Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:708

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-02-2014
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
13/1193
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor het wijzigen van een bouwvergunning ten behoeve van het realiseren van een kelder en het aanpassen van de fundering van een woning. Het in geding zijnde bouwplan is voor een deel geprojecteerd op grond die een ander toebehoort. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg stond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2014-02-14
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12, geldigheid: 2014-02-14
Besluit omgevingsrecht 4, geldigheid: 2014-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/1193

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[naam],

wonende te Dalfsen, eiser,

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 24 mei 2012 heeft verweerder eiser meegedeeld dat van rechtswege aan hem een omgevingsvergunning is verleend voor het wijzigen van de bouwvergunning van 22 november 2010 voor het realiseren van een kelder en het aanpassen van de fundering van de woning van eiser aan de [adres 1] te Dalfsen, kadastraal bekend gemeente Dalfsen, [kadastraal nummer].

Het daartegen door Woningstichting Vechthorst (hierna: Vechthorst) gemaakte bezwaar is bij het besluit van 28 maart 2013 gegrond verklaard en de gevraagde omgevingsvergunning is alsnog geweigerd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 9 december 2013 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door K.A. Lautenbach.

Overwegingen

1.

Bij besluiten van 18 augustus 2009 en 22 november 2010 heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bestemmingsplan respectievelijk een bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van de woning op het onder “Procesverloop” genoemde perceel.

Op 2 februari 2012 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van de bouwvergunning van 22 november 2010, ten behoeve van het realiseren van een kelder onder de woning en het aanpassen van de fundering daarvan.

Bij brief van 24 mei 2012 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

Het door Vechthorst op 13 juni 2012 tegen de besluiten van 18 augustus 2009 en 22 november 2010 gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 maart 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is geen beroep ingesteld.

Het door Vechthorst eveneens op 13 juni 2012 gemaakte bezwaar tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning is bij het besluit van 28 maart 2013 gegrond verklaard. De gevraagde omgevingsvergunning is alsnog geweigerd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat de aanvraag betrekking heeft op de inmiddels gerealiseerde kelder onder de woning. Uit meting van het kadaster is gebleken dat de kelder deels buiten het bouwblok is gerealiseerd, hetgeen op grond van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften niet is toegestaan. Gelet hierop is de aanvraag tevens aangemerkt als een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan (artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Verweerder is niet bereid geweest om daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen, vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering. De kelder is deels gerealiseerd op grond van Vechthorst en Vechthorst heeft hiervoor geen toestemming willen geven.

2.

Het in geding zijnde perceel heeft ingevolge het bestemmingsplan “Dalfsen-kom” de bestemming “Woondoeleinden, kategorie EO”. De gronden met deze bestemming mogen uitsluitend worden gebruikt voor woondoeleinden met de daarbij behorende eengezinshuizen, bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken (artikel 3, eerste lid).

Onder een ééngezinshuis dient te worden verstaan: een zelfstandig al dan niet zijdelings aangebouwd gebouw, uitsluitend bevattende één woning (artikel 1, onder p). Ten aanzien van de bebouwing geldt, voor zover relevant, dat de eengezinshuizen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd (artikel 3, tweede lid, onder a).

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor zover van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(...),

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op het onderdeel bouwen de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Op grond van het tweede lid wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

In artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen genoemd in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4 van bijlage II van het Bor komt voor verlening van een Omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder 1, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking:

1.

een bijbehorende bouwwerk:

a. binnen de bebouwde kom,

b. (…)

(…)

9.

het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige Bouwactiviteiten, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. binnen de bebouwde kom, en

b. de oppervlakte niet meer dan 1500 m2.

Onder een “bijbehorend bouwwerk” dient ingevolge artikel 1, eerste lid van bijlage II van het Bor te worden verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een dak.

3.

Niet ter discussie staat dat het bouwplan deels is gesitueerd buiten het bouwvlak en dat het mede bedrijfsmatig zal worden gebruikt en dat het bouwplan in zoverre strijdig is met de planvoorschriften. Voorts staat niet ter discussie dat verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van het Bor en met artikel 4, eerste lid en onder a, en negende lid, van bijlage II, van het Bor, bevoegd was om een omgevingsvergunning te verlenen voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik.

4.

Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt omdat van een evidente privaatrechtelijke belemmering geen sprake is. Dat het bouwplan deels is geprojecteerd op grond van Vechthorst is niet uit de vergunningaanvraag gebleken, maar uit een na het nemen van het primaire besluit overgelegd rapport van het Kadaster. De privaatrechtelijke belemmering was volgens eiser voorts niet definitief, omdat Vechthorst de uitspraak van de civiele rechter inzake een door Vechthorst jegens eiser aangespannen procedure vanwege het bouwen over/boven de erfgrens afwachtte.

5.1

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State meermaals heeft overwogen, onder meer in de ook door eiser aangehaalde uitspraak van 6 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ0752) is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling (thans: omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdige gebruik) in de weg staat slechts grond wanneer die belemmering evident is. Een privaatrechtelijke belemmering is evident, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan is voorzien op grond die eigendom is van een ander en die ander daarin niet berust en niet hoeft te berusten.

5.2

Uit het in opdracht van verweerder opgestelde rapport van het Kadaster van 20 augustus 2012 blijkt naar het oordeel van de rechtbank voetstoots dat het in geding zijnde bouwplan voor een deel is geprojecteerd op grond die een ander toebehoort. Dit is door eiser ook niet betwist. In de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling wordt in dat verband overwogen dat bij de beoordeling van een besluit moet worden uitgegaan van de zich ten tijde van het nemen van dat besluit voordoende feiten en omstandigheden. Nu in beroep ter beoordeling de beslissing op bezwaar voorligt, kan eiser niet worden gevolgd in zijn grief dat het na het primaire besluit opgemaakte rapport van het Kadaster niet in de beoordeling van de beslissing op bezwaar had kunnen worden betrokken.

5.3

Vechthorst heeft in een e-mailbericht van 14 maart 2013 verweerder meegedeeld dat het aanbod tot verkoop van de woning op het perceel [adres 2] aan eiser is ingetrokken, dat eiser en Vechthorst er onderling niet uitkomen en dat Vechthorst de civiele rechter om een uitspraak heeft gevraagd.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat Vechthorst ten tijde van het bestreden besluit niet beruste en evenmin hoefde te berusten in het door eiser op grond van Vechthorst gerealiseerde deel van het bouwplan.

5.5

Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan in de weg stond. Tevens volgt hieruit dat niet kan worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren voor de gerealiseerde kelder en fundering.

5.6

Dat de privaatrechtelijke belemmering ten tijde van het bestreden besluit in zoverre niet definitief was, dat de civiele rechter nog geen vonnis had gewezen, maakt dit niet anders. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat verweerder vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid gehouden was het vonnis van de civiele rechter af te wachten alvorens te beslissen op bezwaar, treft dit betoog geen doel, reeds omdat ten tijde van het bestreden besluit ongewis was op welke termijn er door de civiele rechter vonnis zou worden gewezen en wanneer dat vonnis definitief zou zijn.

6.

Ter zitting heeft eiser de rechtbank verzocht met toepassing van de bestuurlijke lus verweerder de gelegenheid te geven wederom op de aanvraag te beslissen. Eiser heeft daarbij gewezen op het civiele vonnis van 4 september 2013, waarin Vechthorst is veroordeeld mee te werken aan de eigendomsoverdracht van het gedeelte van het perceel van Vechthorst waar het onderhavige bouwplan op is gerealiseerd. Volgens eiser heeft de eigendomsoverdracht inmiddels plaatsgevonden en is derhalve van een privaatrechtelijke belemmering geen sprake meer.

7.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de bestuurlijke lus (artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht) toe te passen, reeds nu van een gebrek in het bestreden besluit geen sprake is.

8.

Het beroep is ongegrond.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, en door hem en mr. A. Landstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2014

Afschrift verzonden op 3 februari 2014