Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:1128

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
C-08-167429 - KG ZA 15-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag; onnodig beslag; belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/167429 / KG ZA 15-30

Vonnis in kort geding van 20 februari 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiseres, tevens advocaat te Amersfoort,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats 2],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 3],

gedaagden,

advocaat mr. A.J. ter Wee te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 20;

  • -

    de producties 21 en 22 van eiseres;

  • -

    de producties 1 tot en met 3 van gedaagden;

  • -

    de mondelinge behandeling op 13 februari 2015;

  • -

    de pleitnota van eiseres tevens houdende vermeerdering van eis;

  • -

    de pleitnota van gedaagden.

1.2.

Gedaagden hebben ter terechtzitting bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Daarop heeft de voorzieningenrechter ter zitting beslist dat het bezwaar wordt afgewezen omdat de vermeerdering van eis - gezien haar aard en strekking - niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[2014] is overleden de heer [X] (hierna: erflater). Erflater was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd en liet drie zoons en drie dochters achter. Eiseres is dochter van erflater. Gedaagden zijn twee zoons van erflater.

2.2.

Erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament d.d. 7 februari 2014, waarbij hij gedaagden als erfgenaam heeft uitgesloten en eiseres heeft benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Eiseres heeft haar benoeming tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder aanvaard.

2.3.

Gedaagden hebben bij brief van 1 mei 2014 aanspraak gemaakt op hun legitieme porties en eiseres verzocht om alle benodigde stukken te verstrekken teneinde de aanspraak te kunnen berekenen.

2.4.

Gedaagden hebben bij brief van 22 oktober 2014 verzocht om hun legitieme porties ten bedrage van € 100.771,41 per persoon binnen één week uit te keren.

2.5.

Bij brief van 2 november 2014 heeft eiseres aan gedaagden bericht dat gedaagden recht hebben op een legitieme portie minus de in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW vermelde schulden van de nalatenschap en dat eiseres de boedelbeschrijving in een notariële akte zal laten vastleggen, zodat daar voor gedaagden en de erfgenamen geen geschil over kan bestaan.

2.6.

Op 17 december 2014 heeft er op verzoek van eiseres een vergadering onder leiding van notaris prof. mr. T.J. Mellema-Kranenburg plaatsgevonden waarin de afwikkeling van de nalatenschap is besproken. Hierbij zijn onder meer eiseres en mr. Tjabringa namens gedaagden aanwezig geweest.

2.7.

Bij brief van 22 januari 2015 heeft eiseres aan gedaagden bericht dat zij heeft besloten om de boerderij van erflater te kopen voor het getaxeerde bedrag van € 900.000,00 en daarbij aangegeven:

(…) Een (…) reden is dat uit het overleg met prof.mr. T. Mellema op 17 december 2014 is gebleken dat er wordt gewacht op uitbetaling vanuit de nalatenschap. Uitbetaling kan alleen geschieden als de boerderij wordt verkocht. Het idee om nog lange tijd, misschien wel jaren, in de situatie te blijven zitten is zeer onwenselijk. Daarnaast is gebleken dat het niet op prijs wordt gesteld als een legitimaris of erfgenaam eerder gelden uit de nalatenschap ontvangen als de ander. (…)

2.8.

Gedaagden hebben ter verzekering van het verhaal van hun legitieme porties, na daartoe op 21 januari 2015 verlof te hebben gekregen van de voorzieningenrechter, op

28 januari 2015 beslag gelegd op het onverdeelde aandeel van de erfgenamen in de nalatenschap van erflater zijnde een woonboerderij met werkplaats, schuur en weiland, kadastraal bekend [Y], sectie F, nummers [a], [b], [c] en [d], plaatselijk bekend als [adres] te [plaats]

(hierna: de boerderij).

2.9.

Op 9 februari 2015 hebben gedaagden de dagvaarding ten behoeve van het instellen van de eis in de hoofdzaak aan eiseres doen betekenen. Gedaagden vorderen onder meer vaststelling van de omvang van de legitieme portie per gedaagde op € 100.741,33 en betaling van dat bedrag minus de erfbelasting begroot op € 8.087,00.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert – samengevat en na vermeerdering van eis - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, gedaagden veroordeelt:

1. om het conservatoir beslag, dat gedaagden hebben doen leggen op de boerderij binnen 2 dagen na de betekening van dit vonnis op te heffen, onder verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagden na betekening van het vonnis in gebreke blijven met de opheffing van het beslag;

2. in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gedaagden hebben ter verzekering van het verhaal van hun legitieme porties beslag gelegd op de boerderij van erflater. Tussen partijen is de hoogte van de legitieme porties niet in geschil. De omvang van de vorderingen uit hoofde van de legitieme porties staat nog niet geheel vast, aangezien de definitieve hoogte van de erfbelasting nog niet bekend is.

4.2.

Eiseres stelt zich – kort gezegd - op het standpunt dat het conservatoire beslag onnodig is gelegd, omdat gedaagden geen enkel risico lopen dat zij hun legitieme porties niet zullen ontvangen, aangezien de gelden van de verkoop van de boerderij op een derdenrekening van de notaris zullen worden gestort en de legitieme porties vervolgens aan gedaagden zullen worden uitgekeerd. Voorts stelt eiseres dat zij door het beslag op onevenredig zware wijze in haar belangen wordt getroffen nu zij geen financiering voor de aankoop van de boerderij verkrijgt zolang er beslag op de boerderij rust, waardoor de boerderij niet op korte termijn kan worden verkocht en in waarde achteruit zal gaan.

4.3.

Gedaagden stellen zich – kort gezegd - op het standpunt dat het beslag niet onnodig is, omdat zij zekerheid willen dat hun legitieme porties worden uitbetaald. In dit kader hebben gedaagden aangevoerd dat eiseres op dit moment weigert de legitieme porties te betalen en eiseres als executeur zeer vergaande bevoegdheden ten aanzien van de boedel heeft waardoor gedaagden mogelijk kunnen worden benadeeld. Voorts wordt, bij gebrek aan nadere informatie, betwist dat eiseres de boerderij kan financieren. Bovendien wordt de boedel door het beslag niet benadeeld nu gedaagden bereid zijn om het beslag op te heffen zodra de boerderij tegen de getaxeerde prijs wordt verkocht en hetgeen gedaagden toekomt door de notaris in depot wordt gehouden.

Verder hebben gedaagden verzocht om een maximum aan de eventueel toe te kennen dwangsom te verbinden en deze te laten ingaan op de derde dag na betekening.

4.4.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.5.

De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als onnodig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen. De beoordeling of het beslag dient te worden opgeheven kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.6.

Voldoende aannemelijk is geworden dat eiseres (als executeur en afwikkelingsbewindvoerder) op dit moment over onvoldoende liquide middelen beschikt om het gehele bedrag aan legitieme porties aan gedaagden uit te keren en dat eiseres, om deze liquide middelen te kunnen verwerven, eerst de in de nalatenschap vallende boerderij zal moeten verkopen. Nu het beslag hieraan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in de weg staat wordt eiseres door het beslag op een onevenredig zware wijze in haar belangen getroffen. Dit geldt temeer nu er geen aanwijzingen zijn dat betaling door eiseres van de legitieme porties achterwege zal blijven nadat de boerderij is verkocht of dat er gegronde vrees bestaat dat er vermogensbestanddelen aan het verhaal van gedaagden worden onttrokken.

In dit verband wordt overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres haar taak als executeur en afwikkelingsbewindvoerder tot op heden niet op een juiste wijze heeft ingevuld, laat staan dat de vrees bestaat dat dit in de verdere uitoefening van haar taak aan de orde zou komen.

Nu het door gedaagden gestelde belang bij het beslag - te weten dat hun legitieme porties zo spoedig mogelijk worden uitbetaald - eveneens door het beslag wordt gehinderd, weegt het belang van gedaagden bij zekerheid voor hun vordering niet zo zwaar als het belang van eiseres bij opheffing van het beslag. Al met al zal de vordering tot opheffing van het beslag door gedaagden worden toegewezen.

4.7.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat het maximum van de te verbeuren dwangsommen zal worden gesteld op € 50.000,00.

4.8.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- dagvaarding € 191,63

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.292,63

4.9.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen tot een (forfaitair) bedrag van

€ 131,00 aan salaris advocaat zonder dat betekening van het vonnis heeft plaatsgehad, verhoogd met een bedrag van € 68,00 indien en voor zover de veroordeelde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend.

4.10.

De gevorderde wettelijke rente over de proces- en nakosten zal worden toegewezen als na te melden.

4.11.

Eiseres heeft geconcludeerd tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis op de minuut en op alle dagen en uren. Deze verzoeken zullen worden afgewezen. De wet kent niet (meer) de mogelijkheid om een vonnis uitvoerbaar bij voorraad op de minuut te verklaren. Daarnaast heeft eiseres niet onderbouwd welk belang zij erbij heeft dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren wordt verklaard.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt gedaagden om het conservatoir beslag, dat gedaagden hebben doen leggen op de onroerende zaak, zijnde een woonboerderij met werkplaats, schuur en weiland, kadastraal bekend [Y], sectie F, nummers [a], [b], [c] en [d], plaatselijk bekend als [adres] te [plaats], binnen 2 dagen na de betekening van dit vonnis op te heffen;

5.2.

veroordeelt gedaagden om aan eiseres een dwangsom te betalen van € 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;

5.3.

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.292,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

veroordeelt gedaagden in de nakosten, aan de zijde van eiseres begroot op € 131,00 zonder dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgehad, vermeerderd met een bedrag van

€ 68,00 indien en voor zover de veroordeelde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten van € 131,00 vanaf de vijftiende dag na aanschrijving van gedaagde alsmede ingeval van betekening van dit vonnis te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten van € 68,00 vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, telkens tot de dag van volledige betaling;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.