Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:744

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-02-2014
Datum publicatie
17-02-2014
Zaaknummer
08.730707-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt minderjarige voor een poging tot zware mishandeling van zijn stiefvader. De rechtbank legt een jeugddetentie op van 180 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Ook krijgt de jongen een werkstraf van 100 uren opgelegd uit een eerdere veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 08.730707-13 (P)

Uitspraak: 17 februari 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. van Zuuk, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. S. Leusink.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2013, in de gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade zijn (stief)vader, althans een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) met een ijzeren buis/staaf, althans met een hard

voorwerp op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiar terzake dat

hij op of omstreeks 19 augustus 2013, in de gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een ijzeren staaf/buis in/op/tegen het hoofd en/of in/op/tegen de schouder(s) van voornoemde [slachtoffer]

heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging tot moord, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Voorts kan de primair ten laste gelegde poging doodslag niet wettig en overtuigend worden bewezen, omdat uit het dossier niet eenduidig blijkt dat sprake is geweest van een ijzeren staaf. Evenmin blijkt voldoende dat verdachte door het slaan met een buis op het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte wel te veroordelen ter zake van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft door het slachtoffer met kracht met een buis op zijn hoofd te slaan wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte weliswaar heeft bekend dat hij zijn stiefvader [slachtoffer] met een buis op zijn hoofd heeft geslagen, maar dat geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Verdachte is naar Ommen gegaan om zijn spullen op te halen en heeft de buis pas kort voordat hij naar de woning van [slachtoffer] en zijn moeder ging in het bos gevonden en niet al uit Den Helder meegenomen. Gelet hierop moet verdachte van de ten laste gelegde poging tot moord worden vrijgesproken.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte met een buis op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, maar dat op grond van het dossier niet vast is komen te staan van welk materiaal de buis is gemaakt, of sprake is geweest van een buis of een pijp en hoe vaak verdachte met de buis heeft geslagen. Hierdoor kan tevens niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte door het slaan met de buis bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van [slachtoffer]. Gelet hierop moet verdachte van de ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft betoogd dat alleen een bewezenverklaring kan volgen voor de poging tot zware mishandeling aan [slachtoffer], zoals subsidiair ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen1, het navolgende.

Aangever [slachtoffer] heeft op 20 augustus 2013 bij de politie onder meer het volgende verklaard:

Plaats delict: [adres].

(V: We beginnen bij gisteravond 19 augustus 2013. Gister heeft u contact gehad met hem dat hij hier heen zou komen)

A: Klopt. De zakelijke vaste lijn ging. Tussen 12 en 12.30 uur hebben wij normaal pauze, maar nu heb ik de telefoon toch opgenomen. Ik hoorde aan de andere kant van de lijn, Teringlijer, Kankerlijer en soortgelijke woorden. Ik herkende de stem niet en begon te lachen. Hierop merkte ik dat de andere persoon boos werd. Ik hoorde hierop: ‘Ik maak je dood’. Ik kom vanavond met mijn maat mijn spullen ophalen en de kinderbijslag.

(V: Wist je toen wie dit was?)
A: Ja. Toen wel, ik had ook al een smsje van hem ontvangen dat hij de kinderbijslag die zijn moeder ontvangt, wilde hebben. Ik begreep dat hij dit moest zijn.2 (..)

We hebben ’s middags teruggebeld, na het bedreigende telefoontje van 12.40 uur, dit bleek te zijn gedaan vanaf de crisisopvang waar hij verblijft. (..) Toen werd ik heel alert en zenuwachtig. (..) Ik ben steeds gaan posten enzo. Rond een uur of 19.30 uur dacht ik nu zal hij niet meer komen. (..) We zijn om 19.30 uur gaan eten en ik pakte een biertje en ben gaan zitten in een tuinstoel met de rug naar de bosrand. Ineens hoorde ik iets. (..) Nee, rennende voetstappen. Ik voelde iets van een bijltje op mijn hoofd. Het bleek een ijzeren staaf te zijn. Ik heb toen naar [getuige] geroepen ‘Zie je wel’. Ik dook naar voren en werd op mijn rechter schouder geraakt. [getuige] heeft die klap vanuit de keuken gezien. Wij hebben ook een bordeaux dog, een waakhond, die ging met [getuige] mee naar buiten. [getuige] ging voor hem staan. Ik was een stukje richting keuken gerend. Omdat [getuige] voor hem ging staan, draaide ik me meer om en ik keek hem in het gezicht. Ik zag dat het [verdachte] was. Ik hoorde hem zeggen: ik maak jou ook kapot. Ik zag dat hij met de ijzeren staaf in de hand een beetje stond te stuiteren. [getuige] riep: ‘Wat maak jij mij ook kapot wegwezen’. Ik zag dat hij luisterde naar [getuige] en wegrende.3 (..)

Ik zag de staaf pas toen ik hem bij [bedrijf] in het bos zag en hij zich omdraaide toen de hond bij hem was. Ik zag dat hij een staaf vast had. Het was op een meter of 50 afstand. (..)

(V: Hoe lang schat u de staaf?)
Wel 1,5 a 2 meter.

(U bent 1 keer op uw hoofd geraakt en 1 keer op uw schouder?)

Ja.4

(V: Wat voelde u de eerste keer dat u op uw hoofd werd geraakt?)

Dat er iets van een bijltje, massief iets ofzo op mijn hoofd kwam. Ik ben meteen weggedoken en wist dat hij het was. (..)

Ik voelde dat het een harde klap was, maar het deed geen pijn. Ik voelde wel meteen bloed langs de linkerkant van mijn hoofd gaan. Hiervan hebben wij meteen foto’s gemaakt.

[getuige] vermoedde dat hij iets gebruikt had, zij stond dichterbij. Hij had grote ogen.5

Uit de letselrapportage van de GGD IJsselland d.d. 19 augustus 2013 is onder meer het volgende gebleken:

Hoofd. Conclusie: Grote bloedende hoofdwond en hersenschudding.

Armen. Op de linkerschouder is een V-vormig gebied van roodheid van ca 4x3 cm met aan de bovenzijde een wat scherpere aftekening; dit zou goed kunnen zijn toegebracht met een hard voorwerp en zou kunnen passen met een beweging van afschampen of doorschieten met dit voorwerp over de schouder.

Het letsel is veroorzaakt door massaal direct geweld met een hard stomp staafvormig voorwerp uitgeoefend op het hoofd van SO. Dit kan bij de door slachtoffer aangegeven toedracht passen6.

Getuige [getuige] heeft op 20 augustus 2013 bij de politie onder meer het volgende verklaard:

(V: Waar werd u toen gebeld?)

Thuis op de zakelijke telefoon. Het moet tussen 12 en 13 uur zijn geweest. [slachtoffer] heeft opgenomen. (..) Ja ik hoorde een stemverheffing uit de telefoon en dacht dat het een vriend of familie was, omdat ik [slachtoffer] hoorde lachen. Ik hoorde [slachtoffer] iets zeggen van: Doe eens rustig, doe eens normaal’. Toen [slachtoffer] het gesprek wegdrukte, zei hij dat was [verdachte].

(V: Heeft [slachtoffer] gezegd wat [verdachte] zei?)
Ja, hij heeft gezegd ik kom met een auto naar Ommen. Ik maak je kapot.7 (..)

Ik heb met de thuistelefoon terug naar de crisis gebeld. (..) Rond 16.00 uur belde ze mij terug en meldde mij dat ze het [verdachte] had afgeraden, maar dat hij weg was gegaan, met een zwarte sporttas. Ze kon zien op de computer dat hij op Ommen had gezocht.8

Ik ging naar binnen. Ik stond met mijn rug naar het raam. Ik hoorde [slachtoffer] ineens roepen; ‘ik wist het, ik wist het’. Dat was zo’n noodkreet, dat ik wist dat [verdachte] er was. Toen ik me omdraaide, zag ik dat [slachtoffer] voorovergebogen in zijn stoel zat en achter [slachtoffer] zag ik [verdachte] staan. Ik herkende [verdachte] meteen. Ik hoorde [verdachte] roepen: ‘ik maak je af, klerelijer, ik maak je af’. Ik hoorde aan zijn stem ook dat het [verdachte] was. Ik zag hem een slaande beweging maken met twee handen iets vasthoudend. (..) Ik zie nadat ik [slachtoffer] hoorde roepen, [verdachte] met een grote staaf in de handen. Het volgende dat ik weet is dat ik recht voor [verdachte] sta. [verdachte] stond rechts van de vuurplaats en ik stond recht voor [verdachte] op ongeveer een meter afstand. (..) Ik zag dat [verdachte] heel wit was. Hij was lijkbleek. Ik stond recht voor [verdachte]. Ik zag dat zijn ogen een beetje paranoia stonden. Ik zag dat [verdachte] heen en weer stond te huppen, als een bokser, en hoorde hem zeggen: ‘ik maak je af, ik maak je af’. Hij had de staaf op dat moment met twee handen voor zijn lichaam. Ik zag dat [verdachte] steeds langs me heen keek over mijn schouder. Ik denk dat hij naar [slachtoffer] keek, maar die kon ik niet zien. Ik was zo boos dat ik iets heb gezegd van: Ik maak jou af of soortgelijke woorden.

Ik zag dat [verdachte] er ineens vandoor ging. Hij sprintte echt weg, over het gras.9

(V: Heeft [verdachte] steeds de pijp bij zich gehad?)
A: ja, die heeft hij steeds vastgehouden. (..) Het was een donkere staaf. Hij stak toen hij hem overdwars vast had wel een centimeter of 30 uit aan beide zijden. Ik zag geen metaal en het was niet zo’n dikke staaf.10

Verdachte heeft op 20 augustus 2013 bij de politie onder meer het volgende verklaard:

Ik ben naar Ommen geweest, naar mijn moeders huis toe. Onderweg vond ik een plastic buis. (..) Twee minuten voordat ik er was, vond ik die buis. Ik nam die mee, omdat [slachtoffer] een grote man is. Toen ik de hoek om liep, stond ik gelijk voor hem. Toen ik hem zag, ging bij mij de knop om. Ik sloeg hem toen meteen en op dat moment begon hij te schelden. Ik bleef staan en ik keek alleen. Even later kwam mijn moeder naar buiten met de hond. Mijn moeder ging achter mij aan met de hond. Dat is het in het kort. (..)

Ik belde naar het bedrijf van mijn moeder. Ik kreeg [slachtoffer] aan de lijn en toen begon ik te schelden, omdat ik hoopte dat ik mijn moeder aan de lijn kreeg. Toen begon hij te lachen. (..) Hij nam mijn bedrijfstelefoon op en dan lachte hij mij uit. Dit deed zeer. Ik wilde mijn spullen hebben en toen hing hij op.11

Ik besloot om er naartoe te gaan. Ik heb zo vaak geprobeerd om mijn spullen te krijgen en mijn kinderbijslag. (..) Ik was gewoon boos, dus ik weet niet wat ik precies heb gezegd. Ik weet alleen dat ik heel veel gescholden heb, maar wat precies weet ik niet. Scheldwoorden die in mijn hoofd op komen.12 (..)

Ik was alleen van plan mijn spullen te halen. Maar op het moment dat je daar bent en je loopt de hoek om en je staat voor hem, dan gaat er een knop om en dat denk je weer terug aan alles.

(V: Je vertelde eerder dat je zo’n staaf vindt?)

Ik vond dat en ik weet hoe hij is, hij is altijd agressief. Ik dacht die neem ik mee omdat ik dacht dat als ik mijn spullen kom halen dan neem ik dit maar mee. Ik weet dat hij sterker is dan ik.

(V: Waar heb je die gevonden?)
In de buurt van de meubelwinkel, op een grote zandhoop vond ik een plastic ding en ik dacht die neem ik mee.13 (..)

Uiteindelijk liep ik de hoek om naar het terras en toen zag ik hem zitten. Hij zat schuin met de rug naar mij toe. Ik dacht niet na en zei niets. Ik wist niet eens wat ik deed en waarom. Ik was verrast.(..)

Ik sloeg hem gelijk nadat ik de hoek om gelopen ben. Ik denk dat ik zijn rug, nek of achterhoofd heb geraakt.(..)

(V: Hoe vaak heb je geslagen?)
Ik weet het niet, ik geloof 1 keer, maar het is allemaal zo vaag. Ik raakte hem, hij stond op voor mij en hij zei iets van vuile crimineel of kankerjongen of iets dergelijks. Hij was aan het schelden en toen 10 seconden later kwam mijn moeder naar buiten met de hond.14 (..)

(V: Van wat voor materieel was die pijp?)

Geen idee wat het eigenlijk was. Het was iets hards, iets van plastic en hol van binnen.

(V: Kan het een PVC pijp zijn?)
A: Het was wel iets van hard plastic, je kon het niet buigen. (..) Het was ongeveer 75 cm. Het was lichtgrijs van kleur. (..)

(V: Toen je [slachtoffer] sloeg, waarom stopte je met slaan?)
Ik wist eigenlijk niet wat ik deed, ik schrok er zelf van. [slachtoffer] stond op en liep naar de bijkeuken.(..)

(V: Wat heeft [slachtoffer]?)

Hij heeft hechtingen in zijn hoofd en ook een hersenschudding.15

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 19 augustus 2013 in de middag telefonisch contact heeft gehad met zijn stiefvader [slachtoffer], waarmee hij een problematische relatie had, en dat hij boos werd toen deze [slachtoffer] hem telefonisch uitlachte. Verdachte heeft verklaard dat hij hierop naar Ommen is gegaan om zijn eigen spullen en de kinderbijslag op te halen, die hij nodig had vanwege het feit dat hij uit de crisisopvang moest en naar een kamer kon verhuizen. Verdachte is naar Ommen gegaan en liep via de tuin naar de woning van zijn moeder en [slachtoffer] en vond daar in het bos een holle, plastic buis die hij meenam naar de woning om zich eventueel tegen [slachtoffer] te kunnen verdedigen. Verdachte liep de hoek van het terras om en zag [slachtoffer] met zijn rug naar verdachte toe zitten en sloeg met de buis op het hoofd van [slachtoffer].16

De rechtbank is gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 19 augustus 2013 [slachtoffer] met een buis op zijn hoofd heeft geslagen.

Poging tot moord

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 19 augustus 2013 heeft gehandeld met voorbedachte raad - in de tenlastelegging nader uitgedrukt met de woorden “na kalm beraad en rustig overleg”- zodat verdachte van dit primair ten laste gedeelte – de poging tot moord - vrijgesproken dient te worden.

Poging tot doodslag

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of wel sprake is geweest van een poging tot doodslag. Hiervoor is vereist dat verdachte opzet, dan wel voorwaardelijk opzet, heeft gehad op de dood van [slachtoffer].

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte het opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Uit de verklaring van verdachte blijkt reeds dat hij op 19 augustus 2013 naar Ommen is gegaan met de intentie om zijn spullen en de kinderbijslag op te halen, zodat hieruit niet het opzet op de dood van [slachtoffer] kan worden afgeleid. Verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij, toen hij de hoek omliep, [slachtoffer] zag zitten en dat er toen plotsteling een knop bij hem omging en hij sloeg. Dat verdachte vanuit Den Helder door de telefoon uren eerder dreigend is geweest richting [slachtoffer] doet hier, naar het oordeel van de rechtbank, niets aan af.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met zijn gedragingen voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Voorts is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan, dan dat degene die die handelingen heeft verricht, de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn om vast te kunnen stellen dat verdachte door zijn handelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer]. Verdachte heeft met een buis op het hoofd van het slachtoffer geslagen. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan uit welk materiaal de buis was samengesteld, hoe lang de buis was en hoe zwaar de buis was, nu hierover door aangever, getuige [getuige] en verdachte wisselend wordt verklaard en de buis na afloop van het incident door de politie niet is gevonden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet vast is komen te staan dat verdachte meermalen met de buis heeft geslagen. De rechtbank houdt het er gelet op de aangifte en de letselverklaring ook voor dat verdachte eenmaal met de buis heeft geslagen, waarbij de buis op het achterhoofd van [slachtoffer] terecht is gekomen en vervolgens is door geschampt op de schouder. Gelet op de onduidelijkheid omtrent de omvang, het gewicht en de hardheid van de buis en mede gelet op de aard van het geconstateerde letsel acht de rechtbank het voorwaardelijke opzet op de dood van [slachtoffer] niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen de aan verdachte (eveneens) primair ten laste gelegde poging tot doodslag, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Poging tot zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wel wettig en overtuigend kan worden bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft met een buis op het hoofd van [slachtoffer] geslagen. Verdachte sloeg eenmaal met kracht. De rechtbank overweegt dat het algemeen bekend is dat met name het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is.

De rechtbank is op grond van bovenstaande omstandigheden, het feit dat het gaat om een aanzienlijke wond op het hoofd, hetgeen een kwetsbaar gebied is, van oordeel dat wel kan worden bewezen dat sprake was van de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel kon worden veroorzaakt en dat verdachte door een slaande beweging te maken met een buis en [slachtoffer] ook daadwerkelijk te raken op zijn hoofd, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Gelet op alle feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde, te weten de poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 19 augustus 2013, in de gemeente Ommen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet eenmaal, (met kracht) met een buis

op het hoofd en tegen de schouder van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID van het feit

Het bewezene levert op:

Subsidiair:

Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 238 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt het meewerken aan behandeling door een GGZ-instelling.

De officier van justitie heeft verzocht de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de tijd die reeds is doorgebracht in voorlopige hechtenis. Daarnaast kan een voorwaardelijke jeugddetentie worden opgelegd met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden onder andere inhoudende voortzetting van het traject ITB Harde Kern en het zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank voorts rekening te houden met het feit dat verdachte het al erg druk heeft met het volgen van het traject ITB Harde Kern, het volgen van onderwijs en het zoeken naar een baantje om zich financieel te kunnen redden.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft met kracht met een buis op het hoofd van het slachtoffer geslagen, waardoor deze onder meer een grote bloedende hoofdwond en een hersenschudding heeft opgelopen. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de met betrekking tot de persoon van verdachte en diens strafbaarheid uitgebrachte rapporten, te weten:

  • -

    een Pro Justitia rapport d.d. 16 november 2013, opgemaakt door GZ-psycholoog J. Husmann;

  • -

    een Pro Justitia rapport d.d. 31 oktober 2013, opgemaakt door drs. F.M.J. Bruggeman, psychiater;

  • -

    een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 29 januari 2014, opgemaakt door mevrouw M. Kippers, raadsonderzoeker.

Uit het Pro Justitia rapport d.d. 31 oktober 2013 opgemaakt door F.M.J. Bruggeman, psychiater, komt naar voren dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, een periodieke explosieve stoornis, misbruik van cannabis en een scheefgroei in zijn emotionele ontwikkeling. In de gezinssituatie was sprake van emotionele verwaarlozing. Ten tijde van het ten laste gelegde feit was de beschreven gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens aanwezig en op basis van verdachtes zwakbegaafdheid, emotionele scheefgroei, het misbruik van cannabis en de gestoorde impulscontrole kwam het bij verdachte tot een agressie doorbraak.

De psychiater adviseert verdachte op grond van zijn problematiek voor het ten laste gelegde feit als licht verminderd ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

Voorts blijkt uit het rapport dat verdachte onvoldoende in staat is om zijn heftige emoties adequaat te reguleren en moeite heeft deze emoties tijdig onder ogen te zien. Uiteindelijk is verdachte zodanig gefrustreerd en getriggerd dat hij met een impulsdoorbraak reageert. Het misbruik van cannabis heeft een negatieve invloed op zijn emotionele leven en maakt hem tevens angstig en alert. Verdachte is moeilijk lerend. Bij verdachte is sprake van een moeizame opvoedingssituatie waar verschillende partners van moeder een opvoedende rol hebben gespeeld. Deze wisselingen in de vaderfiguren zijn voor verdachte onveilig geweest en verdachte heeft zich emotioneel op zijn moeder gericht. Op het moment dat moeder kiest voor [slachtoffer] en niet voor haar kinderen is dat voor verdachte traumatisch.

De psychiater adviseert een voortzetting van het ITB Harde Kern traject met een behandelcontact waar aandacht is voor de regulatie van zijn emoties, nu verdachte onvoldoende in staat is om zijn negatieve emoties adequaat te uiten en deze opkropt. Dit kan worden opgelegd binnen een straf met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.

Uit het Pro Justitia rapport d.d. 16 november 2013 opgemaakt door drs. J. Husmann, GZ-psycholoog komt naar voren dat bij verdachte ziekelijke stoornissen - een gedragsstoornis NAO en een periodiek explosieve stoornis - en middelengebruik zijn vastgesteld. Tevens wordt geconstateerd dat er gebreken zijn in zijn ontwikkeling die risicofactoren vormen voor probleem- en/of delictgedrag. De beschreven stoornissen en gebrekkige ontwikkeling waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en ook de belemmerde aspecten van zijn functioneren en persoonlijkheidsontwikkeling waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit. Tevens is sprake van impulscontroleproblematiek en speelt het fors middelengebruik ook een rol in zijn gedragskeuze ten tijde van het ten laste gelegde feit. Door de softdrugs zijn de emotieregulatie, impulscontrole en agressieregulatie danig verminderd bij verdachte. Tevens blijken er lacunes in verdachtes gewetensontwikkeling als gevolg waarvan hij makkelijk over kan gaan tot agressie of delictgedrag.

De psycholoog adviseert het ten laste gelegde feit aan verdachte op grond van zijn problematiek licht verminderd toe te rekenen.

Voorts blijkt uit het rapport dat een aantal omstandigheden de kans op recidive bij verdachte verhogen, zoals daar zijn het feit dat de gedragsproblemen van verdachte een vroege start hadden, hij meermalen in aanraking met justitie is gekomen, hij omgang heeft met delinquente leeftijdsgenoten, er sprake was van fors middelengebruik en zijn medewerking aan gedragsverandering op eerdere interventies vanuit hulpverlening gebrekkig is geweest. Daarnaast is er sprake van invloed van zijn ervaringen in de gezinsrelaties in het verleden. Verdachte heeft op basis hiervan een overleversmentaliteit ontwikkeld van waar uit hij enkel uitgaat van zichzelf en zijn behoeften en een sterk egocentrisch perspectief kan hanteren. Kwetsbaarheid, van zichzelf en anderen, stopt hij weg om er geen rekening mee te houden.

Van belang voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdacht is dat hem gerichte behandeling geboden wordt. Een aanmelding bij een forensische polikliniek, zoals bijvoorbeeld de divisie forensische psychiatrie van GGZ Noord-Holland Noord is aangewezen. Vanuit de reclassering dient deze behandeling in gang gezet en gevolgd te worden. Samenhangend met de gebleken problematiek is de verwachting dat de behandelmotivatie en –trouw van verdachte aan wisseling onderhevig kan zijn, zodat de behandeling alleen kans van slagen heeft binnen een verplichtend kader.

De psychiater adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie/taakstraf met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en deelname/meewerking aan een behandeling. Er dient in de behandeling stevige controle uitgeoefend te worden op zijn gedrag, waarbij er regelmatig toezicht gehouden wordt op zijn dagprogramma en het nakomen van gemaakte afspraken hierover. Als doelen van deze intensieve begeleiding dienen onder meer gesteld te worden het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding en contact met leeftijdsgenoten. De reeds ingezette intensieve begeleiding maatregel ‘harde kern’ is hiervoor passend. Hierna is continuering van de begeleiding vanuit de reclassering in de vorm van een maatregel jeugdreclassering (MHS) van belang om de begeleiding van verdachte voort te zetten en een duidelijke vinger aan de pols te houden.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 29 januari 2014, opgemaakt door M. Kippers, komt naar voren dat de Raad zich aansluit bij de adviezen uit het NIFP onderzoek, inhoudende dat gerichte behandeling van belang is, gericht op het versterken van verdachtes emotie- en met name agressieregulatie en impulscontrole. Voorts dient verdachte meer zicht te krijgen op triggers van zijn gevoelens van machteloosheid, controleverlies en het gevoel gekrenkt te worden. Uit het rapport blijkt voorts dat verdachte sinds het raadsonderzoek in augustus 2013 een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De Raad stelt dat een stok achter de deur wenselijk is om deze positieve ontwikkeling van verdachte voort te zetten, nu uit de PO-rapportages is gebleken dat dat de behandelmotivatie en behandeltrouw van verdachte aan wisseling onderhevig kunnen zijn. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert derhalve continuering van de begeleiding vanuit jeugdreclassering, in de vorm van een maatregel Hulp en Steun.

De rechtbank onderschrijft de inhoud van de vorengenoemde rapporten en maakt de daarin getrokken conclusies tot de hare.

De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 oktober 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, waaronder in het jaar 2011 voor een poging tot doodslag.

Daarnaast heeft de rechtbank ten voordele van verdachte meegewogen, dat reeds enige tijd sprake is van een schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, gedurende welke schorsing verdachte het traject ITB Harde Kern volgt, aan welk traject en begeleiding hij goed meewerkt. Uit het gedrag van verdachte leidt de rechtbank af dat hij bereid is mee te werken aan gedragsverandering om zo de kans op herhaling van strafbare feiten te minderen.

De rechtbank acht in dit geval oplegging van jeugddetentie van na te melden duur noodzakelijk en passend bij de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de op te leggen jeugddetentie niet ten uitvoer zal te worden gelegd, onder de hierna te noemen voorwaarden. De rechtbank beoogt hiermee de reeds ingezette begeleiding van verdachte te laten voortduren en verdachte een behandeling te laten ondergaan en mede hierdoor de kans op herhaling te verminderen. Evenzo ziet de rechtbank aanleiding om, ingevolge artikel, 77za van het Wetboek van Strafrecht, de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen van de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft verzocht tot een gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 14.811025-11 bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Alkmaar van 26 oktober 2011 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 90 dagen met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft verzocht om de jeugddetentie voor de duur van 50 dagen ten uitvoer te leggen, maar deze jeugddetentie om te zetten in een werkstraf van 100 uren.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering slechts voor een gedeelte toe te wijzen en de jeugddetentie om te zetten naar een werkstraf. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat verdachte reeds het traject ITB Harde Kern volgt.

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 77dd van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig alsnog de tenuitvoerlegging van de hiervoor bedoelde voorwaardelijke straf gedeeltelijk te gelasten.

De rechtbank acht termen aanwezig om, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf te geven, een taakstraf, te weten een werkstraf, te gelasten.

Beslissing

Het primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering worden gebracht.

Van de jeugddetentie zal een gedeelte, groot 122 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren:

- aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast wanneer verdachte gedurende een proeftijd van 2 jaren de volgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.


Als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat:

  • -

    de verdachte zich in het kader van de maatregel hulp en steun gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door Bureau Jeugdzorg Overijssel, afdeling jeugdreclassering, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als dit inhoudt het meewerken aan behandeling door een GGZ-instelling - of een soortgelijke instelling - en

  • -

    verdachte meewerkt aan voortzetting van het traject ITB Harde Kern.

De rechtbank geeft aan genoemde instelling opdracht verdachte bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst de vordering toe.

De rechtbank gelast de (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis d.d. 26 oktober 2011 van de meervoudige strafkamer te Alkmaar in de zaak met parketnummer 14.811025-11, voor een gedeelte van 50 dagen jeugddetentie.

De rechtbank gelast in plaats van tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijke straf het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, te voltooien binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen jeugddetentie, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. A. Smedes en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, team Dalfsen/Ommen PL04DO 2013069691, opgemaakt op 12 oktober 2013.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 20 augustus 2013, pag. 22.

3 Idem als voetnoot 2, pag. 26.

4 Idem als voetnoot 2, pag. 27.

5 Idem als voetnoot 2, pag. 28.

6 Letselrapportage opgemaakt door J. Aberson van de GGD IJsselland d.d. 19 augustus 2013, pag. 94 en 95.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 20 augustus 2013, pag. 36.

8 Idem als voetnoot 7, pag. 37.

9 Idem als voetnoot 7, pag. 39.

10 Idem als voetnoot 7, pag. 39.

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 20 augustus 2013, pag. 64.

12 Idem als voetnoot 11, pag. 65.

13 Idem als voetnoot 11, pag. 66.

14 Idem als voetnoot 11, pag. 67.

15 Idem als voetnoot 11, pag. 68.

16 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 februari 2014.