Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:228

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-01-2015
Datum publicatie
19-01-2015
Zaaknummer
14/2296
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3220, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering om handhavend op te treden tegen zonder omgevingsvergunning gerealiseerde ijsvogelwandconstructie. Naar het oordeel van de rechtbank is de ijsvogelwandconstructie een bouwwerk in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en dient deze niet te worden aangemerkt als een kademuur. Op grond van artikel 2, onderdeel 13, van bijlage II van het Bor is voor het realiseren van de ijsvogelwandconstructie geen omgevingsvergunning vereist. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Besluit omgevingsrecht 2 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2296

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[naam 1],

wonende te Belt-Schutsloot, eiser,

gemachtigde: mr. M.J. Smaling,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

verweerder,

en

[naam 2]

wonende te Belt-Schutsloot, belanghebbenden,

gemachtigde: mr. P.M.F. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft verweerder het verzoek van eiser, om handhavend op te treden tegen de ijsvogelwand op het perceel aan de [adres] in Belt-Schutsloot, toegewezen.

Bij besluit van 23 december 2013 heeft verweerder het besluit van 23 juli 2013 ingetrokken.

Tegen beide besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 juli 2014 heeft verweerder:

- het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard; en

- het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2013 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Kleine en G.D. Klaren. Namens belanghebbenden is hun gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 13 juni 2013 heeft eiser verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de ijsvogelwand die belanghebbenden hebben gerealiseerd op hun perceel aan de [adres] in Belt-Schutsloot. Dit betreft een heuvel van aarde die broedgelegenheid biedt aan ijsvogels. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek van eiser heeft een toezichthouder van verweerder op 18 juli 2013 geconstateerd dat belanghebbenden, om te voorkomen dat de heuvel instort, een constructie van houten palen en een mat betonijzer hebben aangebracht. Deze constructie was op dat moment ongeveer 2 meter breed en 1,2 meter hoog. In het besluit van 23 juli 2013 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor het realiseren van deze ijsvogelwandconstructie een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is vereist. Verweerder heeft belanghebbenden daarop verzocht om de illegale situatie ongedaan te maken.

2. Bij het besluit van 23 december 2013 heeft verweerder het besluit van 23 juli 2013 ingetrokken en eisers handhavingsverzoek alsnog afgewezen, omdat was gebleken dat belanghebbenden de constructie van de ijsvogelwand hadden aangepast. Verweerder stelt zich in dit besluit op het standpunt dat als gevolg van deze aanpassing voor het realiseren van de ijsvogelwandconstructie op grond van artikel 2, onderdeel 13, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) geen omgevingsvergunning meer is vereist.

3. Artikel 2, onderdeel 13, van bijlage II van het Bor bepaalt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet is vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil van niet meer dan 1 meter die niet hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein.

4. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat voor de bouw van de ijsvogelwandconstructie een omgevingsvergunning is vereist. Ter onderbouwing hiervan heeft hij aangevoerd dat de constructie feitelijk functioneert als kademuur. Als gevolg hiervan dient de hoogte van de constructie volgens eiser te worden gemeten vanaf de bodem van het aangrenzende water, omdat dat het aansluitende afgewerkte terrein is. Hierbij wijst hij onder meer op hetgeen in de Nota van Toelichting bij artikel 2, onderdeel 13, van bijlage II van het Bor is vermeld.

5. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank stelt vast, dat voor de aanleg van de ijsvogelwand zelf een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (aanlegvergunning) is verleend en dat deze vergunning onherroepelijk is geworden. In geschil is uitsluitend de vraag of ten tijde van het thans bestreden besluit voor de ijsvogelwandconstructie een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo was vereist.

6. Belanghebbenden hebben zich onder meer op het standpunt gesteld dat de ijsvogelwandconstructie niet is aan te merken als een bouwwerk van enige omvang. Daarnaast is eiser volgens belanghebbenden in het onderhavige geschil geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7. Op basis van de stukken en de ter zitting door partijen overgelegde foto’s is de rechtbank van oordeel dat de houten ijsvogelwandconstructie een constructie van enige omvang is, die steun vindt op of in de grond en bedoeld is om ter plaatse te functioneren. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de ijsvogelwandconstructie dan ook een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Voorts is uit de ter zitting overgelegde foto’s gebleken dat eiser vanaf zijn perceel zicht heeft op de ijsvogelwandconstructie. Om deze reden volgt de rechtbank belanghebbenden niet in hun stelling dat eiser in het onderhavige geschil niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Awb.

8. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank voorts vast dat de constructie bedoeld is ter ondersteuning van de ijsvogelwand. Naar het oordeel van de rechtbank is de ijsvogelwandconstructie dan ook een keerwand, die is bedoeld voor het overbruggen van terreinhoogteverschil. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de ijsvogelwandconstructie dient te worden aangemerkt als een kademuur. Daarbij is van belang dat uit de overgelegde stukken en foto’s is gebleken dat de ijsvogelwandconstructie niet aansluit op de aanwezige beschoeiing, maar daar iets achter is gelegen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hoogte van de constructie dient te worden gemeten vanaf het direct aansluitende terrein en niet vanaf de bodem van het aangrenzende water.

9. Niet is gebleken dat de ijsvogelwandconstructie hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein. Eiser heeft althans niet gesteld of aangetoond dat deze constructie boven de grond van het hoogstgelegen terreingedeelte uitsteekt. Evenmin heeft eiser gesteld of aangetoond dat de constructie dient voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil van meer dan 1 meter.

10. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat voor de bouw van de ijsvogelwandconstructie geen omgevingsvergunning is vereist. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. J.W.M. Bunt en mr. W.R.H. Lutjes, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2015

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op 14 januari 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.