Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:1091

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
C/08/141378 / HA ZA 13-482 en C/08/153089 / HA ZA 14-128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke aansprakelijkheid of borgtocht?

Eiseres wist of had in onderhavig geval moeten weten dat slechts beoogd werd om zekerheid te stellen. Het gaat om een geldleningsovereenkomst met feitelijk slechts één kredietnemer, waarbij het te verstrekken krediet ook alleen strekte ten behoeve van de bedrijfsvoering van die kredietnemer. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat gedaagde zich niet hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld, maar dat er sprake is van borgtocht.

Het beroep van gedaagde op de nietigheid van de borgtocht slaagt niet en ook het beroep op rechtsverwerking wordt verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de borg worden aangesproken tot voldoening van de hoofdverbintenis. Eiseres kan gedaagde niet aanspreken uit hoofde van alle overige uit de geldleningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, waaronder de verplichting tot betaling van contractuele (vertragings)rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/353
INS-Updates.nl 2015-0030
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummers: C/08/141378 / HA ZA 13-482 (hoofdzaak) en C/08/153089 / HA ZA 14-128 (vrijwaringszaak)

Datum vonnis: 11 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken

in de hoofdzaak met nummer C/08/141378 / HA ZA 13-482

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROLSCHE BIERBROUWERIJ NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Enschede,

eiseres in de hoofdzaak,

verder te noemen Grolsch,

advocaat mr. A. Prascevic te Enschede,

tegen

[X] ,

wonende te [woonplaats 1],

gedaagde in de hoofdzaak,

verder te noemen [X],

behandelend advocaat: mr. I. Hoedemaeker te Amsterdam,

procesadvocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

en in de vrijwaringszaak met nummer C/08/153089 / HA ZA 14-128

[X] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiser in vrijwaring,

verder te noemen [X],

behandelend advocaat: mr. I. Hoedemaeker te Amsterdam,

procesadvocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 [Y],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde 1 in vrijwaring,

verder te noemen [Y],

advocaat mr. M. Dorgelo te Amsterdam,

2. [Z],

wonende te [woonplaats 3],

gedaagde 2 in vrijwaring,

verder te noemen [Z],

niet verschenen.

1. Het procesverloop

In de hoofdzaak

1.1.

Grolsch heeft gevorderd zoals vermeld in de dagvaarding van 9 juli 2013.

1.2.

[X] heeft daarop gereageerd bij conclusie van antwoord.

1.3.

Grolsch heeft gerepliceerd en [X] heeft gedupliceerd.

1.4.

De uitspraak is vastgesteld op vandaag.

In vrijwaring

1.5.

Bij incidentele conclusie heeft [X] geconcludeerd tot het oproepen van [Z] en [Y] in vrijwaring.

1.6.

Grolsch heeft een conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident ingediend.

1.7.

Bij vonnis in het incident van 12 februari 2014 heeft de rechter het dagvaarden van [Z] en [Y] in vrijwaring toegestaan.

1.8.

Op 4 maart 2014 heeft [X] [Z] en [Y] gedagvaard in vrijwaring.

1.9.

Tegen [Z] is verstek verleend.

1.10.

Tegen [Y] is een akte niet-dienen verleend, nu hij is verschenen, maar heeft nagelaten om te concluderen voor antwoord.

1.11

De uitspraak is vastgesteld op vandaag.

2 De vaststaande feiten

In de hoofdzaak en in vrijwaring

2.1.

[X], [Z] en [Y] waren aandeelhouders van QC Project Manufacturing Solutions B.V. (hierna QC). QC exploiteerde een horecagelegenheid in Amsterdam onder de naam ‘The Mansion’.

2.2.

Op 30 oktober 2007 heeft Grolsch met QC een overeenkomst gesloten op basis waarvan Grolsch aan QC een geldlening heeft verstrekt van € 250.000,- (hierna: de geldleningsovereenkomst). Op grond van de geldleningsovereenkomst was QC vanaf
1 november 2007 gedurende 60 maanden verplicht om maandelijks een bedrag van
€ 5.069,10 aan Grolsch (terug) te betalen.

2.3.

De geldleningsovereenkomst bepaalt onder meer het volgende:

“(…) 9. Overige bepalingen

(…)

4. De exploitant is door het enkele feit dat een aflossings- of (overeengekomen) rentetermijn niet zoals overeengekomen is voldaan, in verzuim. De exploitant is vanaf de datum waarop hij in verzuim is, over het alsdan verschuldigde bedrag de wettelijke (handels)rente, te vermeerderen met vijf procent, verschuldigd tot de dag der algehele voldoening.

(…)

Hoofdelijke aansprakelijkheid

1. De ondergetekenden, [Z] (…), [X] (…) en [Y] (…) handelend voor zich in privé, verklaren zich hierbij, ieder voor zich, hoofdelijk jegens Grolsch te verbinden tot algehele nakoming van alle verplichtingen van de exploitant uit hoofde van deze overeenkomst of daaruit voortvloeiende. (…)”

2.4.

Begin 2009 is een achterstand ontstaan in de terugbetaling van de geldlening door QC.

2.5.

Op 24 september 2009 heeft Grolsch zowel aan QC als aan [X] een brief gestuurd waarin zij aangeeft het gehele restantbedrag van de lening op te eisen in verband met de betalingsachterstand.

2.6.

Op 13 oktober 2009 is QC in staat van faillissement verklaard.

3 De standpunten van partijen

In de hoofdzaak

Het standpunt van Grolsch

3.1.

Grolsch vordert dat [X] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 187.392,30 aan Grolsch, vermeerderd met de contractuele dan wel wettelijke handelsrente vanaf 30 september 2009 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast vordert Grolsch veroordeling van [X] in de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.500,- en de proceskosten, vermeerderd met de nakosten.

3.2.

Grolsch voert daartoe aan dat [X] zich in de geldleningsovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst. Het nog verschuldigde deel van de lening bedraagt € 187.392,30. Grolsch heeft [X] op 24 september 2009 gesommeerd om het gehele restantbedrag van de lening vóór 30 september 2009 te betalen. Hieraan is niet voldaan. Daardoor is [X] vanaf die datum tevens de contractuele (vertragings)rente verschuldigd.

Het standpunt van [X]

3.3.

voert aan dat er op grond van de overeenkomst geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, maar van particuliere borgtocht. [X] heeft bij de onderhandelingen over de overeenkomst uitdrukkelijk aangegeven niet hoofdelijk aansprakelijk te willen zijn, maar slechts borg te willen staan. Dit was ook de bedoeling van partijen. Nu in de overeenkomst geen maximum aan de borg verbonden is, is deze borg nietig. De vordering van Grolsch dient dan ook te worden afgewezen.

3.4.

Subsidiair beroept [X] zich op rechtsverwerking. Doordat Grolsch jarenlang heeft stilgezeten, is er sprake van zulk nalatig gedrag dat Grolsch haar rechten uit de overeenkomst heeft verspeeld. Bij [X] is het vertrouwen ontstaan dat hij niet meer zou worden aangesproken uit hoofde van de overeenkomst. Het is nu onmogelijk geworden om [A] nog aan te spreken. [A] heeft zich in de geldleningsovereenkomst immers borg gesteld voor een bedrag van € 125.000,-, welk bedrag vanaf 1 februari 2008 maandelijks werd afgebouwd met € 2.083,33. Hierdoor is [X] onredelijk benadeeld.

3.5.

[X] betwist voorts de hoogte van de vordering van Grolsch. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

3.6.

Daarnaast stelt [X] zich op het standpunt dat de vordering op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden gematigd tot nihil. Door Grolsch is niets gedaan om haar vordering op een andere manier te verhalen. Zo had zij bijvoorbeeld als zekerheid ook een pandrecht op de inventarisatie en de handelsnaam van The Mansion. Niettemin kiest Grolsch ervoor om het gehele bedrag bij [X] op te eisen.

3.7.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten voert [X] aan dat er in onderhavige zaak slechts sprake is van een enkele aanmaningsbrief zodat de deze vordering dient te worden afgewezen. De gevorderde contractuele rente is eveneens niet toewijsbaar, nu bij een borg slechts wettelijke rente kan worden toegewezen. Bovendien was QC op 30 september 2009 nog niet in verzuim, wat betekent dat [X] op dat moment ook nog niets verschuldigd was aan Grolsch.

In vrijwaring

Het standpunt van [X]

3.8.

vordert in vrijwaring primair dat [Z] en [Y] hoofdelijk worden veroordeeld om aan hem te betalen datgene waartoe [X] in de hoofdzaak wordt veroordeeld (met inbegrip van de kostenveroordeling) althans twee derde deel van hetgeen waartoe [X] wordt veroordeeld, althans € 128.200,-, één en ander met (hoofdelijke) veroordeling van [Z] en [Y] in de proceskosten van de vrijwaring, vermeerderd met rente en kosten. Subsidiair vordert [X] dat [Z] en [Y] beiden worden veroordeeld tot betaling van een derde gedeelte van waarvan [X] in de hoofdzaak wordt veroordeeld, althans € 69.010,- en tot veroordeling van de proceskosten in vrijwaring, vermeerderd met rente en kosten.

3.9.

[X] voert daartoe aan dat indien de rechtbank in de hoofdzaak van oordeel is dat er sprake is van een rechtsgeldige borg door [X] of dat [X] hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen voortvloeiende uit de geldleningsovereenkomst, [X] een regresvordering krijgt op QC. Omdat naast [X] ook [Y] en [Z] zich hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor de geldleningsovereenkomst, geldt deze regresvordering ook ten aanzien van [Y] en [Z].

4 De beoordeling

In de hoofdzaak

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het gehele restantbedrag van de lening door de achterstallige betaling ineens opeisbaar is. Partijen verschillen echter van mening of Grolsch dit bedrag bij [X] kan opeisen en wat de hoogte van het restantbedrag is.

4.2.

De eerste vraag die beantwoord dient te worden is hoe de rechtsverhouding tussen Grolsch en [X] moet worden gekwalificeerd. Grolsch meent dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, terwijl [X] meent dat de rechtsverhouding kwalificeert als borgtocht.

4.3.

Van borgtocht is sprake als iemand zich tegenover een schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis van een derde, de hoofdschuldenaar (artikel 7:850 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). Een borg is dus iemand die slechts zekerheid aan een schuldeiser wil verschaffen en die in zijn relatie tot de hoofdschuldenaar niet draagplichtig is. Voor het antwoord of er sprake is van borgtocht, is niet van doorslaggevend belang welke bewoordingen in de overeenkomst zijn gebruikt. Ook als iemand verklaart zich te verbinden als hoofdelijk schuldenaar, maar de schuldeiser weet bij het aangaan van de overeenkomst dat diegene niet draagplichtig is, moet de overeenkomst worden gekwalificeerd als borgtocht.

4.4.

Grolsch wist of had in onderhavig geval moeten weten dat slechts beoogd werd om zekerheid te stellen. Het gaat om een geldleningsovereenkomst met feitelijk slechts één kredietnemer, QC, waarbij het te verstrekken krediet ook alleen strekte ten behoeve van de bedrijfsvoering van QC. Gesteld noch gebleken is dat [X] in deze situatie draagplichtig is. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [X] zich niet hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld, maar dat er sprake is van borgtocht. Nu [X] onweersproken heeft gesteld als natuurlijk persoon te hebben gehandeld en geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 7:857 BW, is er sprake van particuliere borgtocht.

4.5.

Het beroep van [X] op de nietigheid van borgtocht slaagt niet. Op grond van artikel 7:858 BW moet een maximumbedrag worden opgenomen in de (overeenkomst van) borgtocht voor zover het bedrag van de verbintenis van de schuldenaar op het tijdstip van het aangaan van de borgtocht niet vaststaat. In het arrest van de Hoge Raad van
19 september 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD5520) is geoordeeld dat dit artikel ertoe strekt te bevorderen dat degene die een particuliere borgtocht aangaat, zich niet alleen van de aard doch ook van de omvang van het aanvaarde risico bewust is.

4.6.

In de geldleningsovereenkomst heeft [X] zich verbonden tot algehele nakoming van alle verplichtingen van QC uit hoofde van de geldleningsovereenkomst of daaruit voortvloeiende. In artikel 1 van de geldleningsovereenkomst is bepaald dat de lening wordt aangegaan voor een bedrag van € 250.000,- welk bedrag door QC dient te worden terugbetaald in 60 maandelijkse termijnen van € 5.069,10. Dat betekent dat voor [X] op het moment van het aangaan van de borgtocht duidelijk was welk bedrag QC aan Grolsch verschuldigd was, namelijk € 304.146,- (60 maal € 5.069,10). Dit maakt dat de onderhavige borgstelling, ook nu daarin geen in geld uitgedrukt maximumbedrag is overeengekomen, voldoet aan het vereiste van artikel 7:858 lid 1 BW en daarom geldig is.

4.7.

Ten aanzien van het beroep van [X] op rechtsverwerking wordt het volgende overwogen. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of stilzitten van Grolsch onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij [X] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Grolsch haar aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij [X] in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval Grolsch haar aanspraak alsnog geldend zou maken.

4.8.

Grolsch heeft [X] –zoals [X] zelf in haar conclusie van dupliek stelt– in elk geval in 2009, 2010, 2011 en 2013 aangesproken om tot betaling van het restantbedrag over te gaan. In 2010 heeft [X] bovendien tweemaal een bedrag van

€ 10.000,- aan Grolsch betaald en in 2013 hebben partijen nog gesproken over een afwikkeling/betalingsregeling. Bij [X] kon, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen zijn ontstaan dat Grolsch hem niet meer zou aanspreken. Ook de stelling van [X] dat hij onredelijk in zijn positie wordt benadeeld, volgt de rechtbank niet. Op Grolsch rust geen rechtsplicht om alle borgen (tegelijk) aan te spreken. Nu [X] in 2009 al wist dat Grolsch hem aansprak ter zake van de openstaande lening, had [X] zelf de andere borgen daarbij kunnen betrekken. Dat [X] dit heeft nagelaten, kan niet aan Grolsch worden tegengeworpen. Het beroep op rechtsverwerking wordt dan ook verworpen.

4.9.

De stelling van [X] dat een schuldeiser zonder meer gehouden is de overige zekerheden, zoals pandrecht, uit te winnen alvorens een borg aan te spreken, is onjuist. Een dergelijke algemene verplichting bestaat niet. Een schuldeiser is in beginsel vrij om te kiezen in welke volgorde hij de beschikbare zekerheden uitwint. Dat neemt niet weg dat een schuldeiser verplicht is rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de borg en dat hij onder omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt indien hij de borg aanspreekt alvorens eerst voldoende inspanningen te verrichten andere zekerheden uit te winnen. Grolsch heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij niet tot uitwinning van de pandrechten kon overgaan, omdat de goederen waarop het pandrecht rustte als bodemzaken in de zin van artikel 21 Invorderingswet 1990 tot de failliete boedel van QC behoorden. In dit licht heeft [X] zijn stelling dat Grolsch in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vordering van Grolsch op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijzen of te matigen.

4.10.

De betwisting van de hoogte van de vordering van Grolsch acht de rechtbank, gelet op de door Grolsch in repliek overgelegde specificatie, onvoldoende gemotiveerd. Uit deze specificatie blijkt immers duidelijk genoeg hoe Grolsch tot het door haar gevorderde bedrag is gekomen.

4.11.

Uit de specificatie blijkt echter dat voor de maanden juni, juli, augustus en september 2009 telkens een bedrag aan (vertragings)rente is gefactureerd, die kennelijk ziet op het niet-tijdig voldoen van de maandelijkse termijnen door QC. Deze bedragen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar. Ingevolge artikel 7:856 BW is de borg slechts wettelijke (vertragings)rente verschuldigd over het tijdvak dat hij zelf in verzuim is. Nu Grolsch [X] op 24 september 2009 heeft gesommeerd om het restantbedrag van de lening voor 30 september 2009 te betalen, is [X] pas vanaf 30 september 2009 in verzuim. De rechtbank zal de rentebedragen zoals opgenomen op de specificatie dan ook van het gevorderde bedrag aftrekken, zodat resteert een bedrag ad € 186.055,04

(€ 187.392,30 – (€ 640,48 + € 279,02 + € 232,26 + € 185,50)).

4.12.

Grolsch heeft daarnaast vanaf 30 september 2009 de contractuele rente gevorderd. Volgens Grolsch is [X] de contractuele rente verschuldigd, omdat in de overeenkomst is opgenomen dat [X] aansprakelijk is voor alle verplichtingen van QC uit hoofde van de geldleningsovereenkomst of daaruit voortvloeiende.

4.13.

Uit het hiervoor in rechtsoverweging 4.4. aangehaalde arrest van de Hoge Raad is geoordeeld dat in het geval in de borgtocht zelf geen maximumbedrag is overeengekomen en de verbintenis van de hoofdschuldenaar gedeeltelijk strekt tot voldoening van een bepaald bedrag en gedeeltelijk onbepaald is, de borgtocht geldig is voor zover deze betrekking heeft op het deel van de hoofdverbintenis dat tot voldoening van een bepaald bedrag strekt. Dat betekent dat de borgstelling enkel geldig is voor zover deze ziet op het bepaalde bedrag van € 304.146,-. Grolsch kan [X] niet aanspreken uit hoofde van alle overige uit de geldleningsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, waaronder de verplichting tot betaling van contractuele (vertragings)rente moet worden begrepen. De gevorderde contractuele rente wordt dan ook afgewezen.

4.14.

Nu artikel 7:856 BW expliciet spreekt over wettelijke rente en niet over wettelijke handelsrente, zal de wettelijke rente, als het mindere, worden toegewezen vanaf
30 september 2009. De stelling van [X] dat hij op 30 september 2009 nog niet in verzuim was, omdat QC op die datum nog niet in verzuim was, wordt verworpen. Op grond van artikel 9.4 van de geldleningsovereenkomst was QC immers door het enkele feit dat er een aflossingstermijn niet was voldaan, in verzuim.

4.15

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van Grolsch toewijzen tot een bedrag van € 186.055,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2009.

4.16.

Grolsch maakt daarnaast aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1405) is het versturen van één enkele sommatiebrief voldoende om aanspraak te kunnen maken op buitengerechtelijke incassokosten. Dit wordt overigens beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW in samenhang met rapport Voorwerk II (in geval van verzuim vóór 1 juli 2012) dan wel het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (in geval van verzuim na 1 juli 2012). Nu het verzuim in casu is ingetreden vóór 1 juli 2012 is rapport Voorwerk II van toepassing.

4.17.

Ten aanzien van de omvang van de buitengerechtelijke incassokosten heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever deze heeft willen normeren aan de hand van een forfaitair percentage dat uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom. Hiermee is beoogd voor beide partijen duidelijkheid en rechtszekerheid te scheppen over de hoogte van de verschuldigde kosten, zodat daarover conflicten en een eventuele gang naar de rechter worden voorkomen. Aan een redelijkheidstoets – zoals voorgestaan door [X] – komt de rechtbank dus niet toe.

4.18.

Grolsch heeft voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. De rechtbank zal de gevorderde kosten ad € 2.500,00 toewijzen, nu dit bedrag lager is dan genoemd in rapport Voorwerk II.

4.19.

[X] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Grolsch worden begroot op:

- dagvaarding € 78,34

- vast recht 3.715,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punt(en) × tarief € 1.421)

Totaal € 6.635,34

In vrijwaring

4.20.

Op grond van artikel 7:866 BW heeft [X] voor het gehele bedrag dat hij aan hoofdsom, rente en kosten aan Grolsch moet voldoen een regresvordering op QC. De stelling van [X] dat hij, nu [Z] en [Y] zich hoofdelijk aansprakelijk hebben gesteld voor QC, om die reden ook een regresvordering heeft op [Z] en [Y] kan de rechtbank echter niet volgen. Het oordeel van de rechtbank in de hoofdzaak - dat geen sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, maar van borgtocht - geldt immers ook ten aanzien van [Z] en [Y]. [Z] en [Y] zijn dus de medeborgen van [X]. De wet biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat [Z] en [Y] als medeborgen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel waartoe [X] in de hoofdzaak is veroordeeld. Dat betekent dat de primaire vordering van [X] wordt afgewezen.

4.21.

Ingevolge artikel 7:869 BW kan de borg, te wiens laste de schuld is gedelgd, het onverhaalbaar gebleken gedeelte omslaan over zichzelf en zijn medeborgen. Dat betekent dat [X] het bedrag waartoe hij in de hoofdzaak is veroordeeld, nu QC failliet is, over zichzelf en zijn medeborgen kan verdelen, zodat ieder een derde deel van het bedrag verschuldigd is. De subsidiaire vordering van [X] zal derhalve worden toegewezen, met dien verstande dat [X], gelet op de tekst van artikel 7:869 BW, [Z] en [Y] pas kan aanspreken als een voor zover hij de schuld aan Grolsch heeft voldaan.

4.22.

De rechtbank begrijpt uit de vordering van [X] dat hij stelt dat zijn medeborgen daarnaast tevens ieder een derde deel van het reeds door hem in 2010 betaalde bedrag van € 20.000,- moeten terugbetalen (derhalve € 6.666,67). Deze vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal eveneens worden toegewezen.

4.23.

[Y] en [Z] worden hoofdelijk in de proceskosten in vrijwaring veroordeeld, aan de zijde van [X] begroot op:

- dagvaardingen € 187,60

- salaris advocaat 1.421,00 (1 punt(en) × tarief € 1.421)

Totaal € 1.608,60

5 De beslissing

De rechtbank:

In de hoofdzaak

I. veroordeelt [X] om aan Grolsch te betalen een bedrag van € 186.055,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2009 tot de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt [X] om aan Grolsch aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen een bedrag van € 2.500,-;

III. veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van Grolsch begroot op

€ 6.635,34, vermeerderd met de nakosten van respectievelijk € 131,- zonder betekening en

€ 199,- in het geval van betekening, indien en voor zover [X] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan;

IV. verklaart dit vonnis in de hoofdzaak uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde;

In vrijwaring

VI. veroordeelt [Y] om aan [X] te betalen een derde deel van al hetgeen [X] ingevolge het vonnis in de hoofdzaak onder rolnummer C/08/141378/ HA ZA 13-482 aan Grolsch zal hebben voldaan, met inbegrip van de kostenveroordeling;

VII. veroordeelt [Y] om aan [X] te betalen een bedrag van € 6.666,67;

VIII. veroordeelt [Z] om aan [X] te betalen een derde deel van al hetgeen [X] ingevolge het vonnis in de hoofdzaak onder rolnummer C/08/141378/ HA ZA 13-482 aan Grolsch zal hebben voldaan, met inbegrip van de kostenveroordeling;

IX. veroordeelt [Z] om aan [X] te betalen een bedrag van € 6.666,67;

X. veroordeelt [Y] en [Z] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten in vrijwaring, aan de zijde van [X] begroot op €1.608,60, vermeerderd met de nakosten van respectievelijk € 131,- zonder betekening en € 199,- in geval van betekening, indien en voor zover [Y] en [Z] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis hebben voldaan, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, [Z] en [Y] daarover de wettelijke rente zijn verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening;

XI. verklaart dit vonnis in vrijwaring uitvoerbaar bij voorraad;

XII. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Van de Lustgraaf, Hangelbroek en Van der Veer en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.