Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2015:1030

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
08/760052-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt vier mannen uit Weesp tot celstraffen van 12 tot en met 24 maanden omdat zij op 17 maart 2014 in Deventer een man onder dwang van (vuur)wapens hadden meegenomen en gegijzeld. Die gijzeling was volgens de verdachten bedoeld om het slachtoffer te confronteren met een vermeende ontvoering en mishandeling. In plaats van de daartoe geëigende weg te kiezen, speelden de vier mannen voor eigen rechter. De mannen moeten ook een schadevergoeding van 1200 euro betalen aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/760052-14

Datum vonnis: 26 februari 2015

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 2],

geboren op [geboortedatum 1] 1988 in [geboorteplaats 1],

wonende in [woonplaats 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Tromp. De verdachte is niet ter zitting verschenen. De verdachte is ter zitting vertegenwoordigd door mr. F.P.M. van Gerven, die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

2 De tenlastelegging

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 17 maart 2014 in de gemeente Deventer, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] , althans één of meer personen, wederrechtelijk van de

vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

met het oogmerk die [slachtoffer] en/of die perso(o)n(en) en/of een of meer anderen,

te dwingen iets te doen of niet te doen,

immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

met dat opzet

- die [slachtoffer] aangesproken en/of deze bij diens (boven)kleding vastgepakt en/of

- die [slachtoffer] meegetrokken in de richting van een auto en/of

- meermalen (hoorbaar voor die [slachtoffer]) gezegd "Zet hem een pistool op de kop"

en/of

- die [slachtoffer] (aldus) gedwongen mee te lopen/gaan naar een auto en/of plaats te

nemen in een auto en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) in die/een auto geduwd en/of geslagen en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd: "Je weet wel wat je gedaan hebt" en/of

(nadat [slachtoffer] had gezegd dat hij dat niet wist) tegen die [slachtoffer] gezegd

"Daar komen we zo wel achter", althans woorden van gelijke aard of

strekking, en/of

- die [slachtoffer] met een mes/scherp voorwerp bedreigd , althans dat mes/voorwerp

aan die [slachtoffer] getoond en/of

- die [slachtoffer] vervoerd naar een of meer plaatsen en/of deze een tijdlang tegen

diens wil in die/een auto vervoerd;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 17 maart 2014 in de gemeente Deventer, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden,

immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

met dat opzet

- die [slachtoffer] aangesproken en/of deze bij diens (boven)kleding vastgepakt en/of

die [slachtoffer] meegetrokken in de richting van een auto en/of

- meermalen (hoorbaar voor die [slachtoffer]) gezegd "Zet hem een pistool op de kop"

en/of

- die [slachtoffer] (aldus) gedwongen mee te lopen/gaan naar een auto en/of

plaats te nemen in een auto en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) in die/een auto geduwd en/of geslagen en/of

- die [slachtoffer] met een mes/scherp voorwerp bedreigd , althans dat mes/voorwerp

aan die [slachtoffer] getoond en/of

- die [slachtoffer] vervoerd naar een of meer plaatsen en/of deze een tijd

lang tegen diens wil in die auto vervoerd;

2.

hij op of omstreeks 17 maart 2014 in de gemeente Deventer en/of elders in

Nederland een wapen van categorie III, te weten een revolver

(Smith & Wesson, model 496-1, kaliber .38 spl.) en/of

munitie van categorie III , te weten

tien, althans vijf (voor dit wapen geschikte) kogelpatronen (Aguila,.38

Special) voorhanden heeft gehad.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast is zij van mening dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

5.1.1

feit 1 primair

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.

5.1.2

feit 1 subsidiair

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte geen opzet had dat was gericht op de vrijheidsberoving en de wederrechtelijkheid daarvan.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe onder meer aangevoerd dat voor een vervulling van de delictsomschrijving van artikel 282 Wetboek van Strafrecht opzet van de verdachte op de wederrechtelijkheid van de vrijheidsbeneming moet bestaan. Het opzet ontbreekt. De verdachte was zich er niet van bewust dat er sprake was van enige wederrechtelijkheid. Voorts was er sprake van een zeer korte beperking van de vrijheid van beweging om als ‘vrijheidsberoving’ in de zin van artikel 282 Sr te kunnen worden aangemerkt. Subsidiair is er geen sprake geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten dat verdachte als mededader strafrechtelijk verantwoordelijk is te houden.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 17 maart 2014 in Deventer was en de medeverdachte [verdachte 3] aangever [slachtoffer] in de buurt van diens woning heeft aangesproken. Dit volgt ook uit de verklaring van aangever, die verklaart dat hij door [verdachte 3] op een harde toon werd aangesproken en dat verdachte dwingend was naar hem toe. Aangever verklaart verder dat hij in de richting van een auto werd getrokken en werd geduwd en geslagen toen hij geen plaats wilde nemen in de auto. Ook getuige [getuige] heeft verklaard dat aangever werd meegenomen naar de auto en dat hierbij sprake was van duwen en trekken. Voordat aangever de auto in werd geduwd hoorde aangever [verdachte 3] zeggen “zet hem een pistool op de kop”. Hoewel dat door de medeverdachten wordt ontkent, acht de rechtbank dit onderdeel wel bewezen. Op basis van het voorhanden zijnde dossier kan immers worden vastgesteld dat verdachte in de auto een vuurwapen en patronen bij zich heeft gehad. Ook het onderdeel van de tenlastelegging dat een mes is getoond acht de rechtbank bewezen. Naast de verklaring van aangever dat de man naast hem een mes in zijn hand vast hield, verklaart medeverdachte [verdachte 1] een mes bij zich te hebben gehad en dat mes in de auto uit zijn broekzak te hebben gehaald.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangever en [getuige], zoals afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, consistent en betrouwbaar zijn. Dat de aangifte, zoals kort na de wederrechtelijke vrijheidsberoving afgelegd bij de politie, niet volledig overeenkomt met de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen, is, gelet op het tijdsverloop en de impact van een zodanig ingrijpend gebeuren en daarop volgende strafprocedure op een slachtoffer c.q. getuige, niet onbegrijpelijk en maakt de aangifte en getuigenverklaring niet minder betrouwbaar. Deze verklaringen zijn voldoende geloofwaardig en daarom bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank heeft geen redenen om de aangifte of de getuigenverklaring als ongeloofwaardig te duiden. De verklaringen komen bovendien op wezenlijke onderdelen overeen.

Het in vereniging plegen van een delict veronderstelt een bewuste, nauwe en volledige samenwerking. Naar het oordeel van de rechtbank is [verdachte 3] de initiator geweest van de vrijheidsberoving. [verdachte 3] heeft verdachte en de medeverdachten benaderd en is samen met hen naar Deventer afgereisd om aangever aan te spreken over een voorval. De medeverdachten hebben, ieder voor zich, zich bewapend met respectievelijk een vuurwapen, mes en honkbalknuppel. Op basis van de verklaring van aangever en getuige [getuige] kan worden vastgesteld dat aangever niet alleen door [verdachte 3], maar ook door twee van zijn medeverdachten in de auto werd gedirigeerd. Daarna namen deze medeverdachten plaats in de auto, met aangever tussen hen in. Vervolgens zijn zij gaan rijden. Aldus hebben deze verdachten ook uitvoeringshandelingen verricht. Uit de genoemde gang van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachten in een nauwe en bewuste samenwerking hebben gehandeld.

De rechtbank is aldus van oordeel dat, op grond van de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden.

5.2

feit 2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Voor wat betreft het voorhanden hebben van munitie heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voorafgaand de aanhouding van verdachte op 17 maart 2014 werd door de politie gezien dat verdachte vanuit een auto een restaurant aan de Zwolseweg te Deventer was binnengegaan. Verdachte verbleef enige tijd in het restaurant en is daarna aangehouden door de politie. Na de aanhouding heeft de politie een veiligheidsfouillering bij hem toegepast en munitie bij verdachte aangetroffen. Door de politie is een onderzoek ingesteld waarna een vuurwapen werd aangetroffen in een prullenbak. Dit betreft een wapen en munitie van categorie III van de Wet Wapens en munitie (WWM).. Uit onderzoek van het NFI volgt dat op het vuurwapen een DNA profiel werd aangetroffen, dat matcht met het profiel van verdachte. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 17 maart 2014 in de gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

immers hebben hij verdachte en/of een of meer van zijn mededaders

met dat opzet

- die [slachtoffer] aangesproken en deze bij diens kleding vastgepakt en

die [slachtoffer] meegetrokken in de richting van een auto en

- gezegd "Zet hem een pistool op de kop"

en

- die [slachtoffer] (aldus) gedwongen mee te lopen naar een auto en

plaats te nemen in een auto en

- die [slachtoffer] (met kracht) in die auto geduwd en geslagen en

- die [slachtoffer] een mes getoond en

- die [slachtoffer] vervoerd;

2.

hij op 17 maart 2014 in de gemeente Deventer een wapen van categorie III, te weten een revolver

(Smith & Wesson, model 496-1, kaliber .38 spl.) en

munitie van categorie III, te weten

(voor dit wapen geschikte) kogelpatronen (Aguila, .38

Special) voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikel 282 Sr en artikel 55 van de WWM. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 2

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie;

en

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie,

strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, door te handelen als hiervoor bewezen is verklaard. Verdachte en zijn mededaders hebben geen rekening gehouden met de gevolgen van hun gedragingen voor het slachtoffer. Deze wederrechtelijke vrijheidsberoving was bedoeld om het slachtoffer te confronteren met een vermeende ontvoering en mishandeling. In plaats van de daartoe geëigende weg te kiezen, heeft verdachte met zijn mededaders voor eigen rechter gespeeld. Zij hebben inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de bewegingsvrijheid van het slachtoffer gemaakt. Slachtoffers van dit soort delicten lijden vaak lange tijd aan de traumatische gevolgen ervan. Dit soort feiten leidt daarnaast tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Oplegging van een langdurige vrijheidsbenemende straf hiervoor is daaromalleszins gerechtvaardigd.

Hiernaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met vier scherpe patronen. Het voorhanden hebben van wapens en munitie is onder alle omstandigheden verboden voor personen die daarvoor geen verlof hebben verkregen. Daarnaast is het voorhanden hebben van een vuurwapen en scherpe munitie maatschappelijk onverantwoord omdat het een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee kan brengen.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur passend is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met

  • -

    een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 23 december 2014;

  • -

    een pro-justitia rapport over de persoon van verdachte d.d. 21 mei 2014, opgemaakt door drs. I.I. van der Klaauw, psycholoog;

  • -

    een reclasseringsadvies over de persoon van verdachte d.d. 18 april 2014, opgemaakt door Reclassering Nederland.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], wonende te [woonplaats 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het gevorderde toewijzen voor een bedrag van € 1.200,-, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

Ook zal de rechtbank bepalen dat wanneer dit bedrag door een andere verdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 subsidiair is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57 en 91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 subsidiair en feit 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 2

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie;

en

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.200,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 maart 2014, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast hoofdelijk in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 subsidiair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.200,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 22 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als verdachte en/of zijn mededader(s) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte en/of zijn mededader(s) aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2015.

Mr. Taalman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL04 2014032972. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 17 maart 2014, pagina 65 t/m 68,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangever:

“(…) Op maandag, 17 maart 2014, omstreeks 14:00 uur was ik in mijn woning aan de [adres 1] te Deventer. Ik was daar op dat moment samen met mijn ex-vrouw [getuige]. (…) Vervolgens liepen we naar de auto die [getuige] bij zich had. (…) Voordat ik kon instappen werd ik aangesproken door 4 mannen. Een van de mannen was een hele grote man. Hij vroeg mij of ik [slachtoffer] was. (…) Hij zei toen tegen mij dat ik in de bus moest gaan zitten. Hij zei dat op een harde toon. Hij was dwingend. Tegelijkertijd pakte hij mij bij de bovenkleding vast en duwde mij naar de deuropening van de bus en vervolgens trok hij mij plotseling weer de andere kant op. (…) Hij trok mij vervolgens naar links, dus richting de voorkant van de bus. Hij kreeg vervolgens hulp van de andere 3 mannen en ze trokken mij naar een auto toe. (…) Ik werd vervolgens in die auto geduwd en geslagen. Het ging met geweld. Die grote kale man hoorde ik zeggen dat ik mee moest werken. Net voordat ik in de auto werd geduwd hoorde ik hem ook zeggen: “Zet hem een pistool op de kop”. (…) Aan de andere kant werd het rechter achterportier geopend en stapte een magere jongen in de auto. Hij pakte mij vast en trok mij verder de auto in. Vervolgens stapte er aan de kant waar ik de auto in was geduwd, dus links, nog een man in en die ging naast mij zitten. (…) Toen ik eenmaal in de auto zat tussen die 2 mannen, toen zei degene die links naast mij met de tatoeages op de onderarmen: “Je weet wel wat je gedaan hebt”. Ik zei dat ik het niet wist. Vervolgens zij hij: “Daar komen we zo wel achter”. (…) Vervolgens ging de auto rijden. Vanaf het moment dat we zijn gaan rijden vanaf de [adres 2] hebben ze tegen mij gezegd dat ik niets moest proberen. (…) De jongen die rechts naast mij zat die hield een mes in zijn hand. Dat was een zilverkleurig mes. (…) Ik heb mij wel bedreigd gevoeld. Ik was bang dat ze mij misschien wel zouden martelen, omdat [naam] ook al een blauw oog had en die ene had gezegd “Daar komen we zo wel achter”. (…).”

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [getuige] van 17 maart 2014, pagina 75 t/m 77,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangeefster:

“(…) We liepen samen naar buiten het huis uit. (…) Toen zag ik [verdachte 3] plots aan komen lopen met 2 andere mannen. Ze duwden [slachtoffer] tegen de muur en namen hem mee. (…) Die auto stond in de [adres 1] en rijdt via de [adres 2] richting het station. (…) Toen ik naar die voorkant keek, kwam [verdachte 3] al met die 2 kleineren aanlopen. (…) Ik zag dat [slachtoffer] hierbij wit wegtrekken hij schrok hij moet wel bedreigd zijn.

3.

Het proces-verbaal van aangifte van [getuige] van 2 april 2014, pagina 80 t/m 89,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangeefster:

“(…) V: Wat doet [verdachte 3] dan? A: Hij pakte [slachtoffer] als eerste beet. (…) V: Wat doen elk van de twee mannen? A: Die gingen ook aan hem lopen trekken, [slachtoffer] stond als een kat in het nauw tussen die muur en de spiegel. (…) [slachtoffer] verzette zich, bleef staan en pakte de spiegel. (…).”

4.

Het proces-verbaal verhoor van getuige [verdachte 1] van 9 oktober 2014, afgenomen door de rechter-commissaris van de rechtbank Overijssel, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van getuige:

“(…) Op 17 maart 2014 zat ik in de Mercedes. (…) In de Mercedes zaten ook [verdachte 2], [naam] en [verdachte 4]. Ik zat rechts achterin. [slachtoffer] [slachtoffer] zat ook in de auto. Deze zat in het midden naast mij. Links van hem zat [verdachte 2]. [naam] zat rechts voor in. [verdachte 4] reed [naam] had woorden met [slachtoffer]. Er werd geschreeuwd in de auto. (…) Ik had die dag een mes bij mij. (….) Op enig moment heb ik mijn telefoon uit mijn zak gehaald tezamen met het mes. (…).”

5.

Het proces-verbaal verhoor van getuige [naam] van 9 oktober 2014, afgenomen door de rechter-commissaris van de rechtbank Overijssel, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van getuige:

“(…) U zegt mij dat dit gaat over 17 maart 2014. (…) Er was die dag met mij het één en ander gebeurd. (…) Toen ik na die gebeuren weer thuis was heb ik [verdachte 3] [verdachte 3] gebeld. (…) Drie anderen kwamen toen naar mij toe. Dat waren [verdachte 1], [verdachte 2] en een neefje van [verdachte 3]. (…) Wij zijn toen naar het huis van [slachtoffer] [slachtoffer] gereden om te kijken of zij van iets wisten. (…) Daar aangekomen bleef ik in de auto met het neefje van [verdachte 3]. De anderen hebben toen [slachtoffer] opgehaald voor een gesprekje. (…)”.

6.

Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte 4] van 18 maart 2014, pagina 261 t/m 264, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte.

“(…) [naam] wist de weg en we zijn naar Deventer gereden. (…) Ik zat achter het stuur en [naam] zat naast mij. Zij wees de weg. (…) We zijn gaan kijken of die gast thuis was. Hij kwam naar buiten en toen is hij de auto ingesleurd. (…) [verdachte 1] en [verdachte 2] hebben hem toen in de auto gezet. (…)”.

7.

Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte 4] van 19 maart 2014, met bijlage, pagina 261 t/m 268, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte.

“(…) De honkbalknuppel wel. Die lag achterin. (…) Die moest mee voor dreiging. (…)”.

8.

Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte 4] van 26 maart 2014, pagina 269 t/m 275, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van de verdachte.

“(…) Ik bleef in de auto zitten . Ze liepen er heen en die vent wordt in de auto gezet en ik ben gaan rijden. Die vent werd voordat hij in de auto werd gezet vastgepakt bij zijn arm. (…)”.

9.

Het proces-verbaal van bevindingen, van verbalisant [verbalisant], van 17 maart 2014, pagina 19 t/m 22, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant.

“(…) Op 17 maart 2014 omstreeks 17:41 uur en 17 maart 2014 omstreeks 20:00 uur, heb ik een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. (…) Ik zag dat de Mercedes ML linksaf het terrein van de ‘[restaurant] op reed. (…) Ik zag dat het portier links achter geopend werd. Ik zag dat er een manspersoon uit dit voertuig sprong en direct richting de hoofdingang van ‘[restaurant]’ liep. (…) Ik riep naar de manspersoon welke naar de hoofdingang van ‘[restaurant]’liep: “Politie, staan blijven”. Op het moment dat ik dit riep zag ik dat er nog een manspersoon uit het voertuig stapte. (…) Ik hoorde de man schreeuwen: “Help mij, help mij! Ik ben ontvoerd. Ze hebben wapens”. (…) Ik zag dat er een manspersoon met zijn handen omhoog via de zij-ingang naar buiten kwam lopen. Ik herkende deze persoon direct als de persoon welke vanuit de Mercedes ML ‘[restaurant]’was binnengegaan. (…) [verbalisant] en ik hebben de manspersoon naar het dienstvoertuig gebracht. Aldaar heb ik een veiligheidsfouillering toegepast omdat er sprake was van steek- en vuurwapens. Ik voelde in aan de linker broekzak ronde harde voorwerpen. Ik voelde dat het mogelijk munitie betrof. Deze munitie heb ik uit zijn broekzak gehaald waarna deze in beslag zijn genomen. (…) Na later bleek betrof de persoon welke aangaf ontvoerd te zijn: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2]-1988 te [geboorteplaats 2]. Na later bleek betrof de persoon welke zich in ‘[restaurant]’ ophield te zijn: [verdachte 2], geboren op [geboortedatum 1]-1988 te [geboorteplaats 1]. (…)”.

10.

Het proces-verbaal Forensisch Technisch Onderzoek, van verbalisant [verbalisant], van 19 maart 2014, pagina 8 t/m 9, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant.

“(…) Op maandag 17 maart 2014 omstreeks 19:20 uur, stelde ik, verbalisant [verbalisant], op verzoek van de recherche Deventer, een onderzoek in op de Zwolseweg te Deventer. (…) Vervolgens stelde ik verbalisant, eerst visueel een onderzoek in in voornoemd pand. Ik verbalisant, zag dat, in het restaurant gedeelte, ter hoogte van herentoilet twee gokkasten stonden. Tussen deze gokkasten stond een prullenbak. Ik zag dat in deze prullenbak een op een vuurwapen gelijkend voorwerp lag. (…)”.

11.

Het proces-verbaal onderzoek wapen, met fotomap, van verbalisant [verbalisant], van 7 april 2014, pagina 16 t/m 17, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant.

“(…) Wapenomschrijving: (…) Object. Vuurwapen (Revolver). Merk/type. Smith & Wesson, model 496-1. Kleur. Grijs. (…) Kaliber. 38 spl. (…) Het inbeslaggenomen voorwerp is een revolver geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is deze revolver een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. (…) Munitie: (…) Object. Munitie. Merk/type. Aquila .38 Special. (…) Kaliber. 38 spl. In de inbeslaggenomen revolver werden deze 5 kogelpatronen van het merk Aquila, type .38 Special aangetroffen. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. Deze munitie is geschikt om te worden verschoten met de revolver waarin deze werd aangetroffen. (…)”.

12.

Het NFI rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een gijzeling gepleegd in Deventer op 17 maart 2014, met bijlage, opgemaakt door ing. V. van Marion, voor zover inhoudende de bevindingen van de rapporteur.

“(…) Zaaknummer 2014.04.22.163

(…)

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek. AAGK9384NL#01 een bemonstering(ruwe delen revolver) RABA5345NL een referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte 2] (geboren op [geboortedatum 1] 1988)

(…)

Resultaten, interpretatie en conclusie

Van het referentiemonster wangslijmvlies RABA5345NL van de verdachte [verdachte 2] is een DNA-profiel verkregen dat is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

SIN

AAGK9384NL#01

Beschrijving DNA-profiel/celmateriaal kan afkomstig zijn van

DNA-mengprofiel van minimaal twee personen afgeleid DNA-hoofdprofiel: verdachte [verdachte 2].

Matchkans DNA-profiel

kleiner dan 1 op 1 miljard

DNA-databank

Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte 2] RABA5345NL en het afgeleide DNA

hoofdprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAGKO384NL#01 zijn respectievelijk

op 30 april en op 2 mei 2014 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken

en worden sindsdien vergeleken met daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze

vergelijkingen zijn, afgezien van de reeds beschreven onderlinge match, tot op heden geen

matches met andere DNA-profielen gevonden. De matchende DNA-profielen RABA5345NL en AAGKO384NL#01 zijn geregistreerd onder DNA-profielcluster 28425 (…).

Bijlage DNA-profielcluster 28425

(…)

NFI-zaaknummer 2014.0422.163

Omschrijving onderzoeksmateriaal een referentiemonster wangslijmvlies van [verdachte 2] (geboren op [geboortedatum 1] 1988)

DNA-identiteitszegel RABA5345NL

(…)

Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel

(…)

Datum opname DNA-databank 02 mei 2014

(…)

NFI-zaaknummer 2014.04.22.163

Omschrijving onderzoeksmateriaal een bemonstering

DNA-identiteitszegel AAGK9384NL#01

(…)

Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel

Matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard

Datum opname DNA-databank 30 april 2014

(…)”.