Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:780

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
07/910030-11
Formele relaties
Ontnemingsprocedure: ECLI:NL:RBOVE:2014:4052
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de verdachte schuldig aan deelname aan een criminele organisatie uit Zwolle die zich bezig hield met de exploitatie van hennep. Verdachte had hierin een leidinggevende en centrale rol. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren. Dossiernaam ‘Molengat’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - meervoudige kamer

Locatie Zwolle

Parketnummers: 07/910030-11

Uitspraak: 18 februari 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het Openbaar Ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op de openbare zittingen van

26 april 2013, 9 september 2013, 14 januari 2014 en 4 februari 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. H.J. Timmer.

TENLASTELEGGING

De verdachte is tenlastegelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle en/of Dalfsen en/of Heerde en/of Emmer-Compascuum en/of Winschoten en/of Raalte en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en een of meer perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, te weten het (meermalen) (telkens) opzettelijk aanwezig hebben en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hennepstekken en/of een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of meerdere zakken weed, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl hij, verdachte, van die organisatie (mede)oprichter en/of bestuurder was en/of binnen die organisatie een leidinggevende rol vervulde;

2.

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle en/of Dalfsen en/of Heerde en/of Emmer-Compascuum en/of Winschoten en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, één of meer kilogram(men) hennep/weed, althans een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, te weten:

- op of omstreeks 4 september 2012 in de gemeente Zwolle en/of Heerde en/of Dalfsen en/of Emmer-Compascuum en/of Winschoten, althans in Nederland, ongeveer 21,571 kilogram hennep/weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 7 mei 2012 in de gemeente Zwolle en/of Heerde en/of Dalfsen en/of Emmer-Compascuum en/of Winschoten, althans in Nederland, ongeveer 30 kilogram hennep/weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed (drie grote tassen);

en/of

- op of omstreeks 18 mei 2012 in de gemeente Zwolle en/of Heerde en/of Dalfsen en/of Emmer-Compascuum en/of Winschoten, althans in Nederland, ongeveer 20 kilogram hennep/weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed (twee grote tassen);

en/of

- op of omstreeks 7 juni 2012 in de gemeente Zwolle en/of Heerde en/of Dalfsen en/of Emmer- Compascuum en/of Winschoten, althans in Nederland, ongeveer 40 kilogram hennep/weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 28 juni 2012 in de gemeente Zwolle en/of Heerde en/of Dalfsen en/of Emmer- Compascuum en/of Winschoten, althans in Nederland, ongeveer 30 kilogram hennep/weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed (3 grote tassen);

en/of

- op of omstreeks 9 juli 2012 in de gemeente Zwolle en/of Heerde en/of Dalfsen en/of Emmer-Compascuum en/of Winschoten, althans in Nederland, ongeveer 20 kilogram hennep/weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 24 juli 2012 in de gemeente Zwolle en/of Heerde en/of Dalfsen en/of Emmer- Compascuum en/of Winschoten, althans in Nederland, ongeveer 20 kilogram hennep/weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed;

en/of

-op of omstreeks 10 augustus 2012 in de gemeente Zwolle en/of Heerde en/of Dalfsen en/of Emmer-Compascuum en/of Winschoten, althans in Nederland, ongeveer 20 kilogram hennep/weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed;

4.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle en/of Dalfsen en/of Heerde en/of Raalte en/of Kampen en/of Langenboom en/of Venhorst en/of Enschede en/of Wezep en/of elders in Nederland, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, één of meer kilogram(men) hennep/weed, althans een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of vervoerd en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan (onder meer):

- [betrokkene 1] en/of

-[medeverdachte 9] en/of

-[betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of

- [betrokkene 5] en/of

- [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of

-[betrokkene 8] en/of

-[betrokkene 9],

in elk geval aanwezig gehad (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

5.

hij op of omstreeks 14 november 2012 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (aan de [adres 2] te Zwolle) ongeveer 42,48 gram hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, althans een (grote) hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.

hij op of omstreeks 14 november 2012 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (aan de [adres 3] te Zwolle) ongeveer 5.291 gram hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, althans een (grote) hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Ten aanzien van de nummering van de tenlastegelegde feiten merkt de rechtbank op dat 1, 2, 4, 5 en 6 is vermeld. Omdat nummer 3 ontbreekt vat de rechtbank dat op als een kennelijke verschrijving en leest hier verbeterd 1, 2, 3, 4 en 5.

De verdachte is door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld - zoals hierna wordt overwogen - dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd - overeenkomstig de inhoud van het aan de rechtbank overgelegde schriftelijk requisitoir - verdachte te veroordelen ter zake van

het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich - overeenkomstig de inhoud van de door hem aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 1, 2 (met uitzondering van het op 4 september 2012 onderschepte henneptransport dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard), 3 en 5 tenlastegelegde. De raadsman refereert zich met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat nu onder 2 de termen ‘hennep’ en ‘hasjiesj’ door elkaar worden gebruikt, de dagvaarding op dat onderdeel innerlijk tegenstrijdig is en daarom niet voldoet aan artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het verwijt betreft immers export van hennep, terwijl in de tenlastelegging gesproken wordt over ‘in elk geval een grote hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen’, hetgeen geen hennep is, maar hasjiesj. De dagvaarding dient daarom, voor zover het dit onderdeel betreft, nietig te worden verklaard.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Aan de verdachte is onder 2 op grond van artikel 3 aanhef en onder a van de Opiumwet ten laste gelegd dat hij (tezamen en in vereniging met een ander of anderen) op verschillende data, telkens een grote hoeveelheid hennep naar Duitsland heeft uitgevoerd. In de verdere uitwerking van de tenlastelegging is naast de uitvoer van hennep/weed kennelijk in een subsidiaire variant ook opgenomen de uitvoer van ‘een grote hoeveelhe(id(en) van een gebruikelijk mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de Opiumwet behorende bij lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet’.

Aan de verdediging moet worden toegegeven dat de redactie van de tenlastelegging op dit punt niet de schoonheidsprijs verdient. Tot nietigheid van de inleidende dagvaarding wegens innerlijke tegenstrijdigheid of onbegrijpelijkheid van de tenlastelegging behoeft dit naar het oordeel van de rechtbank echter niet te leiden. Een dagvaarding moet nietig worden verklaard indien in de tenlastegelegde feitelijke gedragingen zodanige tegenstrijdigheden voorkomen dat het voor de verdachte onduidelijk is waarvan hij precies wordt verdacht. Daarvan is hier geen sprake. In samenhang met het onderliggende dossier beschouwd, moet het voor de verdachte en zijn raadsman voldoende duidelijk zijn geweest waar verdachte zich tegen moest verdedigen, namelijk het (samen met anderen) uitvoeren van hoeveelheden hennep naar Duitsland.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bevel ex artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie geen bevel tot stelselmatige (meervoudige camera-)observatie op naam van verdachte had mogen afgeven, omdat uit het proces-verbaal van aanvraag van inzet stelselmatige observatie van 21 juli 2011 waarin gerefereerd wordt aan diverse in 2010 en 2011 bij de CIE binnengekomen criminele inlichtingen geen redelijk vermoeden van schuld zoals bedoeld in artikel 27 Sv ten aanzien van zijn cliënt kon worden afgeleid. Onder de diverse processen-verbaal van de CIE waarnaar verwezen wordt, is er namelijk slechts één proces-verbaal, gedateerd op 15 april 2011, waarin de naam van zijn cliënt wordt genoemd. Volgens de raadsman is dat ene proces-verbaal volstrekt ontoereikend om als basis te dienen voor de inzet van camera-observatie gedurende een periode van maar liefst zestien maanden. Het feit dat daarnaast nog melding gemaakt is van het feit dat cliënt eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld, maakt dit volgens de raadsman niet anders. Volgens de raadsman is dit vormverzuim ernstig en onherstelbaar, zodat de op basis van het afgegeven bevel verkregen camerabeelden en observaties van het bewijs moeten worden uitgesloten, evenals alle ‘fruits of the poisonous tree’ zoals in elk geval de tapgesprekken die betrekking hebben op de vermeende transporten.

Uit het in het strafdossier van verdachte aanwezige schriftelijke bevel observatie ex artikel 126g Sv, gedateerd 21 juli 2011, blijkt dat verdachte daar wordt aangemerkt als verdachte in de zin van artikel 27 Sv. Dit was kennelijk gebaseerd op het feit dat verdachte reeds eerder is veroordeeld in verband met de Opiumwet alsmede op CIE-informatie uit maart 2011 waarin melding wordt gemaakt van verdenking van betrokkenheid van verdachte bij export van drugs. Dat in de CIE-informatie wordt gesproken over export naar Engeland in plaats van naar Duitsland maakt dit niet anders. De feiten en omstandigheden waarop de verdenking is gebaseerd zijn voldoende om ten aanzien van verdachte te kunnen spreken van een ‘redelijk vermoeden van schuld’. Op grond van artikel 126g Sv kon de officier van justitie onder die omstandigheden in het belang van het onderzoek bevel geven tot stelselmatige observatie. Het verweer wordt verworpen. Dit impliceert dat het beroep van de raadsman op de onrechtmatigheid van de op de camerabeelden gebaseerde bevelen tot het opnemen van telecommunicatieverkeer geen bespreking meer behoeft, nu dat verweer op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de rechtmatigheid van de verleende bevelen tot stelselmatige observatie, slechts kan worden verworpen.

Doorlaatverbod

Het verweer van de raadsman dat het Openbaar Ministerie in strijd met het doorlaatverbod van artikel 126 ff Sv heeft gehandeld, hetgeen tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden, verwerpt de rechtbank eveneens. De Hoge Raad heeft op 2 juli 2002 (NJ 2002,602) nadrukkelijk bepaald dat uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 126 ff Sv niet blijkt dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van een verdachte. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de eventueel niet juiste naleving van het verbod op doorlating beroepen.

Feit 2: meermalen uitvoeren van hennep

Volgens de officier van justitie kunnen alle onder 2 tenlastegelegde transporten wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen, niet kan worden afgeleid dat verdachte zich bezig heeft gehouden met de export van hennep met uitzondering van het onderschepte transport op 4 september 2012. Verdachte moet daarom, met uitzondering van het transport op 4 september 2012, worden vrijgesproken van feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit vonnis zullen worden opgenomen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De rechtbank overweegt daartoe nog als volgt.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang gezien - af dat verdachte en anderen op verschillende tijdstippen hennep naar Duitsland hebben vervoerd. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat er meermalen henneptransporten hebben plaatsgevonden naar Duitsland en dat hij samen met verdachte voor de helft deelde in de opbrengst van die transporten. Het verpakken van de drugs gebeurde soms bij hem en soms bij verdachte. Ook heeft medeverdachte [medeverdachte 6] verklaard over de transporten.

4 september 2012

De betrokkenheid van verdachte bij het transport op 4 september 2012 blijkt bovendien uit camerabeelden, observaties en tapgesprekken waaruit de rechtbank opmaakt dat verdachte samen met anderen bezig is met de voorbereiding van bedoeld transport. Op 1 september 2012 heeft medeverdachte [medeverdachte 3] naar medeverdachte [medeverdachte 6] ge-sms’t: “dinsdag bakkie doen”, nadat [medeverdachte 3] een afspraak heeft gehad met verdachte.

Op 3 en 4 september 2012 is op camerabeelden waargenomen dat door verdachte herhaaldelijk iets wordt ingeladen in een Seat Altea met het kenteken [kenteken 1] op het terrein aan de [straat] in Zwolle.

Op 3 september 2012 om 14.38 uur komt medeverdachte [medeverdachte 4] het kamp oprijden in een blauwe Peugeot 307. Verdachte staat op dat moment achter een aantal gestalde caravans. [medeverdachte 4] parkeert de Peugeot naast de genoemde caravans en stapt uit. Daarop komen medeverdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] op hem aflopen en begroeten hem. Vervolgens loopt [medeverdachte 4] met een ‘schoudertasje’ richting de woning van verdachte. Als hij even later weer terug is, loopt hij samen met verdachte naar de achterzijde van de Seat. Even later stappen [medeverdachte 8] en een onbekende persoon in een Volkswagen Jetta voorzien van het kenteken [kenteken 2] rijden het kamp af. Verdachte en [medeverdachte 4] lopen samen naar de woonwagen van verdachte. Om 14.45 uur is op de beelden te zien dat [medeverdachte 4] naar de Seat loopt en onderwijl een grote zwarte tas achter zich aan sleept. Hij opent het linker achterportier en hangt even in de auto. Als hij terug loopt naar de woonwagen van verdachte heeft hij de tas niet meer bij zich. Om 14.47 uur komt hij opnieuw in beeld als hij het linker achterportier van de Seat opent en even in de auto hangt. Dit herhaalt zich enkele malen. Om 14.49 uur rijdt [medeverdachte 4] samen met een onbekende bestuurder in de Seat het kamp af. Om 17.18 uur komt de Volkswagen Jetta van [medeverdachte 8] weer het kamp oprijden en parkeert ter hoogte van de woonwagen van verdachte. De inzittenden stappen uit en lopen naar de wagen van verdachte. Om 17.39 uur komt de Seat het kamp oprijden en wordt geparkeerd naast de caravans. [medeverdachte 4] opent het achterportier en bukt voorover in de auto. Nadat hij het portier heeft gesloten loopt hij met een zwarte middelgrote tas naar de woning van verdachte. Om 19.02 uur parkeert verdachte de al die tijd onaangeroerde Seat met de achterkant van het voertuig richting zijn woonwagen. Te zien is dat hij de kofferbak opent en enige tijd aan het kijken en schuiven is. Vervolgens vertrekt hij op een scooter. Op 4 september 2012 om 5.47 uur is door observanten gezien dat medeverdachte [medeverdachte 2] vanaf zijn huisadres is vertrokken in een Mercedes oprijwagen met kenteken

[kenteken 3] en naar het woonwagenkamp aan de [straat] rijdt. Hij loopt naar de wagen van [verdachte]. Vervolgens is door het observatieteam gezien dat medeverdachte [medeverdachte 2] om 6.08 uur met die Seat het terrein afrijdt. De auto is gevolgd en in Emmer-Compascuum is er contact tussen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] rijdt dan in een auto met Duits kenteken en wordt, na een tussenstop in Ter Apel, in Duitsland aangehouden. In zijn auto wordt 21,571 kilogram hennep aangetroffen. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij de tassen van ene [naam] heeft gekregen die in een donkere Seat reed. Dit signalement past bij medeverdachte [medeverdachte 2].

Door verdachte noch door medeverdachten zijn aannemelijke verklaringen afgelegd over de diverse bewegingen die zijn waargenomen en vastgelegd, over de contacten tussen verdachten en medeverdachten en over de inhoud van de tassen die zijn ingeladen aan de [straat] in Zwolle.

7 mei 2012

Op 3 mei 2012 belt verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] en zegt “dat het morgen niet kan en dat hij naar maandag heeft verschoven”. Op 5 mei 2012 belt verdachte wederom met [medeverdachte 1] en laat verdachte hem weten “dat hij compleet is”. [medeverdachte 1] heeft nog een kleine bijdrage, waarop verdachte aangeeft dat [medeverdachte 1] dat vanavond kan meenemen. Op 6 mei 2012 ontvangt [medeverdachte 1] een sms van verdachte met de boodschap “6.8 vergeet tel niet”. [medeverdachte 1] sms’t terug en vraagt “of de rest er nog bij kan”. Op 7 mei 2012 is op de camerabeelden te zien dat medeverdachte [medeverdachte 2] op het terrein aan de [adres 2] in Zwolle naar de daar geparkeerde Seat Altea met het kenteken [kenteken 1] loopt met in zijn handen een grote zwarte tas en hij deze in de kofferbak van de auto legt. Even later legt hij nog een tweede en vervolgens een derde grote zwarte tas in de kofferbak van de Seat Altea. [medeverdachte 2] sluit de kofferbak en loopt in de richting van de woonwagen van verdachte. Hij vertrekt om 06.09 uur met de Seat Altea om vervolgens om 08.11 uur weer terug te keren en voor de woonwagen van verdachte te parkeren. Op de dag dat er met cameraobservatie aan de [straat] activiteiten worden waargenomen die duiden op een henneptransport, blijkt uit de historische printgegevens dat zowel de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 3] als die van [medeverdachte 6] wordt aangestraald op de mast in de buurt van het tankstation in Ter Apel.

Overige transporten

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - af dat grote hoeveelheden hennep door verdachte en medeverdachten op verschillende tijdstippen naar Duitsland zijn vervoerd. De rechtbank stelt voorop dat bewijsmiddelen, die ten grondslag zijn gelegd aan de bewezenverklaring van een strafbaar feit, ook kunnen worden gebruikt als steunbewijs voor andere, soortgelijke, strafbare feiten (schakelbewijs). Voorwaarde is dat uit dit bewijsmateriaal blijkt van een specifiek gedragspatroon van de verdachte, dat op essentiële punten overeenstemt met de gang van zaken bij het te bewijzen feit. Met betrekking tot de modus operandi overweegt de rechtbank dat uit de stukken van het dossier met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat - naast de hierboven besproken transporten op 4 september 2012 en 7 mei 2012 - ook de overige tenlastegelegde transporten door verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders zijn gepleegd. De rechtbank komt tot dit oordeel door de gelijksoortigheid van de werkwijze van verdachte en zijn mededaders en van de feiten en omstandigheden waaronder de transporten zijn gepleegd.

De rechtbank stelt vast, op basis van de zich in het dossier bevindende peilbakengegevens, tapgegevens, observaties en camerabeelden, dat er bij de transporten op 7 mei 2012, 18 mei 2012, 7 juni 2012, 28 juni 2012, 9 juli 2012, 24 juli 2012 en 10 augustus 2012 sprake was van dezelfde modus operandi als bij het op 4 september 2012 onderschepte henneptransport. Het patroon dat op 4 september 2012 is waargenomen komt overeen met de zich in het dossier bevindende peilbakengegevens, tapgegevens, observaties en camerabeelden van andere tenlastegelegde transporten. Voorafgaand aan de henneptransporten vindt er telefonisch contact plaats tussen medeverdachten, waarbij verdachte uitdrukkelijk betrokken is. Op de dag dat er met cameraobservatie aan de [straat] in Zwolle, bij de woonwagen van verdachte, activiteiten worden waargenomen die duiden op henneptransporten, blijkt uit de historische printgegevens dat de mobiele telefoons van medeverdachten worden aangestraald op de mast in de buurt van het tankstation in Ter Apel.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte in de periode van 3 mei 2012 tot en met 4 september 2012 aan de onder 2 tenlastegelegde transporten op 7 mei 2012, 18 mei 2012, 7 juni 2012, 28 juni 2012, 9 juli 2012, 24 juli 2012, 10 augustus 2012 en 4 september 2012 heeft deelgenomen.

Feit 1: deelneming aan een criminele organisatie

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat de jurisprudentie die betrekking heeft op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht ook van toepassing is wanneer artikel 11a van de Opiumwet is tenlastegelegd. Onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon.

Vast moet komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend. Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, ondersteunen. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Wetenschap of een andere vorm van opzet ten aanzien van één of meer concrete misdrijven is niet noodzakelijk.

Niet is vereist dat vast is komen te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de jurisprudentie betreffende de Hofstad-groep (HR 2 februari 2010, LJN BK 5193) volgt dat ook in geval niet is gebleken van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een bepaalde hiërarchie en een daaruit voortvloeiende druk om zich aan de regels te houden, sprake kan zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr (namelijk voor zover wel aan andere door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden is voldaan).

Artikel 11a van de Opiumwet is een specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (generalis). Het oogmerk van de organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet dient gericht te zijn op een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

Bij de beoordeling van de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een criminele organisatie en of verdachte daaraan heeft deelgenomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Aanleiding

Naar aanleiding van CIE-informatie is er in juli 2011 een onderzoek ingesteld naar een mogelijke criminele organisatie. Dit onderzoek, genaamd Molengat, is uitgevoerd in de periode van medio juli 2011 tot en met 14 november 2012. Gedurende het Molengat-onderzoek zijn telefoongesprekken afgeluisterd en opgenomen. Tevens is permanente cameraobservatie uitgevoerd op het woonwagenkamp aan de [straat] te Zwolle.

Handelwijze organisatie

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen meer personen met een zekere organisatiegraad, waarbij de organisatie en daarmee verdachte en anderen de exploitatie van hennepkwekerijen tot oogmerk hadden. Er was sprake van een samenwerkingsverband dat zich bedrijfsmatig bezig hield met het vanaf de bron leveren van hennepstekken, het vervolgens telen, bewerken, verwerken van de hennep in kwekerijen in Nederland, tot aan de contacten met de (Duitse) afnemers, het transport, de verkoop en aflevering van de hennep aan de (Duitse) afnemers. Deze handel vond plaats vanaf een vaste locatie aan de [straat] in Zwolle.

Onderlinge contacten

In de tenlastegelegde periode is gebleken van veelvuldige telefonische contacten tussen verdachten onderling. De rechtbank gaat ervan uit dat deze telefonische contacten onder andere betrekking hadden op afspraken omtrent de handel in hennep. Deze interpretatie is gerechtvaardigd nu vaststaat dat in genoemde telefonische contacten tussen verdachten onderling in versluierde taal werd gesproken. Zo werd er onder meer gesproken over “een bakkie doen, “nog drie geleverd kunnen worden” en “van dat andere mengsel ook nog twee”, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank - in samenhang met de cameraobservaties - duidt op een drugstransport. De verdachten hebben geen, dan wel geen geloofwaardige alternatieve verklaring gegeven voor dit taalgebruik. Aannemelijk is dat verdachten in de telefonische contacten willens en wetens verhullende taal hebben gebezigd.

Leden van het georganiseerd verband en rolverdeling

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een georganiseerd verband tussen

diverse personen. Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer gedurende langere tijd en structureel zijn eigen rol dan wel taak.

Duurzaamheid

Het georganiseerd verband was duurzaam van aard nu – in ieder geval – gedurende de tenlastegelegde periode handel in hennep heeft plaatsgevonden.

Rol van verdachte

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang en in verband bezien met de overige bewijsmiddelen zoals vermeld in dit vonnis, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de periode van juli 2011 tot en met 13 november 2012 als leidinggevende kan worden aangemerkt van de hiervoor omschreven criminele organisatie. De woonwagen aan de [straat] in Zwolle van verdachte vervulde in het geheel een centrale rol. Feitelijk was het verdachte die het binnen de organisatie voor het zeggen had. Zo onderhoudt verdachte de contacten voorafgaand aan een henneptransport. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij samen met verdachte drugs transporteerde naar Duitsland. Daarbij regelt verdachte volgens [medeverdachte 1] de transporten, terwijl [medeverdachte 1] de contacten onderhoudt met de afnemers. Daarnaast heeft verdachte meerdere malen zelf hennep verkocht aan diverse afnemers en is bij hem in zijn woonwagen een grote hoeveelheid hennep aangetroffen. Met al deze handelingen leverde verdachte als lid van de organisatie, in de rol van leidinggevende, een groot aandeel aan gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

Conclusie

De rechtbank is op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen van oordeel dat is komen vast te staan dat in voornoemde periode sprake is geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezenverklaarde misdadige oogmerk, als hiervoor bedoeld. Dit samenwerkingsverband heeft zich in voornoemde periode op betrekkelijk omvangrijke schaal bezig gehouden met de exploitatie van hennep. Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer gedurende langere tijd en structureel zijn eigen rol dan wel taak. Bij onderlinge contacten werd gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik, hetgeen de professionaliteit van de organisatie onderstreept. Verdachte heeft aan deze criminele organisatie als leidinggevende deelgenomen.

Feit 3: meermalen verkopen van hennep en aanwezig hebben van hennep

De rechtbank leest het aan verdachte onder 3 tenlastegelegde aldus dat hem wordt verweten dat hij in de tenlastegelegde periode in de uitoefening van een beroep of bedrijf samen met anderen in elk geval hoeveelheden hennep (waaronder de rechtbank ook hennepstekken begrepen acht) opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarnaast treft hem het verwijt dat hij met anderen in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld in hennep.

Uit de camerabeelden is gebleken, dat er meerdere malen per week personen, meestal in een auto, komen bij de woonwagen van verdachte. Deze personen halen dan tassen, vuilniszakken of dozen uit de auto en brengen dit naar de woonwagen van verdachte. Na enige tijd vertrekken ze weer, meestal zonder tassen of vuilniszakken bij zich. Tevens is uit de camerabeelden gebleken, dat er personen bij de woonwagen van verdachte komen en daar tassen of dozen ophalen.

In de periode van 29 juli 2011 tot en met 14 november 2012, zijn 188 van dergelijke

bewegingen vastgesteld. In 112 gevallen komen er personen bij de woonwagen van verdachte zakken c.q. tassen inleveren. In 76 gevallen komen er bij de woonwagen van verdachte personen zakken c.q. tassen ophalen.

De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte in de tenlastegelegde periode de beschikking heeft gehad over hennep en hennepstekken en met die hennep en hennepstekken handel gedreven heeft.

Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft bekend stekken aan verdachte te hebben geleverd voor 1 à 1,20 euro per plantje. Volgens zijn verklaring is hij in maart 2011 begonnen met leveren. Hij leverde één keer per week tot juli 2012. Er werd telefonisch besteld en contant betaald op het kamp. [medeverdachte 5] kreeg een GSM-toestel van verdachte.

Voor zover de verdediging nog heeft willen betogen dat de tapgesprekken naar aanleiding van het bevel tot het aftappen van de telefoon van [medeverdachte 5] van het bewijs moeten worden uitgesloten vanwege onvoldoende grondslag (de camerabeelden kunnen immers niet als zodanig dienen vanwege de gestelde onrechtmatigheid van het bevel tot stelselmatige observatie), wordt dit verweer verworpen op dezelfde gronden als hiervoor is overwogen met betrekking tot de rechtmatigheid van het verleende bevel tot stelselmatige observatie tegen verdachte. Ook overigens kan dit verweer - wat daarvan ook zij - verdachte niet baten nu het immers niet de verdachte is die door de beweerde niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.

Medeverdachte [medeverdachte 9], bij wie op 2 september 2011 aan de [straat] in Kampen een hennepkwekerij is aangetroffen, heeft tegenover de politie verklaard dat hij wel eens weed bracht naar verdachte. Verdachte leverde hem weedstekken. Op camerabeelden van 29 maart 2012 is gezien dat [medeverdachte 9] in een witte Mercedes het woonwagenkamp aan de [straat] in Zwolle op komt rijden en een vuilniszak aflevert. [medeverdachte 9] heeft bij de politie verklaard dat het heel goed zou kunnen dat hij op 29 maart 2012 een vuilniszak weed bij verdachte heeft afgeleverd.

Hij herkent zichzelf op de beelden en verklaart dat de witte Mercedes die te zien is op de [straat] van hem is. Over de camerabeelden van 30 juli 2012 waarop te zien is dat [medeverdachte 9] een vuilniszak uit zijn auto haalt en deze bij verdachte achterlaat, heeft [medeverdachte 9] verklaard dat het volgens hem om een “partijtje weed” gaat. Over de camerabeelden van

1 augustus 2012, waarop te zien is dat [medeverdachte 9] twee vuilniszakken aflevert bij de woonwagen van verdachte nadat zij daaraan voorafgaand via de sms-berichten afspraken hebben gemaakt, heeft [medeverdachte 9] verklaard dat daar wel weed in zal hebben gezeten. Volgens [medeverdachte 9] betaalde verdachte € 3.500,- per kilo en voor slechte kwaliteit hooguit € 1.500,- tot € 2.000,-.

Verdachte kwam volgens [betrokkene 6] vier jaar geleden in beeld. [betrokkene 6] heeft twee à drie oogsten aan verdachte geleverd waarvoor hij € 4,- per gram kreeg. Als hem wordt voorgehouden dat hij bij de politie heeft verklaard dat de prijs per kilogram € 4.000,- was, dan zegt hij dat dit best zou kunnen voor een goede partij. Hij bevestigt dat hij op 6 augustus 2012 geleverd heeft aan verdachte, volgens [betrokkene 6] ging het om 500 gram en heeft hij daar € 1.800,- voor gekregen.

Op camerabeelden van de [straat] in Zwolle is te zien dat [betrokkene 8] bij verdachte tassen, dozen en koffers brengt en haalt. [betrokkene 8] erkent bij verdachte te zijn geweest maar ontkent dat het om drugs ging. Dat het om drugs ging, blijkt naar het oordeel van de rechtbank evenwel uit met name de sms-jes waarin in versluierde taal werd gecommuniceerd. Zo sms’t [betrokkene 8] naar verdachte “ik heb petij ligge man wou dat t wegwas”. Verdachte antwoordt “4 1.5 33 2.5 30. De rechtbank leest voorgaande als een bericht over kilo’s en prijzen en acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de door [betrokkene 8] geleverde hennep aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van [betrokkene 9] blijkt uit camerabeelden van de [straat] in Zwolle dat hij meermalen gevulde tassen en zakken brengt naar verdachte terwijl op 11 oktober 2012 op het woonadres van [betrokkene 9] aan de [adres 4] in [woonplaats] een hennepkwekerij en een hennepstekkerij zijn aangetroffen. [betrokkene 9] herkent zichzelf op de camerabeelden. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de op de camerabeelden waargenomen tassen en zakken hennep bevatten.

Op basis van de verklaringen van [medeverdachte 9], [medeverdachte 5], [betrokkene 6], [betrokkene 8] en

[betrokkene 9] in samenhang met de camerabeelden en tapgesprekken acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode opzettelijk hoeveelheden hennep aanwezig heeft gehad.

Daarnaast heeft verdachte hennep afgeleverd aan [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en hennepstekken aan [betrokkene 6].

[betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn regelmatig waargenomen bij de woonwagen van verdachte, zo blijkt uit de camerabeelden van de [straat]. [betrokkene 3] heeft bij de politie verklaard dat hij sinds twee jaar voor [betrokkene 2] van coffeeshop ‘[coffeeshop 1]’ in [plaats] dozen of tassen vervoerde van en naar verdachte. Het ging om dozen van het formaat dat je in de supermarkt ziet of om een weekendtas. De pakketten werden door verdachte aan [betrokkene 3] overhandigd, daarna gaf hij ze weer af bij [betrokkene 2].

Op camerabeelden van 5 november 2012 is waargenomen dat [betrokkene 4] naar de woonwagen van verdachte loopt en terugkomt met een vuilniszak die hij in zijn auto laadt. Daarop wordt hij onder observatie genomen en wordt hij in Enschede aangehouden, waarbij

7 kilo hennep in zijn auto wordt aangetroffen. Geconfronteerd met camerabeelden van zijn bezoek aan de [straat], herkent [betrokkene 4] zichzelf op de beelden.

[betrokkene 5] komt blijkens de camerabeelden sinds 30 november 2011 bij [verdachte]. Ook is er sprake van SMS- en telefoonverkeer tussen verdachte en [betrokkene 5]. Bij de aanhouding van [betrokkene 5] op 16 januari 2013 trof de politie in zijn woning in Apeldoorn geld aan tot een bedrag van 68.010 euro, 4 mobiele telefoons, een auto VW Golf (gezien op het woonwagenkamp in Zwolle) en in totaal 8,85 kilo hennep. [betrokkene 5] heeft verklaard in coffeeshop [coffeeshop 2] in [plaats] te werken en op het woonwagenkamp in Zwolle te komen in verband met zijn werk. Op nadere vragen heeft hij zich beroepen op zijn zwijgrecht.

[betrokkene 6] heeft op 22 augustus 2013 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij (kennelijk) op 29 oktober 2012 is aangehouden met 50 stekken die hij in Zwolle had opgehaald bij verdachte. Volgens [betrokkene 6] heeft hij 5 à 6 keer stekjes van verdachte gekocht.

Gelet op de in onderling verband en samenhang te beschouwen bewijsmiddelen zoals genoemd onder 3, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

in de periode van 21 juli 2011 tot en met 131 november 2012 te Zwolle, telkens opzettelijk hennep (waaronder hennepstekken worden begrepen) aanwezig heeft gehad en heeft afgeleverd. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen de gelijksoortigheid van de werkwijze van verdachte en zijn mededaders en van de feiten en omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.

Gelet op de grote frequentie waarmee bezoekers van de woonwagen van verdachte tassen en zakken (met weed en hennepstekken) bij verdachte haalden en brachten, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige handel in hennep.

Feit 4: aanwezig hebben van hennep en hennepdelen aan de [adres 2]

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad.

De raadsman heeft zich met betrekking tot dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat op woensdag 14 november 2012 in het belang van het opsporingsonderzoek onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsvond in de woning van verdachte aan [adres 2] in Zwolle. Volgens het proces-verbaal van de doorzoeking zijn op drie verschillende plaatsen in en rond de woning van verdachte zakjes aangetroffen met daarin verschillende hoeveelheden droge bloemdelen van hennepplanten. Het bleek in totaal 42,48 gram hennep te zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij weliswaar officieel woont op het adres [adres 1] in [woonplaats], maar dat zijn vrouw nog steeds woont in de woonwagen aan de [adres 2] in Zwolle en hij daar regelmatig verblijft. Gelet op deze in onderling verband en samenhang te beschouwen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 november 2012 in Zwolle opzettelijk 42,48 gram hennep aanwezig heeft gehad.

Feit 5: aanwezig hebben van hennep aan de [adres 3]

Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte op 14 november 2012 in Zwolle opzettelijk 5.291 gram hennep aanwezig heeft gehad.

Volgens de raadsman van verdachte kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat

verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 5291 gram hennep. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 5.

Op 14 november 2012 is een doorzoeking verricht in een garagebox in perceel [adres 5] in Zwolle. Hierbij is 5291 gram hennep aangetroffen.

Eerder is door het observatieteam gezien dat verdachte op 9 januari 2012 om 15.22 uur samen met een onbekende man naar de garagebox komt en uit de garagebox een zwarte tas en een witte doos wordt gehaald en deze wordt meegenomen in de auto. Op 26 maart 2012 komt verdachte om 19.08 uur bij de garagebox aan, samen met een kennis genaamd [betrokkene 10]. Er wordt wat huisraad en een zware gevulde vuilniszak uit de garagebox gehaald. Op 14 mei 2012 om 14.47 uur komt verdachte alleen naar de garagebox. Hij opent de box met een sleutel, gaat naar binnen en komt even later met een witkleurig voorwerp van ongeveer 20 cm x 20 cm weer naar buiten en neemt dit mee in zijn auto. Ook op 18 mei 2012 om 9.44 uur wordt door verdachte een lichtkleurig voorwerp uit de garagebox gehaald. Bovendien werd op 14 november 2012 ter gelegenheid van de doorzoeking toegang tot de garagebox verkregen middels een sleutel die was aangetroffen in de fouillering van de aangehouden verdachte.

De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen af dat verdachte op 14 november 2012 in Zwolle opzettelijk 5291gram hennep aanwezig heeft gehad.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, te weten het meermalen telkens opzettelijk aanwezig hebben en telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en vervoeren en het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en hennepstekken en een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol vervulde;

2.

hij in de periode van 3 mei 2012 tot en met 4 september 2012 te Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, kilogrammen hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, te weten:

- op 4 september 2012, 21,571 kilogram hennep;

en

- op 7 mei 2012, een grote hoeveelheid hennep (drie grote tassen);

en

- op 18 mei 2012, een grote hoeveelheid hennep (twee grote tassen);

en

- op 7 juni 2012, een grote hoeveelheid hennep;

en

- op 28 juni 2012, een grote hoeveelheid hennep (3 grote tassen);

en

- op 9 juli 2012, een grote hoeveelheid hennep;

en

- op 24 juli 2012, een grote hoeveelheid hennep;

en

-op 10 augustus 2012, een grote hoeveelheid hennep;

3.

hij in de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, hoeveelheden hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad en meermalen opzettelijk hoeveelheden hennep heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt aan,

- [medeverdachte 9] en

- [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en

- [betrokkene 5] en

- [betrokkene 6] en

- [betrokkene 8] en

- [betrokkene 9],

zijnde hennep een middel vermeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.

hij op 14 november 2012 te Zwolle, opzettelijk aanwezig heeft gehad (aan de [adres 2] ) 42,48 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

hij op 14 november 2012 te Zwolle, opzettelijk aanwezig heeft gehad (aan de [adres 3] te Zwolle) 5291 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1, het misdrijf:

Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet,

strafbaar gesteld bij artikel 11a van de Opiumwet.

Feit 2, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt begaan in de uit oefening van een beroep of bedrijf, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4 en feit 5, telkens het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van zeven (7) jaren met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met eerder genoemde verweren zoals onder meer het verbod op doorlaten.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover deze voor de onderhavige feiten zijn vastgesteld.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft ten aanzien van deelneming aan een criminele organisatie en het handelen in hennep geen oriëntatiepunten vastgesteld.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft gedurende een periode van bijna zestien maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met de exploitatie van hennep. Verdachte heeft daarbij als leidinggevende een centrale rol gespeeld en is herhaaldelijk betrokken geweest bij henneptransporten naar Duitsland. Ook is hij betrokken geweest bij de verkoop, aflevering en verstrekking van hennep in Nederland. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend kan werken. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze softdrugs in illegale kwekerijen worden geproduceerd en waarin buiten de reguliere en legale economie om winst wordt gemaakt met de handel en export. Een en ander rechtvaardigt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld in verband met de Opiumwet. Daaruit lijkt verdachte geen lering te hebben getrokken. De rechtbank rekent dat verdachte bijzonder zwaar aan.

De rechtbank is, alle voormelde omstandigheden in aanmerking genomen van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren moet worden opgelegd, met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1, het misdrijf:

Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet,

strafbaar gesteld bij artikel 11a van de Opiumwet.

Feit 2, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt begaan in de uit oefening van een beroep of bedrijf, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4 en feit 5, telkens het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2014.