Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:993

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-03-2014
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
08/994523-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het zonder sloopvergunning slopen van een monumentale boerderij in Saasveld, gemeente Dinkelland. Primair omdat het object dat gesloopt werd geen beschermd monument in de zin van artikel 2.1. van de Wabo was, maar een gemeentelijk monument en subsidiair omdat ten tijde van het ten laste gelegde nog geen vergunning was vereist voor de sloop van een gemeentelijk monument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht/economische kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/994523-12

Datum vonnis: 3 maart 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1951 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 februari 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. van Ieperen en van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 8 en/of 9 juli 2011 te Saasveld, gemeente Dinkelland samen met een ander of anderen een monumentale boerderij heeft gesloopt zonder sloopvergunning.

Voluit luidt de -gewijzigde- tenlastelegging aan de verdachte, dat:

[B.V. verdachte], op of omstreeks 8 en/of 9 juli 2011, althans in of omstreeks de maand juli

2011, te Saasveld, gemeente Dinkelland, samen en in vereniging met anderen of

een ander dan wel alleen, dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft

uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het slopen van een,

beschermd monument, te weten een boerderij gelegen aan of nabij de [adres 2]

[adres 2], terwijl verdachte tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

subsidiair dat

[B.V. verdachte], op of omstreeks 8 en/of 9 juli 2011, althans in of

omstreeks de maand juli 2011, te Saasveld, gemeente Dinkelland, samen en in

vereniging met anderen of een ander dan wel alleen,

terwijl ingevolge artikel 10, lid 2 van de erfgoedverordening gemeente Dinkelland 2010,

een vergunning (van het bevoegd gezag) was vereist om een monument als bedoeld in

voornoemde verordening te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te

wijzigen,

al dan niet opzettelijk, een project dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het slopen van

een gemeentelijk monument, als bedoeld in voornoemde verordening, te weten een

boerderij gelegen aan of nabij de [adres 2], heeft uitgevoerd zonder

omgevingsvergunning, terwijl verdachte tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en dat verdachte wordt veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde tot 100 uren werkstraf subsidiair 200 dagen hechtenis.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat, op grond van de in het strafdossier opgenomen bewijsmiddelen, het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De verdachte heeft bepleit dat hij integraal moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op 24 januari 2011 heeft de heer [medeverdachte] een vergunningsaanvraag ingediend voor het slopen van een bestaande boerderij aan de [adres 2] te Saasveld. Bij besluit van
16 maart 2011 is het erfgoed [adres 2] te Saasveld aangewezen als gemeentelijk monument. Op 19 april 2011 wordt de omgevingsvergunning voor het slopen van deze bestaande boerderij afgewezen. Op 8 en 9 juli 2011 zijn op het perceel [adres 2] te Saasveld sloopwerkzaamheden verricht, waarbij onder andere de bestaande boerderij is gesloopt. Verdachte erkent dat hij feitelijk leiding geeft aan [B.V. verdachte] en dat [B.V. verdachte] de sloopwerkzaamheden heeft (laten) verricht(en).

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verboden is om zonder vergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen van een beschermd monument. Ingevolge de artikel 1.1 van de Wabo wordt onder beschermd monument verstaan een beschermd monument als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Monumentenwet 1988, met uitzondering van een beschermd archeologisch monument als bedoeld in artikel 1, onder c, van die wet. Kort gezegd ziet artikel 2.1 van de Wabo op een Rijksmonument. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het in casu niet gaat om een Rijksmonument, maar om een gemeentelijk monument.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover ingevolge een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist om een monument als bedoeld in een zodanige verordening te slopen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

In de tenlastelegging staat dat ingevolge artikel 10, lid 2, van de erfgoedverordening gemeente Dinkelland 2010 een vergunning van het bevoegd gezag was vereist. De Erfgoedverordening Dinkelland 2010 is op 22 juni 2010 door de gemeenteraad vastgesteld en op 14 juli 2011 bekend gemaakt. Bij de publicatie staat vermeld dat de verordening in werking treedt met ingang van de datum na publicatie van deze verordening, dat wil zeggen op 15 juli 2011. Ingevolge artikel 139, eerste lid van de Gemeentewet verbinden de in de verordening opgenomen algemeen verbindende voorschriften, pas vanaf het moment van bekendmaking, in casu 15 juli 2011. De Erfgoedverordening Dinkelland 2010 was dus op 8 en 9 juli 2011 nog niet in werking getreden.

Nu aan verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij op 8 en 9 juli 2011 een gemeentelijk monument heeft gesloopt terwijl daarvoor ingevolge artikel 10, lid 2 van de Erfgoedverordening Dinkelland 2010 een vergunning was vereist, en gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, deze vergunning op 8 en 9 juli 2011 (nog) niet was vereist, kan het ten laste gelegde niet bewezen worden verklaard.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bloebaum, voorzitter en mr. A.J. Louter en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2014.