hen kon worden voorgeschoten, en dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] dit bedrag na ontvangst van het hypotheekbedrag zouden moeten terugbetalen,

waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[bedrijf 1] B.V. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks de periode 1 augustus 2009 tot en met 30 november 2009, in Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 9.644 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans (een) ander(en) in elk geval aan een ander dan [bedrijf 1] B.V en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf en uit hoofde van zijn/hun beroep onder zich had(den), namelijk in het kader van zijn/hun werkzaamheden als financieel

intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 322 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

UITERST SUBSIDIAR voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling

mocht of zou kunnen volgen, dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks de periode

1 augustus 2009 tot en met 30 november 2009, in Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 9.644 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans (een) ander(en) in elk geval aan een ander dan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

welk geldbedrag hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf en uit hoofde van zijn/hun beroep onder zich had(den), namelijk in het kader van zijn/hun werkzaamheden als financieel intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

(artikel 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2. ( zaaksdossier 8)

[bedrijf 1] B.V. in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 21 september 2009 in Enschede en/of Vollenhove en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], althans (een) ander(en) heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van 3.448 euro, althans een geldbedrag, althans van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld, immers heeft/hebben [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid onder meer:

- zich voorgedaan als bonafide financiële intermediair(s) en/of adviseur(s) en/of vertrouwensperso(o)n(en); en/of

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] gezegd dat die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] (in verband met een door die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] af te sluiten lening) een verzekering moest afsluiten, en/of

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] gezegd dat deze verzekering verband hield met een uitkering in geval van overlijden, waardoor die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 326 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 21 september 2009, in Enschede en/of Vollenhove en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], althans (een) ander(en) heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van 3.448 euro, althans een geldbedrag, althans van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid onder meer:

- zich voorgedaan als bonafide financiële intermediair(s) en/of adviseur(s) en/of vertrouwensperso(o)n(en); en/of

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] gezegd dat die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] (in verband met een door die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] af te sluiten lening) een verzekering moest afsluiten, en/of

- tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] gezegd dat deze verzekering verband hield met een uitkering in geval van overlijden, waardoor die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

art 326 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[bedrijf 1] B.V. in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 21september 2009, in Enschede en/of Vollenhove en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 3.448 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], althans (een) ander(en) in elk geval aan een ander dan [bedrijf 1] B.V en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf en uit hoofde van zijn/hun beroep onder zich had(den), namelijk in het kader van zijn/hun werkzaamheden als financieel intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 322 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

UITERST SUBSIDIAIR, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling

mocht of zou kunnen volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 21 september 2009,

in Enschede en/of Vollenhove en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 3.448 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], althans (een) ander(en) in elk geval aan een ander dan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) anders dan door

misdrijf en uit hoofde van zijn/hun beroep onder zich had(den), namelijk in het kader van zijn/hun werkzaamheden als financieel intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

(artikel 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. ( zaaksdossier 9)

[bedrijf 1] B.V. in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 27 mei 2008, in Enschede en/of Elim en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], althans (een) ander(en) heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van 9.629,57 euro, althans een geldbedrag, althans van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld, immers heeft/hebben [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid onder meer:

- zich voorgedaan als bonafide financiële intermediair(s) en/of adviseur(s) en/of vertrouwensperso(o)n(en) en/of

- tegen die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] gezegd/geadviseerd dat die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] een polis voor ziektekosten en werkloosheid en arbeidsongeschiktheid voor [slachtoffer 6] moesten afsluiten, en/of

- tegen die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] gezegd dat het voordeliger zou zijn de verschuldigde premie in één keer te betalen, waardoor aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 326 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 27 mei 2008 in Enschede en/of Elim en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], althans (een) ander(en) heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van 9.629,57 euro, althans een geldbedrag, althans van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid onder meer:

- zich voorgedaan als bonafide financiële intermediair(s) en/of adviseur(s) en/of vertrouwensperso(o)n(en) en/of

- tegen die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] gezegd/geadviseerd dat die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] een polis voor ziektekosten en werkloosheid en arbeidsongeschiktheid voor [slachtoffer 6] moesten afsluiten, en/of

- tegen die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] gezegd dat het voordeliger zou zijn de verschuldigde premie in één keer te betalen,

waardoor aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[bedrijf 1] B.V. in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 27 mei 2008, in Enschede en/of Elim en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 9.629,57 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], althans (een) ander(en) in elk geval aan een ander dan [bedrijf 1] LV en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf en uit hoofde van zijn/hun beroep onder zich had(den), namelijk in het kader van zijn/hun werkzaamheden als financieel intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 322 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

UITERST SUBSIDIAIR, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling

mocht of zou kunnen volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 27 mei 2008, in Enschede en/of Elim, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 9.629,57 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], althans (een) ander(en) in elk geval aan een ander dan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) anders dan door

misdrijf en uit hoofde van zijn/hun beroep onder zich had(den), namelijk in het kader van zijn/hun werkzaamheden als financieel intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

(artikel 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4. ( zaaksdossier 9)

[bedrijf 1] B.V. in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 31 oktober 2009, in Enschede en/of Elim en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

een geschrift, namelijk een verzekeringscertificaat van Lloyds TSB ([nummer 2], pag 0900021), althans een geschrift dat/die bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

en/of

daarvan opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande die valsheid hierin dat op dat verzekeringscertificaat valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid is vermeld dat onder polisnummer [nummer 1] een verzekering is afgesloten voor [slachtoffer 6] in verband met

werkloosheid en arbeidsongeschiktheid,

en/of

bestaande dat gebruikmaken hierin dat [bedrijf 1] B.V. en/of zijn medeverdachte(n) dat geschrift aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft/hebben doen toekomen, althans heeft/hebben verzonden en/of doen/laten verzenden,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 225 lid 1 en/of lid 2 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 4 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 31 oktober 2009, in Enschede en/of Elim en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

een geschrift, namelijk een verzekeringscertificaat van Lloyds TSB ([nummer 2], pag 0900021), althans een geschrift dat/die bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

en/of

daarvan opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware dat geschrift telkens echt en onvervalst,

bestaande die valsheid hierin dat op dat verzekeringscertificaat valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid is vermeld dat onder polisnummer

[nummer 1] een verzekering is afgesloten voor [slachtoffer 6] in verband met

werkloosheid en arbeidsongeschiktheid,

en/of

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n)

dat geschrift aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft doen toekomen, althans heeft verzonden en/of doen/laten verzenden,

(artikel 225 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

5. ( zaaksdossier 10)

[bedrijf 1] B.V. in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 mei 2009, in Enschede en/of Almere en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], althans (een) ander(en) heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van 3.510 euro, althans een geldbedrag, althans van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld, immers heeft/hebben [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid onder meer:

- zich voorgedaan als bona fide financiële intermediair(s) en/of adviseur(s) en/of vertrouwensperso(o)n(en); en/of

- tegen die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] gezegd dat die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] (in verband met een door die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] af te sluiten (hypothecaire) lening) een verzekering moest(en) afsluiten, en/of

- tegen die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] gezegd dat het bedrag van 3.510 euro een eenmalig bedrag voor de verzekering betrof, en/of

- tegen die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] gezegd dat zij de papieren binnenkort opgestuurd zouden krijgen,

waardoor aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 326 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

art 326 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 mei 2009, in Enschede en/of Almere en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], althans (een) ander(en) heeft bewogen en/of heeft doen bewegen tot de afgifte van 3.510 euro, althans een geldbedrag, althans van enig goed, en/of tot liet aangaan van een schuld, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid onder meer:

- zich voorgedaan als bona fide financiële intermediair(s) en/of adviseur(s) en/of vertrouwensperso(o)n(en); en/of

- tegen die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] gezegd dat die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] in verband met een door die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] af te sluiten (hypothecaire) lening) een verzekering moest(en) afsluiten, en/of

- tegen die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] gezegd dat het bedrag van 3.510 euro een eenmalig bedrag voor de verzekering betrof, en/of

- tegen die [slachtoffer 7] en/of die [slachtoffer 8] gezegd dat zij de papieren binnenkort opgestuurd zouden krijgen,

waardoor aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

art 326 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 5 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[bedrijf 1] B.V. in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 mei 2009, in Enschede en/of Almere en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 3.510 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], althans (een) ander(en) in elk geval aan een ander dan [bedrijf 1] B.V en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf en uit hoofde van zijn/hun beroep onder zich had(den), namelijk in het kader van zijn/hun werkzaamheden als financieel intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 322 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

UITERST SUBSIDIAIR, voor zover voor liet vorenstaande onder 4 geen veroordeling

mocht of zou kunnen volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 mei 2009, in Enschede en/of Almere, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 3.510 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], althans (een) ander(en) in elk geval aan een ander dan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) anders dan door

misdrijf en uit hoofde van zijn/hun beroep onder zich had(den), namelijk in het kader van zijn/hun werkzaamheden als financieel intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend,

(artikel 322 Wetboek van Strafrecht)

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6. ( zaaksdossiers 1, 2, 3 en 4)

[bedrijf 1] B.V. op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2009, in Enschede en/of Wormerveer en/of Amersfoort en/of Almelo en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

meermalen (telkens) een of meer geschriften, namelijk:

1. een factuur d.d. 04 januari 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan de fam. [slachtoffer 9] (zaaksdossier 1, AH 01.02-012, p. 0100048), en/of

2. een factuur d.d. 24 augustus 2009 van het bedrijf [bedrijf 3] gericht aan de fam. [slachtoffer 10] (zaaksdossier 2, AH 01.03-009, p. 0200057), en/of

3. een factuur d.d. 13 december 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan fam. [slachtoffer 11] (zaaksdossier 3, B.04.07.01-001, p. 0300103), en/of

4. een factuur d.d. 27 mei 2008 van liet bedrijf [bedrijf 4] gericht aan fam. [slachtoffer 12] zaaksdossier 3, AH01.05-0l2, p. 0300061), en/of

5. een factuur d.d. 02 augustus 2008 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan de heer [slachtoffer 13] (zaaksdossier 4, AH01.06-016, p. 0400097), en/of

6. een declaratieformulier verbouwdepot d.d. 17 juni 2008 (zaaksdossier 4, AH01.06-015, p. 0400096),

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

en/of

daarvan (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware die geschriften telkens echt en onvervalst,

bestaande die valsheid hierin dat (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid:

- ( ad 1) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de tam. [slachtoffer 9] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht in verband met het plaatsen van een dakkapel, en/of een handtekening/akkoordverklaring was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening/ akkoordverklaring van [slachtoffer 9], en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1], althans van een persoon die bevoegd was om voor het bedrijf [bedrijf 2] te tekenen, en/of

- ( ad 2) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 3] aan de tam. [slachtoffer 10] was vermeld dat kunststof elementen, buitendeuren en gevelbekleding waren geleverd en geplaatst, en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 2], althans van een persoon die bevoegd was om voor het bedrijf [bedrijf 3] te tekenen, en/of

- ( ad 3) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de tam. [slachtoffer 11] was vermeld dat een badkamermeubel en/of vloertegels en/of wandtegels en/of klein materialen waren geleverd, en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1], althans van een persoon die bevoegd was om voor het bedrijf [bedrijf 2] te tekenen, en/of

- ( ad 4) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 4] aan fam. [slachtoffer 12] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht met betrekking tot kunststof kozijnen en een dakkapel, en/of

- ( ad 5) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de heer [slachtoffer 13] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht met betrekking tot een nieuwe badkamer en/of een nieuw toilet en/of [slachtoffer 6] aanpassingen, en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1], althans van een persoon die bevoegd was om voor het bedrijf [bedrijf 2] te tekenen, en/of

- ( ad 6) op dat declaratieformulier verbouwdepot was vermeld dat de verbouwing van een badkamer was voltooid, en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 13],

en/of

bestaande dat gebruikmaken hierin dat [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) dat/die geschriften aan ABN AMRO Bank N.V. en/of aan een of meer aan ABN AMRO gelieerde onderneming(en) en/of (voor wat betreft geschrift 1: factuur [bedrijf 2] aan [slachtoffer 9]) aan notariskantoor Koeman en/of (voor wat betreft geschrift 4: factuur [bedrijf 4] aan [slachtoffer 12]) aan notariskantoor Huiskes Stellingwerf heeft/hebben doen toekomen, althans heeft/hebben verzonden of doen verzenden naar de ABN AMRO Bank N.V. en/of aan een of meer aan ABN AMRO N.V. gelieerde onderneming(en),

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 225 lid 1 en/of 2 jo 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 6 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot

en met 30 september 2009, in Enschede en/of Wormerveer en/of Amersfoort en/of Almelo en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

meermalen (telkens) een of meer geschriften, namelijk:

1. een factuur d.d. 04 januari 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan de fam. [slachtoffer 9] (zakendossier 1, AH01.02-012, pag 0100048), en/of

2. een factuur d.d. 24 augustus 2009 van het bedrijf [bedrijf 3] gericht aan de fam. [slachtoffer 10] (zakendossier 2, AH01.03-009, pag 0200057), en/of

3. een factuur d.d. 13 december 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan fam. [slachtoffer 11] (zakendossier 3, B.04.07.01-001, pag. 0300103), en/of

4. een factuur d.d. 27 mei 2008 van het bedrijf [bedrijf 4] gericht aan fam. [slachtoffer 12] (zakendossier 3, AH01.05-012, pag. 0300061), en/of

5. een factuur d.d. 02 augustus 2008 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan de heer [slachtoffer 13] (zakendossier 4, AH01.06-016, pag 0400097), en/of

6. een declaratieformulier verbouwdepot d.d. 17 juni 2008 (zakendossier 4, AH01.06-015, pag. 0400096),

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

en/of

daarvan (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware die geschriften telkens echt en onvervalst,

bestaande die valsheid hierin dat (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid:

- ( ad 1) op die factuur van liet bedrijf [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 9] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht in verband met het plaatsen van een dakkapel, en/of een handtekening/akkoordverklaring was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening/ akkoordverklaring van [slachtoffer 9], en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1], althans van een persoon die bevoegd was om voor het bedrijf [bedrijf 2] te tekenen, en/of

- ( ad 2) op die factuur van liet bedrijf [bedrijf 3] aan de fam. [slachtoffer 10] was vermeld dat kunststof elementen, buitendeuren en gevelbekleding waren geleverd en geplaatst, en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 2], althans van een persoon die bevoegd was om voor het bedrijf [bedrijf 3] te tekenen, en/of

- ( ad 3) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 11] was vermeld dat een badkamermeubel en/of vloertegels en/of wandtegels en/of klein materialen waren geleverd, en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1], althans van een persoon die bevoegd was om voor het bedrijf [bedrijf 2] te tekenen, en/of

- ( ad 4) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 4] aan fam. [slachtoffer 12] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht met betrekking tot kunststof kozijnen en een dakkapel, en/of

- ( ad 5) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de heer [slachtoffer 13] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht met betrekking tot een nieuwe badkamer en/of een nieuw toilet en/of [slachtoffer 6] aanpassingen, en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1], althans van een persoon die bevoegd was om voor liet bedrijf [bedrijf 2] te tekenen, en/of

- ( ad 6) op dat declaratieformulier verbouwdepot was vermeld dat de verbouwing van een badkamer was voltooid, en/of een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 13],

en/of

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) dat/die geschriften aan ABN AMRO Bank N.V. en/of aan een of meer aan ABN AMRO gelieerde onderneming(en) en/of (voor wat betreft geschrift 1: factuur [bedrijf 2] aan [slachtoffer 9]) aan notariskantoor Koeman en/of (voor wat betreft geschrift 4: factuur [bedrijf 4] aan [slachtoffer 12]) aan notariskantoor Huiskes Stellingwerf heeft/hebben doen toekomen, althans heeft/hebben verzonden of doen verzenden naar de ABN AMRO Bank N.V. en/of aan een of meer aan ABN AMRO N.V. gelieerde onderneming(en);

(artikel 225 lid 1 en/of 2 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7. ( zaaksdossier 14)

[bedrijf 1] B.V. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 maart 2010 tot en met 23 april 2010 in Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

meermalen, (telkens) van een of meer voorwerpen, te weten:

- een personenauto, merk Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 1]; en/of

- een bedrijfsauto, merk Renault Master, kenteken [kenteken 2]; en/of

- een aanhangwagen, merk Freewheel, kenteken [kenteken 3]; en/of

- een caravan, merk Hobby, kenteken [kenteken 4]; en/of

- een boot, merk Bayliner, registratienummer [kenteken 5]; en/of

- een jetski, merk Sea Doo, rxp-x, registratienummer [kenteken 6]

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben

verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen is/zijn en/of die voorwerpen voorhanden heeft/hebben, en/of een of meer van die hierboven genoemde voorwerpen heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 420bis lid 1 onder a en b jo 51 Wetboek van Strafrecht)

art 420bis lid 1ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 7 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 maart 2010 tot en met 23 april 2010 in Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

meermalen, (telkens) van een of meer voorwerpen, te weten:

- een personenauto, merk Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 1]; en/of

- een bedrijfsauto, merk Renault Master, kenteken [kenteken 2]; en/of

- een aanhangwagen, merk Freewheel, kenteken [kenteken 3]; en/of

- een caravan, merk Hobby, kenteken [kenteken 4]; en/of

- een boot, merk Bayliner, registratienummer [kenteken 5]; en/of

- een jetski, merk Sea Doo, rxp-x, registratienummer [kenteken 6]

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen is/zijn en/of die voorwerpen voorhanden heeft/hebben, en/of een of meer van die hierboven genoemde voorwerpen heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis lid 1 onder a en b Wetboek van Strafrecht)

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

8. ( zaaksdossier 14)

[bedrijf 1] B.V. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 mei 2006 tot en met 19 november 2009, in Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

meermalen, (telkens) een of meer voorwerpen) te weten:

- een geldbedrag van 5.000 euro (zaaksdossier 5) en/of

- een geldbedrag van 2.770,80 euro (zaaksdossier 8) en/of

- een geldbedrag van 2.706,66 euro (zaaksdossier 9); en/of

- een geldbedrag van 494 euro (zaaksdossier 10),

althans een of meer geldbedragen heeft/hebben overgedragen, terwijl [bedrijf 1] B.V. en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

(artikel 420bis a en b jo. 51 Wetboek van Strafrecht)

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 8 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 mei 2008 tot

en met 19 november 2009, in Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke personen en/of

rechtspersonen,

meermalen, (telkens) een of meer voorwerpen) te weten:

- een geldbedrag van 5.000 euro (zaaksdossier 5) en/of

- een geldbedrag van 2.770,80 euro (zaaksdossier 8) en/of

- een geldbedrag van 2.706,66 euro (zaaksdossier 9); en/of

- een geldbedrag van 494 euro (zaaksdossier 10),

althans een of meer geldbedragen heeft/hebben overgedragen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis en b Wetboek van Strafrecht)

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 tot en met 6 en feit 8 wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, een werkstraf van 240 uur en een geldboete van € 6.000,--.

Verdachte dient volgens de officier van justitie van feit 7 te worden vrijgesproken.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier dat binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 1], afgezien van het witwassen, twee strafbare handelwijzen voorkwamen, te weten het opmaken en gebruiken van valse documenten en het onder valse voorwendselen laten betalen van geldbedragen. Deze feiten zijn in de tenlastelegging nader uitgewerkt, waarbij de officier van justitie – zakelijk weergegeven – de volgende standpunten heeft ingenomen.

Met betrekking tot de feiten 1 en 5 volgt uit de verklaringen van de aangevers dat vanuit [bedrijf 1] werd gesteld dat een verzekering nodig was bij het financiële product. Er is telkens betaald, maar een verzekering is nimmer afgesloten. Deze aangevers zijn derhalve opgelicht.

De verklaringen van de aangevers in de feiten 2 en 3 laten de mogelijkheid open dat de verzekering hun niet is opgedrongen, maar dat zij die zelf wilden afsluiten. Ook in deze gevallen is er betaald voor een verzekering, die niet is afgesloten. Bij deze feiten is volgens de officier van justitie sprake van verduistering in dienstbetrekking.

Uit navraag bij Lloyds is gebleken dat het in feit 4 genoemde verzekeringscertificaat vals is. Er is geen reden om aan de verklaring van aangeefster [slachtoffer 5] dat zij het certificaat van [verdachte] heeft ontvangen te twijfelen, zodat het gebruik maken van het certificaat bewezen kan worden. Er is echter te weinig bewijs dat het certificaat door [bedrijf 1] is opgemaakt, zodat voor dit deel van feit 4 vrijspraak dient te volgen.

De verklaringen van de aangevers en de getuigen in feit 6 leiden tot de conclusie dat de facturen en het declaratieformulier in het kader van de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] BV zijn geproduceerd en in het verkeer gebracht.

De officier van justitie heeft gesteld dat voor het witwassen van de in feit 7 genoemde goederen vrijspraak moet volgen, maar dat het in feit 8 ten laste gelegde witwassen van geldbedragen wel bewezen kan worden verklaard, nu verdachte de van de aangevers ontvangen gelden deels heeft overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte].

Tot slot heeft de officier van justitie gesteld dat de bewezen feiten weliswaar binnen de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] zijn gepleegd, maar dat de feitelijke uitvoering van die feiten bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] lag, die daarbij nauw en bewust hebben samengewerkt. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] dienen derhalve als medeplegers van de feiten te worden aangemerkt en verdachte dus niet als feitelijk leidinggever of opdrachtgever van [verdachte] Hypotheken en Assurantiën.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten vrijgesproken dient te worden en heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Met betrekking tot feit 1 is de raadsvrouw van mening dat de verklaring van aangever [slachtoffer 1] niet aannemelijk is. Verdachte heeft op geen enkel moment gezegd dat een verzekering verplicht was en er is nimmer gesproken over het verstrekken van een polisblad. Een verzekering is ook niet afgesloten. Het door [slachtoffer 1] aan verdachte betaalde bedrag betreft bemiddelingskosten en niet een verzekeringspremie. Het contact tussen verdachte en [slachtoffer 1] na het afsluiten van de hypotheek ging enkel om de hoogte van het bemiddelingsbedrag waar [slachtoffer 1] het achteraf niet mee eens was.

Voor een bewezenverklaring van feit 2 is te weinig bewijs voorhanden. Niet vastgesteld kan worden dat de aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door verdichtsels van verdachte zijn bewogen tot de afgifte van een geldbedrag voor een overlijdensverzekering. Het door de aangevers aan verdachte betaalde geldbedrag betreft bemiddelingskosten voor door verdachte en zijn medeverdachte verrichte werkzaamheden en de aangevers hebben daar ook voor getekend. Bovendien maakte een levensverzekering al deel uit van de afgesloten kredietovereenkomst.

De verdediging heeft verder gesteld dat de betaling van € 9.629,57 van de aangevers [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] inzake feit 3 honorarium betrof voor bemiddeling bij de afsluiting van een tweede hypotheek. De ongedateerde nota die aan deze betaling ten grondslag ligt bedraagt weliswaar € 9.429,57, maar verdachte ging er van uit dat de betaling van € 9.629,57 op genoemde nota betrekking had. Verdachte ontkent dat het betaalde bedrag betrekking zou hebben op een door hem geregelde verzekering.

Verdachte ontkent eveneens het in feit 4 genoemde verzekeringscertificaat te hebben opgemaakt en afgegeven. Het dossier bevat, anders dan de verklaring van aangeefster [slachtoffer 5], geen aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken en afgeven van het certificaat.

De zaak van aangevers [slachtoffer 7] in feit 5 is vrijwel identiek aan die van de aangevers [slachtoffer 3] in feit 2. Het dossier bevat meer aanwijzingen dat het door aangevers betaalde bedrag van € 3.510,-- zag op honorarium voor door verdachte verrichte werkzaamheden dan op een verzekering.

Met betrekking tot de in feit 6 ten laste gelegde valsheden heeft de verdediging het volgende naar voren gebracht.

- Het staat niet vast dat de factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 9] d.d. 4 januari 2007 vals is, dat verdachte die factuur heeft opgemaakt en dat hij betrokken is geweest bij de indiening van de factuur.

- Verdachte wist niet van de factuur van het bedrijf [bedrijf 3] aan de fam. [slachtoffer 10] d.d. 24 augustus 2009. Hij is niet betrokken geweest bij het opmaken en indienen van deze factuur.

- De factuur van [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 11] d.d. 13 december 2007 kan niet in verbinding worden gebracht met de uitkering van het bouwdepot door de ABN AMRO bank.

- Hoewel vaststaat dat de factuur van het bedrijf [bedrijf 4] aan de fam. [slachtoffer 11] d.d. 27

mei 2008 vals is, kan niet vastgesteld worden dat verdachte deze factuur heeft opgemaakt en gebruikt.

- Niet gebleken is dat verdachte de factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de heer [slachtoffer 13] d.d. 2 juni 2008 heeft vervaardigd of heeft doen vervaardigen.

- Evenmin is gebleken van betrokkenheid van verdachte bij het verzoeken om uitkering van het depot door middel van het declaratieformulier verbouwdepot d.d. 17 juni 2008.

Met betrekking tot feit 7 heeft de verdediging gesteld dat vrijspraak moet volgen omdat niet kan blijken dat de genoemde goederen zijn aangeschaft met uit strafbare feiten verkregen gelden.

Ook van feit 8 moet verdachte worden vrijgesproken, enerzijds omdat geen sprake is geweest van oplichting en anderzijds omdat met het storten van geldbedragen op een andere rekening geen sprake is van een handeling die gericht is op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Algemeen

[verdachte] Hypotheken en Assurantiën BV is op 16 december 2002 opgericht, met verdachte [verdachte] als directeur en enig aandeelhouder. Op 16 december 2009 heeft verdachte de aandelen van de BV overgedragen aan de Stichting Aandelenbeheer Sampro. Ten tijde van deze overdracht was [naam 3] bestuurder van deze stichting.

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte [verdachte] op 23 november 2010 is een document in beslag genomen waarin staat dat alle klantendossiers van de BV zowel fysiek als digitaal zijn overgedragen aan de Stichting Aandelenbeheer Sampro. Echter, tijdens de doorzoeking van de woning van de ouders van verdachte [verdachte], eveneens op 23 november 2010, zijn dozen met klantendossiers van de BV aangetroffen en in beslag genomen.

Medeverdachte [medeverdachte] is op 1 juni 2005 in loondienst getreden bij [verdachte] Hypotheken en Assurantiën BV. Daarvoor is hij werkzaam geweest bij ABN AMRO bank.

Met betrekking tot feit 1

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij (primair) als feitelijk leidinggever/opdrachtgever danwel (subsidiair) als (mede)pleger betrokken is geweest bij het oplichten van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 9.644,--, door onder meer tegen hen te zeggen dat ze in verband met een hypothecaire lening een risicoverzekering dienden af te sluiten en dat dit een verplichting van de bank was. Meer subsidiair respectievelijk uiterst subsidiair is ten laste gelegde dat verdachte het genoemde geldbedrag als feitelijk leidinggever/opdrachtgever respectievelijk als (mede)pleger heeft verduisterd. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Aangever [slachtoffer 1] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] een hypotheek voor hem heeft geregeld. In november 2009, vlak voordat ze een definitieve handtekening zouden zetten voor de aanvraag van de hypotheek, heeft verdachte meegedeeld dat de bank eiste dat ze een risicoverzekering zouden afsluiten. Verdachte heeft volgens aangever [slachtoffer 1] toen gezegd dat ze de premie van die verzekering in één keer konden afkopen door het storten van een bedrag van € 9.644,--. Dat bedrag zou meegefinancierd kunnen worden en omdat aangever het bedrag op dat moment niet had wilde verdachte het wel aan hem voorschieten, aldus aangever [slachtoffer 1]. De echtgenote vaan aangever [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], heeft in een verhoor bij de politie in grote lijnen hetzelfde verklaard.

Uit het dossier blijkt dat er geen verzekering is afgesloten.

Aangever [slachtoffer 1] heeft op 19 november 2009 een bedrag van € 9.644,-- overgemaakt naar de privé bankrekening van verdachte, onder vermelding van ‘door u voorgeschoten'. Op dezelfde dag heeft verdachte een bedrag van € 5.000,-- overgemaakt naar medeverdachte [medeverdachte] onder vermelding van ‘[slachtoffer 1] en [naam 8]’.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat de betaling van € 9.644,-- door verdachte in rekening gebrachte bemiddelingskosten betrof, zoals de verdediging gesteld heeft. Niet alleen is deze lezing in strijd met de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en diens echtgenote [slachtoffer 2], maar ook de omschrijving ‘door u voorgeschoten’ bij de overboeking door [slachtoffer 1] past niet bij het voldoen van bemiddelingskosten. Bovendien is geen nota uitgeschreven voor bemiddelingskosten, hetgeen dan voor de hand had gelegen. Temeer omdat dergelijke nota’s bij andere klanten die bemiddelingskosten moesten betalen wél werden verstrekt.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder valse voorwendselen hebben bewogen tot de afgifte van € 9.644,--.

Met betrekking tot feit 2

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij (primair) als feitelijk leidinggever/opdrachtgever danwel (subsidiair) als (mede)pleger betrokken is geweest bij het oplichten van de aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voor een bedrag van € 3.448,--, door tegen hen onder meer te zeggen dat ze in verband met een lening een overlijdensverzekering dienden af te sluiten. Meer subsidiair respectievelijk uiterst subsidiair is ten laste gelegde dat verdachte het genoemde geldbedrag als feitelijk leidinggever/opdrachtgever respectievelijk als (mede)pleger heeft verduisterd. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Volgens aangever [slachtoffer 3] heeft verdachte bemiddeld bij het afsluiten van een lening van € 30.000,--. Bij die lening moest aangever een overlijdensverzekering afsluiten voor een bedrag van € 3.448,--. Dat bedrag is van de rekening van [slachtoffer 3] naar de privé rekening van verdachte overgeschreven. Er is echter geen verzekering afgesloten, aldus aangever [slachtoffer 3].

De echtgenote van aangever [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], heeft verklaard dat tijdens de gesprekken met verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aan de orde is geweest van zij ([slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]) een overlijdensverzekering wilden afsluiten. De premie ad € 3.488,-- is van hun rekening afgeschreven.

Op 2 september 2009 is een bedrag van € 3.448,-- van de rekening van [slachtoffer 3] naar de privé rekening van verdachte overgeschreven. Op dezelfde dag heeft verdachte een bedrag van € 2.770,80 overgemaakt naar medeverdachte [medeverdachte], onder vermelding van ‘[naam 4] en [slachtoffer 3]’.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat de betaling van € 3.448,-- door verdachte in rekening gebrachte bemiddelingskosten betrof, zoals de verdediging gesteld heeft. Niet alleen is deze lezing in strijd met de verklaringen van aangever [slachtoffer 3] en diens echtgenote Winter, maar er is voor die zogenaamde bemiddelingskosten ook geen nota uitgeschreven.

De rechtbank acht – gezien de verklaring van getuige [slachtoffer 4] – niet bewezen dat verdachte gezegd heeft dat een overlijdensverzekering afgesloten moest worden. Wel is echter bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich het bedrag van € 3.448,-- wederrechtelijk hebben toegeëigend.

Met betrekking tot feit 3

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij (primair) als feitelijk leidinggever/opdrachtgever danwel (subsidiair) als (mede)pleger betrokken is geweest bij het oplichten van de aangevers [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] voor een bedrag van € 9.629,57, door hen te adviseren om een polis voor ziektekosten, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid voor [slachtoffer 6] af te sluiten en de verschuldigde premie in een keer te betalen. Meer subsidiair respectievelijk uiterst subsidiair is ten laste gelegde dat verdachte het genoemde geldbedrag als feitelijk leidinggever/opdrachtgever respectievelijk als (mede)pleger heeft verduisterd. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Aangeefster [slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij een ziektekostenverzekering voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid voor haar man [slachtoffer 6] heeft afgesloten. De premie voor deze verzekering ad € 9.629,27 heeft zij in een keer overgemaakt op rekeningnummer [nummer 3], dat op naam staat van Lloyds (ten name van [verdachte]). Zij zegt echter nimmer een originele polis te hebben ontvangen van verdachte. Ze heeft wel een rekening gekregen van [bedrijf 1] BV voor een bedrag van € 9.429,57 voor bemiddeling bij de afsluiting van de tweede hypotheek. Aangeefster heeft verklaard dat zij dit bedrag heeft overgemaakt op het op naam van [verdachte] staande rekeningnummer [nummer 3]. Daarnaast heeft [slachtoffer 6] als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte voor hem een verzekering voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid zou regelen en dat dit ‘een dikke 9.000 euro was’.

In het dossier bevindt zich een analyse van de op naam van verdachte staande bankrekening met nummer [nummer 3]. Uit deze analyse blijkt dat op 27 mei 2008 een bedrag van € 9.629,57 is bijgeschreven, afkomstig van de bankrekening op naam van [slachtoffer 6]. Het dossier bevat echter geen bankafschriften waaruit de overboeking blijkt van een bedrag van € 9.429,57, afkomstig van de bankrekening van [slachtoffer 6] of van enige andere rekening. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat een dergelijke bijschrijving niet heeft plaatsgevonden.

In dit licht bezien acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij er van uit ging dat de overboeking van de € 9.629,57 de betaling van de bemiddelingsnota betrof, gezien de grote gelijkenis van de bedragen, niet onaannemelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen is.

Uit voorgaande overwegingen volgt dat er tevens onvoldoende bewijs is dat (meer subsidiair) [bedrijf 1] BV noch (uiterst subsidiair) verdachte en/of zijn medeverdachte de € 9.629,57 door misdrijf onder zich hadden. Ook deze onderdelen van feit 3 zijn niet wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 4

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het opmaken van

een vals verzekeringscertificaat niet wettig en overtuigend bewezen is.

De rechtbank van oordeel dat ook het gebruik maken van een vals verzekeringscertificaat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Weliswaar zou uit de verklaring van aangeefster [slachtoffer 5] afgeleid kunnen worden dat zij dit certificaat van verdachte ontvangen heeft, maar deze verklaring wordt naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate door andere bewijsmiddelen ondersteund.

Met betrekking tot feit 5

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij (primair) als feitelijk leidinggever/opdrachtgever danwel (subsidiair) als (mede)pleger betrokken is geweest bij het oplichten van de aangevers [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] voor een bedrag van € 3.510,--, door onder meer tegen hen te zeggen dat ze in verband met een lening een verzekering moesten afsluiten. Meer subsidiair respectievelijk uiterst subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte het genoemde geldbedrag als feitelijk leidinggever/opdrachtgever resp. als (mede)pleger heeft verduisterd. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Aangever [slachtoffer 7] heeft verklaard dat verdachte – in verband met een door aangever en zijn echtgenote af te sluiten flexibel-kredietovereenkomst – heeft gezegd dat € 3.510,-- betaald moest worden voor een verzekering. Aangever zegt echter nooit wat van een verzekering gezien te hebben.

Aangever’s echtgenote [slachtoffer 8] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat het afsluiten van een verzekering een verplichting was en dat daarvoor € 3.510,-- betaald moest worden. Er is echter geen verzekering afgesloten.

Uit het dossier blijkt dat op 13 mei 2009 een bedrag van € 3.510,-- is bijgeschreven op de privé rekening van verdachte. Op 15 mei 2009 is van die rekening een bedrag van € 494,-- overgemaakt naar de rekening van medeverdachte [medeverdachte], onder vermelding van ‘[naam 13] en [slachtoffer 7]’.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat de betaling van € 3.510,-- door verdachte in rekening gebrachte bemiddelingskosten betrof, zoals de verdediging gesteld heeft. Niet alleen is deze lezing in strijd met de verklaringen van aangever [slachtoffer 7] en diens echtgenote [slachtoffer 8], maar er is voor die zogenaamde bemiddelingskosten ook geen nota uitgeschreven.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte aangevers [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] onder valse voorwendselen heeft bewogen tot de afgifte van € 3.510,--. Voor betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte] bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende bewijs.

Met betrekking tot feit 6

Het verwijt aan verdachte is dat hij als feitelijk leiding/opdrachtgever van [bedrijf 1] BV danwel als (mede)pleger betrokken is geweest bij het opmaken en/of gebruik maken van vijf valse facturen en een vals declaratieformulier. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ad 1. de factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 9] ad € 15.250,--, gedateerd 4 januari 2007.

De aangevers [slachtoffer 9] en [slachtoffer 9] hebben beiden verklaard dat van het plaatsen van een nieuwe dakkapel, zoals op de factuur vermeld is, nimmer sprake is geweest. Daarnaast heeft [naam 1], eigenaar van het bedrijf [bedrijf 2], verklaard dat hij de fam. [slachtoffer 9] niet kent, dat hij nooit voor hen gewerkt heeft en dat de handtekening op de factuur niet van hem is. De rechtbank acht op grond van deze verklaringen bewezen dat er geen dakkapel door [bedrijf 2] geplaatst is en er een valse handtekening van [naam 1] op de factuur staat. De rechtbank kan niet uitsluiten, mede gezien de grote gelijkenis tussen de handtekening van aangever [slachtoffer 9] op de factuur en de handtekeningen die zij bij de rechter-commissaris heeft gezet, dat de handtekening op de factuur van haar afkomstig is.

De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte de valse factuur heeft opgemaakt. Dit oordeel is gebaseerd op de verklaring van [naam 1] dat verdachte de rekeningen van [bedrijf 2] maakte en de beschikking had over het logo van het bedrijf. Verdachte heeft ter zitting ook bevestigd dat hij facturen van [bedrijf 2] op zijn computer had staan. Hij heeft tevens verklaard dat de factuur is ingebracht.

De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte de factuur in het kader van hun bemiddeling bij het afsluiten van de hypotheek ad € 275.000,-- aan de ABN AMRO bank hebben (doen) toekomen.

Ad 2. de factuur van het bedrijf [bedrijf 3] aan de fam. [slachtoffer 10] ad € 22.139,--, gedateerd 24 augustus 2009.

De rechtbank sluit niet uit dat deze factuur vals is omdat de kunststof elementen, buitendeuren en gevelbekleding niet zijn geleverd en geplaatst. Het dossier bevat echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken en gebruik maken van deze factuur, zodat verdachte van dit onderdeel wordt vrijgesproken.

Ad 3. de factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 11] ad € 6.500,--, gedateerd 13 december 2007.

Uit het dossier blijkt dat deze factuur is aangetroffen in een verhuisdoos in de woning van de ouders van verdachte, aan de [adres 1] te Enschede. Daarnaast stond deze factuur in een bestand op een harde schijf die in beslag is genomen in de woning van de medeverdachte [medeverdachte], aan de [adres 2] te Enschede. Zowel de aangevers [slachtoffer 12] en [slachtoffer 11] als de getuige [naam 1] hebben verklaard dat het badkamermeubel, de vloertegels, de wandtegels en de [slachtoffer 6] materialen niet geplaatst zijn en getuige [naam 1] heeft tevens verklaard dat de handtekening op de factuur niet door hem is gezet. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de factuur van [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 9] is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de valse factuur heeft opgemaakt.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de factuur door verdachte gebruikt is door deze aan de ABN AMRO bank te (doen) toekomen.

Ad 4. de factuur van het bedrijf [bedrijf 4] aan de fam. [slachtoffer 12] ad € 33.500,--, gedateerd 27 mei 2008.

Aangevers [slachtoffer 12] en [slachtoffer 11] hebben verklaard dat [bedrijf 4] gevraagd is om een offerte voor het plaatsen van kunststof kozijnen en een dakkapel, maar dat zij echter niet met [bedrijf 4] in zee zijn gegaan, mede omdat het plaatsen van kunststof kozijnen niet toegestaan werd door de gemeente Enschede. Er is dus nimmer een order geplaatst. Daarnaast heeft [naam 5] als verdachte verklaard dat [bedrijf 4] een oude eenmanszaak van hem was en dat hij de facturen van [bedrijf 4] af en toe nog gebruikte om zwart geld te creëren. De factuur aan de fam. [slachtoffer 12] zegt hem niets. Wel heeft hij geconstateerd dat op die factuur een emailadres staat, terwijl [bedrijf 4] geen emailadres had.

In de woning van medeverdachte [medeverdachte] is een harde schijf aangetroffen met daarop een word bestand met een factuur van [bedrijf 4] aan een andere afnemer, doch met hetzelfde factuur- en ordernummer als op de factuur aan de fam. [slachtoffer 12]. Dit bestand is op 13 oktober 2007 voor het laatst opgeslagen door ‘[naam 6]’. De factuur is op 24 juni 2008 vanaf een fax van [bedrijf 1] BV naar notariskantoor Huiskes Stellingwerf gefaxt, waarvandaan de factuur ruim twee uren later weer is doorgefaxt naar de ABN AMRO bank.

De rechtbank acht op basis van voorgaande overwegingen bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de factuur van [bedrijf 4] d.d. 27 mei 2008 valselijk hebben opgemaakt en vervolgens via de notaris aan de ABN AMRO bank hebben doen toekomen.

Ad 5. de factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de heer [slachtoffer 13] ad € 13.982,50, gedateerd 2 juni 2008 (in de tenlastelegging staat 2 augustus 2008 als datum van de factuur, doch gezien de verwijzing naar de betreffende ambtshandeling in het dossier, met paginanummer, beschouwt de rechtbank dit als een kennelijke verschrijving).

Uit het dossier blijkt dat ook deze factuur is aangetroffen in een verhuisdoos in de woning van de ouders van verdachte, aan de [adres 1] te Enschede. In dezelfde doos bevond zich nog een aan [slachtoffer 13] gerichte factuur van [bedrijf 2] voor een totaalbedrag van € 13.982,50. Op deze tweede factuur was echter een ander adres vermeld, terwijl de bedragen voor de badkamer en het toilet onderling verschilden en de handtekening die voor die van getuige [naam 1] moet doorgaan niet dezelfde is. Voor het overige zijn de beide facturen identiek.

Verder hebben zowel aangeefster [slachtoffer 13] als getuige [naam 1] verklaard dat de badkamer en het toilet niet door [bedrijf 2] geplaatst zijn en dat [bedrijf 2] evenmin kleine aanpassingen heeft verricht. Getuige [naam 1] heeft tevens verklaard dat de handtekening op de factuur niet door hem is gezet. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de factuur van [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 9] is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte de valse factuur hebben opgemaakt.

De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte de factuur in verband het door de ABN AMRO bank uit te betalen bouwdepot ad € 14.000,-- aan de bank hebben doen toekomen.

Ad 6. het declaratieformulier verbouwdepot d.d. 17 juni 2008, met betrekking tot een bedrag van € 13.982,50.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat de ABN AMRO bank na ontvangst van het declaratieformulier d.d. 17 juni 2008 vervolgens op 26 juni 2008 onder meer het gedeclareerde bouwdepot ad € 13.982,50 per bank aan de heer [slachtoffer 13] heeft overgemaakt. Gezien de verklaring van aangeefster [slachtoffer 13] dat verdachte het declaratieformulier aan hen heeft toegestuurd acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte degene is geweest die het declaratieformulier heeft ingevuld.

De rechtbank acht op basis van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 13] en de aangifte van de ABN AMRO bank wel bewezen dat verdachte het ingevulde declaratieformulier, tezamen met de valse factuur van [bedrijf 2] d.d. 2 juni 2008, bij de ABN AMRO bank heeft ingeleverd.

Met betrekking tot feit 7

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen is.

Met betrekking tot feit 8

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij geldbedragen van € 5.000,-- (dossier aangever [slachtoffer 1]), € 2.770,-- (dossier aangever [slachtoffer 3]), € 2.706,66 (dossier aangeefster [slachtoffer 5]) en € 494,-- (dossier aangever [slachtoffer 7]) als feitelijk leidinggever/opdrachtgever danwel als (mede)pleger heeft witgewassen door deze bedragen over te dragen.

- juridisch kader

Volgens constante jurisprudentie van de Hoge Raad moet worden aangenomen dat in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd1.

Deze rechtsregels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven onderscheidenlijk voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf bewezen is verklaard en hebben in beginsel geen betrekking op het “overdragen”. Niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk “overdragen” van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als “witwassen”, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft2.

- dossiers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat in het dossier [slachtoffer 1] de aangever door verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] onder valse voorwendselen bewogen is tot de afgifte van € 9.644,--. Met betrekking tot het dossier [slachtoffer 3] is bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] de door [slachtoffer 3] overgemaakte

€ 3.488,-- hebben verduisterd.

In deze dossiers zijn telkens op de dag van ontvangst geldbedragen van resp. € 5.000,-- en € 2.770,80 overgeboekt van de bankrekening van verdachte [verdachte] naar de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte], onder vermelding van (onder meer) de namen van de aangevers. Voor zover de doorgeboekte bedragen betrekking hebben op de genoemde dossiers is de vraag of dit overdragen van uit eigen misdrijf afkomstige gelden gekwalificeerd kan worden als witwassen.

Uit het dossier blijkt dat verdachte [verdachte] volgens onderlinge afspraak telkens 40% van de door eigen misdrijf verkregen geldbedragen per bank heeft overgemaakt naar medeverdachte [medeverdachte]. Onder deze omstandigheden doet zich naar het oordeel van de rechtbank het bijzondere geval voor dat sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft. Van een dergelijke gedraging is echter naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat verdachte van dit onderdeel wordt vrijgesproken.

- dossier [slachtoffer 5]

In het dossier [slachtoffer 5] is de rechtbank tot een integrale vrijspraak gekomen, zodat ook dit onderdeel niet bewezen kan worden.

- dossier [slachtoffer 7]

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat in het dossier [slachtoffer 7] de aangever door verdachte

[verdachte] onder valse voorwendselen is bewogen tot de afgifte van € 3.510,--. Medeverdachte [medeverdachte] is vrijgesproken.

Twee dagen na ontvangst van de € 3.510,-- is een bedrag van € 494,-- overgeboekt van de bankrekening van verdachte naar de rekening van medeverdachte, onder de vermelding ‘[naam 13] & [slachtoffer 7]’.

Gezien de vrijspraak van medeverdachte [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat zich hier niet het bijzondere geval voordoet dat sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft. Voor zover de overgeboekte € 494,-- ziet op het van [slachtoffer 7] ontvangen geldbedrag is het overdragen van een uit eigen misdrijf verkregen geldbedrag bewezen.

Feitelijk leiding/opdracht geven of (mede)plegen

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte zich, al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte], schuldig heeft gemaakt aan het onder valse voorwendselen bewegen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 7] tot de afgifte van geldbedragen, tot het wederrechtelijk toe-eigenen van een door [slachtoffer 3] overgemaakt geldbedrag en tot het opmaken en/of gebruik maken van valse stukken.

Deze feiten zijn telkens primair (en meer subsidiair) ten laste gelegd als het feitelijk leiding danwel opdracht geven door verdachte aan [verdachte] Hypotheken en Assurantiën BV. De rechtbank is echter van oordeel dat de feitelijke uitvoering van de bewezenverklaarde feiten telkens, al dan niet tezamen met medeverdachte [medeverdachte], geheel en al bij verdachte heeft gelegen en dat derhalve sprake is van (mede)plegen en niet van feitelijk leiding/opdracht geven aan [verdachte] Hypotheken en Assurantiën BV.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 2 subsidiair en feit 2 meer subsidiair, feit 3, feit 4, feit 5 primair, feit 6 primair, feit 7 en feit 8 primair ten laste is gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder de feiten sub 1 subsidiair, sub 2 uiterst subsidiair, sub 5 subsidiair, feit 6 subsidiair en feit 8 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 30 november 2009 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een andere natuurlijke persoon,

met het oogmerk om zich en/of een of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van 9.644 euro,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- zich voorgedaan als bonafide financiële intermediairs en adviseurs, en

- tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] gezegd dat die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] (in verband met een door die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] af te sluiten hypothecaire lening) een risicoverzekering dienden af te sluiten en dat dit een verplichting was van de bank, en

- tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] gezegd dat hij, verdachte een gunstig aanbod kon doen (te weten dat de premie in één keer kon worden afgekocht middels een storting van 9.644 euro), en

- tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] gezegd dat dit bedrag van 9.644 euro kon worden meegefinancierd (in de hiervoor vermelde hypothecaire lening), en

- tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] gezegd dat dit bedrag van 9.644 euro aan hen kon worden voorgeschoten, en dat die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] dit bedrag na ontvangst van het hypotheekbedrag zouden moeten terugbetalen,

waardoor die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in de periode van 1 september 2009 tot en met 21 september 2009 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een andere natuurlijke persoon,

opzettelijk een geldbedrag van in totaal 3.448 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4], welk geldbedrag hij, verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf en uit hoofde van hun beroep onder zich hadden, namelijk in het kader van hun werkzaamheden als financieel intermediairs/adviseurs, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

5.

hij in de periode van 1 mei 2009 tot en met 13 mei 2009 in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8], heeft bewogen tot de afgifte van 3.510 euro, immers heeft hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- zich voorgedaan als bona fide financiële intermediair en adviseur; en

- tegen die [slachtoffer 7] en die [slachtoffer 8] gezegd dat die [slachtoffer 7] en die [slachtoffer 8] in verband met een door die [slachtoffer 7] en die [slachtoffer 8] af te sluiten lening een verzekering moesten afsluiten, en

- tegen die [slachtoffer 7] en die [slachtoffer 8] gezegd dat het bedrag van 3.510 euro een eenmalig bedrag voor de verzekering betrof, en

- tegen die [slachtoffer 7] en die [slachtoffer 8] gezegd dat zij de papieren binnenkort opgestuurd zouden krijgen,

waardoor aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 september 2009 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een andere natuurlijke persoon,

meermalen (telkens) geschriften, namelijk:

1. een factuur d.d. 04 januari 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan de fam. [slachtoffer 9] (zakendossier 1, AH01.02-012, pag 0100048), en

3. een factuur d.d. 13 december 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan fam. [slachtoffer 11] (zakendossier 3, B.04.07.01-001, pag. 0300103), en

4. een factuur d.d. 27 mei 2008 van het bedrijf [bedrijf 4] gericht aan fam. [slachtoffer 12] (zakendossier 3, AH01.05-012, pag. 0300061), en

5. een factuur d.d. 02 augustus 2008 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan de heer [slachtoffer 13] (zakendossier 4, AH01.06-016, pag 0400097),

die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of heeft doen opmaken, zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

en

van de geschriften onder 1, 4 en 5 (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt als ware die geschriften telkens echt en onvervalst,

bestaande die valsheid hierin dat (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid:

- ( ad 1) op die factuur van liet bedrijf [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 9] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht in verband met het plaatsen van een dakkapel, en een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1], en

- ( ad 3) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de fam. [slachtoffer 11] was vermeld dat een badkamermeubel en vloertegels en wandtegels en klein materialen waren geleverd, en een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1], en

- ( ad 4) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 4] aan fam. [slachtoffer 12] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht met betrekking tot kunststof kozijnen en een dakkapel, en

- ( ad 5) op die factuur van het bedrijf [bedrijf 2] aan de heer [slachtoffer 13] was vermeld dat kosten in rekening werden gebracht met betrekking tot een nieuwe badkamer en een nieuw toilet en kleine aanpassingen, en een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [naam 1],

en

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en zijn mededader die geschriften onder 1, 4 en 5 aan ABN AMRO Bank N.V. en/of aan een of meer aan ABN AMRO gelieerde onderneming(en) en/of (voor wat betreft geschrift 1: factuur [bedrijf 2] aan [slachtoffer 9]) aan notariskantoor Koeman en/of (voor wat betreft geschrift 4: factuur [bedrijf 4] aan [slachtoffer 12]) aan notariskantoor Huiskes Stellingwerf hebben doen toekomen,

en

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, namelijk:

6. een declaratieformulier verbouwdepot d.d. 17 juni 2008 (zaaksdossier 4, AH01.06-015, p. 0400096),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande die valsheid hierin dat valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid:

- ( ad 6) op dat declaratieformulier verbouwdepot was vermeld dat de verbouwing van een badkamer was voltooid, en een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor de handtekening van [slachtoffer 13],

en

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en zijn mededader dat geschrift aan ABN AMRO Bank NV en/of aan een aan ABN AMRO gelieerde onderneming hebben doen toekomen;

8.

hij in de periode van 28 mei 2008 tot en met 19 november 2009 in Nederland,

een voorwerp te weten:

een geldbedrag heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 225 lid 1, 225 lid 2, 322, 326 en 420bis b Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: medeplegen van oplichting;

feit 2 uiterst subsidiair

het misdrijf: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft;

feit 5 subsidiair

het misdrijf: oplichting;

feit 6 subsidiair

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

feit 8 subsidiair

het misdrijf: witwassen.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich, deels samen met de medeverdachte [medeverdachte], in het kader van hypothecaire en assurantiebemiddeling gedurende een periode van drie jaren meerdere malen schuldig gemaakt aan oplichting, verduistering en valsheid in geschrift.

Verdachte en zijn mededader hebben daarbij gebruik gemaakt van de vertrouwensrelatie die zij met sommige cliënten hadden opgebouwd. Deze cliënten hadden een groot vertrouwen in verdachte en zijn mededader. Door hun strafbare handelingen hebben verdachte en zijn mededader zich op onrechtmatige wijze ten koste van hun clientèle verrijkt. Als gevolg van deze handelwijze is een aantal klanten in grote financiële problemen gekomen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het in hem en zijn mededader gestelde vertrouwen. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag dat met de hiervoor weergegeven handelwijze is verkregen.

De rechtbank laat in het voordeel van verdachte meewegen dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Tot slot houdt de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat ook rekening met het tijdverloop in deze zaak. Op 23 november 2010 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van verdachte plaatsgevonden. Op die datum heeft verdachtes vervolging een aanvang genomen. De zaak is op 25 november 2013 voor de eerste keer ter terechtzitting behandeld. Op die datum is de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in staat te stellen de stukken, waar de verdediging om gevraagd had, aan het dossier toe te voegen.

Hierna is de zaak op 14 februari 2014 wederom behandeld. De zaak is toen op verzoek van de verdediging voor onbepaalde tijd aangehouden voor het horen van een drietal getuigen door de rechter-commissaris en voor het zetten van een vijftal handtekeningen door een getuige, in het bijzijn van de rechter-commissaris. De inhoudelijke behandeling stond gepland op 22 januari 2015 maar is door de rechtbank uitgesteld tot 20 april 2015, waarna op 26 mei 2015 uitspraak wordt gedaan.

De totale tijdsduur van deze zaak bedraagt daarmee ruim vier jaren en zes maanden en de overschrijding van de redelijke termijn (van twee jaren) bedraagt ruim twee jaren en zes maanden. Deze overschrijding zal de rechtbank voor een periode van 14 maanden aan verdachte toerekenen.

De rechtbank zal rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn en ziet daarin reden om thans geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een taakstraf van maximale duur en een voorwaardelijke gevangenisstraf teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijke feiten te plegen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

Vier partijen hebben zich voorafgaand aan de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

- [slachtoffer 1], wonende te [adres 3], vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 9.644,-- (negenduizend zeshonderd en vierenveertig euro). Deze schade is omschreven als ‘levensverzekering’.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 9.644,--. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 subsidiair is toegebracht.

- [slachtoffer 9], wonende te [adres 4], vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 15.250,-- (vijftienduizend tweehonderdenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade is omschreven als ‘plaatsen dakkapel [bedrijf 2]’. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk. De gestelde schade is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

- [slachtoffer 3], wonende te [adres 5], vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 3.448,-- (drieduizend vierhonderdenachtenveertig euro. Deze schade is omschreven als ‘premie verzekering lening’.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom tot een bedrag van

€ 3.448,-- toewijzen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 uiterst subsidiair is toegebracht.

- [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8], wonende te [adres 6], vorderen veroordeling van de verdachte tot betaling van € 3.510,-- (drieduizend vijfhonderdentien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade is omschreven als ‘geld overgemaakt naar Hr. [verdachte]’. Ook hebben de benadeelde partijen gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de benadeelde partijen in hun vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom tot een bedrag van € 3.510,-- toewijzen, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 5 subsidiair is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 2 subsidiair, feit 2 meer subsidiair, feit 3, feit 4, feit 5 primair, feit 6 primair, feit 7 en feit 8 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2 uiterst subsidiair, feit 5 subsidiair, feit 6 subsidiair en feit 8 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 subsidiair, feit 2 uiterst subsidiair, feit 5 subsidiair, feit 6 subsidiair en feit 8 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: medeplegen van oplichting;

feit 2 uiterst subsidiair

het misdrijf: medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft;

feit 5 subsidiair

het misdrijf: oplichting;

feit 6 subsidiair

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

feit 8 subsidiair

het misdrijf: witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 subsidiair, feit 2 uiterst subsidiair, feit 5 subsidiair, feit 6 subsidiair en feit 8 subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 9.644,--,voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 subsidiair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 9.644,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 83 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 3.448,--,voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 uiterst subsidiair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.448,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 44 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] van een bedrag van € 3.510,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit sub 5 subsidiair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.510,-ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 45 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 9] in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. E. Venekatte en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2015.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de bovenregionale recherche Noord-Oost-Nederland genaamd; “Volvo” met nummer 04BRF1005. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

feit 1

1.

Een proces-verbaal van aangifte van 13 januari 2011 door de aangever [slachtoffer 1] (A18-01 blz. 0500012 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven

Ik ben fotograaf van beroep. In augustus/september 2009 organiseerde ik een cursus op het gebied van fotografie. Op een gegeven moment stelden de deelnemers zich aan elkaar voor, waarbij [verdachte] vertelde dat hij hypotheek-adviseur was. Omdat mijn vrouw en ik in die periode een huisje op het oog hadden dat wij wilden kopen, had ik een hypotheek nodig. lk heb toen na afloop direct aan [verdachte] gevraagd om eens langs te komen, omdat ik belangstelling had voor een hypotheek. Enige dagen later kwam [verdachte] toen bij mij thuis, samen met zijn compagnon [medeverdachte]. Hij was er vanaf het begin altijd bij, alsof het de schaduw was van [verdachte].

Vervolgens heeft hij voor ons een hypotheek van € 235.978 geregeld. Dit werd naar onze volle tevredenheid geregeld.

Op het allerlaatst, in november 2009, vlak voordat we de definitieve handtekening zouden zetten voor de aanvraag van de hypotheek, deelde [verdachte] ons mede dat wij een risicoverzekering af moesten sluiten. Dit zou een verplichting zijn die door de bank werd vereist. [verdachte] zei toen dat hij ons een gunstig aanbod kon doen. Wij konden de premie in een keer afkopen middels een storting van € 9.644. Als mij of mijn vrouw iets zou overkomen zou er vanuit die verzekering een bedrag van € 55.000 worden uitgekeerd.

Omdat ik op dat moment geen geld had, zou [verdachte] dat geld voor mij voorschieten en zodra ik het hypotheekbedrag binnen zou hebben, zou ik het voorgeschoten bedrag van

€ 9.644 terug betalen aan [verdachte]. Dus toen ik het geld van de hypotheek binnen had, heb ik aan [verdachte] het bedrag van € 9.644 overgemaakt, onder vermelding van "door u voorgeschoten". Vervolgens hoorde ik niets meer van [verdachte].

2.

Een proces-verbaal van verhoor van 14 december 2011 door de aangever [slachtoffer 2]

(G5-01), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven:

lk ben de meeste keren bij de gesprekken geweest die mijn man destijds voerde met [verdachte] en [medeverdachte]

lk weet dat toen de koop van de woning en de hypotheek zo goed als rond was en we de definitieve handtekening zouden zetten, dat [verdachte] toen vertelde dat we verplicht een levensverzekering moesten afsluiten. In december 2009 zijn we in deze woning aan de [adres 7] komen wonen. Het moest dus kort daarvoor geweest zijn. Volgens [verdachte] moesten we deze verzekering dus afsluiten, anders kregen we de hypotheek niet. [medeverdachte] zat er naast, maar die zei weinig. [medeverdachte] bevestigde meer wat [verdachte] vertelde in de gesprekken. We moesten het geld voor de levensverzekering over maken naar [verdachte]. We hebben van [verdachte] de omschrijving gekregen wat we bij de overboeking moesten zetten. [verdachte] vertelde dat we bij de overschrijving moesten zetten "door u voorgeschoten." Dit hebben we vervolgens gedaan. Na 3 maand was er nog steeds geen polis. lk heb alle verzekeringen in een map en had nog steeds geen polis van die levensverzekering.

3.

Een geschrift zijnde een bankafschrift (ZD05 blz. 050043) rekeningnummer [nummer 4] op naam van [verdachte] en/of [naam 7], blijkt het volgende:

BIJ: op 19 november 2009 € 9.644 van [slachtoffer 1], onder vermelding van ‘door u

voorgeschoten';

AF: op 19 november 2009 € 5.000 naar rekeningnummer [nummer 5], zijnde het

rekeningnummer van verdachte M.H.[medeverdachte], onder vermelding van '[slachtoffer 1] en [naam 8]

[naam 8]'.

4.

Een geschrift zijnde een bankafschrift (ZD05 blz. 050044) op naam van M.H.[medeverdachte], rekeningnummer [nummer 5], blijkt dat:

BIJ: op 19 november 2009 € 5.000 van [verdachte], onder vermelding van '[slachtoffer 1] en [naam 8]'.

Feit 2

5.

Een proces-verbaal van aangifte van 22 juni 2010 door de aangever [slachtoffer 3] (A11-01 blz. 0800011 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven

Begin september 2009 ben ik een lening aangegaan via [verdachte] Hypotheken & assuranties BV te Enschede. [verdachte], de eigenaar van het bureau is bij mij thuis gekomen om over het afsluiten van de lening te praten.

Ik heb een lening van 30.000 Euro afgesloten. Bij die lening moest ik een verzekering afsluiten voor een bedrag van 3.448 Euro. Ik weet niet precies meer wat voor verzekering dat was. Het had te maken met een uitkering voor het geval dat mijn vrouw of ik te overlijden kwamen. Ik heb geen polis van deze verzekering ontvangen.

Op 21 september 2009 kreeg ik een afschrift van mijn bank waarop ik kon zien dat het bedrag voor de afgesloten verzekering, 3.448 Euro van mijn bankrekening was afgeschreven. Het gehele bedrag was gestort op de girorekening 2635105 ten name van [verdachte] CJ.

In februari 2010 kreeg ik ineens van mijn verzekeringsagent, [naam 9] te horen dat er helemaal geen verzekering was afgesloten.

6.

Een proces-verbaal van verhoor van 16 december 2011 door de getuige [slachtoffer 4] (G06-01), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven:

Tijdens de gesprekken met [medeverdachte] en [verdachte] hebben wij gesproken over het feit dat wij deze lening wilde verzekeren. De bedoeling was dat als mijn man zou komen te overlijden ik dit geld via een verzekering terug kreeg. [medeverdachte] en [verdachte] gaven aan dat zij zo'n verzekering voor ons zouden regelen. Tot het moment dat er een bedrag van 3.448,-- Euro van onze bankrekening werd geschreven wist ik niet dat wij zoveel geld voor deze verzekering zouden betalen. Wij hebben dus een bedrag betaald van 3.448,-- Euro voor een polis, conform afspraak, maar waarvan ik nooit een polis heb ontvangen. U vraagt aan mij of [medeverdachte] of [verdachte] gesproken hebben over kosten die betaald moesten worden voor het afsluiten van deze lening inclusief verzekering. Nee, er zouden geen kosten aan verbonden zijn. Wij hebben daar ook nog naar gevraagd. Tegen ons werd toen gezegd dat er geen kosten aan verbonden waren. Wie dat zei weet ik niet meer.

7.

Een geschrift zijnde een bankafschrift (ZD08 blz. 080026) rekeningnummer [nummer 4] op naam van [verdachte] en/of [naam 7], blijkt het volgende:

BIJ: op 2 september 2009 € 3.448,00 van `naam onbekend', rekeningnummer [nummer 6],

zijnde het rekeningnummer van aangever [slachtoffer 3];

AF: op 2 september 2009 € 2.770,80 naar rekeningnummer [nummer 5], zijnde het

rekeningnummer van verdachte M.H.[medeverdachte], onder vermelding van `[naam 4] en [naam 10]'

8.

Een geschrift zijnde een bankafschrift (ZD08 blz. 080027) op naam van M.H.[medeverdachte], rekeningnummer [nummer 5], blijkt dat:

BIJ: op 2 september 2009 € 2.770,80 van [verdachte], onder vermelding van `[naam 4] en [naam 11]';

Feit 5

9.

Een proces-verbaal van aangifte van 19 april 2010 door de aangever [slachtoffer 7]

(A14-01 blz. 1000012 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven:

Hierbij doe ik aangifte van oplichting.

In mei 2009 kwam er een persoon aan de deur die mij nieuwe kozijnen wilde verkopen.

De manspersoon die mij kozijnen wilde verkopen heeft uiteindelijk contact opgenomen met de tussenpersoon die mij een tweede hypotheek kon verstrekken.

Op vrijdag 08 mei 2010, heb ik contact gehad met de hieronder genoemde hypotheekadviseur: [verdachte].

De hypotheekadviseur was werkzaam samen met de volgende persoon: [medeverdachte]

[medeverdachte].

Op dinsdag 12 mei 2009, kwam de hypotheekadviseur met een flexibelkredietovereenkomst/doorlopend krediet. De hypotheekadviseur vertelde ons dat dit later om gezet kon worden in een tweede hypotheek.

Op de overeenkomst stond een bedrag van 3510,-- euro dit bedrag zou bedoeld zijn voor een verzekering vertelde de hypotheekadviseur mij. Ik ben vervolgens akkoord gegaan met de gedachte om de hypotheek later om te zetten, en heb mijn handtekening samen met mijn vrouw op de overeenkomst getekend. De getekende overeenkomst zou later naar mijn postadres toegezonden worden, deze overeenkomst heb ik nooit toegezonden gekregen van mijn hypotheekadviseur.

Op vrijdag 09 maart 2010, wilde ik contact opnemen met de hypotheekadviseur. Dit lukte helaas niet.

Ik ben vervolgens mijn papieren gaan bekijken. Ik zag vervolgens dat ik nooit een verzekering gezien of gekregen had voor het bedrag dat gelijk stond aan € 3510,--.

Dit bedrag is overgemaakt naar de bankrekening van de hypotheekadviseur [verdachte] uit Enschede.

10.

Een proces-verbaal van een (telefonisch) verhoor van 19 april 2010 door de getuige [slachtoffer 8] (G03-01 blz. 1000014 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven:

Ook had [verdachte] nog een papieren bij zich die wij moesten tekenen waarop enkele bedragen stonden. Dit was een uitbetalingsspecificatie. Hierop stonden drie bedragen namelijk 3.510 euro, 6.000 euro en 2.000 euro. Twee van de bedragen wisten wij. De 6.000 euro was voor het aflossen van ons lopende krediet en de 2.000 euro is op onze rekening gestort zodat wij een schutting voor de tuin konden gaan plaatsen. Het bedrag van 3.510 euro kwam ons niet bekend voor. Mijn man vroeg toen aan [verdachte] waar dat voor was. [verdachte] legde toen uit dat het voor een verzekering was. Het was verplicht om deze verzekering af te sluiten, althans volgens [verdachte]. Ik weet nog dat mijn man voor de lol aan [verdachte] vroeg of hij van dat geld soms op vakantie ging. [verdachte] moest daarom lachen.
Bij onze eerste hypotheek hebben wij een levensverzekering afgesloten en daarom dachten wij dat het normaal was om dat bij een tweede hypotheek ook te moeten. [verdachte] heeft ons nog uitgelegd dat dit een eenmalig bedrag voor de verzekering zou zijn en dat wij er dan in een keer af zouden zijn.
Van een verzekering hebben wij nooit iets gehoord. De ABN-AMR0 bank heeft tegen ons gezegd dat er bij hen geen verzekering is afgesloten. Verder werd ons door de bank ook verteld dat het niet de normale gang van zaken is om zo'n verzekering op deze manier af te sluiten. Ook was het niet noodzakelijk om een verzeker af te sluiten, terwijl door [verdachte] ons vertelde dat het wel noodzakelijk was. Ook heeft [verdachte] het bedrag van 3.510 zich toegeëigend. De door hem beloofde verzekering is nooit door hem afgesloten. [verdachte] is een aantal keren alleen bij ons thuis geweest. [medeverdachte] [medeverdachte] is 2 of 3 keer samen met [verdachte] bij ons thuis geweest.

11.

Een proces-verbaal van bevindingen van 2 februari 2011 door de verbalisant [verbalisant] ( blz. 1000016 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven:

In proces-verbaal G03.01 (verhoor getuige [slachtoffer 8]) is abusievelijk vermeld dat van de rekening een bedrag van € 3.150 is overgeschreven; dit bedrag moet zijn € 3.510,00.

12.

Een geschrift zijnde een uitbetaling specificatie om een bedrag van € 3.510,-- over te maken naar rekening nummer [nummer 4] t.n.v. [verdachte] Enschede (C.12.12.04-003 blz. 1000027).

13.

Een geschrift zijnde een bankafschrift (AH004-004 blz. 1000029) rekeningnummer [nummer 4] van [verdachte] en [naam 7] blijkt de volgende bij- en afschrijving plaats te vinden.

BIJ: Op 13 mei 2009 € 3.510,-- van naam onbekend bij ING woonplaats onbekend, rekening

nummer [nummer 7].

AF: Op 15 mei 2009 € 494,-- naar [medeverdachte] en [naam 12], rekening nummer

[nummer 5] onder vermelding van: "rest [naam 13] & [slachtoffer 7].

14.

Een geschrift zijnde een bankafschrift met rekeningnummer [nummer 5] van [medeverdachte] en [naam 12] (AH003-003 blz. 1000030) blijkt de volgende bijschrijving plaats te vinden:

BIJ: Op 15 mei 2009 € 494,-- van [verdachte] en [naam 7] rekening nummer

[nummer 4] onder vermelding van: "rest [naam 13] & [slachtoffer 7]"

Feit 6

15.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 20 april 2015 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ten aanzien van feit zes merk ik op dat ik facturen van [bedrijf 2] op mijn computer had staan.

Ik ken de factuur van de familie [slachtoffer 9] vanuit het dossier. Hij is wel ingebracht bij de notaris.

16.

Een proces-verbaal van aangifte van 15 maart 2010 door de aangever [naam 14] (A01-02 blz. 4000005 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven:

Namens ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. ben ik uit hoofde van mijn functie als Fraude Specialist gemachtigd tot het doen van aangifte van strafbare feiten die gepleegd zijn ten nadele van ABN AMRO Hypotheken Groep B.V.

De heer [slachtoffer 9] en mevrouw [naam 15] hebben op 22 maart 2007 door bemiddeling van [bedrijf 1] een hypothecaire geldlening afgesloten bij ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. voor een bedrag van € 275.000 voor de herfinanciering van het pand: [adres 4].

Na ontvangst van het fraude signaal van Group Security van ABN AMR0 Bank N.V. is het dossier van de heer en mevrouw [slachtoffer 9] in december 2009 en januari 2010 onderzocht. Bij dit onderzoek zijn onregelmatigheden geconstateerd. In een persoonlijk gesprek met de heer [slachtoffer 9] d.d. 02 februari 2010 zijn deze onregelmatigheden bevestigd. Tijdens dit gesprek is uitvoerig gesproken over het gehele proces van aanvragen van de hypothecaire geldlening bij [bedrijf 1].

De heer [slachtoffer 9] en mevrouw [naam 15] hebben het volgende schriftelijk verklaard:

Dinsdag 02 februari 2010, heb ik: [slachtoffer 9], geboren: [geboortedatum 2] in een persoonlijk gesprek met Mw. [naam 16] en Dhr. [naam 14] het volgende verklaard:

Via Woonhuisplan ben ik in contact gekomen met het kantoor [bedrijf 1], dit omdat ik mijn woning wilde voorzien van kunststof kozijnen die onderhoudsarm zijn. Woonhuisplan heeft een offerte overlegd voor kunststof kozijnen, deze nota bedroeg

€ 20.000, de nota die u mij zojuist hebt laten zien is correct. De tweede nota die u mij hebt laten zien, een nota van [bedrijf 2] van € 15.250 ivm plaatsen dakkapel heb ik niet eerder gezien, mijn woonhuis is niet voorzien van en dakkapel. De akkoordverklaring op de nota is niet van mij of mijn echtgenote. M.i. is dit een valse nota. Beide nota's zijn door [bedrijf 1] gebruikt om bij het passeren van de hypotheek akte het bouwdepot uitbetaald te krijgen.

Uit bovenstaand verhaal blijkt dat cliënt en ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V. beide benadeeld zijn door de werkwijze van [bedrijf 1], en dan specifiek door [verdachte] en [medeverdachte].

De hoogte van de hypothecaire geldlening is gebaseerd op de waarde van de woning na verbouw van € 35.000. Zie de nota's van [bedrijf 2] en Woonhuisplan. ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. heeft een te hoge hypothecaire geldlening verstrekt, op de waarde voor verbouw was maximaal een hypotheekbedrag mogelijk van € 240.000 ipv de verstrekte lening van € 275.000.

17.

Een proces-verbaal van verhoor van 11 januari 2011 (G01-01 pag 2000001 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring van de [naam 1], zakelijk weergegeven:

Het zou kunnen dat er door u meerdere rekeningen zijn aangetroffen van mijn bedrijf [bedrijf 2]. lk zal u uitleggen hoe dat gegaan is.

[verdachte] vroeg mij op een gegeven of ik rekeningen wilde maken voor verbouwingen, voor depotgeld voor zijn klanten. lk ken die klanten van hem verder niet. [verdachte] vertelde mij dat hij die rekeningen nodig was zodat zijn klant het geld van de bank kon afhalen. [verdachte] beweerde dat ik daar verder geen gezeur mee zou krijgen en als de bank mij zou bellen moest ik van [verdachte] zeggen dat het niet door ging. De bank heeft mij daar nooit over gebeld. lk heb daar nog nooit vragen over gekregen. Voor de duidelijkheid, het zijn facturen waarvoor ik verder niet gewerkt heb. Het ging [verdachte] alleen maar om die facturen. lk heb daar nooit over nagedacht, welke gevolgen dit kon hebben. lk ging ervan dat ik [verdachte] daarin kon vertrouwen.

Achteraf gezien klopte het gewoon niet, lk had er helemaal geen verstand van maar ik krijg nu het gevoel dat [verdachte] misbruik van mij heeft gemaakt.

lk heb dus nooit werkzaamheden verricht, dus wat er op die facturen staat, heb ik nooit gedaan. lk denk dat het ongeveer 4,5 of 6 keer is gebeurd. Precies weet ik het niet meer. Voor de duidelijkheid, ik maakte deze rekeningen niet. Dat deed [verdachte] zelf. Hij deed dat thuis op zijn eigen computer. Hij maakte de rekening klaar, kwam dan bij mij langs en ik zette er dan soms een handtekening onder. Zoals ik al heb verteld, beschikte [verdachte] over het logo van mijn bedrijf. Het zou kunnen dat [verdachte] ook facturen heeft gemaakt, waar ik helemaal niks van weet. Hij beschikte immers over het logo in zijn computer.

Wij tonen u een factuur van [bedrijf 2], bestemd voor Fam. [slachtoffer 9], [adres 4]. Wat kunt u hierover verklaren?

Deze mensen ken ik niet. lk heb daar nooit voor gewerkt. Die handtekening onderaan de factuur is niet van mij.

Wij tonen u een factuur van [bedrijf 2], bestemd voor Fam. [slachtoffer 11], [adres 8]. Wat kunt u hierover verklaren?

lk ken die mensen ook niet. Ook die werkzaamheden, heb ik niet verricht. Die handtekening onderaan de factuur, herken ik niet. Die is niet van mij.

Wij tonen u drie facturen van [bedrijf 2], bestemd voor de heer [slachtoffer 13], [adres 9]

[adres 9]. Wat kunt u hierover verklaren?

Dit zegt mij ook niks. lk heb hier geen werkzaamheden voor verricht. Ook de handtekeningen onderaan de facturen, ken ik niet.

Toen [medeverdachte] bij [verdachte] bij hem kwam werken, kreeg ik geen goede indruk. Het waren snelle jongens, reden in dikke auto's, hadden een boot. Ze waren onafscheidelijk. Ze kwamen altijd samen bij mij en gingen ook altijd op pad samen.

Voor wat betreft die facturen die u hebt aangetroffen, kan ik u verklaren dat ik totaal niet wist wat ermee ging gebeuren. Zoals [verdachte] mij het heeft verteld, kwam het bij mij over als vertrouwd. lk heb nooit gedacht dat het zou gaan om een strafbaar feit. lk zag daar geen kwade dingen in. lk heb altijd gedacht dat ik [verdachte] daarmee kon helpen. Dit met betrekking tot die facturen gebeurde ook al voordat [medeverdachte] werkzaam was bij [verdachte].

18.

Een geschrift zijnde een factuur d.d. 4 januari 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan fam.

[slachtoffer 9] (A.01.02.12 blz. 0100048) ten bedrage van € 15.250,--

19.

Een proces-verbaal van aangifte van 22 maart 2010 door de aangever [naam 14] (A01-05 blz. 4000232 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven:

Namens ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V. ben ik uit hoofde van mijn functie als Fraude Specialist gemachtigd tot het doen van aangifte van strafbare feiten die gepleegd zijn ten nadele van ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V.

De heer en mevrouw [slachtoffer 11] hebben op 02 juli 2008 door bemiddeling van [bedrijf 1] een hypothecaire geldlening afgesloten bij ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V. voor een bedrag van 275.000, dit voor de herfinanciering en verbouwing van het pand: [adres 8].

Uit onderzoek blijkt het volgende: af te lossen hypotheek 260.000 + verbouw € 37.000 is de totale investering € 297.000, dit terwijl er ook nog een krediet moet worden afgelost van

€ 17.500, dit was niet mogelijk vanuit eigen middelen, in totaal is er dan nodig: 314.500. Terwijl de nieuwe hypotheek 275.000 bedraagt. Bij dit bedrag is er een tekort van € 22.000 (€ 297.000 -/- 275.000) Hoe dit te betalen? De cliënten konden geen antwoord op deze vraag geven, als argument werd aangehaald dat beide geen verstand van cijfers hebben en dat ze om deze reden alles aan [bedrijf 1] hebben overgelaten.

Zover wij kunnen nagaan, is het bedrag van € 37.000 niet aangewend voor de verbouw, maar verdeeld opgegaan aan:

€ 6.000 op rekening cliënt (toilet en badkamer)

€ 17.500 voor aflossing van krediet

€ 2.500 voor extra provisie [verdachte], naast de afsluitprovisie uit te keren door ABN AMRO Hypotheken Groep B.V.

Voor het passeren van de hypotheekakte hebben de cliënten aan [verdachte] gemeld dat er geen verbouwing zal plaats vinden qua kunststof kozijnen, er werd geen toestemming voor gegeven door de Gemeente Enschede. De woning aan de [adres 8] ligt in een Ecowijk en hier kan enkel en alleen gewerkt worden met natuurlijke producten. In het hypotheekdossier is een nota aanwezig van [bedrijf 4], deze nota is niet afkomstig van de cliënten. De nota van [bedrijf 4] is echter wel door notariskantoor Huiskes bij ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V. ingediend om een bedrag van € 32.000 uit het bouwdepot vrij te maken. Deze nota moet volgens de cliënten en ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. afkomstig zijn van [bedrijf 1].

Vanuit dit uitbetaalde bedrag heeft [verdachte] vervolgens het consumptief krediet van 17.500 afgelost. Door het niet aanwenden van het bouwdepot voor de geplande verbouw zijn de cliënten en ABN AMR0 hypotheken Groep B.V. benadeeld. De verstrekte hypothecaire geldlening is gebaseerd op een waarde na verbouw van € 37.000, waarvan

€ 32.000 voor kunststof kozijnen. Omdat er niet verbouwd is, is de verstrekte hypotheek te hoog t.o.v. de getaxeerde waarde.

20.

Een proces-verbaal van aangifte van 14 december 2011 (A30.01), voor zover inhoudende de verklaring van de aangevers [slachtoffer 11] en [slachtoffer 11], zakelijk weergegeven

U toont ons een factuur van [bedrijf 2]. We zien hierop de naam [slachtoffer 11] staan. Wij hebben ons badkamermeubel in Deventer gekocht. Alles voor de badkamer hebben we zelf

geregeld. Ook de tegels hebben we zelf geregeld in Duitsland. Hier hebben we alle facturen nog van. We hebben geen zaken gedaan met [bedrijf 2] of de heer [naam 1].

U toont ons een factuur van [bedrijf 4]. Er is een offerte aangevraagd bij [bedrijf 4] in die tijd. Dit is echter nooit tot een order gekomen. We zijn niet akkoord gegaan met de offerte. Dit kon ook niet, omdat het niet uitvoerbaar was. We mochten van de gemeente geen kunststof kozijnen plaatsen ivm de eco wijk. Het bleek ons ook financieel niet haalbaar. Er is dus nooit een order geweest en er kan dus ook geen factuur voor ons zijn.

21.

Een proces-verbaal van verhoor van 24 januari 2011 (G04-01 pag 200020 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring van de [naam 5], zakelijk weergegeven:

Waar kent u het bedrijf [verdachte] Hypotheken en Assurantiën B.V. van.

lk ken het bedrijf vanaf 2006 via een assurantiekantoor [bedrijf 5] uit Hengelo. Via hun ben ik in aanraking gekomen met [verdachte].

Op dat moment was ik bezig met mijn bedrijf op te starten. Dit betrof een bedrijf dat kunststof kozijnen verkocht aan particulieren. Het bedrijf heet [bedrijf 6].

[verdachte] zou, indien klanten een financiering nodig hadden voor de kunststof kozijnen dan zou [verdachte] voor de financiering zorgen.

lk zal u vertellen hoe het gegaan is. [verdachte] en [medeverdachte] hebben van mij blanco briefpapier gekregen van mijn bedrijf waarna zij de inhoud er op hebben vermeld. De tekst is dus door [verdachte] of [medeverdachte] geproduceerd. lk heb mijn bedrijfstempel erop gezet en mijn handtekening. lk was mij bewust dat dit nodig was voor het verkrijgen van een financiering.

U toont mij een blanco brief met een logo. Onderaan die brief staat een handtekening en de adresgegevens van [bedrijf 6].

Dit is mijn bedrijfslogo. [verdachte] had hier de beschikking over. Dit was zo afgesproken met [verdachte]. [verdachte] vulde deze begeleidende brief dan in zodat het geld uit het bouwdepot gehaald kon worden waarna het dan op mijn rekening gestort werd.

Kent u het bedrijf [bedrijf 4]

Het bedrijf [bedrijf 4] is eigenlijk geen bedrijf maar ik heb gewerkt als freelancer en dan gebruikte ik de naam [bedrijf 4]. Dit was een oud bedrijf van mij, een eenmanszaak. De bankrekening van [bedrijf 4] was nog actief. Af en toe gebruikte ik de facturen van [bedrijf 4] om zwart geld te creëren. Gewoon om BTW te ontduiken. Dit was in de tijd van [bedrijf 6]. U toont mij een factuur gericht aan de familie [slachtoffer 12] afkomstig van het bedrijf [bedrijf 4]. Het factuurbedrag is € 33.500,-. Wat kunt u hierover verklaren.

Dit zegt mij niets. lk zie dat er een email adres op staat maar ik had helemaal geen e-mailadres van [bedrijf 4].

22.

Een geschrift zijnde een factuur d.d. 13 december 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan fam. [slachtoffer 11] (B.04.07.01-0 01 blz. 0300301) ten bedrage van € 6500,--.

23.

Een geschrift zijnde een factuur d.d. 27 mei 2008 van het bedrijf [bedrijf 4] gericht aan de fam. [slachtoffer 12] (A04.05-012 blz. 0300061) ten bedrage van € 33.500,--.

24.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2011 op gemaakt door de verbalisant [verbalisant] (AH082) zakelijk weergegeven inhoudende:

Op de genoemde factuur, die gedateerd is 27-05-2008, is te zien dat het factuurnummer

200576 is en dat het ordernummer 34 is.

In het digitale beslag werd in een Word-bestand ook een factuur van [bedrijf 4]

aangetroffen op een computer in de woning van [medeverdachte]. Op deze factuur, die

gedateerd is 27-11-2005, staat ook het factuurnummer 200576 en ordernummer 34. De

tenaamstelling op deze factuur is echter anders dan op de factuur die bij de ABN-Amro werd

ingediend. Op deze factuur staat namelijk Fam [verdachte], [adres 10].

Dit betekent dat de factuur op naam van [slachtoffer 12] die in het hypotheekdossier van de bank zit, hetzelfde factuurnummer en ordernummer heeft als de factuur die in een Word-bestand staat op de computer van [medeverdachte]. Qua uiterlijk lijken beide facturen ook veel op elkaar.

Als je de documenteigenschappen van dit Word-bestand bekijkt dan zie je dat de auteur [naam 17] is. Het document is gemaakt op 10-10-2007.

Degene die het document het laatst heeft opgeslagen is volgens de eigenschappen [verdachte]. De

datum van opslaan is 13-10-2007.

25.

Een proces-verbaal van aangifte van 22 maart 2010 door de aangever [naam 14] (A01-06 blz. 4000313 e.v.), voor zover inhoudende de verklaring, zakelijk weergegeven:

Namens ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V. ben ik uit hoofde van mijn functie als Fraude Specialist gemachtigd tot het doen van aangifte van strafbare feiten die gepleegd zijn ten nadele van ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V.

De heer N.[slachtoffer 13] heeft op 09 juni 2008 door bemiddeling van [bedrijf 1] een hypothecaire geldlening afgesloten bij ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V. voor een bedrag van € 160.000. Van dit bedrag zou € 136.000 gebruikt worden om de bestaande geldlening af te lossen, een bedrag van € 14.000 bleef over voor vrije besteding. Bij de acceptatie van de opgevraagde hypotheekbescheiden, die door [bedrijf 1] zijn aangeleverd blijkt een taxatierapport met een waarde voor en na verbouw. De waarde voor verbouw in dit rapport is onvoldoende om de gevraagde hypotheek te kunnen verstrekken, met de waarde na verbouw is het gevraagde bedrag van

€ 160.000 wel mogelijk. Op de waarde zonder verbouw kon maximaal een bedrag van

€ 143.750 worden gefinancierd. Een geldlening gebaseerd op de waarde voor verbouw zou betekenen dat de cliënt niet de gevraagde € 14.000 in handen zou krijgen. Om deze reden is er een verbouwing in de taxatie opgenomen. Op de waarde na verbouw was het gevraagde bedrag wel acceptabel.

Na het passeren van de hypotheek is er een bouwdepot aangemaakt voor een bedrag van

€ 14.000. Dit bouwdepot is vervolgens uitbetaald nadat ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V. een nota van [bedrijf 2], de heer [naam 1] heeft ontvangen voor de installatie van een nieuwe badkamer. Volgens de cliënt is er geen badkamer geïnstalleerd, dit was ook niet van toepassing, verder heeft hij geen nota van [bedrijf 2] ingezien of getekend. De handtekening op het declaratieformulier wijkt af van de handtekening van de heer N.[slachtoffer 13] op de door hem geaccepteerde hypotheekofferte. De handtekening lijkt vervalst.

Op deze wijze heeft [bedrijf 1] de cliënt en ABN AMR0 Hypotheken Groep B.V. financieel benadeeld.

26.

Een proces-verbaal van verhoor van 20 januari 2011 (A24-01 pag 111.), voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [slachtoffer 13], zakelijk weergegeven:

U toont mij een factuur van [bedrijf 2]. Deze is mij door de ABN-AMR0 ook al getoond. lk heb toen al aangegeven dat ik daar niets van wist. [bedrijf 2] heeft niets voor ons gedaan.

Ook het declaratieformulier van de ABN-AMR0 zegt mij niks. Deze hebben wij niet getekend. De handtekening onderaan lijkt wel op die van mijn man, maar ik weet zeker dat hij deze niet heeft getekend. Het bankrekeningnummer wat erop vermeld is, is van ons. Wij hebben echter geen geld op de rekening gekregen van de ABN-AMRO.

27.

Een geschrift zijnde een factuur d.d. 02 juni 2008 van het bedrijf [bedrijf 2] gericht aan de heer

[slachtoffer 13] (zakendossier 4, AHO.06-016, pag 0400097) voor een bedrag van € 13.982,--;

28.

Een geschrift zijnde een declaratieformulier verbouwdepot d.d. 17 juni 2008 (zakendossier 4,

AHO1.06-015, pag. 0400096) voor een bedrag van € 13.982,--;

1 Hoge Raad d.d. 26 oktober 2010, LJN BM4440.

2 Hoge Raad 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716.