Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:1031

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
08/760058-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt vier mannen uit Weesp tot celstraffen van 12 tot en met 24 maanden omdat zij op 17 maart 2014 in Deventer een man onder dwang van (vuur)wapens hadden meegenomen en gegijzeld. Die gijzeling was volgens de verdachten bedoeld om het slachtoffer te confronteren met een vermeende ontvoering en mishandeling. In plaats van de daartoe geëigende weg te kiezen, speelden de vier mannen voor eigen rechter. De mannen moeten ook een schadevergoeding van 1200 euro betalen aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/760058-14

Datum vonnis: 26 februari 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 3],

geboren op [geboortedatum 1] 1972 te [geboorteplaats 1],

wonende in [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juli 2014, 18 september 2014 en 12 februari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Tromp en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. J.M. Lintz, advocaat te ‘s-Gravenhage, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 17 maart 2014 in de gemeente Deventer, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1] , althans één of meer personen, wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of die perso(o)n(en) en/of een of meer anderen,

te dwingen iets te doen of niet te doen,

immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

met dat opzet

- die [slachtoffer 1] aangesproken en/of deze bij diens (boven)kleding vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 1] meegetrokken in de richting van een auto en/of

- meermalen (hoorbaar voor die [slachtoffer 1]) gezegd "Zet hem een pistool op de kop"

en/of

- die [slachtoffer 1] (aldus) gedwongen mee te lopen/gaan naar een auto en/of plaats te

nemen in een auto en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) in die/een auto geduwd en/of geslagen en/of

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd: "Je weet wel wat je gedaan hebt" en/of

(nadat [slachtoffer 1] had gezegd dat hij dat niet wist) tegen die [slachtoffer 1] gezegd

"Daar komen we zo wel achter", althans woorden van gelijke aard of

strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes/scherp voorwerp bedreigd , althans dat mes/voorwerp

aan die [slachtoffer 1] getoond en/of

- die [slachtoffer 1] vervoerd naar een of meer plaatsen en/of deze een tijdlang tegen

diens wil in die/een auto vervoerd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 17 maart 2014 in de gemeente Deventer, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden,

immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

met dat opzet

- die [slachtoffer 1] aangesproken en/of deze bij diens (boven)kleding vastgepakt en/of

die [slachtoffer 1] meegetrokken in de richting van een auto en/of

- meermalen (hoorbaar voor die [slachtoffer 1]) gezegd "Zet hem een pistool op de kop"

en/of

- die [slachtoffer 1] (aldus) gedwongen mee te lopen/gaan naar een auto en/of

plaats te nemen in een auto en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) in die/een auto geduwd en/of geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] met een mes/scherp voorwerp bedreigd , althans dat mes/voorwerp

aan die [slachtoffer 1] getoond en/of

- die [slachtoffer 1] vervoerd naar een of meer plaatsen en/of deze een tijd

lang tegen diens wil in die auto vervoerd;

2.

hij op of omstreeks 17 maart 2014 in de gemeente Deventer [slachtoffer 2]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 2]

(telefonisch) onder meer de woorden toegevoegd

dat hij, verdachte, (35 kilo) hennep kwijt was en/of dat die [slachtoffer 2] en/of

een of meer andere personen die hennep had(den) gestolen en/of

(nadat die [slachtoffer 2] tegen hem, verdachte, had gezegd van niets te weten) :

"Ik kom je ophalen, al duurt het 2 dagen of een week, ik zal je vinden. Ik

haal jullie stuk voor stuk allemaal op ", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 17 maart 2014 in de gemeente Deventer [slachtoffer 3] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [slachtoffer 2] (de zoon van voornoemde [slachtoffer 3]) (telefonisch) onder meer de woorden toegevoegd dat hij, verdachte, (35 kilo) hennep kwijt was en/of dat die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of een of meer andere personen die hennep had(den) gestolen en/of (nadat die [slachtoffer 2] tegen hem, verdachte, had gezegd van niets te weten) : "Ik kom je ophalen, al duurt het 2 dagen of een week, ik zal je vinden. Ik

haal jullie stuk voor stuk allemaal op ", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

van welke bedreiging die [slachtoffer 3] op 17 maart 2014 in de gemeente Deventer,

althans in Nederland kennis heeft genomen.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 subsidiair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is zij van mening dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [slachtoffer 3] moet, vanwege de door de officier gevorderde vrijspraak voor feit 3, niet-ontvankelijk worden verklaard.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

5.1.1

feit 1 primair

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.

5.1.2

feit 1 subsidiair

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

De raadsman heeft partieel vrijspraak bepleit en daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte aangever heeft gedwongen om plaats nemen in een auto en daarbij aangever mogelijk zachtjes of zelfs hard in de auto heeft geduwd. Van de overige in de tenlastelegging opgenomen onderdelen moet verdachte vrijgesproken worden omdat het bewijs daarvoor dun is en weinig betrouwbaar.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 17 maart 2014 in Deventer was en verdachte aangever [slachtoffer 1] in de buurt van diens woning heeft aangesproken. Verdachte had zich, blijkens zijn eigen verklaring, hierbij zo opgesteld dat voor aangever duidelijk was dat hij aangever perse wilde spreken en dat hij mee naar de auto moest lopen. Dit volgt ook uit de verklaring van aangever, die verklaart dat hij door verdachte op een harde toon werd aangesproken en dat verdachte dwingend was naar hem toe. Verdachte verklaart verder dat hij aangever een duw in de richting van de auto heeft gegeven, toen aangever geen plaats wilde nemen in de auto. Ook getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat aangever werd meegenomen naar de auto en dat hierbij sprake was van duwen en trekken. Voordat aangever de auto in werd geduwd hoorde aangever verdachte zeggen “zet hem een pistool op de kop”. Hoewel verdachte dat ontkent, acht de rechtbank dit onderdeel wel bewezen. Op basis van het voorhanden zijnde dossier kan immers worden vastgesteld dat een van de mededaders in de auto een vuurwapen en patronen bij zich heeft gehad. Ook het onderdeel van de tenlastelegging dat een mes is getoond acht de rechtbank bewezen. Naast de verklaring van aangever dat de man naast hem een mes in zijn hand vast hield, verklaart medeverdachte Holtmans een mes bij zich te hebben gehad en dat mes in de auto uit zijn broekzak te hebben gehaald.

De rechtbank passeert het verweer van de raadsman dat de verklaringen van aangever en [slachtoffer 3], zoals afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, niet consistent en daardoor onbetrouwbaar zijn. Dat de aangifte, zoals kort na de wederrechtelijke vrijheidsberoving afgelegd bij de politie, niet volledig overeenkomt met de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen, is, gelet op het tijdsverloop en de impact van een zodanig ingrijpend gebeuren en daarop volgende strafprocedure op een slachtoffer c.q. getuige, niet onbegrijpelijk en maakt de aangifte en getuigenverklaring niet minder betrouwbaar. Deze verklaringen zijn voldoende geloofwaardig en daarom bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank heeft geen redenen om de aangifte of de getuigenverklaring als ongeloofwaardig te duiden. De verklaringen komen bovendien op wezenlijke onderdelen overeen.

Het in vereniging plegen van een delict veronderstelt een bewuste, nauwe en volledige samenwerking. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte de initiator geweest van de vrijheidsberoving. Verdachte heeft de medeverdachten benaderd en is samen met hen naar Deventer afgereisd om aangever aan te spreken over een voorval. De medeverdachten hebben, ieder voor zich, zich bewapend met respectievelijk een vuurwapen, mes en honkbalknuppel. Op basis van de verklaring van aangever en getuige [slachtoffer 3] kan worden vastgesteld dat aangever niet alleen door verdachte, maar ook door twee van zijn medeverdachten in de auto werd gedirigeerd. Daarna namen deze medeverdachten plaats in de auto, met aangever tussen hen in. Vervolgens zijn zij gaan rijden. Aldus hebben deze verdachten ook uitvoeringshandelingen verricht. Uit de genoemde gang van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachten in een nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld.

De rechtbank is aldus van oordeel dat, op grond van de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden.

5.2

feit 2 en 3

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 en 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 17 maart 2014 in de gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

immers heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededaders

met dat opzet

- die [slachtoffer 1] aangesproken en deze bij diens kleding vastgepakt en

die [slachtoffer 1] meegetrokken in de richting van een auto en

- gezegd "Zet hem een pistool op de kop"

en

- die [slachtoffer 1] (aldus) gedwongen mee te lopen naar een auto en

plaats te nemen in een auto en

- die [slachtoffer 1] (met kracht) in die auto geduwd en geslagen en

- die [slachtoffer 1] een mes getoond en

- die [slachtoffer 1] vervoerd.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikel 282 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, door te handelen als hiervoor bewezen is verklaard. Verdachte en zijn mededaders hebben geen rekening gehouden met de gevolgen van hun gedragingen voor het slachtoffer. Deze wederrechtelijke vrijheidsberoving was volgens verdachte bedoeld om het slachtoffer te confronteren met een vermeende ontvoering en mishandeling. In plaats van de daartoe geëigende weg te kiezen, heeft verdachte met zijn mededaders voor eigen rechter gespeeld. Zij hebben inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de bewegingsvrijheid van het slachtoffer gemaakt. Slachtoffers van dit soort delicten lijden vaak lange tijd aan de traumatische gevolgen ervan. Dit soort feiten leidt daarnaast tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Oplegging van een langdurige vrijheidsbenemende straf hiervoor is in beginsel alleszins gerechtvaardigd.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur passend is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank zal daarnaast een deel voorwaardelijk opleggen, om verdachte er in de toekomst van te weerhouden strafbare feiten te plegen..

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met

  • -

    een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 23 december 2014;

  • -

    een reclasseringsadvies over de persoon van verdachte d.d. 26 juni 2014, opgemaakt door Reclassering Nederland.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij(en)

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1], wonende te [adres 1], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het gevorderde toewijzen voor een bedrag van € 1.200,-, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

Ook zal de rechtbank bepalen dat wanneer dit bedrag door een andere verdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3], wonende te [adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 160,-

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering, nu verdachte van feit 3 wordt vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 subsidiair is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 Wetboek van Strafrecht (Sr).

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het feit 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

benadeelde partijen

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 maart 2014, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast hoofdelijk in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 subsidiair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.200,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 22 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als verdachte en/of zijn mededader(s) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte en/of zijn mededader(s) aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. S. Taalman en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2015.

Mr. Taalman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL04 2014032972. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 17 maart 2014, pagina 65 t/m 68,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangever:

“(…) Op maandag, 17 maart 2014, omstreeks 14:00 uur was ik in mijn woning aan de [adres 1] te Deventer. Ik was daar op dat moment samen met mijn ex-vrouw [slachtoffer 3]. (…) Vervolgens liepen we naar de auto die [slachtoffer 3] bij zich had. (…) Voordat ik kon instappen werd ik aangesproken door 4 mannen. Een van de mannen was een hele grote man. Hij vroeg mij of ik [slachtoffer 1] was. (…) Hij zei toen tegen mij dat ik in de bus moest gaan zitten. Hij zei dat op een harde toon. Hij was dwingend. Tegelijkertijd pakte hij mij bij de bovenkleding vast en duwde mij naar de deuropening van de bus en vervolgens trok hij mij plotseling weer de andere kant op. (…) Hij trok mij vervolgens naar links, dus richting de voorkant van de bus. Hij kreeg vervolgens hulp van de andere 3 mannen en ze trokken mij naar een auto toe. (…) Ik werd vervolgens in die auto geduwd en geslagen. Het ging met geweld. Die grote kale man hoorde ik zeggen dat ik mee moest werken. Net voordat ik in de auto werd geduwd hoorde ik hem ook zeggen: “Zet hem een pistool op de kop”. (…) Aan de andere kant werd het rechter achterportier geopend en stapte een magere jongen in de auto. Hij pakte mij vast en trok mij verder de auto in. Vervolgens stapte er aan de kant waar ik de auto in was geduwd, dus links, nog een man in en die ging naast mij zitten. (…) Toen ik eenmaal in de auto zat tussen die 2 mannen, toen zei degene die links naast mij met de tatoeages op de onderarmen: “Je weet wel wat je gedaan hebt”. Ik zei dat ik het niet wist. Vervolgens zij hij: “Daar komen we zo wel achter”. (…) Vervolgens ging de auto rijden. Vanaf het moment dat we zijn gaan rijden vanaf de [adres 3] hebben ze tegen mij gezegd dat ik niets moest proberen. (…) De jongen die rechts naast mij zat die hield een mes in zijn hand. Dat was een zilverkleurig mes. (…) Ik heb mij wel bedreigd gevoeld. Ik was bang dat ze mij misschien wel zouden martelen, omdat [naam] ook al een blauw oog had en die ene had gezegd “Daar komen we zo wel achter”. (…).”

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 17 maart 2014, pagina 75 t/m 77,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangeefster:

“(…) We liepen samen naar buiten het huis uit. (…) Toen zag ik [verdachte 3] plots aan komen lopen met 2 andere mannen. Ze duwden [slachtoffer 1] tegen de muur en namen hem mee. (…) Die auto stond in de [adres 1] en rijdt via de [adres 3] richting het station. (…) Toen ik naar die voorkant keek, kwam [verdachte 3] al met die 2 kleineren aanlopen. (…) Ik zag dat [slachtoffer 1] hierbij wit wegtrekken hij schrok hij moet wel bedreigd zijn.

3.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 2 april 2014, pagina 80 t/m 89,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangeefster:

“(…) V: Wat doet [verdachte 3] dan? A: Hij pakte [slachtoffer 1] als eerste beet. (…) V: Wat doen elk van de twee mannen? A: Die gingen ook aan hem lopen trekken, [slachtoffer 1] stond als een kat in het nauw tussen die muur en de spiegel. (…) [slachtoffer 1] verzette zich, bleef staan en pakte de spiegel. (…).”

4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 februari 2015, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte.

“Op 17 maart 2014 was ik in de gemeente Deventer. Wij zijn hier naar toe gegaan omdat [naam] mij had verteld dat zij die dag was ontvoerd en mishandeld en volgens haar zou [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] hier meer van af weten. (…) Ik zat in de auto met [verdachte 4], [verdachte 1] en [naam]. [verdachte 4] was op aanwijzingen van [naam] naar de woonplaats van [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] gereden. (…) Wij wilden [slachtoffer 1] confronteren met wat er met [naam] was gebeurd. Op een gegeven moment was de auto in een straat gestopt en wees [naam] de woning van [slachtoffer 1] aan. Ik ben uit de auto gestapt en in de richting van zijn woning gelopen. Ik heb [verdachte 1] ook uit de auto zien komen. (…) Ik zag dat [slachtoffer 1] op straat liep. Ik heb [slachtoffer 1] aangesproken en gezegd dat ik met hem wilde praten en dat hij even met mij mee moest lopen. (…) Ik had mij wel zo naar hem opgesteld dat ik perse een gesprek met hem wilde voeren. [slachtoffer 1] wilde dat niet. (…) Op een gegeven moment stond ik naast de auto met [slachtoffer 1]. Ik zei tegen hem dat hij in de auto moest gaan zitten. Dat deed hij niet. Ik heb [slachtoffer 1] een zet en een duw in de richting van de auto gegeven. (…) [slachtoffer 1] ging in de auto zitten. Ik wilde om de auto heen lopen zodat ik er aan de andere kant in kon om naast [slachtoffer 1] te gaan zitten. De auto reed weg voordat ik bij de andere kant was aangekomen. (…) Ik heb [verdachte 2] heel kort gezien bij de auto. (…) Toen de auto wegreed bleef ik alleen achter op straat. Ik heb [verdachte 4] gebeld en gevraagd waar hij naar toe reed. (…) Ik heb [verdachte 1] ook gebeld en met [naam] gesproken. (…) Ik ben in de auto van mijn schoonvader achter de andere auto aangereden. (…).”

5.

Het proces-verbaal verhoor van getuige [verdachte 1] van 9 oktober 2014, afgenomen door de rechter-commissaris van de rechtbank Overijssel, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van getuige:

“(…) Op 17 maart 2014 zat ik in de Mercedes. (…) In de Mercedes zaten ook [verdachte 2], [naam] en [verdachte 4]. Ik zat rechts achterin. [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] zat ook in de auto. Deze zat in het midden naast mij. Links van hem zat [verdachte 2]. [naam] zat rechts voor in. [verdachte 4] reed [naam] had woorden met [slachtoffer 1]. Er werd geschreeuwd in de auto. (…) Ik had die dag een mes bij mij. (….) Op enig moment heb ik mijn telefoon uit mijn zak gehaald tezamen met het mes. (…).”

6.

Het proces-verbaal verhoor van getuige [naam] van 9 oktober 2014, afgenomen door de rechter-commissaris van de rechtbank Overijssel, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van getuige:

“(…) U zegt mij dat dit gaat over 17 maart 2014. (…) Er was die dag met mij het één en ander gebeurd. (…) Toen ik na die gebeuren weer thuis was heb ik [verdachte 3] gebeld. (…) Drie anderen kwamen toen naar mij toe. Dat waren [verdachte 1], [verdachte 2] en een neefje van [verdachte 3]. (…) Wij zijn toen naar het huis van [slachtoffer 1] [slachtoffer 1] gereden om te kijken of zij van iets wisten. (…) Daar aangekomen bleef ik in de auto met het neefje van [verdachte 3]. De anderen hebben toen [slachtoffer 1] opgehaald voor een gesprekje. (…)”.

7.

Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte 4] van 18 maart 2014, pagina 261 t/m 264, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte.

“(…) [naam] wist de weg en we zijn naar Deventer gereden. (…) Ik zat achter het stuur en [naam] zat naast mij. Zij wees de weg. (…) We zijn gaan kijken of die gast thuis was. Hij kwam naar buiten en toen is hij de auto ingesleurd. (…) [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben hem toen in de auto gezet. (…)”.

8.

Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte 4] van 19 maart 2014, met bijlage, pagina 261 t/m 268, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte.

“(…) De honkbalknuppel wel. Die lag achterin. (…) Die moest mee voor dreiging. (…)”.

9.

Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte 4] van 26 maart 2014, pagina 269 t/m 275, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte.

“(…) Ik bleef in de auto zitten . Ze liepen er heen en die vent wordt in de auto gezet en ik ben gaan rijden. Die vent werd voordat hij in de auto werd gezet vastgepakt bij zijn arm. (…)”.

10.

Het proces-verbaal van bevindingen, van verbalisant [verbalisant], van 17 maart 2014, pagina 19 t/m 22, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant.

“(…) Op 17 maart 2014 omstreeks 17:41 uur en 17 maart 2014 omstreeks 20:00 uur, heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. (…) Ik zag dat de Mercedes ML linksaf het terrein van de ‘[restaurant] op reed. (…) Ik zag dat het portier links achter geopend werd. Ik zag dat er een manspersoon uit dit voertuig sprong en direct richting de hoofdingang van ‘[restaurant]’ liep. (…) Ik riep naar de manspersoon welke naar de hoofdingang van ‘[restaurant]’liep: “Politie, staan blijven”. Op het moment dat ik dit riep zag ik dat er nog een manspersoon uit het voertuig stapte. (…) Ik hoorde de man schreeuwen: “Help mij, help mij! Ik ben ontvoerd. Ze hebben wapens”. (…) Ik zag dat er een manspersoon met zijn handen omhoog via de zij-ingang naar buiten kwam lopen. Ik herkende deze persoon direct als de persoon welke vanuit de Mercedes ML ‘[restaurant]’was binnengegaan. (…) [verbalisant] en ik hebben de manspersoon naar het dienstvoertuig gebracht. Aldaar heb ik een veiligheidsfouillering toegepast omdat er sprake was van steek- en vuurwapens. Ik voelde in aan de linker broekzak ronde harde voorwerpen. Ik voelde dat het mogelijk munitie betrof. Deze munitie heb ik uit zijn broekzak gehaald waarna deze in beslag zijn genomen. (…) Na later bleek betrof de persoon welke aangaf ontvoerd te zijn: [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2]-1988 te [geboorteplaats 2]. Na later bleek betrof de persoon welke zich in ‘[restaurant]’ ophield te zijn: [verdachte 2], geboren op [geboortedatum 3]-1988 te [geboorteplaats 3]. (…)”.

11.

Het proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek, van verbalisant [verbalisant], van 19 maart 2014, pagina 8 t/m 9, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant.

“(…) Op maandag 17 maart 2014 omstreeks 19:20 uur, stelde ik, verbalisant [verbalisant], op verzoek van de recherche Deventer, een onderzoek in op de Zwolseweg te Deventer. (…) Vervolgens stelde ik verbalisant, eerst visueel een onderzoek in in voornoemd pand. Ik verbalisant, zag dat, in het restaurant gedeelte, ter hoogte van herentoilet twee gokkasten stonden. Tussen deze gokkasten stond een prullenbak. Ik zag dat in deze prullenbak een op een vuurwapen gelijkend voorwerp lag. (…)”.

12.

Het proces-verbaal onderzoek wapen, met fotomap, van verbalisant [verbalisant], van 7 april 2014, pagina 16 t/m 17, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant.

“(…) Wapenomschrijving: (…) Object. Vuurwapen (Revolver). Merk/type. Smith & Wesson, model 496-1. Kleur. Grijs. (…) Kaliber. 38 spl. (…) Het inbeslaggenomen voorwerp is een revolver geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is deze revolver een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. (…) Munitie: (…) Object. Munitie. Merk/type. Aquila .38 Special. (…) Kaliber. 38 spl. In de inbeslaggenomen revolver werden deze 5 kogelpatronen van het merk Aquila, type .38 Special aangetroffen. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met de revolver waarin deze werd aangetroffen. (…)”.

13.

Het NFI rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een gijzeling gepleegd in Deventer op 17 maart 2014, met bijlage, opgemaakt door ing. V. van Marion, voor zover inhoudende de bevindingen van de rapporteur.

“(…) Zaaknummer 2014.04.22.163

(…)

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek. AAGK9384NL#01 een bemonstering(ruwe delen revolver) RABA5345NL een referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte 2] (geboren op [geboortedatum 3] 1988)

(…)

Resultaten, interpretatie en conclusie

Van het referentiemonster wangslijmvlies RABA5345NL van de verdachte [verdachte 2] is een DNA-profiel verkregen dat is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

SIN

AAGK9384NL#01

Beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van

DNA-mengprofiel van minimaal twee personen afgeleid DNA-hoofdprofiel: verdachte [verdachte 2].

Matchkans DNA-profiel

kleiner dan 1 op 1 miljard

DNA-databank

Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte 2] RABA5345NL en het afgeleide DNA

hoofdprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAGKO384NL#01 zijn respectievelijk

op 30 april en op 2 mei 2014 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken

en worden sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze

vergelijkingen zijn, afgezien van de reeds beschreven onderlinge match, tot op heden geen

matches met andere DNA-profielen gevonden. De matchende DNA-profielen RABA5345NL en AAGKO384NL#01 zijn geregistreerd onder DNA-profielcluster 28425 (…).

Bijlage DNA-profielcluster 28425

(…)

NFI-zaaknummer 2014.0422.163

Omschrijving onderzoeksmateriaal een referentiemonster wangslijmvlies van [verdachte 2] (geboren op [geboortedatum 3] 1988)

DNA-identiteitszegel RABA5345NL

(…)

Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel

(…)

Datum opname DNA-databank 02 mei 2014

(…)

NFI-zaaknummer 2014.04.22.163

Omschrijving onderzoeksmateriaal een bemonstering

DNA-identiteitszegel AAGK9384NL#01

(…)

Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel

Matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard

Datum opname DNA-databank 30 april 2014

(…)”.