Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:2326

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
ak_14_3122
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering openbaarmaking inschrijfbiljet aanbestedingsprocedure. Beroep gegrond; rechtsgevolgen vernietigde besluit in stand gelaten. Nu in dit geval sprake is van een vóór 1 april 2013 gestart aanbestedingstraject, als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012, is het bepaalde in de delen 2 en 3 van de Aanbestedingswet 2012 hier niet van toepassing. Ook de in deel 2 van deze wet neergelegde bijzondere openbaarheidsregeling is daarom niet van toepassing. Verweerder had de vraag of de weigering om het inschrijfbiljet van de aannemer openbaar te maken gehandhaafd kon worden dan ook moeten beoordelen aan de hand van het bepaalde in de Wob.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10
Aanbestedingswet 2012 4.30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2015/148
Gst. 2015/133 met annotatie van C.N. van der Sluis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/3122

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser,

en

Landinrichtingscommissie Rijssen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om een aantal documenten, waarom met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) was verzocht, openbaar te maken. Tevens heeft verweerder bij dit besluit geweigerd om het in het kader van de aanbesteding ingebrachte inschrijfbiljet van de aannemer openbaar te maken.

Bij besluit van 28 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft ten aanzien van een aantal stukken verzocht om, met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat uitsluitend de bestuursrechter zal mogen kennisnemen van deze stukken. Bij brief van 5 februari 2015 is eiser er, onder verwijzing naar artikel 13, tweede lid, van de Landelijke procesregeling bestuursrecht, op gewezen dat in dit soort gevallen gehandeld wordt alsof het verzoek om beperking van de kennisneming is ingewilligd. Bij brief van 9 februari 2015 heeft eiser toestemming verleend om de inhoud van de stukken ten aanzien waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht te gebruiken bij de beoordeling van het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2015.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M.J. Ribbers en J.A. Reinders.

Overwegingen

1.1

Eiser voert een agrarisch bedrijf te [woonplaats] en hij is eigenaar van gronden die betrokken zijn bij het Landinrichtingsplan Rijssen.

1.2

Bij brief van 16 september 2014 heeft eiser verweerder, onder verwijzing naar de Wob, verzocht om openbaarmaking van de volgende stukken:

  • -

    de aanbesteding, het bestek van de werkzaamheden Rijssen-West inclusief de nota van inlichtingen;

  • -

    het inschrijfbiljet van de aannemer(s) van de werkzaamheden (combinatie Roelofs-Bouwmij).

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten om de gevraagde documenten, aangaande de aanbesteding en bestek, voor zover deze niet reeds eerder openbaar gemaakt waren, openbaar te maken. Voorts is, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, besloten om het inschrijfbiljet van de aannemer van de werkzaamheden niet openbaar te maken.

2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de weigering om het inschrijfbiljet van de aannemer openbaar te maken gehandhaafd, thans evenwel onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 2.57, eerste lid, van de Aanbestedingswet. Ten aanzien van het gevraagde ‘bestek’ heeft verweerder aangegeven dat er geen bestek is, omdat is aanbesteed conform de UAV-gc-systematiek, waarbij afspraken worden gemaakt op basis van te leveren resultaten.

2.2

Eiser stelt zich op het standpunt dat nog altijd relevante informatie over de compenserende maatregelen in het kader van de uitvoering van het Landinrichtingsplan Rijssen ontbreekt. Verweerder heeft ten onrechte geweigerd om het inschrijfbiljet openbaar te maken. Niet geloofwaardig is dat er geen ‘bestek’ is. Verweerder dient dit stuk alsnog openbaar te maken.

3.1

De rechtbank stelt voorop dat het geschil over de afwikkeling van compenserende maatregelen die getroffen zijn in het kader van het Landinrichtingsplan Rijssen, teneinde de vernatting van eisers gronden tegen te gaan, in het kader van deze procedure niet aan de orde kan worden gesteld. Wat eiser in dat verband wil aanvoeren, kan aan de orde worden gesteld in het kader van de procedure tot vaststelling van de Lijst der Geldelijke Regelingen. De omvang van dit geding is beperkt tot de vraag of het bestreden besluit, dat enkel betrekking heeft op de weigering van stukken die met een beroep op de Wob waren gevraagd, kan worden gehandhaafd.

3.2

De rechtbank stelt voorts voorop dat het inleidende Wob-verzoek, dat eiser op 16 september 2014 heeft ingediend, bepalend is voor de maximale omvang die het geding kan hebben. Latere uitbreidingen van eisers verzoek, met andere stukken ten aanzien waarvan eiser eveneens wenst dat deze openbaar worden gemaakt, kunnen bij de beoordeling van dit geschil dan ook geen rol spelen.

3.3

Ten aanzien van de stelling van eiser, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen bestek is, overweegt de rechtbank dat het in beginsel op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat een dergelijk stuk wel bestaat. Eiser heeft hiertoe gewezen op een aantal stukken van (met name) de Dienst Landelijk Gebied (DLG), waarin verwezen wordt naar het ‘bestek’. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat er geen uitgewerkt bestek is, omdat gewerkt wordt met een UAV-gc-contract, op basis van op te leveren resultaten. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat, daar waar in een aantal stukken de term ‘bestek’ gebruikt is, gedoeld wordt op de ‘UAV-gc Vraagspecificatie Uitvoering werken Rijssen-West’ (hierna: UAV-gc Vraagspecificatie), die reeds aan eiser is toegezonden. De UAV-gc Vraagspecificatie is geen uitgewerkt bestek, maar bevat slechts de uitgangspunten en randvoorwaarden. Het dossier bevat geen aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat er, naast de UAV-gc Vraagspecificatie, ook nog een uitgewerkt bestek is. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat er een dergelijk uitgewerkt bestek is, kon dit ook niet openbaar worden gemaakt.

3.4

Ten aanzien van de stelling van verweerder dat de Wob niet van toepassing is op het inschrijfbiljet van de aannemer, omdat sprake is van een bijzondere openbaarheidsregeling met een uitputtend karakter, die is neergelegd in een wet in formele zin, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat op 1 april 2013 de Aanbestedingswet 2012 in werking is getreden. Deze wet bevat in de artikelen 2.57 en 2.138 regels met betrekking tot het al dan niet openbaar maken van stukken. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) heeft geoordeeld bij uitspraak van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:888) derogeren de in de in deze bepalingen neergelegde regels aan de openbaarheidsregeling in de Wob. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft zich in deze uitspraak evenwel niet uitgelaten over het in artikel 4.30 van de Aanbestedingswet 2012 opgenomen overgangsrecht. Uit het bepaalde in artikel 4.30, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 volgt dat als vóór 1 april 2013 een aanbestedingsprocedure is gestart en in het kader daarvan aan ondernemers is verzocht om een inschrijving in te dienen, het recht blijft gelden zoals dit vóór de inwerkingtreding van de delen 2 en 3 van deze wet gold. Nu in dit geval sprake is van een vóór 1 april 2013 gestart aanbestedingstraject, als bedoeld in artikel 4.30, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012, is het bepaalde in de delen 2 en 3 van de Aanbestedingswet 2012 hier niet van toepassing. Ook de in deel 2 van deze wet neergelegde bijzondere openbaarheidsregeling is daarom niet van toepassing. Op aanbestedingen van voor 1 april 2013 zijn de Raamwet EEG-voorschriften en het daarop gebaseerde Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) van toepassing. De Raamwet EEG-voorschriften en het Bao bevatten geen bijzondere openbaarheidsregeling met een uitputtend karakter, die derogeert aan de Wob. Verweerder had de vraag of de weigering om het inschrijfbiljet van de aannemer openbaar te maken gehandhaafd kon worden dan ook moeten beoordelen aan de hand van het bepaalde in de Wob. Het bestreden besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd.

3.5

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met het bepaalde in artikel 4.30, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, te worden vernietigd.

3.6

De rechtbank ziet, na kennis te hebben genomen van de stukken ten aanzien waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht, aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank acht hiervoor van doorslaggevende betekenis dat de redenen waarop de weigering om het inschrijfbiljet openbaar te maken in het primaire besluit waren gebaseerd deze weigering wel kunnen dragen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het verstrekken van informatie, ingevolge het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Naar het oordeel van de rechtbank is in het primaire besluit terecht overwogen dat informatie die bedrijven verstrekken in het kader van een aanbesteding bedrijfs- en concurrentiegevoelig is en dat bedrijven er op moeten kunnen vertrouwen dat dergelijke informatie vertrouwelijk blijft. Verweerder heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, op het standpunt mogen stellen dat dit belang zwaarder weegt dan het algemene belang van openbaarmaking.

3.7

Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank nog op dat in de stukken ten aanzien waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht niets is opgenomen over compenserende maatregelen.

3.8

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

3.9

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. J.W.M. Bunt en

mr. S.H. Peper, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.