Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:7052

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
C/08/153149 / FA RK 14-565
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van moeder tot vaststelling omgang afgewezen, nu moeder niet bereid is mee te werken aan contactherstel via jeugdhulpverlening. Minderjarige is seksueel misbruikt door ex-partner van moeder, heeft angstgevoelens en wil geen contact met de moeder. Zonder hulp en begeleiding kan thans geen omgang worden afgedwongen. Dit zal averechts effect hebben op minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Team jeugdrecht

zaaknummer: C/08/153149 / FA RK 14-565

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 10 november 2014

inzake

[verzoeker],

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres 1]

verzoeker,

advocaat: mr. R.W. Hoevers,

en

[belanghebbende],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. F. Atto.

Het procesverloop

Op 10 maart 2014 is ter griffie ingekomen het verzoekschrift met bijlagen van vader.

[minderjarige] is op 10 april 2014 door de kinderrechter gehoord. Van dit verhoor is een apart proces-verbaal opgemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 april 2014. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Op 18 juli 2014 is een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ter griffie ingekomen.

Voorts heeft de kinderrechter kennis genomen van:

  • -

    een brief van mr. Hoevers d.d. 6 augustus 2014;

  • -

    een brief van mr. Atto d.d. 18 augustus 2014.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 6 oktober 2014. Ter zitting zijn verschenen: vader, bijgestaan door mr. Hoevers, en moeder, bijgestaan door mr. Atto. De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door de heer Giessen. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2002].

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

Partijen zijn tevens de ouders van [X], geboren op [1996]. [X] is tijdens deze procedure meerderjarig geworden.

Bij beschikking van deze rechtbank van 26 september 2007 is de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 oktober 2007 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de inhoud van het echtscheidingsconvenant deel uitmaakt van die beschikking. In het convenant is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij moeder is.

De standpunten van partijen

Vader verzoekt te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft.

Vader voert daartoe onder meer het volgende aan. Hij heeft eind 2013 signalen ontvangen dat het niet goed gaat met de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Deze signalen komen van [minderjarige], haar leerkrachten op school en uit de omgeving van moeder. Vader heeft getracht dit met moeder te bespreken, maar zij ontkent de problemen. Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) heeft geconcludeerd dat de situatie bij vader veiliger is, waarna [minderjarige] medio februari 2014 voor de periode tot aan de bouwvak met instemming van moeder is verhuisd naar vader.

Moeder is het niet eens met een definitieve wijziging van de hoofdverblijfplaats en verzoekt het verzoek van vader af te wijzen. Zij betwist de stellingen van vader uitdrukkelijk. Volgens moeder hangt deze procedure samen met haar verzoek om kinderalimentatie dat zij eind 2013 heeft ingediend. Zij erkent dat op 9 februari 2014 in gezamenlijk overleg tussen de ouders en [A], werkzaam bij Jarabee, is besloten dat [minderjarige] tot de zomervakantie bij vader zou gaan wonen en dat tevens is afgesproken dat [minderjarige] moeder wekelijks zou bezoeken. Vader is deze laatste afspraak niet nagekomen, waardoor moeder [minderjarige] al maanden niet meer heeft gezien of gesproken.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Ter zitting van 15 april 2014 is iedere beslissing aangehouden en de Raad verzocht een onderzoek te doen naar en te adviseren over de voor [minderjarige] meest wenselijke hoofdverblijfplaats. Beider ouders waren het erover eens dat er enige vorm van contact moet komen tussen [minderjarige] en moeder. De kinderrechter heeft vervolgens opgemerkt dat aan hem geen verzoek tot het vaststellen van een zorg- en contactregeling is voorgelegd. De Raad heeft ter zitting geadviseerd om met behulp van iemand van Jarabee, het liefst [A], de eerste contacten tussen moeder en [minderjarige] weer op gang te brengen. Ten slotte heeft de kinderrechter de Raad in overweging gegeven om, indien partijen er niet zelf uitkomen, de mogelijkheden voor een zorg- en contactregeling, die het meest in het belang is van [minderjarige], eveneens te onderzoeken.

Uit het rapport van de Raad leidt de kinderrechter onder meer het volgende af. Moeder wil niet meewerken aan gesprekken bij Jarabee om te komen tot herstel van contact met [minderjarige], omdat zij niet met vader in gesprek wil. Moeder heeft voorts bij de Raad te kennen gegeven dat zij niet meer wil trekken aan [minderjarige] en dat, als [minderjarige] bij vader wil blijven wonen en geen contact met haar wil, dit maar zo moet blijven.

[minderjarige] is seksueel misbruikt door de ex-partner van moeder en voelde zich onveilig en onzeker in haar leefsituatie bij moeder. [minderjarige] heeft deelgenomen aan een therapiegroep voor kinderen na seksueel misbruik en heeft zich vanaf het moment dat zij bij vader woont goed ontwikkeld. Zij voelt zich daar gesteund en veilig. [minderjarige] geeft uitdrukkelijk aan dat zij bij vader wil blijven wonen. De Raad adviseert de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij vader vast te stellen. Daarnaast acht de Raad een omgangsregeling tussen moeder en [minderjarige] op dit moment niet mogelijk, vanwege de angst voor confrontatie met moeder bij [minderjarige] en de afwijzing van hulpverlening ten aanzien van contactherstel door moeder. De Raad acht het in het belang van [minderjarige] dat zij via bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg ondersteuning krijgt voor het (leren) omgaan met het ontbreken van contact met moeder en haar angst voor confrontatie met moeder.

Vader kan zich vinden in het advies van de Raad.

Moeder kan zich niet vinden in het advies. Zij acht een wijziging van de hoofdverblijfplaats niet in het belang van [minderjarige]. Er is volgens haar geen enkele reden waarom [minderjarige] bang voor haar zou moeten zijn. Moeder heeft het gevoel dat vader en zijn partner in negatieve zin op [minderjarige] inpraten. Moeder erkent dat zij tegenover de Raad heeft gezegd: “als [minderjarige] daar wil blijven wonen dan moet dat maar zo blijven”, maar zij stelt dat dit een hevige emotie is geweest en dat zij dit niet zo heeft gemeend. Indien het verzoek van vader wordt toegewezen, verzoekt moeder bij brief van 18 augustus 2014 een wekelijkse zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en haar vast te stellen. Moeder stelt dat zij niet afwijzend staat tegenover hulpverlening in het algemeen, maar enkel tegenover hulpverlening waarbij haar de verplichting wordt opgelegd met vader in gesprek te gaan.

De kinderrechter oordeelt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats als volgt. Het wijzigen van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige, is een ingrijpende verandering. Indien ouders lijnrecht tegenover elkaar staan, zoals in onderhavige zaak, vereist een beslissing tot het wijzigen van de hoofdverblijfplaats het bestaan van zwaarwegende omstandigheden die maken dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij bij de andere ouder dient op te groeien. De kinderrechter is van oordeel dat in dit geval van dergelijke omstandigheden is gebleken. Over de opvoedsituatie bij moeder bestonden vanaf oktober 2012 zorgen. Deze zorgen zijn door de politie in oktober en november 2012, door moeder in augustus 2013 en een anonieme melder in januari 2014 bij het AMK aangekaart. Het AMK heeft naar aanleiding van die meldingen onderzoek gedaan, waarna met uitzondering van de laatste melding, kindermishandeling is bevestigd. Toen [minderjarige] bij moeder woonde is zij seksueel misbruikt door de ex-vriend van moeder. [minderjarige] was in sociaal emotioneel opzicht teruggetrokken en onzeker en voelde zich onveilig in haar leefsituatie. [minderjarige] woont vanaf februari 2014 bij vader en ontwikkelt zich daar goed. Zij voelt zich gesteund en veilig in haar leefsituatie en ook haar schoolsituatie is verbeterd. Vader werkt mee aan noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige]. [minderjarige] heeft tijdens voormeld kinderverhoor ook duidelijk aan de kinderrechter verteld dat zij bij vader wil blijven wonen. Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat haar hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld bij vader. Het verzoek van vader, op de wet gegrond, wordt dan ook toegewezen.

Ten aanzien van de omgang overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] heeft zowel bij de kinderrechter als de Raad gezegd dat zij geen contact met moeder wil, ook niet onder begeleiding van BOR of Jarabee. Tijdens de zitting op 15 april 2014 is besproken dat [minderjarige] moet inzien dat snel contact gestart moet worden met behulp van een voor [minderjarige] vertrouwd persoon te weten [A], werkzaam bij Jarabee. Vader heeft onweersproken gesteld dat hij direct na de zitting contact heeft opgenomen met [A] en dat hij [minderjarige] heeft voorbereid dat ze in gesprek zou gaan met moeder. [A] was bereid om te helpen op voorwaarde dat moeder met vader in gesprek zou gaan. Moeder wilde dit niet, waardoor het niet mogelijk is geweest de contacten via [A] tot stand te brengen. De kinderrechter is van oordeel dat het opmerkelijk is dat moeder ter zitting van 15 april 2014 en 6 oktober 2014 zegt dat zij [minderjarige] weer wil zien, maar dat zij vervolgens geen initiatieven toont om daadwerkelijk contacten tot stand te brengen. Moeder is niet bereid mee te werken aan contactherstel met hulp van Jarabee, maar komt vervolgens ook niet met een ander voorstel om (begeleid) contact tot stand te brengen. Daarnaast leidt de kinderrechter uit de stukken en hetgeen op de zittingen is gesteld af dat de angstgevoelens van [minderjarige] met zich brengen dat het contact met moeder op een zorgvuldige manier tot stand zal moeten worden gebracht. Moeder lijkt zich thans primair te richten op het effectueren van haar rechten en lijkt daarbij minder goed in staat zich in te leven in [minderjarige]. Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat vaststelling van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en haar moeder op dit moment niet valt te realiseren en niet in het belang van [minderjarige] is. Duidelijk is dat er - zonder hulp en begeleiding - momenteel geen omgang afgedwongen kan worden, omdat dit een averechts effect zal hebben en niet in het belang van [minderjarige] is. Het verzoek van moeder tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen.

Ten slotte geeft de kinderrechter de ouders uitdrukkelijk in overweging om hun strijd in het

belang van [minderjarige] te staken en alles in het werk te stellen om de communicatie tussen hen te

verbeteren. [minderjarige] heeft last van de problemen tussen haar ouders en haar loyaliteit naar

beiden. Voorts zijn en blijven zij de ouders van [minderjarige] en zullen zij de komende jaren over hun

kind overleg dienen te hebben en beslissingen dienen te nemen.

De beslissing

De kinderrechter:

1. Wijzigt het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant, dat aan de beschikking van de rechtbank Almelo van 26 september 2007 is aangehecht, in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] met ingang van heden bij vader zal zijn.

2. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Flos, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.M. Witkop als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2014.