Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:7022

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
436565 WM VERZ 13-453
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter oordeelt in deze zaak of de gemachtigde voldoende scholing en ervaring heeft om te kunnen spreken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, gelet op het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 15 juni 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:2534).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Kantonnr.: 436565 WM VERZ 13-453

CJIBnr.: 164774370

De kantonrechter;

gezien het door

[gemachtigde], handelend onder de naam [bedrijf 1]

Domicilie kiezende te [adres], [woonplaats]

namens

[betrokkene]

hierna te noemen betrokkene,

ingediende beroepschrift dat zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Almelo d.d. 21 december 2012 op het door betrokkene ingestelde beroep tegen de op 20 september 2012 opgelegde sanctie ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV);


gezien voormelde beslissing van de officier van justitie, alsmede de overige op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting van 11 september 2013

gehoord betrokkene en mr J. Meerdink namens de officier van justitie ter openbare zitting van 11 september 2013, 8 januari 2014 en 23 april 2014.

Overweegt:

Het beroep is tijdig ingesteld en betrokkene heeft binnen de bij de WAHV bepaalde termijn zekerheid gesteld, zodat het beroep ontvankelijk is.

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 220,-, vermeerderd met € 6,- administratiekosten, terzake van een bij de WAHV omschreven gedraging die in strijd is met een op het verkeer betrekking hebbend voorschrift, te weten: “R 618 Als bestuurder een verdrijvingsvlak gebruiken”, gepleegd op 8 september 2012 in de gemeente Almelo. Uit het zaaksoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig met kenteken [kenteken 1], een zwarte VW golf TDI 66 KW, waarbij de gedraging is gepleegd op de van Rechteren Limpurgsingel ter hoogte van de Nijreessingel, om 13.06 uur, waarbij het voertuig reed uit de richting van de Nijreessingel in de richting van de Violierstraat. De verbalisant, inspecteur van politie, schrijft (naar zijn zeggen) op ambtseed: “Bestuurder haalde ter plaatse via de tweede rijstrook een aantal auto’s in, waarbij de laatste twee, terwijl hij al over het verdrijvingsvlak reed. Het einde van dit vlak was tevens het einde van de tweede rijstrook met als begrenzing een trottoirband. Bestuurder bleef daar een paar centimeter vanaf en kon nog net voor een ingehaalde personenauto invoegen. Zeer gevaarlijk! De bestuurder was een man.”

Betrokkene heeft kort gezegd aan zijn beroep ten grondslag gelegd dat de gestelde gedraging niet is verricht. Hij voert daartoe aan dat de meting onbetrouwbaar is geweest. Gemachtigde schrijft voorts: “Ik en mijn auto hebben die dag niet in Almelo rondgereden.” De verbalisant zal waarschijnlijk een ander kenteken hebben gezien dan hij heeft genoteerd. Een vergissing is snel gemaakt. Zo is het kenteken [kenteken 2] toebehorend aan een zwarte VW Polo. Tenslotte wordt bezwaar gemaakt tegen de opgelegde administratiekosten.

De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Hij motiveert: Er is geen sprake van een meting maar van het overschrijden van een verdrijvingsvlak.

Betrokkene is daartegen met een beroepschrift van zijn gemachtigde in beroep gegaan. Blijkens de machtiging daarbij en blijkens de machtiging overgelegd ter zitting van 8 januari 2014 is de client van gemachtigde [betrokkene]. Gemachtigde stelt in zijn beroepschrift dat er geen beschikking van de officier van justitie is, alleen een nieuwe beschikking van het CJIB. Hij doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij herhaalt de ontkenning van de gedraging. De gemachtigde schrijft, onder eigen naam: “Ik was op 8 september 2012 rond 13.06 uur met de auto in Zutphen.” En: “het grappige is: ik ben een vrouw en wat staat er in het zaaksoverzicht; Het betreft een man.” Ook met het opleggen van administratiekosten is betrokkene het kennelijk nog niet eens. Tenslotte wordt een proceskostenvergoeding van € 437,- gevraagd “voor het instellen van dit bezwaar.”

Ter zitting van 11 september 2013 is met gemachtigde een vrouw aanwezig die aangeeft de vriendin te zijn van[betrokkene]. Betrokkene is volgens haar een man.

Ter zitting van de kantonrechter van 8 januari 2014 waren zowel gemachtigde als betrokkene als deze vrouw kennelijk genaamd [naam] aanwezig. Gemachtigde heeft het woord gevoerd overeenkomstig een pleitnota waarin hij stelt: “het betreft hier een man, terwijl mijn cliente toch zeker op een vrouw lijkt.”. Blijkens de pleitaantekeningen is ook naar voren gebracht dat het hier een ambtenaar in privétijd betrof die waarschijnlijk achteraf het verkeerde kenteken heeft genoteerd, terwijl hij de bestuurder meteen had moeten staandehouden.”Cliente wordt nu de dupe van een dure beschikking.” Voorts is aangevoerd dat de beschikking van de officier van justitie onbegrijpelijk is en dat blijkt dat de officier van justitie onzorgvuldig is en het beroepschrift niet heeft gelezen. Verder heeft de officier van justitie zich niet gehouden aan een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er was sprake van schending van de hoorplicht. Voorts is de verbalisant niet beëdigd, en daarom behoort de sanctie vernietigd te worden. Gemachtigde besluit nog eens met de woorden: Het gaat hierom dat mijn cliente zich die dag niet met de VW Golf in Almelo bevond, de abbb en met name het motiveringsbeginsel wordt geschonden.

De officier van justitie heeft voorgesteld het beroep ongegrond te verklaren.

De kantonrechter overweegt het volgende.

Onbegrijpelijke en onvoldoende motivering

De beslissing van de officier van justitie is naar het oordeel van de kantonrechter niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Hij is begrijpelijk gemotiveerd in reactie op de juist onbegrijpelijke in het administratief beroep dat de meting onbetrouwbaar is. Wel is juist dat de beslissing onvoldoende gemotiveerd was, nu er niet is gerespondeerd op de grond dat de auto niet in Almelo was en dat betrokkene bezwaar had tegen de opgelegde administratiekosten. Dat had gelet op artikel 7:26, eerste lid Awb wel moeten gebeuren. Gelet hierop moet het beroep gegrond worden verklaard en de beslissing vernietigd.

Horen/niet horen

Opgemerkt is ook dat ten onrechte van het horen van betrokkene is afgezien. Naar het oordeel van de kantonrechter is daar begrijpelijk vanaf gezien. Op het verzoek in de inleidende beschikking om aan te geven of men gehoord wil worden en daarbij een telefoonnummer te noemen, heeft gemachtigde in zijn eerste beroepschrift geen enkele indicatie gegeven dat betrokkene nader gehoord wenste te worden. De ingediende gronden geven ook geen aanleiding te veronderstellen dat betrokkene hierover mondeling nog meer naar voren wil brengen. Naar het oordeel van de kantonrechter behoefde de officier van justitie bij die stand van zaken betrokkene hierover niet nader te horen. Dat betrokkene niet is gehoord is niet ten onrechte.

Nu de beslissing van de officier van justitie vernietigd moet worden, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de inleidende sanctie.

Niet beëdigde verbalisant

De meest verstrekkende grond is dat de verbalisant niet zou zijn beëdigd. De sanctie zou daarom niet geldig zijn opgelegd. Dat de verbalisant niet beëdigd is, is de conclusie die betrokkene trekt uit het feit dat, volgens hem, niet is te controleren of er een akte van beëdiging is. Betrokkene heeft navraag gedaan bij de regiopolitie Twente en de “directeur EXO” daarvan deelt desgevraagd op het WOB-verzoek mee dat de akte van beëdiging niet aanwezig is en daarom niet verstrekt kan worden.

Echter, ook als de akte niet meer bestaat dan miskent betrokkene dat het door hem aangehaalde arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2011:BO6693 niet ziet op een soortgelijke situatie. Het arrest ziet op een buitengewoon opsporingsambtenaar. Bij de boa wordt in de akte vermeld op welk terrein hij opsporingsbevoegdheid heeft. In de onderhavige zaak is sprake van een inspecteur van politie, derhalve een opsporingsambtenaar met algemene opsporingsbevoegdheid. Deze is daarmee zonder meer op grond van zijn aanstelling bevoegd strafbare feiten in de zin van de RVV 1990 op te sporen.

Dat deze verbalisant is aangesteld wordt door betrokkene niet betwijfeld, en het blijkt ook uit de aan betrokkene toegezonden kopie van het aanstellingsbesluit. Een akte van beëdiging voegt daaraan, zoals zojuist uiteengezet, niets toe, anders dan het geval zou zijn geweest in een situatie met een buitengewoon opsporingsambtenaar als in de zaak waarover de Hoge Raad in zijn arrest oordeelde. Overigens is de kantonrechter is van oordeel dat hij er naar zijn oordeel ook zonder dat daarvan uit het zaaksdossier expliciet blijkt, vanuit mag gaan dat aan de wettelijke verplichting tot beëdiging van deze verbalisant is voldaan, tenzij betrokkene redelijke twijfel doet ontstaan over dit uitgangspunt. Daartoe is onvoldoende naar voren gebracht. Deze grond moet verworpen worden.

Gedraging niet begaan

Ten aanzien van de grond dat betrokkene de gedraging niet heeft gepleegd, overweegt de kantonrechter het volgende. Gemachtigde is volstrekt niet helder in zijn schrifturen over voor wie hij nu optreedt. Dan weer voor betrokkene ([betrokkene]), hetgeen blijkt uit de overgelegde machtigingen, dan weer “cliente”, die een vrouw is en niet een man, waarmee kennelijk [naam] wordt bedoeld en die in Zutphen zou zijn geweest op de bewuste dag en tijd. Ook zijn er stukken tekst in de ingediende schrifturen waaruit de indruk kan ontstaan dat gemachtigde zelf achter het stuur zat.

De ontkenning van de gedraging wordt slechts ondersteund door de opmerking dat er een vergissing kan zijn gemaakt door de verbalisant, door de stelling dat [naam] is Zutphen was op het gegeven moment, met de auto, en door twee door betrokkene en [naam] na de zitting van 8 januari 2014 ingestuurde verklaringen waarin zij de stelling ondersteunen dat [naam] op 8 september 2012 van negen tot zes bij de [bedrijf 2] in Zutphen heeft gewerkt en dat de auto toen in Zutphen was. Deze verklaringen zijn, zonder meer, naar het oordeel onvoldoende om twijfel op te roepen over de verklaring van de verbalisant. Juist is dat deze zich kan vergissen, maar hetzelfde geldt voor betrokkene en zijn vriendin, en de stelling ten aanzien van de verbalisant is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat dat ook gebeurd is. Dat [naam] met de auto van betrokkene in Zutphen zou zijn geweest is onvoldoende om twijfel op te roepen over de juistheid van de waarneming door de verbalisant, zoals op ambtseed genoteerd, dat het voertuig in Almelo op de betreffende dag en tijd over een verdrijvingsvlak reed.

Vaste jurisprudentie, zoals het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 2 april 2003 (ECLI:NL:GHLEE:2003:AF8909) leert het volgende:

3.6.

Het hof heeft - in navolging van de Hoge Raad - reeds eerder vastgesteld dat het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van een gedraging omschreven in de bij de WAHV behorende bijlage, een criminal charge is als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat brengt mee dat de betrokkene aan wie een dergelijke sanctie is opgelegd, op de voet van het tweede lid van dat artikel voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling van de schuld van de betrokkene. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Indien een en ander zich niet voordoet, bestaat geen noodzaak tot nader onderzoek.

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn onvoldoende specifieke feiten en omstandigheden (onderbouwd) naar voren gebracht die aanleiding geven om te twijfelen over de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring en – de kantonrechter voegt het er op deze plaats nog maar eens aan toe – over de vraag of deze werkelijk ambtsedig kon zijn.

Er is aldus geen reden voor de kantonrechter om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling dat de gedraging daadwerkelijk is geschied.

Staande houden verplicht

Juist is dat niet ondenkbaar is dat deze zaak een andere afloop zou hebben gekregen indien de verbalisant de bestuurder destijds zou hebben staande gehouden. Het is immers inderdaad mogelijk dat hij zich in het kenteken en merk en type auto heeft vergist. De vraag is – en betrokkene beantwoordt die ter zitting positief – of de verbalisant het voertuig had moeten staande houden. Als dat zo is, dan zijn de vorige alinea’s mogelijk slechts overbodige overwegingen. De kantonrechter overweegt als volgt.

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft in zijn arrest van 4 juli 2011 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BV2275 ) in rechtsoverweging 11 overwogen:

11. Artikel 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de gedraging met toepassing van artikel 5 WAHV is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zonodig aan de verbalisant een nadere toelichting dienen te vragen (HR 14 maart 2000, VR 2000,148).

De kantonrechter stelt vast dat eerst bij pleidooi van de gemachtigde ter zitting van 8 januari 2014 de stelling is ingenomen dat de verbalisant de bestuurder van de auto die over het verdrijvingsvlak reed, moest staande houden “als dat zo gevaarlijk was”. Een dergelijk laat en zonder onderbouwing gedane stellingname is naar het oordeel van de kantonrechter niet een verweer als bedoeld in de zo-even aangehaalde rechtsoverweging van het hof, omdat niet met tenminste enige toelichting is gesteld en ook niet geimpliceerd wordt dat een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Nu betrokkene in wezen stelt niet te weten wie het feit wel heeft gepleegd als het gepleegd is, kan dat van hem ook niet verwacht worden. De kantonrechter valt dan terug op de overweging dat hij ervan mag uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan.

De stelling van betrokkene’s gemachtigde in zijn pleidooi omtrent “de privétijd van de verbalisant” kwalificeert de kantonrechter als louter speculatie; het dossier vermeldt er niets over. Indien het inderdaad een verbalisant in privétijd en/of burgertenue betreft in een niet als politievoertuig herkenbare auto, dan is de bestendige jurisprudentie heel duidelijk dat er geen verplichting tot staandehouding bestaat. Overigens ligt in dit bijzondere geval ook erg voor de hand, gelet op de geconstateerde gedraging en wat daarvan in detail waargenomen is – los van wie deze beging – dat er geen reële mogelijkheid was om het betreffende voertuig staande te houden. De aanname zoals door het hof is gepermitteerd, komt de kantonrechter in dit specifieke geval dan ook bepaald niet onrealistisch voor.

Van een verplichting tot staande houden is in de onderhavige zaak dus niet gebleken. De verbalisant mocht de sanctie op kenteken uitschrijven.

Administratiekosten

Ten aanzien van de administratiekosten verwijst de kantonrechter in de eerste plaats naar het arrest van het Gerechtshof (Hof) te Leeuwarden van 15 juni 2012 (LJN BW 8480). Dat arrest was al gewezen toen in deze zaak voor het eerst over deze kosten geklaagd werd. De kantonrechter neemt daaruit de volgende motivering over en maakt deze tot de zijne.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de WAHV worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven omtrent de inning van de administratieve sanctie en hebben deze voorschriften in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de administratieve sanctie, de administratiekosten, de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.

Onder artikel 22 tweede lid, van de WAHV aan de lagere regelgever gegeven opdracht tot het geven van voorschriften omtrent de inning van sancties, vallen ook voorschriften die betrekking hebben op de administratiekosten.

Artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 luidt als volgt: “Degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, is administratie-kosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling. De administratiekosten worden samen met de administratieve sanctie in rekening gebracht.

Artikel 1 van de Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 2009, nr. 5600438, houdende vaststelling van de administratiekosten, bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (Regeling), luidt als volgt:

“De administratiekosten, bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994, bedragen per administratieve sanctie € 6,--.

De kantonrechter concludeert dat het samen met de administratieve sanctie in rekening brengen van administratiekosten op een deugdelijke wettelijke grondslag berust. Niet is gebleken dat de Regeling de door de wet gestelde grenzen overschrijdt.

Alles tezamen beschouwd zijn alle gronden tegen de sanctie ten onrechte voorgesteld en was er naar het oordeel van de kantonrechter geen grond voor de officier van justitie om het beroep gegrond te moeten verklaren.

De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Ten aanzien van de proceskosten overweegt de kantonrechter het volgende.

Er is sprake van een situatie waarin het passend kan zijn een vergoeding voor gemaakte proceskosten toe te kennen. Voor de fase van deze procedure voor de kantonrechter is deze ook uitdrukkelijk verzocht.

De vraag is of gemachtigde [gemachtigde] handelend onder naam [bedrijf 1] heeft te gelden als een persoon die rechtsbijstand heeft verleend waarvoor een vergoeding kan worden vastgesteld.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

a. voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

[b-f]

Er moet dus sprake zijn van rechtsbijstand en die moet beroepsmatig zijn verleend.

Volgens het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 15 juni 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:2534) moet zijn voldaan aan twee eisen voordat sprake kan zijn van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtsbijstand moet zijn verleend als een vast onderdeel van een duurzame op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening en van de gemachtigde zou moeten blijken dat deze zodanige scholing heeft genoten dat deze geacht kan worden rechtsbijstand te verlenen.

Naar het oordeel van deze kantonrechter is zijn deze eisen cumulatief geformuleerd. Daarbij gaat de eerste eis in op het aspect van de beroepsmatigheid. De tweede eis maakt duidelijk dat niet elke door een derde ter ondersteuning van een betrokkene aangeboden bijstand kan gelden als verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft het hof gelet op de gegeven motivering en de daarbij gebruikte bewoordingen niet beoogd te oordelen dat scholing alleen kan blijken uit een titel of een diploma. Veeleer komt het de kantonrechter juist voor dat scholing ook kan zijn opgedaan in de praktijk en in zelfstudie, waarbij het kunnen beschikken over het vereiste niveau van die scholing dan wel moet blijken, bijvoorbeeld uit hetgeen in de procedure verricht is.

Speciaal met het oog op dit punt heeft in deze en andere zaken van deze gemachtigde een zitting plaatsgevonden op 23 april 2014. Bij gelegenheid van die zitting heeft de gemachtigde gesteld dat hij zichzelf nog niet sinds de aanvang van alle toen aanhangige procedures als beroepsmatig en geschoold rechtsbijstandverlener beschouwt. Passend bij de eraan voorafgaande fase was het onjuist en slordig opstellen van schrifturen, zo erkende ook de gemachtigde.

De kantonrechter heeft ter zitting op 23 april 2014 van de gemachtigde begrepen dat hij bezig is zich juridisch te scholen. Hij volgt aan de Saxion Hogeschool de juridische opleiding. De kantonrechter heeft ter zitting certificaten gezien van recent afgelegde tentamens waarvoor de gemachtigde is geslaagd, van negen juridische vakken, tezamen ter waarde van 48 punten, terwijl 50 punten volgens hem de tentamens van een volledig geslaagd studiejaar zouden vertegenwoordigen. Daarnaast wijst betrokkene op de door hem opgebouwde ervaring in Mulderzaken.

Deze kantonrechter ziet al zeker twee jaar met enige regelmaat Mulderzaken voorbij komen waarin deze gemachtigde procedeert namens talloze betrokkenen. De kantonrechter heeft navraag gedaan bij zijn griffie en uit de automatiseringssystemen blijkt hem dat deze gemachtigde in 2012 in Enschede tenminste twee keer als gemachtigde optrad, in 2013 tenminste zeven keer en in de eerste vier maanden van 2014 tenminste zes keer. In Almelo zijn de cijfers tenminste als volgt: in 2012 trad gemachtigde tenminste zes keer op, in 2013 tenminste vier keer, in de eerste vier maanden van 2014 tenminste 25 keer. Ambtshalve is de kantonrechter ermee bekend dat gemachtigde ook in Zwolle Mulderzaken aanbrengt.

Gelet op een en ander is de kantonrechter van oordeel dat gemachtigde ten tijde van het opstellen van de beroepschrifturen in deze zaak, op 1 oktober 2012 en 3 januari 2013, nog niet voldeed aan de criteria van het gerechtshof. Overigens is ook in geen van beide beroepschrifturen voor de fase van het administratief beroep een vergoeding gevraagd. Ook ten tijde van de zitting van september 2013 was de gemachtigde nog onvoldoende beroepsmatig bezig en onvoldoende geschoold, naar het oordeel van de kantonrechter.

De kantonrechter is van oordeel dat de gemachtigde wel ten tijde van de zitting van 8 januari 2014 en bij de zitting van 23 april 2014 moet worden geacht voldoende kennis en ervaring te hebben opgebouwd om in Mulderzaken rechtsbijstand te kunnen verlenen.

Uit de frequentie van optreden als gemachtigde in de eerste vier maanden van 2014 tezamen met het feit dat betrokkene staat ingeschreven bij de kamer van koophandel als verlener van rechtsbijstand, kan de kantonrechter ook geen andere conclusie trekken dan dat gemachtigde de rechtsbijstand bij die twee zittingen verleende als een vast onderdeel van een duurzame op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening.

De daaruit vervolgens te trekken conclusie is dat het namens betrokkene gedane verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen voor wat betreft de aanwezigheid van de gemachtigde bij de twee zittingen in 2014.

Voor het optreden ter zitting op 8 januari 2014 en 23 april 2014 wordt telkens één punt toegekend, ter waarde van € 472. Het gewicht van dat optreden in januari moet als “licht” worden beschouwd, factor 0,5, en de zitting in april 2014 na heropening voor informatie over de resterende vraagpunten moet als “zeer licht” worden beoordeeld, factor 0,25, te meer nu dat optreden ook voor een aantal andere zaken die tegelijkertijd werden behandeld dienstig was.

Beslist:

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het administratief beroep ontvankelijk.

verklaart dat beroep tegen de inleidende sanctie ongegrond.

Veroordeelt de officier van justitie tot het voldoen van proceskosten aan betrokkene tot een bedrag van € 354,-.

Aldus gegeven te Almelo door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van M. Grijzen, griffier, uitgesproken ter openbare zitting van 7 mei 2014.

Afschrift toegezonden aan betrokkene en de officier van justitie op:

Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen zes weken vanaf bovengenoemde datum van toezending hoger beroep instellen bij het gerechtshof te

Arnhem-Leeuwarden, doch alleen indien:

a. a) de bij deze beslissing opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of

b) het beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld of omdat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener wat dat betreft redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Het beroepschrift moet tijdig worden ingediend bij de rechtbank, sector straf, locatie Almelo (postadres: postbus 323, 7600 AH Almelo) en dient door degene die het beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift om een zitting wordt gevraagd om uw standpunt mondeling toe te lichten.