Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:726

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-02-2014
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
C/08/151555 / KG ZA 14-38 KG
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2014:618
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Twist tussen twee boerenfamilies. Overeenkomst tot koop en verkoop varkenshouderij waarbij een terugkooprecht en een recht van voortgezet gebruik zijn overeengekomen. Zowel de gemeente als de AID accepteren niet dat er nog varkens onder de huidige omstandigheden in de stallen worden gehouden. Het is in het belang van beide partijen dat thans ordemaatregelen worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/151555 / KG ZA 14-38 KG

datum vonnis: 10 februari 2014

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1 [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

verder gezamenlijk te noemen [eiser],

advocaat: mr. G.J. in 't Veld te Apeldoorn,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Riola B.V.,

gevestigd te Geesteren,

gedaagden,

gedaagden sub 1 en 2 verder gezamenlijk te noemen [gedaagde 1],

gedaagde sub 3 verder te noemen Riola,

advocaat: mr. P.H.A. Mulder te Almelo.

1 Het procesverloop

1.1

De voorzieningenrechter heeft in verband met de spoedeisendheid bij vonnis van
10 februari 2014 zonder motivering op het door [eiser] gevorderde beslist. De motivering van de beslissing van de voorzieningenrechter volgt hieronder.

2 De feiten

2.1

[gedaagde 1] was tot augustus 2012 eigenaar van een varkenshouderij met (gemiddeld) 650 zeugen, gelegen aan de [adres] te [plaats].

2.2

Op 17 augustus 2012 hebben [gedaagde 1] en [eiser] een overeenkomst tot koop en verkoop gesloten ten aanzien van de varkenshouderij, bestaande uit het woonhuis, de bedrijfsopstallen, inclusief de complete stalinventaris, de voersilo’s, de voervoorraden,

de veestapel en de op het verkochte rustende milieuvergunning (verder te noemen: de varkenshouderij). [gedaagde 1] heeft hierbij de varkenshouderij aan [eiser] verkocht tegen betaling van een koopprijs van € 650.000,00. Deze koop en verkoop is nader vastgelegd en uitgevoerd in een notariële akte van levering van 24 augustus 2012 en een akte houdende overeenkomst recht van koop van 28 september 2012.

2.3

Partijen zijn bij de koop en verkoop een terugkooprecht voor [gedaagde 1] overeengekomen. Het terugkooprecht omvat het recht van [gedaagde 1] om de varkenshouderij van [eiser] terug te kopen tegen betaling door [gedaagde 1] aan [eiser] van de oorspronkelijke koopprijs van € 650.000,00, vermeerderd met een aantal kosten. De periode waarin het terugkooprecht kon worden uitgeoefend, liep in eerste instantie af op
24 mei 2013. Na aanvankelijke verlenging tot 31 december 2013, is de einddatum van het terugkooprecht bij overeenkomst van 28 augustus 2013 op 1 april 2014 gesteld.

2.4

Partijen zijn voorts een recht van voortgezet gebruik overeengekomen. Gedurende de periode dat het terugkooprecht van kracht is, heeft [gedaagde 1] het recht om de varkenshouderij feitelijk te gebruiken en te exploiteren tegen betaling aan [eiser] van een vergoeding van € 6.500,00 (exclusief BTW) per maand.

2.5

[gedaagde 1] heeft de exploitatie van de varkenshouderij overgedragen aan Riola.

2.6

In de overeenkomst tot koop en verkoop van 17 augustus 2012 zijn -voor zover thans van belang- de volgende bepalingen opgenomen, waarbij [eiser] de koper is en [gedaagde 1] de verkoper:

“6. In de tussentijd is het de koper niet toegestaan de inrichting te veranderen of aan te passen.

7. Ook is het de koper niet toegestaan, ten tijde dat de ontbindende voorwaarde nog steeds geldt, om het onroerend goed c.q. de zeugenstapel aan derden te verkopen.

(…)

10. Wanneer terugkoop niet haalbaar blijkt zal de verkoper het bedrijf volgens goed gebruik, netjes opleveren waarbij de zeugenstapel goed is beheerd. Er zullen ten minste nog 625 zeugen en 1875 gespeende biggen aanwezig zijn”.

2.7

In de akte houdende overeenkomst recht van koop van 28 september 2012 is -voor zover thans van belang- het volgende bepaald, waarbij de ondergetekende sub 1 [gedaagde 1] is en de ondergetekende sub 2 [eiser] is, maar de voorzieningenrechter dat in 5.3 gelet op de bewoordingen omgekeerd leest:

“5.1 Ingeval van vervallen van het recht van koop is de ondergetekende sub 1 verplicht de woning welke tot het verkochte behoort op eerste vordering van de ondergetekende sub 2 volledig te ontruimen en te verlaten.

(…)

5.3

Ingeval van het vervallen van het recht van koop en oplevering van de bedrijfsopstallen in de zin van artikel 5.2 door de ondergetekende sub 2 aan de ondergetekende sub 1 zal op het bedrijf een veestapel aanwezig zijn ter grootte van minimaal 625 zeugen en 1.875 gespeende biggen.

Bij afwijking van het in dit artikel genoemde aantal dieren zal een vergoeding verschuldigd zijn. Deze vergoeding bedraagt € 350,-- (zegge: driehonderdvijftig euro) per zeug, inclusief biggen, opfokzeugen en beren, en exclusief eventueel verschuldigde omzetbelasting.

Indien de afwijking qua aantallen alleen de biggen betreft, zal een vergoeding verschuldigd zijn gebaseerd op de NVV notering per big, partijen genoegzaam bekend. Een en ander zal gebaseerd zijn op de aanwezige dieren per weekgroep in combinatie met het gewicht”.

2.8

In de akte houdende overeenkomst recht van koop van 28 augustus 2013 is -voor zover thans van belang- de volgende bepaling opgenomen:

10. indien van het recht van koop geen gebruik gemaakt wordt:

a. zal de boerderijwoning aan de [adres] te [plaats] op 1 april 2014 leeg en ontruimd worden opgeleverd;

b. zullen er op 1 april 2014 tenminste 625 zeugen, 250 opfokzeugen en 1875 gespeende biggen op het bedrijf aanwezig moeten zijn;

c. dient de kwaliteit van de zeugenstapel goed te zijn met een normale leeftijdsopbouw, dracht, kraamstalbezetting en regelmatige vervanging. De entschema’s zijn nauwkeurig gevolgd en uitgevoerd;

(…)”.

2.9

Op 30 augustus 2013 en 4 september 2013 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controles uitgevoerd op de varkenshouderij. De NVWA heeft diverse overtredingen geconstateerd. De bevindingen van NVWA zijn neergelegd in een brief d.d. 6 september 2013 met een lijst van te nemen maatregelen en een rapport d.d. 16 september 2013.

2.10

Begin november 2013 is [gedaagde 1] gestart met de verkoop van de veestapel. Dit gebeurt met aantallen van circa 30 dieren per verkoop.

2.11

Op 26 november 2013 is de varkenshouderij gecontroleerd door de heer [M] van het kennispunt IPPC Agrarisch van de Regionale Uitvoeringsdienst Twente. Bij brief van 6 december 2013 heeft de gemeente Tubbergen (verder te noemen: de gemeente) aan Riola een aanzegging gestuurd, inhoudende de resultaten van deze controle en een aantal afspraken.

2.12

Op 6 februari 2014 is de AID (Algemene Inspectiedienst), onderdeel van de NVWA, met een aantal vervoerders bij de varkenshouderij gekomen om de nog aanwezige veestapel (260 zeugen) af te voeren. Dit is ternauwernood voorkomen.

3 Het geschil

3.1

[eiser] vordert na aanvulling van eis -kort samengevat-

primair:

1. [gedaagde 1] en Riola te veroordelen om hun verplichtingen tot het onderhouden van de veestapel na te leven;

2. [gedaagde 1] en Riola te veroordelen zich te onthouden van elke verkoop van zeugen of andere dieren behorende tot de veestapel van de onderneming en elke medewerking daaraan, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen 10 dagen na dit vonnis de inseminatie van zeugen van de veestapel te laten plaatsvinden, althans te gedogen dat [eiser] deze zal verrichten of laten plaatsvinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

4. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen 5 dagen na dit vonnis de werkzaamheden als vermeld in de offerte van Tecopor B.V. d.d. 23 januari 2014 te laten uitvoeren, althans daarmee een aanvang te maken, althans binnen deze termijn te gedogen dat [eiser] deze zal laten uitvoeren of daarmee een aanvang maakt, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair:

5. [gedaagde 1] en Riola te veroordelen de gehele veestapel op de kortste termijn en tegen maximale opbrengst te verkopen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

zowel primair als subsidiar:

6. [gedaagde 1] te veroordelen om de overdracht en ontruiming van het bedrijf onmiddellijk na dit vonnis te laten verrichten, althans elke fysieke en administratieve bemoeienis met het bedrijf te staken en [eiser] volledige medewerking te verlenen om de bedrijfsvoering met onmiddellijke ingang in eigen beheer voort te zetten, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met bepaling dat het [gedaagde 1] is toegestaan om tegen vergoeding van de boerderijwoning gebruik te blijven maken tot uiterlijk 1 april 2014;

7. [gedaagde 1] en Riola te veroordelen elke ontvangen betaling of opbrengst of vergoeding in welke vorm dan ook ontvangen in verband met een verkoop van de veestapel of een deel daarvan of andere activa behorend tot de verkochte onderneming, te storten op de kwaliteitsrekening van een daartoe door [eiser] aan te wijzen notaris of andere bewaarder, die deze bedragen en/of goederen zal uitbetalen of overdragen aan die partij, die daar blijkens onvoorwaardelijke overeenkomst tussen partijen dan wel gerechtelijke uitspraak of partijen anderszins bindende vaststelling gerechtigd zal blijken te zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

8. [gedaagde 1] en Riola te veroordelen in de kosten van het geding;

9. [gedaagde 1] en Riola te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

[eiser] stelt daartoe dat [gedaagde 1] doende is de gehele veestapel onaangekondigd en achter de rug van [eiser] om te verkopen. [gedaagde 1] heeft dit recht niet. [eiser] is eigenaar van de veestapel. [gedaagde 1] heeft het recht gekregen om het bedrijf nog tijdelijk te blijven exploiteren. In dat kader zullen ook dieren verkocht moeten worden binnen het natuurlijk verloop van de veestapel, maar dat is iets geheel anders dan de volledige liquidatie van de veestapel binnen zes maanden. [gedaagde 1] heeft ook de verplichting om de veestapel goed te beheren en in stand te houden. Bij een gezonde opbouw van de veestapel moet rekening worden gehouden met onder meer de leeftijdsopbouw en de draagtijd van de zeugen en uitgaande van de huidige aantallen is het al niet meer mogelijk dat [gedaagde 1] het bedrijf met de overeengekomen aantallen zeugen weer oplevert. Daarnaast vereisen de NVWA en de gemeente Tubbergen niet dat leegverkoop noodzakelijk is om te voldoen aan hun vereisten. Wel dienen er een aantal bouwkundige aanpassingen te worden verricht. De offerte van Tecopor van 23 januari 2014 ziet op deze aanpassingen. Op het moment van uitbrengen van deze offerte was de aanzegging van de gemeente van 6 december 2013 bij [eiser] nog niet bekend. Voorts is het onaannemelijk dat [gedaagde 1] de benodigde financiering gaat vinden om van zijn terugkooprecht gebruik te kunnen maken. Gelet op het vorenstaande is het redelijk dat [gedaagde 1] wordt bevolen om de bedrijfsvoering onmiddellijk te staken en over te dragen aan [eiser].

3.3

[gedaagde 1] heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. In het navolgende zal de voorzieningenrechter voor zover nodig nader op dat verweer ingaan.

4 De beoordeling

4.1

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van het gevorderde.

4.2

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de aanzegging van de gemeente van 6 december 2013 blijkt dat de varkenshouderij niet conform de omgevingsvergunning activiteit milieu van 2009 in werking is. Ook voldoet de varkenshouderij niet aan de Best Bestaande Techniek zoals vastgelegd in het Besluit Huisvesting en de verleende vergunning. Om hieraan te kunnen voldoen is een aanpassing van de huidige stalsystemen noodzakelijk of dienen de stallen B5, C en D te worden gebouwd. Riola heeft aangegeven de stallen te willen leegdraaien om aanpassing van de stallen mogelijk te maken. Blijkens de aanzegging van de gemeente van 6 december 2013 diende Riola hiertoe voor 1 januari 2014 schriftelijk bij de gemeente aan te geven dat zij de stallen zou gaan leegdraaien en binnen welke termijn de stallen leeg zouden zijn.

4.3

Ter zitting van 7 februari 2014 heeft [gedaagde 1] onweersproken gesteld dat op 6 februari 2014 de AID met een aantal vervoerders bij de varkenshouderij is gekomen met een last om de nog aanwezige veestapel af te voeren. [gedaagde 1] heeft dit ternauwernood kunnen voorkomen door aan de AID toe te zeggen actief door te zullen gaan met het leegdraaien van de stallen en door opdracht te geven (aan Nijenkamp) om aanpassingen te verrichten aan de stallen.

4.4

De voorzieningenrechter leidt uit voornoemde feiten en omstandigheden af dat zowel de gemeente als de AID niet langer accepteren dat er nog varkens onder de huidige omstandigheden in de stallen worden gehouden. Indien de stallen niet worden leeggedraaid, zal -zoals door [gedaagde 1] onweersproken is gesteld- een onmiddellijk ingrijpen van de AID danwel de gemeente volgen. Partijen riskeren alsdan een gedwongen afvoer van de resterende veestapel en/of andere sancties, hetgeen niet in hun belang is. Gelet hierop kan van toewijzing van de primaire vorderingen onder 1 t/m 3 geen sprake (meer) zijn. Dit klemt temeer nu [eiser] heeft gesteld dat door de verkopen van [gedaagde 1] van een gezonde opbouw van de veestapel op 1 april 2014 geen sprake meer kan zijn.

4.5

Om gedwongen afvoer van de resterende veestapel en eventuele andere sancties zoveel mogelijk te voorkomen, is het voor beide partijen van belang dat thans ordemaatregelen worden genomen. Hiertoe zal conform de toezegging van [gedaagde 1] aan de AID allereerst actief moeten worden doorgegaan met het leegdraaien van de stallen. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat er geen contractueel verbod is voor [gedaagde 1] om de veestapel te verkopen. Ingeval hij zijn terugkooprecht niet uitoefent, zal hij echter gehouden zijn de ontbrekende veestapel aan [eiser] te vergoeden. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor verder naar rechtsoverweging 4.8 van dit vonnis. Voorts zijn partijen het erover eens dat bij de verkoop rekening moet worden gehouden met de levenscyclus waarin de veestapel zich bevindt. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering van [eiser], zoals hiervoor geformuleerd onder 5, dan ook toewijzen op de wijze als hierna vermeld. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd.

4.6

Nu de vraag aan wie de opbrengst van deze verkopen toekomt ondermeer afhankelijk is van het al niet uitoefenen van het terugkooprecht door [gedaagde 1] en derhalve het bestek van het onderhavige geding te buiten gaat, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de zowel primaire als subsidiaire vordering van [eiser], zoals hiervoor geformuleerd onder 7, toe te wijzen. De gevorderde dwangsom zal ook hier worden gematigd.

4.7

Voorts is conform de toezegging van [gedaagde 1] aan de AID van belang dat thans die werkzaamheden worden verricht aan de stallen die benodigd zijn om gedwongen afvoer van de resterende veestapel te voorkomen. Om te bekijken welke werkzaamheden benodigd zijn, acht de voorzieningenrechter van belang dat contact wordt opgenomen met de AID. Partijen zijn het erover eens dat deze werkzaamheden zo beperkt mogelijk moeten zijn tot het moment van algehele leegverkoop. Nu door [gedaagde 1] onweersproken is gesteld dat hij opdracht heeft gegeven (aan [N]) om aanpassingen te verrichten aan de stallen, maar onduidelijk is op welke werkzaamheden deze opdracht ziet, zal de voorzieningenrechter de primaire vordering van [eiser], zoals hiervoor geformuleerd onder 4, op na te melden wijze toewijzen. De gevorderde dwangsom zal ook hier worden gematigd.

4.8

Ten aanzien van de zowel primair als subsidiair gevorderde overdracht en ontruiming overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Bij overeenkomst van 28 augustus 2013 is de einddatum van het terugkooprecht op 1 april 2014 gesteld. Gelet op het feit dat deze termijn nog niet is verstreken, bestaat er thans in beginsel geen grond voor toewijzing van deze vordering. Voor zover [eiser] heeft betoogd dat thans al duidelijk is dat [gedaagde 1] zijn contractuele verplichtingen niet kan nakomen en daarom de vordering dient te worden toegewezen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Hoewel de termijn om gebruik te kunnen maken van het terugkooprecht nog niet is verstreken, acht de voorzieningenrechter het voorshands -mede gelet op het feit dat [gedaagde 1] al vanaf eind 2012 bezig is de benodigde financiering te verkrijgen en thans nog geen concrete onderbouwing heeft overgelegd- niet aannemelijk dat [gedaagde 1] op 1 april 2014 over voldoende financiële middelen zal beschikken om van dit terugkooprecht gebruik te kunnen maken. Volgens de akte houdende overeenkomst recht van koop van 28 augustus 2013 zullen er alsdan op 1 april 2014 tenminste 625 zeugen, 250 opfokzeugen en 1875 gespeende biggen op de varkenshouderij aanwezig moeten zijn. Partijen zijn het er over eens dat deze veestapel dan niet aanwezig zal zijn. Partijen zijn voor deze situatie in de akte houdende overeenkomst recht van koop van 28 september 2012 onder artikel 5.3 een vergoedingsregeling overeengekomen. Voor het vaststellen van de alsdan door [eiser] geleden schade is een eventuele bodemprocedure de geëigende weg.

4.9

Gelet op het feit dat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing (zoals uitgesproken op 10 februari 2014)

De voorzieningenrechter:

I. Veroordeelt [gedaagde 1] en Riola om de gehele veestapel op de kortst mogelijke termijn en tegen maximale opbrengst, met inachtneming van alle wettelijke voorschriften en de levenscyclus waarin de veestapel zich bevindt, te verkopen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per geval, te vermeerderen met € 500,00 per dag of dagdeel indien hieraan niet wordt voldaan, zulks tot een maximum van € 200.000,00;

II. Veroordeelt [gedaagde 1] en Riola, elk afzonderlijk en hoofdelijk, elke ontvangen betaling of opbrengst of vergoeding in welke vorm dan ook ontvangen in verband met een verkoop van de veestapel of een deel daarvan of andere activa behorend tot de verkochte onderneming, te storten op de kwaliteitsrekening van een door [eiser] aan te wijzen notaris, die deze bedragen en/of goederen zal uitbetalen of overdragen aan die partij, die daartoe blijkens onvoorwaardelijke overeenkomst tussen partijen dan wel gerechtelijke uitspraak of partijen anderszins bindende vaststelling gerechtigd zal blijken te zijn, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per geval, te vermeerderen met € 500,00 per dag of dagdeel indien hieraan niet wordt voldaan, zulks tot een maximum van € 200.000,00;

III. Veroordeelt [gedaagde 1], elk afzonderlijk en hoofdelijk, om binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis die werkzaamheden te doen verrichten aan de stallen, die in overleg met AID benodigd zijn om gedwongen afvoer van de resterende veestapel te voorkomen tot het moment van algehele leegverkoop en conform alle toepasselijke wettelijke vereisten en alle in de branche gebruikelijke methoden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per geval, te vermeerderen met € 500,00 per dag of dagdeel indien hieraan niet wordt voldaan, zulks tot een maximum van € 200.000,00;

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

V. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze motivering is op 14 februari 2014 gegeven door mr. M.M. Lorist, voorzieningenrechter en is door haar en de griffier ondertekend.