Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:877

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
C/08/121834 / HA ZA 11-557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBOVE:2013:1512

Vaststelling schadevergoeding. Schadebeperkingsplicht ex artikel 6:101 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/121834 / HA ZA 11-557

datum vonnis: 29 januari 2014

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V,

gevestigd te Amstelveen,

verder te noemen Amlin,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WINZA PRODUCTS B.V,

gevestigd te Enschede,

verder te noemen Winza,

eiseressen,

behandelend advocaat: mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem,

procesadvocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HST Logistiek B.V.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen HST Logistiek,

behandelend advocaten: mr. J. Mulder te Hoogeveen en mr. J. Smit te Rotterdam,

procesadvocaat: mr. E.M.M. van de Loo te Enschede.

1 Het procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van deze rechtbank van 17 juli 2013;

- de akte van Winza en Amlin van 14 augustus 2013;

- de akte van HST Logistiek van 11 september 2013.

1.2

Thans zal vonnis worden gewezen.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1

De rechtbank neemt over hetgeen reeds bij tussenvonnis van 17 juli 2013 is overwogen en beslist.

2.2

Bij tussenvonnis van 17 juli 2013 heeft de rechtbank partijen toegelaten zich bij akte uit te laten over de hoogte van de door Nestlé geleden schade en over eventuele gevolgen van de schadebeperkingsplicht ex artikel 6:101 BW.

2.3

Zoals reeds in de vorige tussenvonnissen is overwogen, is door cessie de inningsbevoegdheid van de vordering van Nestlé op HST Logistiek overgegaan op Winza en Amlin. De aard en omvang van de vordering zijn ongewijzigd gebleven. Thans ligt het op de weg van Winza en Amlin om aan te tonen wat de omvang is van de door Nestlé geleden schade.

2.4

De schade van Nestlé zou zijn ontstaan in haar fabriek in Zwitserland bij twee incidenten op 8 en 11 mei 2009 tijdens het afvullen van door Winza geleverde big bags met koffiepoeder. De rechtbank zal bij de beoordeling van de schadevergoeding de twee incidenten afzonderlijk bespreken.

Incident I op 8 mei 2009

2.5

De deskundigen van Cunningham Lindsey geven in hun rapport van 27 april 2010 een uitgebreide weergave van hetgeen op 8 mei 2009 is voorgevallen:

“Omstreeks 12.30 op vrijdag 8 mei 2009 heeft een medewerker van Nestlé op een opgevouwen big bag die nog op een pallet met daarop gestapelde big bags lag, paarse korrels aangetroffen (…). Op het moment van constatering was de medewerker bezig met een pallet waarop big bags waren gestapeld met lotnummer 80316-1. Van dit lotnummer zouden door Winza omstreeks 17 februari 2009 6.000 stuks zijn aangeleverd en omstreeks 14 april 2009 eveneens 6.000 stuks. (…)

Op het moment van ontdekking van de paarse korrels waren 111 big bags in Octabins gestopt en stonden er nog 39 op de pallet. Van de 111 big bags die reeds in de Octabins zaten, waren er 85 gevuld met oploskoffiepoeder. Nestlé was op dat moment bezig om twee kwaliteiten oploskoffiepoeder te produceren en af te vullen in big bags, namelijk KVRT285 en KGRT126. Deze twee soorten oploskoffiepoeder waren bestemd voor twee verschillende markten en onderscheiden zich qua smaak en grondstoffen. Van de 85 big bags zouden er volgens de verklaring van Nestlé, 82 zijn gevuld met KGRT126 en 3 met KVRT285.”

Met betrekking tot de door Nestlé ondernomen maatregelen rapporteert Cunningham Lindsey als volgt:

“Na de eerste constatering heeft Nestlé de navolgende maatregelen genomen:

1. Het food safety team is direct gewaarschuwd.

2. Alle vreemde materialen werden verzameld.

3. De ruimte waarin de vreemde materialen waren aangetroffen is direct gecontroleerd en schoongemaakt.

4. Weggooien en vernietigen van diverse onderdelen, die in contact zijn geweest met de vreemde materialen.

5. Zowel de gevulde als de lege big bags zijn direct geblokkeerd en apart gezet.

6. Winza is direct op de hoogte gebracht van de situatie.

7. Het personeel van Nestlé is geïnformeerd over de ernst van de situatie.

8. Besloten werd om vanaf dat moment de big bags van de pallets te halen door twee medewerkers van Winza, waarbij een verscherpte controle werd uitgevoerd aan de big bags op paarse korrels.”

Volgens de deskundigen van Cunningham Lindsey heeft dit incident op 8 mei 2009 tot schade geleid:

“Op basis van de door Nestlé beschikbaar gestelde gegevens maken wij op dat Nestlé een bedrag claimt van circa CHF 311.532,00 voor de schade geleden op 8 mei 2009 tot 12.30 uur inclusief de kosten verbandhoudend met de door Winza geleverde bigbags. Dit bedrag valt als volgt te specificeren:

- 82 big bags KGRT126 CHF 231.765,00

- 3 big bags KGRT285 CHF 3.694,00

- Rente 4,82% CHF 11.349,00

- Vernietigingskosten KGRT126 CHF 3.732,00

- Transport vernietiging CHF 1.018,00

- Additional labour big bag check CHF 3.840,00

- Laboratoriumkosten Cergy CHF 1.533,00

- Laboratoriumkosten Lausanne CHF 10.360,00

- Additioneel transport / logistiek CHF 2.755,00

- Vernietigingskosten big bags CHF 376,00

- Waarde vernietigde big bags CHF 41.110,00”

Na aftrek van de overdekking op vaste kosten ad CHF 44.598,00 en de correctie op rentekosten ad CHF 2.150,00, resteert een schadebedrag van CHF 264.784,00. Omgerekend bedraagt de schade van incident I volgens Cunningham Lindsey dan ook in totaal € 184.512,00.

2.6

De door de deskundigen van Cunningham Lindsey vastgestelde gang van zaken blijkt tevens uit de correspondentie tussen Winza en Nestlé over de te ondernemen stappen na constatering van de gifkorrels. Naar het oordeel van de rechtbank hebben Winza en Amlin dan ook voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat het eerste voorval op 8 mei 2009 tot schade heeft geleid bij Nestlé. Als gevolg van deze schade heeft Nestlé de reeds verwerkte koffie moeten vernietigen of reworken, de eerste 85 big bags moeten vernietigen en de controles moeten aanscherpen.

2.7

Met betrekking tot de vernietigde en ‘gereworkte’ partijen oplospoederkoffie, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de rechtbank reeds bij haar tussenvonnis heeft overwogen, staat vast dat Nestlé kosten heeft moeten maken, nadat de gifkorrels waren beland in en op de big bags. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, acht de rechtbank het alleszins redelijk dat Nestlé heeft besloten tot vernietiging van de tot
8 mei 12.30 uur afgevulde big bags van Winza. Pas op dat moment werd immers vastgesteld dat deze big bags vervuild waren met gifkorrels. Onduidelijk was in hoeverre die korrels in de tot dat moment verwerkte koffie terecht waren gekomen. Het risico dat in die gevulde big bags gifkorrels terecht zouden zijn gekomen, was reëel.

Volgens Cunningham Lindsey was de waarde van de vernietigde en ‘gereworkte’ koffie in totaal CHF 235.459,00. De kosten van vernietiging bedroegen CHF 3.732,00 en het transport voor de vernietiging heeft CHF 1.018,00 gekost. Ook de kosten voor opslag van de te vernietigen koffie (“additioneel transport/logistiek”) ad CHF 2.755,00 acht de rechtbank toewijsbaar, nu deze samenhangen met het buiten de productie houden van de mogelijk besmette oplospoederkoffie.

De rechtbank hecht waarde aan de in de rapportage van Cunningham Lindsey genoemde kosten van de oploskoffie, omdat dit rapport is opgesteld in de periode dat Winza en Amlin nog tegenover Nestlé stonden en er belang bij hadden dat de schade zo laag mogelijk werd vastgesteld. Gelet op de grote hoeveelheid koffie in de 85 reeds afgevulde big bags, acht de rechtbank de door Winza en Amlin opgevoerde waarde van de vernietigde koffie reëel.

2.8

Winza en Amlin hebben nagelaten de in het schade-overzicht genoemde rente
ad 4,82% te onderbouwen. Nu geen grondslag bekend is van dit gevorderde bedrag, concludeert de rechtbank tot afwijzing van deze schadepost.

2.9

De kosten voor de aangescherpte controles door het personeel van Nestlé acht de rechtbank toewijsbaar. Deze maatregel was een logisch vervolg op de aangetroffen gifkorrels. Bovendien komen de kosten de rechtbank redelijk voor.

2.10

De door Nestlé gemaakte onderzoekskosten bij twee laboratoria zijn niet door HST Logistiek betwist. Bovendien acht de rechtbank deze kosten toewijsbaar, nu op korte termijn moest worden vastgesteld in hoeverre de aangetroffen korrels gevaarlijk waren.

2.11

Met betrekking tot de vernietigde big bags is de rechtbank met HST Logistiek van oordeel dat er in het geheel geen noodzaak bestond deze in Zwitserland te laten vernietigen door Nestlé. Nestlé had deze big bags kunnen retourneren aan Winza. De kosten verband houdende met de vernietiging van de big bags zal de rechtbank dan ook afwijzen. Slechts de kosten van vernietiging van de uitgevallen big bags, 169 in totaal, acht de rechtbank toewijsbaar. De rechtbank gaat hier uit van het door TVM genoemde bedrag ad € 6,38 per stuk, in totaal € 1.078,22.

2.12

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de volgende schadeposten voortvloeiend uit voorval I op 8 mei 2009 toewijsbaar zijn:

 82 big bags KGRT126 CHF 231.765,00

 3 big bags KGRT285 CHF 3.694,00

 Vernietigingskosten KGRT126 CHF 3.732,00

 Transport vernietiging CHF 1.018,00

 Additional labour big bag check CHF 3.840,00

 Laboratoriumkosten Cergy CHF 1.533,00

 Laboratoriumkosten Lausanne CHF 10.360,00

 Additioneel transport / logistiek CHF 2.755,00

Subtotaal CHF 258.697,00

omgerekend tegen de wisselkoers € 170.843,49

d.d. 8 mei 2009 (CHF 1,00 = € 0,6604)

 Vernietiging uitgevallen big bags € 1.078,22 +

================================================

Totaal € 171.921,71

Schadebeperkingsplicht Nestlé ten aanzien van voorval I

2.13

HST Logistiek heeft aangevoerd dat Nestlé op vier onderdelen haar verplichting tot beperking van de schade ex artikel 6:101 BW heeft verzaakt:

a. Nestlé had een deugdelijke ingangscontrole moeten uitvoeren;

b. Nestlé heeft de kosten onnodig gemaakt, omdat de muizenkorrels niet in de big bags terecht konden komen;

c. Nestlé had de schade kunnen beperken door alle koffie te reworken;

d. Nestlé had na het eerste voorval op 8 mei 2009 niet door moeten gaan met het afvullen van de door Winza geleverde big bags, althans een striktere controle moeten hanteren.

2.14

De onderdelen a t/m c zijn relevant voor schadebeperking ten aanzien van zowel voorval I als voorval II. Onderdeel d is slechts relevant voor de beperking van de schade ten aanzien van voorval II. De rechtbank zal eerst de onderdelen a t/m c bespreken.

2.15

De rechtbank stelt bij de bespreking van de schadebeperkingsplicht van Nestlé voorop dat de benadeelde binnen redelijke grenzen gehouden is tot het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van de schade. De grenzen van de verplichting tot beperking van de schade worden door de redelijkheid bepaald en dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.

Onderdeel a: ingangscontrole

2.16

HST Logistiek stelt zich op het standpunt dat door een gedegen ingangscontrole van de big bags door Nestlé, de schade had kunnen worden voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank valt het houden van ingangscontroles bij de big bags voorafgaand aan het eerste incident niet binnen de redelijke grenzen, zoals hiervoor in r.o. 2.15 is overwogen. Uit de processtukken blijkt dat Nestlé op een dag vele tientallen big bags gebruikt. Een controle van deze big bags op materialen, zoals gifkorrels, die Nestlé niet behoeft te verwachten in de big bags, zou een onredelijke bezwaring van het productieproces voor Nestlé opleveren.

Bovendien acht de rechtbank het niet zonder meer aannemelijk dat door een reguliere, eenvoudige controle van alle te gebruiken big bags met zekerheid zou kunnen worden uitgesloten dat er gifkorrels in het vulproces zouden belanden. In een dergelijke situatie zou ondanks de ingangscontrole Nestlé evengoed gerechtigd zijn geweest om de betreffende lading afgevulde big bags met koffie te vernietigen, zodat de schade even groot zou zijn geweest.

Onderdeel b: muizenkorrels konden niet in de big bags terechtkomen

2.17

HST Logistiek stelt zich op het standpunt dat Nestlé de big bags had kunnen blijven gebruiken, omdat de muizenkorrels niet in de big bags terecht konden komen. Cunningham Lindsey acht het “vrijwel onmogelijk” en TVM acht het “onmogelijk” dat bestrijdingskorrels of schilfers in de big bags terecht zouden zijn gekomen. Met Winza en Amlin is de rechtbank echter van oordeel dat deze stellingname achteraf, niet wegneemt dat Nestlé op 8 mei 2009 met de wetenschap van dat moment, geen enkel risico kon en mocht nemen. Nestlé gebruikte immers de big bags voor de voedselindustrie, waarbij voorzichtigheid is geboden.

De keuze van Nestlé om op 8 mei 2009 het risico van contaminatie te vermijden, acht de rechtbank dan ook begrijpelijk. In het kader van haar schadebeperkingsplicht was Nestlé dan ook niet gehouden tot het voortzetten van het afvulproces in de wetenschap dat er op en bij de big bags gifkorrels waren aangetroffen.

Om dezelfde reden hoefde van Nestlé evenmin te worden verwacht dat zij de mogelijk gecontamineerde koffie zou aanbieden aan een derde partij, zoals eerder door HST Logistiek is voorgesteld.

Onderdeel c: Reworken koffie

2.18

Het reworken van koffie is, zo blijkt uit de schadeopgave van Winza en Amlin, een goedkopere oplossing dan het vernietigen van de mogelijk gecontamineerde koffie.

HST Logistiek heeft betoogd dat het daarom op de weg van Nestlé had gelegen om de koffie niet te vernietigen, maar te reworken. In het rapport van Cunningham Lindsey worden drie redenen gegeven waarom Nestlé niet alle koffie kon reworken:

“Nestlé had alleen de mogelijkheid om de KVRT285 te reworken en niet de tengevolge van het onderhavige voorval KGRT126 om een aantal redenen.

Ten eerste is de KGRT126 een product dat in vergelijking met de KVRT285 door Nestlé in mindere mate wordt geproduceerd.

Ten tweede mag oploskoffie, volgens de procedures van Nestlé, alleen worden gereworked als de koffie niet ouder is dan één jaar, dat wil zeggen dat de onderhavige hoeveelheid KGRT126 vóór mei 2010 moet zijn gereworked.

En ten derde zou Nestlé ten gevolge van andere voorvallen een dusdanige grote hoeveelheid KGRT126 voor rework in opslag hebben, waardoor het niet mogelijk is om de onderhavige hoeveelheid vóór mei 2010 te reworken, omdat Nestlé ervoor kiest om de tengevolge van de andere voorvallen geblokkeerde KGRT126 als eerste te reworken.”

De enkele verwijzing van HST Logistiek naar een goedkopere verwerkingsmethode van de mogelijk gecontamineerde koffie, weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het in de rapportage van Cunningham Lindsey uitvoerig onderbouwde standpunt dat Nestlé waar mogelijk de koffie heeft gereworked. De rechtbank concludeert dan ook tot afwijzing van dit verweer van HST Logistiek.

Conclusie ten aanzien van incident I

2.19

Naar het oordeel van de rechtbank was Nestlé niet binnen redelijke grenzen gehouden tot het nemen van de maatregelen, zoals gesteld door HST Logistiek. De rechtbank acht ten aanzien van incident I dan ook de door Winza en Amlin gestelde schade van Nestlé toewijsbaar tot het in r.o. 2.12 genoemde bedrag ad € 171.921,71.

Incident II op 11 mei 2009

2.20

Na het eerste incident op 8 mei 2009 heeft Nestlé besloten het afvulproces van de door Winza geleverde big bags voort te zetten, op de wijze zoals hierna nader zal worden besproken. Op 11 mei 2011 hebben medewerkers van Nestlé echter wederom schilfers van de eerder aangetroffen gifkorrels gevonden tussen de big bags. Dit tweede incident is voor Nestlé reden geweest om alle big bags van Winza die zijn afgevuld tussen de middag van 8 mei 2009 en de ochtend van 11 mei 2009 te reworken of af te voeren.

HST Logistiek heeft aangevoerd dat Nestlé na het eerste incident niet had moeten doorgaan met het afvullen van de geleverde big bags, teneinde de schade te voorkomen. De rechtbank zal eerst ingaan op dit standpunt van HST Logistiek.

Schadebeperkingsplicht Nestlé ten aanzien van voorval II

2.21

HST Logistiek heeft aangevoerd dat Nestlé op vier onderdelen haar verplichting tot beperking van de schade ex artikel 6:101 BW heeft verzaakt, zoals reeds is overwogen in r.o. 2.12. Drie van deze onderdelen zien op de schadebeperking van beide incidenten en zijn reeds in het voorgaande besproken. Thans zal de rechtbank het in r.o. 2.12 genoemde vierde onderdeel van dit verweer van HST Logistiek bespreken.

Onderdeel d: handelswijze na incident I

2.22

Na incident I heeft Nestlé er voor gekozen om het afvulproces voort te zetten met de door Winza geleverde big bags. In de periode vanaf ’s middags 8 mei 2009 tot en met de ochtend van 11 mei 2009 zijn er in totaal 187 big bags met KGRT126 afgevuld en 293 big bags met KVRT285.

Uit de rapportage van Cunningham Lindsey blijkt dat Nestlé na het eerste incident haar “Food safety team” heeft gewaarschuwd en dat vanaf dat moment de big bags verscherpt zijn gecontroleerd. Dit blijkt tevens uit een e-mailbericht van Nestlé:

“Without any other different lot of big bags to produce, we implemented a reinforced procedure to check carefully every big bag to detect the presence of these “dark purple wheat seeds”. The production continued Saturday and Sunday with this additional control.”

2.23

Tijdens het weekend heeft het afvullen van de big bags plaatsgevonden na een verscherpte procedure en zorgvuldige controle van iedere big bag op de aanwezigheid van gifkorrels. Uit de processtukken blijkt dat deze controle zorgvuldig en grondig is geweest en verder ging dan een reguliere ingangscontrole, als bedoeld in r.o. 2.16.

Toen in de ochtend van 11 mei 2009, naar de rechtbank begrijpt, bij één van deze verscherpte controles vóór het afvullen van de big bag, wederom schilfers van paarse korrels werden aangetroffen, heeft Nestlé besloten alle tot dan toe onder verscherpte controle gevulde big bags te reworken of vernietigen.

Schadebeperkingsplicht: causaliteit

2.24

Artikel 6:101 BW geeft als primair uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Toepassing van die primaire maatstaf houdt een causaliteitsafweging in, die er op neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van Nestlé en anderzijds het gedrag van HST Logistiek aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. De mate van verwijtbaarheid komt na beoordeling aan de hand van deze primaire maatstaf aan de orde bij de bespreking van de in artikel 6:101 lid 1 BW vervatte billijkheidscorrectie.

2.25

Binnen redelijke grenzen mocht van Nestlé worden verwacht dat zij na 8 mei 2009 maatregelen zou nemen om de schade te beperken. Met HST Logistiek is de rechtbank van oordeel dat Nestlé na het incident op 8 mei 2009 twee mogelijkheden had:

- Het staken van het gebruik van de big bags van Winza, omdat het vertrouwen op een veilige afvulling ontbrak, of

- Het voortzetten van het gebruik onder verscherpte controle, daarbij vertrouwend op de grondigheid van de verscherpte maatregelen.

Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat Nestlé verscherpte controles heeft toegepast, waarbij – blijkbaar – telkens voor ogen is gehouden dat zodra er gifkorrels (of schilfers daarvan) zouden worden aangetroffen, alle tot dan toe – onder verscherpt toezicht – gevulde big bags zouden worden vernietigd. Aldus is immers geschied.

De in het weekend afgevulde big bags werden stuk voor stuk grondig gecontroleerd op de aanwezigheid van gifkorrels of schilfers daarvan. De rechtbank overweegt dat Nestlé had mogen vertrouwen op haar eigen grondige maatregelen of er van meet af aan voor had moeten kiezen om de big bags van Winza niet te gebruiken. De vernietiging of het reworken van de in die big bags aanwezige koffie, is naar het oordeel van de rechtbank, een onnodige maatregel geweest, nu Nestlé de big bags zeer grondig had gecontroleerd. Er is onvoldoende gesteld of gebleken dat Nestlé genoodzaakt was om alle tot dan toe verwerkte koffie te vernietigen. De keuze om dit – ondanks de verscherpte controles te doen – dient voor rekening van Nestlé te blijven. De schade vloeit naar het oordeel van de rechtbank geheel voort uit de keuzes van Nestlé.

2.26

Dat Nestlé, blijkens de e-mail van de heer [L] van 15 mei 2009, op 8 mei 2009 geen andere big bags had om de productie voort te zetten en er voor heeft gekozen om onder verscherpte controle de big bags te vullen, maakt dit oordeel niet anders.

Schadebeperkingsplicht: billijkheidscorrectie

2.27

Thans komt de vraag aan de orde of op grond van artikel 6:101 lid 1 BW een andere verdeling in het kader van de schadevergoedingsplicht op zijn plaats is. Dit is het geval indien de billijkheid dit eist, gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het geval zijn betrokken. Er wordt in dit kader rekening gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met de andere omstandigheden van het geval.

Na ontdekking van de gifkorrels op 8 mei 2009 heeft Nestlé, na melding aan Winza, de keuze gemaakt om met verscherpte controles het afvullen van de big bags voort te zetten. Niet is gebleken van enig overleg tussen Nestlé met de andere betrokken partijen bij de beslissing om alle in het weekend gevulde big bags te vernietigen of reworken na het aantreffen van schilfers van gifkorrels op 11 mei 2009. HST Logistiek, noch Winza, is betrokken geweest bij de keuze van Nestlé om de onder verscherpte controles gevulde big bags te vernietigen, hetgeen heeft geleid tot een enorme schadepost van Nestlé. Dit alles in aanmerking nemende, heeft de rechtbank geen redenen om tot een andere verdeling in het kader van de schadevergoedingsplicht te komen.

Conclusie ten aanzien van incident II

2.28

De rechtbank komt op grond van het voorgaande dan ook tot de conclusie dat de schade op 11 mei 2009 voorkomen had kunnen worden indien Nestlé zou hebben afgezien van de maatregelen, zoals hiervoor overwogen bestaande uit vernietiging van alle tot dan toe verwerkte koffie. De kosten voor de verscherpte controles zijn wel voor toewijzing vatbaar. Deze kosten vloeien voort uit incident I en de rechtbank heeft in r.o. 2.12 reeds overwogen dat deze tot een bedrag ad € 3.840,00 toewijsbaar zijn. De overige door Winza en Amlin opgevoerde schadeposten uit incident II vloeien allen voort uit het vernietigen en reworken van de in het weekend afgevulde big bags. De rechtbank concludeert tot afwijzing van deze gevorderde schadeposten.

Beslissingen op de vorderingen van Winza en Amlin

2.29

Op grond van het hiervoor overwogene en hetgeen de rechtbank reeds in haar (tussen)vonnissen van 28 maart 2012, 16 januari 2013 en 17 juli 2013 heeft overwogen, concludeert de rechtbank dat voor recht kan worden verklaard dat Winza en Amlin als cessionarissen in de rechten van Nestlé jegens HST Logistiek zijn getreden. Voorts zal de rechtbank voor recht verklaren dat HST Logistiek aansprakelijk is jegens Nestlé voor de schade die Nestlé heeft geleden ten gevolge van het onderhavige voorval.

2.30

De rechtbank heeft de schade wegens de door HST Logistiek gepleegde onrechtmatige daad jegens Nestlé vastgesteld op € 171.921,71. Van dit bedrag heeft HST Logistiek reeds een bedrag ad € 75.000,00 voldaan aan Winza, zodat de rechtbank een bedrag van
€ 96.921,71 toewijsbaar acht.

2.31

Winza en Amlin vorderen de wettelijke rente vanaf de datum van de betalingen die zij aan Nestlé hebben gedaan. De rechtbank begrijpt dat Winza en Amlin voor de wettelijke rente aansluiting hebben willen zoeken bij de akte van cessie die op 15 november 2010 door alle partijen is ondertekend. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente heeft HST Logistiek geen verweer gevoerd. Omdat de datum van de onrechtmatige daad is gelegen voor de datum waarop Winza en Amlin de akte van cessie hebben ondertekend, komt de rechtbank de vordering met betrekking tot de wettelijke rente niet ongegrond
of onrechtmatig voor. De rechtbank zal de wettelijke rente dan ook toewijzen vanaf
15 november 2010.

2.32

HST Logistiek zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan salaris van de advocaat van Winza en Amlin worden begroot op 3,5 punten x tarief VII à € 2.580,00.

2.33

Winza en Amlin vorderen wettelijke rente over de proceskosten. HST Logistiek is wettelijke rente verschuldigd over de proceskosten vanaf datum verzuim. De rechtbank zal, conform de vordering van Winza en Amlin, een termijn van 14 dagen na betekening bepalen voor betaling van de proceskosten en beslissen dat de wettelijke rente over de proceskosten pas is verschuldigd wanneer betaling binnen deze termijn uitblijft.

3 De beslissing

De rechtbank:

Verklaart voor recht dat HST Logistiek aansprakelijk is voor de schade ad € 171.921,71 die Nestlé heeft geleden ten gevolge van het onderhavige voorval.

Verklaart voor recht dat Amlin en Winza, op grond van de als productie 1 overgelegde akte van cessie, als cessionarissen in de rechten van Nestlé jegens HST Logistiek zijn getreden.

Veroordeelt HST Logistiek tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van een bedrag ad € 96.921,71 aan Amlin en Winza.

Veroordeelt HST Logistiek in de proceskosten met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening. De kosten aan de zijde van Winza en Amlin worden begroot op € 9.030,00 aan salaris van de advocaat en € 3.620,31 aan verschotten.

Veroordeelt HST Logistiek in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover gedaagde niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan.

VI. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Bosch, Vermeulen en Lorist en is op
29 januari 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.