Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:1552

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-03-2015
Datum publicatie
30-03-2015
Zaaknummer
C/08/155877 / HA ZA 14-249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg overeenkomst. Optierechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/155877 / HA ZA 14-249

datum vonnis: 18 maart 2015

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[X] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna ook te noemen [X],

advocaat mr. E.P.M.J. Prop te Bergen op Zoom,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TEN CATE ENBI INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Nuth,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TEN CATE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Almelo,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

hierna gezamenlijk ook te noemen Ten Cate,

advocaat mr. drs. B. van Duren-Kloppert en mr. L.E.H. van de Wouw-Scholz te Amsterdam.

1 Het procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met producties

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie met een productie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie

1.2

Er is vonnis bepaald. Het vonnis is na aanhouding bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1

In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het navolgende vast.

2.2

[X] is op 15 april 2002 als groepsdirecteur in dienst getreden bij
Ten Cate Enbi International.

2.3

Ten Cate kent een optiereglement. Het optiereglement was ook op [X] van toepassing. Aan [X] werden op respectievelijk 14 februari 2005 en 20 maart 2006 voorwaardelijke optierechten toegekend.

2.4

Op basis van het bepaalde in artikel 4 lid 2 van het optiereglement komt elk toegekend optierecht (voorwaardelijk en onvoorwaardelijk) te vervallen indien de arbeidsovereenkomst met een medewerker een einde neemt door opzegging door de werknemer of de werkgever.

2.5

Vanwege wijzigingen in de organisatie- en kostenstructuur heeft Ten Cate de functie van groepsdirecteur, die [X] vervulde, laten vervallen.

2.6

Ten Cate heeft [X] een beëindigingsvoorstel gedaan, wat geresulteerd heeft in een beëindigingsovereenkomst, die is ondertekend door partijen in november 2009.

2.7

De mogelijkheid tot uitoefening van de toegekende onvoorwaardelijke optierechten uit 2005 en 2006 is in de onderhandelingen meegenomen. Ten Cate heeft, gezien de omstandigheden van het einde van het dienstverband (gelegen in bedrijfsorganisatorische redenen), ervoor gekozen [X] tegemoet te komen wat betreft het niet toepassen van artikel 4 lid 2 van het Optiereglement.

2.8

Als productie 1 bij conclusie van antwoord heeft Ten Cate de schriftelijke correspondentie tussen mr. H. Voormolen, destijds advocaat van [X] en

mr. Bijkersma namens Ten Cate overgelegd. Hierin staat voor zover van belang:

Op 6 november 2009 schrijft mr. Voormolen, voor zover hier van belang:

“ (…) Cliënt verzoekt dan ook een uitzondering voor hem te maken en hem het recht te geven deze opties nog gedurende 5 jaren te mogen uitoefenen. (…)”

Op 9 november 2009 schrijft Bijkersma als reactie op de brief van mr. Voormolen, voor zover van belang:

“(…) De spelregels rondom de opties zijn ook ter bescherming van de heer [X]. Vanuit zijn functie heeft hij informatie over de verkoop van Enbi, maar ook over de strategische plannen van alle andere groepen. Hij maakt immers deel uit van het Strategisch Platform van Koninklijke Ten Cate, die deze plannen bespreekt. Wij stellen voor om alle onvoorwaardelijke opties van de heer [X], voor de resterende looptijd, uitoefenbaar te laten na beëindiging dienstverband. (…)”

Op 10 november 2009 bericht mr. Voormolen als reactie op de brief van 9 november van Bijkersma, voor zover hier van belang:

(…)” Punt 2. Ook hiermee is de heer [X] akkoord zij het dat hij in de beëindigingsovereenkomst een vastlegging verwacht van de opties die het betreffen zodat daarover geen misverstanden kunnen ontstaan. (…)”

2.9

Vervolgens hebben partijen een beëindigingsovereenkomst opgesteld. In die beëindigingsovereenkomst zijn partijen onder meer overeengekomen dat [X] zijn recht tot uitoefening van de aan hem toegekende onvoorwaardelijke optierechten over 2005 en 2006 behoudt.

In de beëindigingsovereenkomst, staat voor zover van belang het navolgende.

Artikel 3 – Loondoorbetaling en eindafrekening

(…)

4. Werknemer behoudt het recht tot uitoefening van de aan hem toegekende,

onvoorwaardelijke optierechten, te weten:

d.d. 14 februari 2005: 12.000 stuks, verkregen à € 15,165, uitoefenbaar

tot en met 13 februari 2014

d.d. 20 maart 2006: 6.000 stuks, verkregen à 23,63, uitoefenbaar

tot en met 19 maart 2015

e.e.a. conform het reglement d.d. 2 december 1999, met aanpassingen d.d. 3 maart 2006 en 15 januari 2009.

(…).

Artikel 6 - Diversen

(…)

8. Deze overeenkomst heeft te gelden als een vaststellingsovereenkomst, zoals

bedoeld in artikel 7:900 jo. 902 BW.”.

2.10

Begin 2012 wenst [X] zijn optierechten over 2005 uit te oefenen. Ten Cate weigert dit vanwege vermeende belangenverstrengeling.

2.11

Op 31 januari 2014 dient [X] opnieuw een orderformulier in bij Ten Cate voor uitoefening van zijn optierechten over 2005.

2.12

Bij brief van 6 februari 2014 bericht Ten Cate [X] dat de optierechten over 2005 niet meer kunnen worden uitgeoefend, omdat de periode daarvoor een jaar geleden is verstreken.

2.13

Partijen hebben nadien over en weer gecorrespondeerd over het tussen hen ontstane geschil aangaande de expiratiedatum van de door [X] verkregen optierechten, maar geen oplossing bereikt.

2.14

Partijen hebben het geschil voorgelegd aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel. De voorzieningenrechter heeft op 27 maart 2014 een vonnis gewezen. In genoemd vonnis is in conventie kort gezegd Ten Cate veroordeeld tot nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals neergelegd in de beëindigingsovereenkomst over de uitoefening van de door [X] verkregen optierechten over 2006. Tevens is Ten Cate veroordeeld tot betaling van € 26.340,- aan schadevergoeding ter compensatie voor het niet tijdig kunnen uitoefenen van zijn optierechten over 2005. De vordering in reconventie is afgewezen. Tegen genoemd vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

3 De vordering in conventie en het verweer in reconventie

3.1

Naar aanleiding van het in kort geding gewezen vonnis vordert [X] dat de rechtbank Ten Cate zal veroordelen om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan hem te betalen het bedrag van € 76.320,- wegens het door toedoen van Ten Cate niet kunnen uitoefenen van zijn optierechten over 2005 op 31 januari 2014, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2014, dan wel 13 februari 2014, dan wel vanaf datum dagvaarding tot aan de dag van voldoening.

3.2

[X] vordert tevens dat de rechtbank Ten Cate zal veroordelen om binnen

14 dagen na dagtekening van het vonnis aan hem te betalen het bedrag van € 10.033,- exclusief BTW als zijnde door [X] noodzakelijk gemaakte advocaatkosten.

Ook vordert [X] vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.550,62 exclusief BTW en veroordeling van Ten Cate in de kosten van deze procedure inclusief de nakosten.

3.3

[X] stelt daartoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding Ten Cate heeft veroordeeld tot nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken.

3.4

Aangezien gedurende de looptijd van de procedure de expiratiedatum van de optierechten over 2005 reeds was verstreken, heeft de voorzieningenrechter Ten Cate tevens veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 26.340,- aan schadevergoeding.

De voorzieningenrechter benadrukt in haar vonnis, meer specifiek de overwegingen 5.12 t/m 5.17, dat [X] aanspraak kan maken op vervangende schadevergoeding vanwege het feit dat [X] door toedoen van Ten Cate zijn optierechten niet meer kan uitoefenen.

3.5

De voorzieningenrechter heeft een voorschot op de schadevergoeding toegewezen en daarbij verwezen naar de bodemprocedure als aangewezen weg om over de hoogte van de schade verder te procederen.

3.6

[X] voert verweer tegen de vordering in reconventie. Verzocht wordt dat het gestelde in conventie, in reconventie als herhaald en ingelast wordt beschouwd. Volgens [X] is van onverschuldigde betaling geen sprake, zodat van terugbetaling van het reeds als voorschot opgelegde schadebedrag geen sprake kan zijn.

4 Het verweer in conventie en de vordering in reconventie

4.1

Ten Cate betwist een bedrag aan [X] verschuldigd te zijn. Volgens Ten Cate is bij het opstellen van artikel 3.4 van de vaststellingsovereenkomst een kennelijke schrijffout of rekenfout in de vermelding van de jaartallen gemaakt. De data die genoemd zijn, komen neer op een periode na voorwaardelijke toekenning van de optierechten van 9 jaar in plaats van de in het optiereglement gehanteerde periode van acht jaar (of: 6 jaar in plaats van vijf jaar nadat de betreffende optierechten onvoorwaardelijk zijn geworden). Volgens Ten Cate maakt [X] gebruik van een vermelde datum waarvan hij weet dat deze een vergissing is.

4.2

In de formulering van artikel 3.4 van de beëindigingsovereenkomst is volgens Ten Cate klaarblijkelijk een schrijffout of eigenlijk een rekenfout geslopen. Volgens Ten Cate is artikel 3.4 van de beëindigingsovereenkomst achteraf gezien niet goed opgesteld, omdat er een einddatum is genoemd die niet overeenstemt met het optiereglement zoals dat destijds van toepassing was. Opties die in 2005 zijn toegekend, komen in 2013 te vervallen.

Per ongeluk is verwezen naar 2014 in plaats van naar 2013. Volgens Ten Cate was dit uitdrukkelijk niet de bedoeling, ook niet de bedoeling van [X]. Het was de bedoeling om [X], in afwijking van de reguliere bepalingen uit het optiereglement, de mogelijkheid te geven om de toegekende opties ook na het dienstverband uit te oefenen, niet meer en niet minder. Ten Cate verwijst hiervoor naar de verklaring van Bijkersma
(productie 2 bij conclusie van antwoord). Ten Cate verwijst tevens naar de overgelegde correspondentie. De rechtbank heeft de correspondentie opgenomen onder overweging 2.8.

4.3

In reconventie vordert Ten Cate dat voor recht wordt verklaard dat de optierechten uit 2005 redelijkerwijs enkel konden wordt uitgeoefend gedurende de uitoefenperiode van vijf jaren conform het optiereglement, deze optierechten derhalve niet langer uitoefenbaar zijn en Ten Cate ter zake geen enkele schadevergoeding aan [X] verschuldigd is.

4.4

Volgens Ten Cate dient geconcludeerd te worden dat [X] niet “door toedoen van Ten Cate” zijn optierechten over 2005 niet heeft kunnen uitoefenen, reden waarom er geen enkele aanleiding bestaat en bestond tot betaling van schadevergoeding. Ten Cate vordert derhalve tevens terugbetaling van het conform het vonnis van de voorzieningenrechter betaalde bedrag ad € 26.340,-.

5 De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing.

5.1

[X] vordert naar aanleiding van het in kort geding gewezen vonnis veroordeling van Ten Cate tot vergoeding van de door hem geleden schade vanwege het door toedoen van Ten Cate niet c.q. niet tijdig kunnen uitoefenen van zijn verkregen optierechten over 2005 op 31 januari 2014. Volgens [X] gaat het in deze procedure enkel nog om de hoogte van de schade, nu de voorzieningenrechter over de uitleg van artikel 3.4 van de beëindigingsovereenkomst al onherroepelijk heeft beslist. Ten Cate voert hiertegen verweer.

De rechtbank oordeelt hierover dat, anders dan [X] betoogt, het gehele geschil in deze bodemprocedure ter beoordeling aan de rechtbank voorligt, het vonnis in kort geding maakt dat niet anders. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 257 Rv.

5.2

Kern van het geschil betreft dan wat partijen precies zijn overeengekomen ten aanzien van de uitoefenperiode van de toegekende (onvoorwaardelijke) optierechten uit 2005. Volgens [X] zijn partijen overeengekomen dat deze uitoefenbaar zijn tot en met
13 februari 2014. [X] verwijst hiervoor naar artikel 3.4 van de door partijen getekende beëindigingsovereenkomst. Volgens Ten Cate is in de beëindigingsovereenkomst per abuis verwezen naar 2014 in plaats van naar 2013 en was dit uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen. Ten Cate verwijst hiervoor naar de overgelegde correspondentie en de verklaring van Bijkersma.

5.3

Gelijk als de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, dient de vraag wat partijen zijn overeengekomen te worden beantwoord via de uitleg aan de hand van de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde Haviltex-maatstaf. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan hun gedragingen en verklaringen (waaronder de bewoordingen van de overeenkomst) en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.4

De rechtbank acht hiervoor het navolgende van belang.

In de beëindigingsovereenkomt, welke een vaststellingsovereenkomst is, staat vermeld dat de optierechten over 2005 tot en met 13 februari 2014 uitoefenbaar zijn.

Partijen hebben vooraf uitvoerig onderhandeld over de beëindigingsafspraken. Partijen hebben zich daarbij laten bijstaan door juridisch deskundigen. Partijen hebben de overeenkomst in 2009 getekend en hieraan uitvoering gegeven. Partijen zijn gedurende de vijf jaren na het ondertekenen van de overeenkomst niet op de termijn, opgenomen in
artikel 3.4, teruggekomen.

5.5

Ten Cate verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van een fout in de overeenkomst naar de overgelegde correspondentie en de verklaring van Bijkersma.

De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde correspondentie en de verklaring van Bijkersma onvoldoende zijn om de conclusie te kunnen dragen dat partijen uitdrukkelijk hebben bedoeld 13 februari 2013 als uitoefendatum op te nemen en er derhalve sprake is van een voor een ieder duidelijke schrijffout in de overeenkomst. Het mailbericht van

9 november 2009 van Bijkersma en de reactie van mr. Voormolen hierop, is hiervoor onvoldoende. Uit de correspondentie volgt immers tevens dat mr. Voormolen verzoekt de optierechten nog gedurende vijf jaren te mogen uitoefenen. Volgens [X] werd hiermee bedoeld vijf jaren na einde dienstverband zoals ook opgenomen in de overeenkomst. Volgens Bijkersma is artikel 3.4 van de overeenkomst achteraf gezien niet goed opgesteld. Volgens [X] zijn partijen op dit punt bewust van het optiereglement afgeweken.

Dat een afwijking door geen van partijen is beoogd, zoals Ten Cate stelt, volgt hier in ieder geval niet uit. Vast staat dat partijen vervolgens een overeenkomst hebben opgesteld met daarin de datum 13 februari 2014 welke overeenkomst voor akkoord door partijen is ondertekend.

5.6

Partijen hebben met de beëindigingsovereenkomst beoogd de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband van [X] bij Ten Cate te regelen, zodoende dat hierover geen misverstanden zouden bestaan. Partijen zijn in de overeenkomst bewust afgeweken van de in het optiereglement opgenomen regel dat verkregen optierechten komen te vervallen indien de arbeidsovereenkomst eindigt. Indien partijen niet de bedoeling hadden gehad ook af te wijken van de uitoefentermijn in het optiereglement, hadden zij geen datum in de overeenkomst hoeven op te nemen. Een verwijzing naar einddata zou dan niet nodig zijn geweest. In genoemd artikel staat immers vermeld “e.e.a. conform het toepasselijke optiereglement.”

5.7

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Ten Cate dat uit de enkele verwijzing in artikel 3.4. naar het optiereglement reeds volgt dat van de uitoefenduur zoals daarin is bepaald moet worden uitgegaan. Het optiereglement bevat meer bepalingen dan enkel die over de uitoefenduur van verkregen optierechten. Om die reden kan de stelling van Ten Cate niet opgaan.

5.8

Partijen hebben tot doel gehad [X] in de gelegenheid te stellen zijn optierechten alsnog uit te kunnen oefenen en hebben de afspraken in de overeenkomst vastgelegd. Partijen zijn op de in de overeenkomst opgenomen datum niet teruggekomen. Ook niet op het moment dat [X] begin 2012 zijn optierechten voor 2005 wenst uit te oefenen en
Ten Cate dit weigert in verband met vermeende belangenverstrengeling.

5.9

De rechtbank is van oordeel dat de gegeven omstandigheden en hetgeen [X] en Ten Cate te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, [X] terecht van de in de beëindigingsovereenkomst vermelde datum uitgaat en artikel 3.4 op die wijze ook dient te worden uitgelegd.

5.10

Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een situatie waarin [X] “door toedoen van Ten Cate niet zijn optierechten uit 2005 heeft kunnen uitoefenen”. Ten Cate heeft immers ten onrechte haar goedkeuring aan het uitoefenen van de optierechten onthouden. De rechtbank komt dan toe aan een berekening van de schade die [X] hierdoor heeft geleden.

5.11

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de schade. [X] gaat bij de berekening van de schade uit van de slotkoers op 31 januari 2014 ad € 23,72 en komt dan op een bedrag uit ad € 102.660. Ten Cate gaat uit van een slotkoers op 1 maart 2013 ad € 17,36 en komt dan uit op een bedrag ad € 26.340,-.

5.12

Niet in geschil is dat [X] op 31 januari 2014 zijn optierechten heeft willen uitoefenen. Hiervoor was toestemming van Ten Cate vereist. Ten Cate heeft haar goedkeuring onthouden. Als gevolg hiervan heeft [X] zijn optierechten op
31 januari 2014 niet kunnen uitoefenen. Zoals hierboven reeds overwogen, heeft Ten Cate ten onrechte geen gevolg gegeven aan hetgeen partijen in artikel 4.3 van de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor de berekening van de schade uitgegaan dient te worden van de slotkoers op 31 januari 2014 te weten € 23,72.

5.13

Het verweer van Ten Cate dat van de slotkoers op 1 maart 2013 dient te worden uitgegaan, vloeit voort uit haar stelling dat de datum als opgenomen in de vaststellingsovereenkomst een fout betreft. Zoals uit bovenstaande overwegingen volgt, houdt die stelling geen stand. De rechtbank gaat dan ook hieraan voorbij.

5.14

De rechtbank gaat tevens voorbij aan het verweer van Ten Cate dat de schade niet aan de hand van de slotkoers van 31 januari 2014 kan worden berekend, omdat op die datum niemand conform het reglement optierechten mocht verzilveren. [X] betwist dat er sprake was van een gesloten periode die voor hem zou hebben gegolden en Ten Cate heeft zijn stelling niet geadstrueerd. Ten Cate neemt dit standpunt bovendien voor het eerst in, in haar conclusie van dupliek in conventie. Niet gebleken is dat Ten Cate daar in 2014, op het moment dat [X] zijn optierechten wilde uitoefenen eveneens naar heeft verwezen. Bovendien had het dan op de weg van Ten Cate gelegen om [X] tijdig te waarschuwen, nu de optieregeling onderdeel uitmaakt van de beëindigingsovereenkomst waarmee partijen juist tot doel hebben gehad te regelen dat [X] zijn optierechten alsnog kan uitoefenen.

5.15

De slotsom is dat de vordering van [X] dient te worden toegewezen. Ten Cate dient als de in het ongelijk gestelde partij dan de kosten van de procedure te dragen. De advocaatkosten maken onderdeel uit van de proceskosten. De rechtbank hanteert hiervoor forfaitaire bedragen. Van een grond om hiervan af te wijken is de rechtbank niet gebleken. De gevorderde advocaatkosten hoger dan het forfaitaire bedrag zullen dan ook worden afgewezen.

5.16

Tegen de hoogte van de gevorderde rente en de buitengerechtelijke incassokosten heeft Ten Cate geen verweer gevoerd. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

In reconventie

5.17

De vordering in reconventie vloeit voort uit het verweer in conventie. Nu de vordering in conventie (grotendeels) wordt toegewezen, dient de vordering in reconventie te worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Veroordeelt Ten Cate, dat de ene gedaagde betalend, de ander zal zijn bevrijd, om aan [X] te betalen het bedrag ad € 76.320,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2014 tot aan de dag van voldoening.

II. Veroordeelt Ten Cate, dat de ene gedaagde betalend, de ander zal zijn bevrijd, om aan [X] te betalen het bedrag ad € 1.550,62 exclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten.

III. Veroordeelt Ten Cate, dat de ene gedaagde betalend, de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [X] worden begroot op € 2.768,05, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, gedaagde daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

IV. Veroordeelt Ten Cate in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover gedaagde niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, gedaagde daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

V. Verklaart onderdeel I, II, III en IV van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

VII. Wijst de vorderingen af.

VIII. Veroordeelt Ten Cate, dat de ene gedaagde betalend, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure in reconventie. De kosten aan de zijde van [X] worden begroot op € 579,-.

IX. Verklaart onderdeel VIII van dit vonnis eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.M. Marsman en is op 18 maart 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.