Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:779

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
07/910027-11
Formele relaties
Ontnemingsprocedure: ECLI:NL:RBOVE:2014:4049, Gedeeltelijke toewijzing vordering
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de verdachte schuldig aan deelname aan een criminele organisatie uit Zwolle die zich bezig hield met handel in amfetamine en de exploitatie van hennep. Verdachte had hierin een leidinggevende en centrale rol. De rechtbank spreekt verdachte vrij van een deel van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Dossiernaam 'Molengat'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - meervoudige kamer

Locatie Zwolle

Parketnummer: 07/910027-11

Uitspraak: 18 februari 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het Openbaar Ministerie

tegen

[verdachte 1],

geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op de openbare zittingen van

26 april 2013, 9 september 2013, 14 januari 2014 en 4 februari 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.S.P.M. de Kock, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. H.J. Timmer.

TENLASTELEGGING

De verdachte is, na toelating van de vordering nadere omschrijving tenlastelegging en de vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1:

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, één of meer (kilo)gram(men) amfetamine, althans één of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, althans een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

te weten:

- op of omstreeks 20 oktober 2011 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland,

een of meer hoeveelheden amfetamine;

en/of

- op of omstreeks 17 november 2011 in de gemeente Zwolle, althans in

Nederland, een of meer hoeveelheden amfetamine;

en/of

- op of omstreeks 29 februari 2012 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, een of meer hoeveelheden amfetamine;

en/of

- op of omstreeks 19 maart 2012 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, ongeveer 1,786 kilogram amfetamine, althans een hoeveelheid amfetamine;

en/of

- op of omstreeks 13 juni 2012 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, ongeveer 1,631 kilogram amfetamine, althans een hoeveelheid amfetamine;

op of omstreeks 16 januari 2012 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, een of meer hoeveelheden amfetamine;

en/of

op of omstreeks 3 februari 2012 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, een of meer hoeveelheden amfetamine;

op of omstreeks 17 februari 2012 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, een of meer hoeveelheden amfetamine;

op of omstreeks 6 maart 2012 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, een of meer hoeveelheden amfetamine;

op of omstreeks 13 mei 2012 in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, een of meer hoeveelheden amfetamine;

2

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,

één of meer kilogram(men) hennep/weed, althans een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, in elk geval (telkens) een (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

te weten:

-op of omstreeks 28 juli 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland,

een grote hoeveelheid hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 2 augustus 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een grote tas) hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 12 augustus 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een grote tas en/of een grote big-shopper) hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 17 augustus 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een grote tas) hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 20 augustus 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een gote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

en/of

-op of omstreeks 25 augustus 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een tas en/of een zak) hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 8 september 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, ongeveer 2,848 kilogram hennep/ weed, althans een grote hoeveelheid hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 13 september 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

en/of

-op of omstreeks 8 oktober 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een tas en/of koffer) hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 20 oktober 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

n/of

-op of omstreeks 17 november 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een big-shopper en/of een tas) hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 10 december 2011 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, ongeveer 2,833 kilogram hennep/weed, althans grote hoeveelheid hennep/weed; en/of

-op of omstreeks 16 januari 2012 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

en/of

-op of omstreeks 3 februari 2012 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 17 februari 2012 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

en/of

- op of omstreeks 29 februari 2012 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland, een grote hoeveelheid hennep/weed;

en/of

-op of omstreeks 6 maart 2012 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland,

een giote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

en/of

-op of omstreeks 13 mei 2012 in de gemeente Zwolle en/of Deventer, althans in Nederland,

een grote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

3.

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle en/of Deventer en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en een of meer perso(o)n(en), te weten [verdachte 2] en/of [verdachte 3] en/of [verdachte 4] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

-het (meermalen) (telkens) opzettelijk aanwezig hebben en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen en/of het opzettelijk binnen en buiten het - grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, althans van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;

en/of

het (meermalen) (telkens) opzettelijk aanwezig hebben en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hennepstekken en/of een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan en/of meerdere zakken weed, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gyam van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, als bedoeld in artikel 11 derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet

terwij1 hij, verdachte, van die organisatie (mede)oprichter en/of bestuurder was en/of binnen die organisatie een leidinggevende rol vervulde;

5.

hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle en/of Hengelo en/of Raalte en/of elders in Nederland, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, één of meer kilogram(men) hennep/weed, althans een gote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of vervoerd en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan (onder meer):

- [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2];

en/of

- [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 6];

en/of, ,

- ene [betrokkene 7] en/of ene [betrokkene 8] en/of ene [betrokkene 9], althans een of meerdere (onbekende) personen; en/of

- [betrokkene 10] en/of [verdachte 5] en/of [betrokkene 11];

en/of

in elk geval aanwezig gehad (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

6.

hij op of omstreeks 14 november 2012 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (aan de [adres] te Zwolle) ongeveer 154 hennepstekken en/of 1,127 kilogram (droge) hennep en/of 426 kilogram (natte) hennep en/of 134 (gedroogde)hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, althans een (grote) hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

7.

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 14 november 2012 aan de [adres] te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

8.

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2011 tot en met 14 november 2012 te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een elektriciteitswerk, te weten een zogenaamde elektriciteitsmeter en/of aansluitkast, voor de stroomvoorziening in de woning gelegen aan de [adres] te Zwolle heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of een stoornis in de gang en/of in de werking van die elektriciteitsmeter en/of voor de stroomvoorziening heeft/hebben veroorzaakt en/of een ten opzichte van die meterkast en/of aansluitkast voor de stroomvoorziening, genomen veiligheidsmaatregel(en) heeft/hebben verijdeld,

immers heeft hij, verdachte, en of één of meer van zijn medeverdachte(n) in een elektriciteitswerk en/of elektriciteitsmeter en/of aansluitkast, welke onderdeel uitmaakt van voornoemde woning:

- het deksel van de aansluitkast ongeoorloofd geopend; en/of

- een illegale aansluiting op de bovenzijde zekeringshouders heeft/hebben gemaakt in de installatie/aansluitkast; en/of

- de hoofdbeveiliging in de aansluitkast gemanipuleerd en/of verzwaard,

zodanig dat daarvoor gemeen gevaar voor brand en/of kortsluiting en/of elektrocutie in die woning en/of één of meer belendende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Ten aanzien van de nummering van de tenlastegelegde feiten merkt de rechtbank op dat 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 is vermeld. Omdat nummer 4 ontbreekt vat de rechtbank dat op als een kennelijke verschrijving en leest hier verbeterd 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7.

De verdachte is door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd - overeenkomstig de inhoud van het aan de rechtbank overgelegde schriftelijk requisitoir - verdachte te veroordelen ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich - overeenkomstig de inhoud van de door hem aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota - op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 4 (met uitzondering van de stekkenhandel met [betrokkene 10]), 6 en 7 tenlastegelegde en daarmee eveneens van deelname aan de onder 3 tenlastegelegde criminele organisatie. De raadsman heeft zich gerefereerd met betrekking tot het tenlastegelegde onder 5.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: uitvoeren van amfetamine

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de tenlastegelegde uitvoer van amfetamine op 17 november 2011. Volgens de officier van justitie kan evenwel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte betrokken is geweest bij transporten van harddrugs op 20 oktober 2011, 16 januari 2012, 3 februari 2012, 17 februari 2012,

29 februari 2012, 6 maart 2012, 19 maart 2012, 13 mei 2012 en 13 juni 2012.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte zich bezig heeft gehouden met de export van amfetamine. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder 1 tenlastegelegde amfetaminetransporten op 19 maart 2012 en 13 juni 2012 wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling bij dit vonnis zullen worden opgenomen.

De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Transport 19 maart 2012

Uit camerabeelden, telecomgegevens en observaties van 15 maart 2012 blijkt dat om 19.47 uur via het telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat bij verdachte in gebruik is, een telefoongesprek heeft plaatsgevonden met het Duitse nummer [telefoonnummer 2] dat op naam staat van [betrokkene 12]. Op 17 en 19 maart 2012 belt verdachte met [betrokkene 13]. De ochtend van 19 maart 2012 wordt door de Duitse douane autoriteiten bij het onderzoeksteam gemeld dat een Opel Astra met het (Duitse) kenteken [kenteken 1], waaronder een peilbaken is geplaatst, in de richting van de Nederlandse grens rijdt. Deze Opel Astra staat op naam van [betrokkene 14] afkomstig uit Lingen in Duitsland. Om 9.57 uur die dag komt de betreffende Opel Astra de [straat 1] in Zwolle oprijden en parkeert ter hoogte van de woonwagen van verdachte. De twee inzittenden van de Astra lopen in de richting van de woonwagen van verdachte. Om 9.05 uur lopen twee personen vanuit de woonwagen terug naar de Opel Astra. De persoon die voorop loopt, opent het voorportier aan de passagierszijde en beweegt zijn arm naar binnen. Hierna sluit hij het portier weer. . Om 9.15 uur komt een zwarte Volkwagen Golf met kenteken [kenteken 2] het woonwagenkamp oprijden en parkeert eveneens ter hoogte van de woonwagen van verdachte. De Volkswagen Golf staat op naam van [betrokkene 13] uit Zwolle. Er stapt een persoon uit de Golf en hij loopt naar de twee personen die ter hoogte van de Opel op het trottoir staan. Een van deze twee personen loopt vervolgens naar de Opel, opent het portier aan passagierszijde en beweegt zijn bovenlichaam naar binnen. De persoon komt weer uit de Opel en heeft een lichtkleurig voorwerp, met de geschatte afmetingen van een kilopak suiker, in de hand. Om 9.17 uur loopt de bestuurder van de Golf naar de man met het voorwerp in de hand. Het voorwerp wordt overgegeven aan de bestuurder van de Golf waarna deze het voorportier van de Golf opent en zijn bovenlichaam naar binnen beweegt. De bestuurder van de Golf komt weer uit de auto zonder het genoemde voorwerp in de hand. Om 09.21 uur lopen drie personen in de richting van de Opel en de Golf, stappen in en rijden achter het elkaar het woonwagenkamp af. Hierop worden beide auto’s onder observatie genomen en wordt gezien dat beide auto’s de oprit van de snelweg A28 in Noordelijke richting opgaan. De observatie wordt daarna overgenomen door de Duitse douane die de Opel Astra met daarin [betrokkene 14] om 10.49 uur aan de kant zetten. In de auto worden geen verdovende middelen aangetroffen. Ook de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] wordt door de Duitse douane gecontroleerd. Daarbij wordt onder meer 1786 gram amfetamine aangetroffen. De bestuurder van de Volkswagen Golf bleek te zijn de kentekenhouder [betrokkene 13], die gebruik maakt van een telefoontoestel met nummer [telefoonnummer 3]. Die avond wordt er om 19.44 uur opnieuw gebeld tussen verdachte en [betrokkene 12].

Transport 13 juni 2012

Op 13 juni 2012 omstreeks 09.09 uur wordt door de Duitse douane autoriteiten bij het onderzoeksteam gemeld, dat de Opel Astra met kenteken [kenteken 1] weer in de richting van de Nederlandse grens rijdt. Onder dit voertuig is wederom een peilbaken geplaatst. Uit camerabeelden en observaties blijkt dat om 10.29 uur, [verdachte 3], de zoon van verdachte, aan de [straat 1] in Zwolle is en op een scooter het woonwagenkamp afrijdt. Om 10.35 uur is hij terug op het woonwagenkamp met achterop de scooter zijn broer [verdachte 2]. Om 10.41 uur komt verdachte in een zwarte Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 3] het kamp oprijden en parkeert ter hoogte van zijn woonwagen. Daarop loopt verdachte samen met [verdachte 3] en [verdachte 2] naar zijn woonwagen. Om 10.52 uur komt ook de groene Opel Astra voorzien van het Duitse kenteken [kenteken 1] het woonwagenkamp oprijden en parkeert ter hoogte van de wagen van verdachte. Er stappen twee personen uit de Astra, ze lopen in de richting van de woonwagen van verdachte. Om 10.54 uur lopen deze twee personen weer terug naar de Astra. Verdachte loopt achter hen aan. Beide personen stappen in de Astra en rijden het kamp af. Na het verlaten van het woonwagenkamp wordt de Opel Astra met kenteken [kenteken 1] onder observatie genomen en om 13.14 uur door de Duitse douane gecontroleerd. Daarbij worden in de auto twee zakken met amfetamine aangetroffen met een totaal netto gewicht van 1631 gram. De inzittenden van de auto, te weten [betrokkene 14] en [betrokkene 15] zijn aangehouden. Uit tapgesprekken blijkt dat verdachte onder meer op 11 en 12 juni 2012 via het nummer [telefoonnummer 4] regelmatig telefonisch contact heeft gehad met de bij de aanhouding onder [betrokkene 14] aangetroffen telefoon met nummer [telefoonnummer 5].

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen aan de onder 1 tenlastegelegde amfetaminetransporten naar Duitsland op 19 maart 2012 en 13 juni 2012 heeft deelgenomen.

De officier van justitie heeft voor wat betreft de betrokkenheid van verdachte bij het transport van harddrugs op 20 oktober 2011 nog verwezen naar de camerabeelden,waaruit blijkt dat een getinte man met een gevulde plastic tas naar de woonwagen van verdachte loopt en uit CIE-informatie volgt dat door de van Curaçao afkomstige [betrokkene 16], cocaïne wordt verkocht. De rechtbank volgt deze redenering niet. Uit de CIE-informatie volgt dat er harddrugs verkocht werden door een van Curaçao afkomstige jongeman terwijl volgens de observanten van politie die dag op beelden van de [straat 1] in Zwolle een getinte jongeman van ‘Zuid-Europese afkomst’ te zien is. Nu bovendien op 10 december 2011 behalve hennep ook een flacon met 65 ampullen testosteron is aangetroffen en eerst bij de onderschepte transporten op 19 maart 2012 en 13 juni 2012 amfetamine is aangetroffen, ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat de gevulde tas die op 20 oktober 2011 op de camerabeelden is gezien, harddrugs bevatte.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot bewezenverklaring van betrokkenheid van verdachte bij het transport op 17 november 2011.

De rechtbank is van oordeel dat het wettige bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde amfetaminetransporten op 16 januari 2012, 3 februari 2012, 17 februari 2012, 29 februari 2012, 6 maart 2012, en 13 mei 2012 eveneens ontbreekt, zodat zij verdachte ook van deze onderdelen zal vrijspreken.

Feit 2: meermalen uitvoeren van hennep

Volgens de officier van justitie kunnen de onder 2 tenlastegelegde transporten, met uitzondering van de henneptransporten op 16 januari 2012, 17 februari 2012,

29 februari 2012, 6 maart 2012 en 13 mei 2012, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte zich bezig heeft gehouden met de export van hennep. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder 2 tenlastegelegde henneptransporten, met uitzondering van de transporten op 16 januari 2012, 17 februari 2012, 29 februari 2012, 6 maart 2012 en

13 mei 2012, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling bij dit vonnis zullen worden opgenomen. De rechtbank heeft geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Transport 8 september 2011

Uit camerabeelden, telecomgegevens en observaties van 8 september 2011 blijkt dat om 17.12 uur een grijze Mercedes voorzien van een witte (Duitse) kentekenplaat het woonwagenkamp aan de [straat 1] in Zwolle oprijdt en parkeert voor de woning van verdachte. Medeverdachte [verdachte 2] staat op dat moment met twee mannen te praten. De twee inzittenden van de Mercedes stappen uit de auto en lopen samen met [verdachte 2] naar de wagen van verdachte. Zij nemen niets mee uit de auto en ook de kofferbak van de auto wordt niet geopend. Ook de bestuurder van een eerder gearriveerde Volkswagen Golf gaat mee naar de woning van verdachte. Om 17.33 uur lopen de inzittenden van de Mercedes terug naar de auto. Ze hebben iets bij zich dat lijkt op een tas. De kofferbak van de Mercedes gaat open en er wordt iets ingelegd. Een van de mannen buigt zich voorover in de kofferbak om iets te doen. [verdachte 2] loopt samen met de bestuurder van de Golf naar de bestuurder van de Mercedes, die daarna vertrekt. Ook de bestuurder van de VW Golf vertrekt. Hierop wordt de Duitse Mercedes onder observatie genomen. Om 18.18 uur stopt de auto in Zwartemeer naast een zwarte Opel Corsa voorzien van een Duits kenteken. De bestuurder van de Mercedes stapt uit en pakt een tas uit de kofferbak van de Mercedes. Hij legt deze tas in de kofferbak van de Opel Corsa en sluit de kofferbak. Om 18.20 uur vertrekken zowel de Mercedes (met kenteken [kenteken 4] op naam van [betrokkene 12]) als de zwarte Opel Corsa vanaf De Blokken in Zwartemeer en rijden de A37 op in de richting van Duitsland. Om 18.31 uur wordt de Opel Corsa bij Meppen in Duitsland aangehouden en door de Duitse douane gecontroleerd. Daarbij wordt in een gestreepte tas onder meer 2,848 kilogram hennep aangetroffen. Beide inzittenden worden aangehouden. Een van hen, [betrokkene 17], verklaart in Nederland voor ongeveer € 10.000,- aan hennep te hebben gekocht. Voorafgaand aan het transport is er regelmatig telefonisch contact geweest tussen verdachte en [betrokkene 12], zo blijkt uit de analyse van historische telefoongegevens van het telefoonnummer van verdachte. Op naam van [betrokkene 12] staan de telefoonnummers [telefoonnummer 6], [telefoonnummer 7] en [telefoonnummer 8] geregistreerd. Ook maakt [betrokkene 12] gebruik van het mobiele nummer [telefoonnummer 9] dat op naam staat van [betrokkene 14], die een relatie heeft met de zus van [betrokkene 12] en ook verblijft op het woonadres van [betrokkene 12].

Transport 10 december 2011

Uit camerabeelden, observaties en tapgesprekken van 9 en 10 december 2011 blijkt dat een Duitse afnemer, [betrokkene 12] genaamd, telefonisch op 9 december 2011 aan verdachte heeft gevraagd of er “nog drie geleverd kunnen worden”. Van de zoon van verdachte “heeft hij twee nodig en van dat andere mengsel ook twee”. Nadat verdachte zijn zoon [verdachte 2] heeft gebeld, belt hij opnieuw met [betrokkene 12], zegt dat het goed is en dat [verdachte 2] weet wat hij moet doen. [betrokkene 12] zegt dat hij rond half negen komt. Verdachte zegt toe dat hij er nu heen rijdt en het ophaalt. Om 15.37 uur bellen verdachte en [verdachte 2] met [verdachte 5] waarop [verdachte 2] tegen [verdachte 5] zegt dat hij nog een auto moet kopen en nog wat geld nodig heeft. Om 16.57 uur belt verdachte met [verdachte 5] met het verzoek even langs verdachte te rijden als hij terug komt. [verdachte 5] zegt toe dit te doen. Op camerabeelden is te zien dat op 10 december 2011 om 8.19 uur de grijze Mercedes met het kenteken [kenteken 4], op naam van [betrokkene 12], het kamp op komt rijden. De Mercedes stopt ter hoogte van de wagen van verdachte, die op dat moment in een aldaar geparkeerde Lexus, op naam van [verdachte 2] zit. Verdachte stapt uit en begroet de mannen die uit de Mercedes zijn gestapt. Daarop lopen de mannen samen naar de wagen van verdachte. Om 8.28 uur komt een grijze BMW aanrijden en wordt voor de grijze Lexus geparkeerd. Het kenteken van de BMW,

[kenteken 5] staat op naam van [verdachte 2]. [verdachte 2] en [betrokkene 18] stappen uit de BMW en lopen naar de woonwagen van verdachte. Om 8.35 uur komen de twee mannen uit de Mercedes uit de woonwagen van verdachte lopen met een gevulde big shopper. De big shopper wordt in de kofferbak van de Mercedes gelegd waarop de mannen instappen en wegrijden. Om 8.58 uur komen [verdachte 2] en [betrokkene 18] uit de richting van de woonwagen van verdachte, stappen in de BMW en rijden weg. Om 8.54 uur belt verdachte het nummer van [betrokkene 12] en vertelt hem dat hij “voor dat ene 400 te weinig heeft betaald”. Hij rekent hem voor dat hij 10.500 moest betalen en dat hij 10.100 heeft betaald. Afgesproken wordt dat [betrokkene 12] het verschil de volgende week betaalt. Na het verlaten van het woonwagenkamp wordt de Duitse Mercedes met het kenteken [kenteken 4] onder observatie genomen en door de Duitse douane gecontroleerd. Daarbij wordt in een gestreepte tas onder meer 2,833 kilo hennep aangetroffen.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – af dat hoeveelheden hennep door verdachte en medeverdachten op verschillende tijdstippen naar Duitsland zijn vervoerd. De rechtbank stelt voorop dat bewijsmiddelen die ten grondslag zijn gelegd aan de bewezenverklaring van een strafbaar feit, ook kunnen worden gebruikt als steunbewijs voor andere, soortgelijke strafbare feiten (schakelbewijs). Voorwaarde is dat uit dit bewijsmateriaal blijkt van een specifiek gedragspatroon van de verdachte, dat op essentiële punten overeenstemt met de gang van zaken bij het te bewijzen feit. Met betrekking tot de modus operandi overweegt de rechtbank dat uit de stukken van het dossier met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat - naast de hierboven besproken transporten op 8 september 2011 en 10 december 2011 - ook de overige tenlastegelegde transporten (met uitzondering van de transporten op 16 januari 2012, 17 februari 2012, 29 februari 2012, 6 maart 2012 en 13 mei 2012) door verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders zijn gepleegd. De rechtbank komt tot dit oordeel door de gelijksoortigheid van de werkwijze van verdachte en zijn mededaders en van de feiten en omstandigheden waaronder de transporten zijn gepleegd.

De rechtbank stelt vast, op basis van de zich in het dossier bevindende peilbakengegevens, tapgegevens, observaties en camerabeelden, dat er bij de transporten op 28 juli 2011,

2 augustus 2011, 12 augustus 2011, 17 augustus 2011, 20 augustus 2011, 25 augustus 2011, 13 september 2011, 8 oktober 2011, 20 oktober 2011, 17 november 2011 en 3 februari 2012 sprake was van dezelfde modus operandi als bij de op 8 september 2011 en op

10 december 2011 onderschepte henneptransporten. Voorafgaand aan de henneptransporten vindt er telefonisch contact plaats tussen medeverdachten, waarbij verdachte telkens uitdrukkelijk betrokken is, zo blijkt uit tapgegevens. Ook is verdachte op genoemde data op het moment van de overdracht van de hennep aan de Duitse afnemers vrijwel altijd, samen met anderen, aanwezig op de [straat 1] in Zwolle en is hij, met onder meer zijn zoon [verdachte 2], telkens betrokken bij de ontvangst van de Duitse afnemers. Dat de tassen waarmee verdachte en zijn mededaders op de genoemde data worden gezien hennep bevatten, wordt mede ondersteund door camerabeelden en observaties, waarop te zien is dat verdachte en zijn medeverdachten op deze dagen in de weer zijn met soortgelijke “big shopper” tassen, als zijn aangetroffen bij de onderschepte henneptransporten, in elk geval met grote (sport)tassen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen in de periode van 21 juli 2011 tot en met 3 februari 2012 aan de onder 2 tenlastegelegde henneptransporten op 28 juli 2011, 2 augustus 2011, 12 augustus 2011,

17 augustus 2011, 20 augustus 2011, 25 augustus 2011, 8 september 2011,

13 september 2011, 8 oktober 2011, 20 oktober 2011, 17 november 2011, 10 december 2011, en 3 februari 2012 heeft deelgenomen.

De rechtbank acht geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor betrokkenheid van verdachte bij de overige onder 2 tenlastegelegde transporten, te weten op 16 januari 2012, 17 februari 2012, 29 februari 2012, 6 maart 2012 en 13 mei 2012, zodat zij verdachte van deze onderdelen zal vrijspreken. Nu er in - afwijking van de door de rechtbank onder 2 bewezenverklaarde transporten – bij de tenlastegelegde transporten op de hiervoor genoemde data in 2012 in alle gevallen sprake was van overdracht van kleinere tassen terwijl in de wel bewezenverklaarde gevallen telkens sprake was van grote ‘big shopper’ tassen, in elk geval van grote (sport)tassen die in het geval van de door de politie onderschepte transporten op 8 september 2011 en 10 december 2011 gevuld waren met een hoeveelheid van ongeveer drie kilogram hennep, is de rechtbank anders dan de officier van justitie van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat in deze kleinere tassen iets anders gezeten heeft dan hennep.

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat naast hennep ook spierversterkende middelen werden geleverd aan Duitse afnemers, zoals blijkt uit het transport op

10 december 2011, waarbij naast 2,8 kg hennep, een flacon met 65 ampullen testosteron in beslag is genomen.

Feit 3: deelneming aan een criminele organisatie

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat de jurisprudentie die betrekking heeft op artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht ook van toepassing is wanneer artikel 11a van de Opiumwet is tenlastegelegd. Onder een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon.

Vast moet komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend. Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, ondersteunen. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Wetenschap of een andere vorm van opzet ten aanzien van één of meer concrete misdrijven is niet noodzakelijk.

Niet is vereist dat vast is komen te staan dat een persoon, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de jurisprudentie betreffende de Hofstad-groep (HR 2 februari 2010, LJN BK 5193) volgt dat ook in geval niet is gebleken van het bestaan van gemeenschappelijke regels, een bepaalde hiërarchie en een daaruit voortvloeiende druk om zich aan de regels te houden, sprake kan zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr (namelijk voor zover wel aan andere door de Hoge Raad geformuleerde voorwaarden is voldaan).

Artikel 11a van de Opiumwet is een specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (generalis). Het oogmerk van de organisatie in de zin van artikel 11a van de Opiumwet dient gericht te zijn op een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

Bij de beoordeling van de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een criminele organisatie en of verdachte daaraan heeft deelgenomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Aanleiding

Naar aanleiding van CIE-informatie is er in juli 2011 een onderzoek ingesteld naar een mogelijke criminele organisatie. Dit onderzoek, genaamd Molengat, is uitgevoerd in de periode van medio juli 2011 tot en met 14 november 2012. Gedurende het Molengat-onderzoek zijn telefoongesprekken afgeluisterd en opgenomen. Tevens is permanente cameraobservatie uitgevoerd op het woonwagenkamp aan de [straat 1] te Zwolle.

Handelwijze organisatie

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen meer personen met een zekere organisatiegraad, waarbij de organisatie en daarmee verdachte en anderen zowel handel in amfetamine als de exploitatie van hennepkwekerijen tot oogmerk hadden. Er was sprake van een samenwerkingsverband dat zich bedrijfsmatig bezig hield met handel in amfetamine en het vanaf de bron leveren van hennepstekken, het vervolgens telen, bewerken, verwerken van de hennep in kwekerijen in Nederland, tot aan de contacten met de (Duitse) afnemers, het transport, de verkoop en aflevering van de amfetamine en de hennep aan de (Duitse) afnemers. Deze handel vond plaats vanaf een vaste locatie aan de [straat 1] in Zwolle.

Onderlinge contacten

In de tenlastegelegde periode is gebleken van veelvuldige telefonische contacten tussen verdachten onderling. De rechtbank gaat ervan uit dat deze telefonische contacten onder andere betrekking hadden op afspraken omtrent de handel in amfetamine en hennep. Deze interpretatie is gerechtvaardigd nu vaststaat dat in genoemde telefonische contacten tussen verdachten onderling in versluierde taal werd gesproken. Zo werd er onder meer gesproken over “nog drie geleverd kunnen worden” en “van dat andere mengsel ook nog twee”, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank - in samenhang met de cameraobservaties - duidt op een drugstransport. De verdachten hebben geen, dan wel geen geloofwaardige alternatieve verklaring gegeven voor dit taalgebruik. Aannemelijk is dat verdachten in de telefonische contacten willens en wetens verhullende taal hebben gebezigd.

Leden van het georganiseerd verband en rolverdeling

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een georganiseerd verband tussen

diverse personen. Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer gedurende langere tijd en structureel zijn eigen rol dan wel taak.

Duurzaamheid

Het georganiseerd verband was duurzaam van aard nu – in ieder geval – gedurende de tenlastegelegde periode handel in amfetamine en hennep heeft plaatsgevonden.

Rol van verdachte

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang en in verband bezien met de overige bewijsmiddelen zoals vermeld in dit vonnis, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte in de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 heeft deelgenomen aan de hiervoor omschreven criminele organisatie.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte een prominente rol heeft gespeeld binnen de criminele organisatie en hij een leidinggevende en centrale rol heeft vervuld. Dit blijkt onder meer uit de hoeveelheid van zijn contacten met medeverdachten, waaronder de Duitse afnemers en het gegeven dat zijn woonwagen aan de [adres] in Zwolle een centrale ontmoetingsplaats was voor de leveranciers en de afnemers van de drugs. Met deze handelingen heeft verdachte als leidinggevende van de organisatie een cruciale bijdrage geleverd aan gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a van de Opiumwet bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

Conclusie

De rechtbank is op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen van oordeel dat is komen vast te staan dat in voornoemde periode sprake is geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen meerdere personen met een zekere organisatiegraad, met het bewezenverklaarde misdadige oogmerk, als hiervoor bedoeld. Dit samenwerkingsverband heeft zich in voornoemde periode op betrekkelijk omvangrijke schaal bezig gehouden met de handel in amfetamine en de exploitatie van hennep. Binnen deze organisatie vervulde iedere deelnemer gedurende langere tijd en structureel zijn eigen rol dan wel taak. Bij onderlinge contacten werd gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik, hetgeen de professionaliteit van de organisatie onderstreept. Verdachte heeft aan deze criminele organisatie deelgenomen en daaraan leiding gegeven.

Feit 4: handel in hennep

Volgens de officier van justitie kan de onder 4 tenlastegelegde beroepsmatige handel in softdrugs wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen betrokkenheid van verdachte bij bedoelde handel in hennep, anders dan stekkenhandel met onder meer [betrokkene 10], niet kan worden afgeleid.

Uit het dossier blijkt het volgende.

Op 16 maart 2011 om 10.18 uur komt een gele Peugeot Partner bij growshop ‘[growshop]’ in Zwolle aanrijden. [betrokkene 1] gaat samen met een ander naar binnen. Om 11.04 uur wordt een Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 2] voor de growshop geparkeerd, twee mannen gaan naar binnen. Verdachte gaat daarop de growshop binnen. Om 11.05 uur vertrekt verdachte weer. Om 11.32 uur wordt [betrokkene 2] gebeld door verdachte die vraagt of ze er al bijna zijn. [betrokkene 1] zegt dat hij op [betrokkene 19] wacht, die er met vijf minuten is en er dan gelijk aan komt rijden met de jongens. Verdachte zegt dat hij daar staat te wachten. Om 11.39 uur belt [betrokkene 1] met [betrokkene 19] en zegt dat hij op moet schieten en om 11.57 uur belt [betrokkene 19] en zegt dat hij er bijna is. Om 11.57 uur wordt [betrokkene 1] gebeld door verdachte en [betrokkene 1] zegt dat hij er met vijf minuten is.

Om 11.59 uur wordt gezien dat [betrokkene 1] de [growshop] uit komt. Om 12.01 uur wordt gezien dat de gele Peugeot Partner voorzien van het kenteken [kenteken 6] voor de [growshop] stopt. [betrokkene 1] loopt naar de Peugeot en heeft contact met de bestuurder.

[betrokkene 1] loopt daarna naar de BMW met kenteken [kenteken 7] en de BMW vertrekt.

Door het observatieteam wordt rond 12.00 uur gezien, dat [betrokkene 1] met twee personen in de personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken 7] stapt. Zij rijden naar het woonwagenkamp [straat 1]. Intussen om 12.09 uur wordt [betrokkene 1] gebeld door zijn vrouw [vrouw betrokkene 1]. [betrokkene 1] vertelt “dat hij even onderweg is naar [verdachte 1]” en straks wel belt. Om 12.11 uur wordt [betrokkene 1] gebeld door verdachte. [betrokkene 1] zegt dat hij in de auto zit. Verdachte zegt dat ‘die jongen’ dadelijk weg moet.

Om 12.19 uur wordt gezien dat de BMW op het woonwagenkamp aan de [straat 1] wordt geparkeerd. Een van de inzittenden staat daar al op straat. Daarna stappen [betrokkene 1] en de andere inzittende van dit voertuig uit. Zij maken contact met de man op straat. Vervolgens wordt gezien dat de mannen weglopen in de richting van een woonwagen die gezien vanaf de [straat 2] aan de rechterzijde vooraan het kamp ligt.

Om 12.34 uur wordt gezien dat [betrokkene 1] en de twee mannen vanuit een woonwagen aan de [straat 1] de straat op lopen. Een van de mannen draagt een grijze vuilniszak en legt deze in de personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken 7], en vertrekt.

[betrokkene 1] en de andere onbekende man lopen weg in de richting van de vierde woonwagen voor het eind van het woonwagencentrum gezien vanaf de [straat 2] aan de rechterzijde van het woonwagenkamp. De personenauto, merk BMW voorzien van het kenteken [kenteken 7] wordt onder controle gehouden. De BMW wordt uiteindelijk in Hengelo in beslag genomen. In de kofferbak worden plastic zakken met in totaal 6 kilo weed aangetroffen. Dat er op meerdere momenten leveringen hebben plaatsgevonden leidt de rechtbank af uit het feit dat ook op andere momenten tussen verdachte en [betrokkene 1] in versluierde taal werd gecommuniceerd. Zo zegt verdachte op 4 januari 2011 tegen [betrokkene 2] “ik ben nou aan het zeven (…) ik kan zien dat het erop gegooid is”. [betrokkene 2] antwoordt “Ja, maar dat komt van het net af” waarop verdachte zegt “nee luister, want als het van het net af komt moet het er doorheen gaan”. Op 13 februari 2011 vraagt verdachte aan [betrokkene 2] “hoeveel ben je nodig”, waarop deze antwoordt “tien”. [betrokkene 2] zegt “voor drie negen kan ik eh tien”. De rechtbank leest voorgaande als gesprekken over de kwaliteit, prijs en hoeveelheid van de drugs.

Medeverdachte [betrokkene 10] heeft op 14 januari 2013 tegenover de politie verklaard dat hij meerdere malen ‘voor iemand’ hennepstekken bij verdachte heeft besteld. Zijn verklaring wordt ondersteund door tapgesprekken en observaties. Zo blijkt uit een tapgesprek van 4 oktober 2011 dat er die dag tussen [betrokkene 10] en verdachte is gesproken over een levering op 7 oktober 2011. [betrokkene 10] maakt daarbij gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 10] en belt met nummer [telefoonnummer 1], dat zoals verdachte ter terechtzitting heeft bevestigd, zijn telefoonnummer is. Tussen verdachte en [betrokkene 10] werd in versluierde taal gecommuniceerd. Zo zegt [betrokkene 10] op 4 oktober 2011 om 13.01 uur “ik wil er 400 hebben” waarop verdachte aangeeft dat ze dan “drieënhalf kosten”. Om 20.11 uur belt [betrokkene 10] nogmaals naar verdachte en zegt “als die tegeltjes goed zijn hij er binnenkort nog negenhonderdveertig besteld”. Op 5 oktober 2011 om 10.29 uur wordt er weer gebeld. Verdachte zegt “dat hij ze zaterdag heeft” waarop [betrokkene 10] vraagt “of de prijs drieënhalf is”. Om 11.03 uur belt [betrokkene 10] met verdachte en geeft aan dat hij ze graag vrijdag wil hebben. Verdachte zegt dat “die 400 goed is”. Op 6 oktober 2011 om 15.31 uur belt verdachte met [betrokkene 10] en zegt dat hij “ze morgen voor twaalf uur heeft en dat hij voor twaalf uur bij [betrokkene 10] is”. Op 7 oktober 2011 om 9.49 uur belt verdachte met [betrokkene 10] en zegt “dat hij er zo is”.

Gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang gezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 4 januari 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle, samen met anderen, meermalen, opzettelijk aanwezig heeft gehad en afgeleverd

- hennepstekken aan [betrokkene 10] en

- een grote hoeveelheid hennep, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, aan [betrokkene 1].

Uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen valt niet af te leiden dat er sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige handel in hennep, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel zal vrijspreken.

Feit 5: het opzettelijk aanwezig hebben van hennep

Verdachte heeft ter terechtzitting op 14 januari 2014 verklaard dat de op 14 november 2012 bij zijn woning aan de [adres] te Zwolle aangetroffen stekjes en de 426 gram natte hennep bij hem zijn gevonden. De rechtbank vat deze verklaring van verdachte op als een bekennende verklaring van verdachte, in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet op het aanvullend bewijsmateriaal, onder meer in de vorm van een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van de woonwagen van verdachte aan de [adres] in Zwolle en de op het perceel aanwezige en aan verdachte toebehorende schuur, acht de rechtbank het tenlastegelegde in zoverre wettig en overtuigend bewezen. Dat geldt ook voor de aangetroffen hennepplanten ook al heeft verdachte daarover niets verklaard. Verdachte heeft het aanwezig hebben van de planten echter ook niet weersproken.

Volgens het proces-verbaal van doorzoeking is in voornoemde schuur in een witte (saus)emmer en in een plastic zak ook nog 1,127 kilogram droge hennep aangetroffen. Verdachte heeft ten stelligste ontkend dat hij deze droge hennep, al dan niet opzettelijk, aanwezig heeft gehad. Volgens verdachte is bedoelde hennep ten onrechte vermeld in het proces-verbaal van doorzoeking. Gelet op het feit dat verdachte door de politie niet is gehoord over de 1,127 kilogram hennep, zal de rechtbank verdachte het voordeel van de twijfel geven en hem van dit onderdeel vrijspreken.

Feit 6 en feit 7: diefstal van elektriciteit en opzettelijke vernieling van een aansluitkast voor de stroomvoorziening

Uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen blijkt niet dat het verdachte is geweest die in de periode van 21 juli 2011 tot en met 14 november 2012 opzettelijk een aansluitkast voor de stroomvoorziening aan de [adres] in Zwolle heeft vernield door deze ongeoorloofd te openen en vervolgens te manipuleren. Verdachte heeft ter terechtzitting weliswaar bevestigd dat er sprake was van een ‘loshangende niet-aangesloten kabel’ maar heeft nadrukkelijk ontkend dat hij dit heeft veroorzaakt. Bovendien is verdachte hierover bij de politie niet gehoord. Nu betrokkenheid van verdachte bij het vernielen van de aansluitkast niet kan worden aangetoond, is er evenmin wettig bewijs dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk elektriciteit, toebehorende aan Enexis, heeft weggenomen. Bovendien is, anders dan het expertiserapport van Enexis doet vermoeden, op 14 november 2012 op het perceel van verdachte weliswaar een hoeveelheid hennep aangetroffen en materiaal om de hennep te drogen, te wegen en te verpakken, maar geen hennepkwekerij. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen hem onder 6 en 7 ten laste is gelegd.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij in de periode van 15 maart 2012 tot en met 13 juni 2012 te Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

te weten:

- op 19 maart 2012, 1,786 kilogram amfetamine;

en

- op 13 juni 2012, 1,631 kilogram amfetamine.

2

hij in de periode van 21 juli 2011 tot en met 3 februari 2012 te Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Duitsland) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, kilogrammen hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

te weten:

-op 28 juli 2011, een grote hoeveelheid hennep;

en

- op 2 augustus 2011,een grote hoeveelheid (een grote tas) hennep;

en

- op 12 augustus 2011, een grote hoeveelheid (een grote tas) hennep;

en

- op 17 augustus 2011, een grote hoeveelheid (een grote tas) hennep;

en

- op 20 augustus 2011, een tas hennep;

en

-op 25 augustus 2011 , een zak hennep;

en

- op 8 september 2011, 2,848 kilogram hennep;

en

- op 13 september 2011 een grote hoeveelheid (een tas) hennep/weed;

en

-op 8 oktober 2011, een grote hoeveelheid (een tas) hennep;

en

- op 20 oktober 2011, een grote hoeveelheid (een tas) hennep;

en

-op 17 november 2011, een grote hoeveelheid hennep;

en

- op 10 december 2011, 2,833 kilogram hennep;

en

-op 3 februari 2012, een tas hennep;

3.

hij in de periode van 21 juli 2011 tot en met 13 november 2012 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en [verdachte 2] en [verdachte 4] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

-het telkens opzettelijk aanwezig hebben en verkopen en afleveren en vervoeren en het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

en

het meermalen telkens opzettelijk aanwezig hebben en telen en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en vervoeren en het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en hennepstekken en een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

terwij1 hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol vervulde;

4.

hij in de periode van 4 januari 2011 tot en met 13 november 2012 te Zwolle, tezamen en in vereniging met anderen, kilogrammen hennep en hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad en heeft afgeleverd aan [betrokkene 1] en [betrokkene 10].

5.

hij op 14 november 2012 te Zwolle, opzettelijk aanwezig heeft gehad (aan de [adres] te Zwolle) 154 hennepstekken en 426 gram natte hennep en 134 gedroogde hennepplanten zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3, het misdrijf:

Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, als bedoeld in de artikelen 10, derde, vierde en vijfde lid en 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet,

strafbaar gesteld bij artikel 11a van de Opiumwet.

Feit 4, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 5, het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van zes jaren met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld in verband met de Opiumwet.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover deze voor de onderhavige feiten zijn vastgesteld. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft ten aanzien van deelneming aan een criminele organisatie en het handelen in hennep geen oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft gedurende een periode van bijna 16 maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die zich op betrekkelijk omvangrijke schaal bezig hield met de handel in amfetamine en de exploitatie van hennep. Verdachte heeft in die organisatie als leidinggevende een prominente en centrale rol gespeeld. Bekend is dat amfetamine schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers ervan.

De handel in en het gebruik van amfetamine kan leiden tot allerlei maatschappelijke problemen, waaronder andere vormen van criminaliteit en aantasting van de sociale veiligheid. Ook van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend werkt. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze softdrugs in illegale kwekerijen worden geproduceerd en waar buiten de reguliere en legale economie om winst wordt gemaakt met de handel en export. Een en ander rechtvaardigt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu uit het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld in verband met de Opiumwet, zal de rechtbank, ook om verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen, deze straf deels voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport. Daarin wordt geadviseerd aan verdachte, in geval van schuldigverklaring, een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Gelet op de lichamelijke klachten van verdachte, lijkt een werkstraf contra-geïndiceerd.

De rechtbank is, alle voormelde omstandigheden in aanmerking genomen van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar moet worden opgelegd.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    Feit 1, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3, het misdrijf:

Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, als bedoeld in de artikelen 10, derde, vierde en vijfde lid en 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet,

strafbaar gesteld bij artikel 11a van de Opiumwet.

Feit 4, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 5, het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig (42) maanden, waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2014.