Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:7021

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
C/08/156141 HA ZA 14-262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening. Geen rente overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/156141 HA ZA 14-262

datum vonnis: 17 december 2014 (HBvO)

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eisers],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

verder te noemen [eisers],

advocaat: mr. P.H.A. Mulder te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. D.F. Briedé te Almelo.

Het procesverloop

In deze zaak is op 20 augustus 2014 een tussenvonnis gewezen. Voor wat betreft het procesverloop tot aan het tussenvonnis, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover in het tussenvonnis is opgenomen. Daarna zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:

  • -

    ten behoeve van de comparitie van partijen: de producties 14 tot en met 20 van de zijde van [eisers];

  • -

    ten behoeve van de comparitie van partijen: de producties 21 tot en met 23 van de zijde van [eisers];

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 6 november 2014, tijdens welke comparitie nog vier stukken zijn overgelegd door [eisers] (beter leesbare kopieën van de reeds overgelegde producties 2, 3 6 en 8).

Tot slot hebben partijen vonnis gevraagd, welk vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing.

1. de vordering

1.1.

[eisers] vorderen in deze procedure dat de rechtbank, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te voldoen:

I. een bedrag ad € 177.662,28, zoals nader gespecificeerd onder punt 24, zijnde de hoofdsom van geldlening vermeerderd met de rente en verschuldigde boete tot en met 17 januari 2014, althans een zodanig bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

II. het onder punt I. genoemde bedrag te vermeerderen met de overeengekomen variabele rente van 11,38%, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage, alsmede de verschuldigde boete van 1,5% per maand vanaf 18 januari 2014, dan wel de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. een bedrag ad € 1.475,00 uit hoofde van de verschuldigde buitengerechtelijke kosten, althans een zodanig bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

IV. één en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure, de kosten van de deurwaarder daaronder begrepen, met bepaling dat indien niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de proceskostenveroordeling zal zijn voldaan, nadien wettelijke rente daarover is verschuldigd.

2. de onderbouwing van de vordering

2.1.

Tussen partijen is op 25 september 2002 een overeenkomst van geldlening gesloten. Daarbij is aan [gedaagde] een bedrag van € 70.000,00 geleend.

In de overeenkomst staat onder meer het volgende.

De ondergetekenden

(…)

verklaren

dat wegens op heden van de gelduitlener ter leen ontvangen gelden de geldlener (hoofdelijk) schuldig is aan de gelduitlener, die uit hoofde van op heden ter leen verstrekte gelden te vorderen heeft van de geldlener de som van:

€ 70.000 (zegge zeventigduizend euro).

Deze geldlening is aangegaan met het oog op het bepaalde in artikel 5.17 en artikel 6.8 alsmede 8.20 Wet IB 2001, en dient ter financiering van bedrijfsmiddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen van de geldlener behoren. Deze lening is een zogenaamde achtergestelde lening en neemt, gedurende acht jaren na het overeenkomen van deze geldlening, een lagere rang in dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

De geldlener verklaart zich (hoofdelijk) te verbinden om:

- van voormelde som of het onafgeloste gedeelte daarvan aan de gelduitlener te zullen betalen de nader door partijen overeen te komen variabele rente, maandelijks per de 1e, voor de eerste maal op de 1e oktober 2002, over de maand september 2001 (de rechtbank leest: 2002;

- op de hoofdsom een bedrag af te lossen van:

€ 70.000,- (zegge: zeventigduizend euro) per 1 oktober 2010;

- het totaal van het terzake van deze lening (nog) verschuldigde af te lossen op:

1 oktober 2010;

- terzake van deze lening na te komen de voorwaarden en bedingen aan deze overeenkomst gehecht, welke door ondergetekenden geacht worden volledig in deze akte te zijn opgenomen en één geheel daarmede uit te maken.

Bij de geldleningsovereenkomst is een stuk gevoegd genaamd “voorwaarden en bedingen behorende bij de overeenkomst van geldlening”.

Hierin staat onder meer:

1. Indien enige termijnen van aflossing en/of rente niet op de overeengekomen verschijndag mocht zijn voldaan, ofwel de gehele aflossing van de lening niet op de overeengekomen datum is geschied, verbeurt de geldlener ten behoeve van de gelduitlener een direct opeisbare boete van 1½ procent per maand van het te betalen bedrag, een ingetreden maand voor een volle maand gerekend, onverminderd de verdere rechten van de gelduitlener ter zake van deze nalatigheid.

2. Het gehele bedrag van de geldlening of het nog niet afgeloste gedeelte daarvan is met de verschuldigde en lopende rente, de nog verschuldigde boeten terstond en ineens opeisbaar zonder dat enige ingebrekestelling door een bevel of soortgelijke akte zal zijn vereist:

(…)

c. indien de geldlener enigerlei beding of verbintenis jegens de gelduitlener uit hoofde van deze overeenkomst niet tijdig of niet volledig is nagekomen.

2.2.

De heer [X] (hierna: [X]) treedt ter zake van deze geldlening op als gemachtigde van [eisers]

2.3.

Er zijn telkens kwartaal- en jaaroverzichten verstuurd naar [gedaagde], waarin werd gewezen op de achterstallige betaling en boete. De variabele rente werd door [X] bepaald, die hiertoe door partijen was aangewezen.

2.4.

[gedaagde] heeft nooit een maandelijkse betaling gedaan, en ook de aflossing per 1 oktober 2010 heeft niet plaatsgevonden. Er is op 29 december 2012 een laatste aanmaning verstuurd. Om een gerechtelijke procedure te voorkomen, heeft op 13 juni 2013 nog een overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde] en [X], maar ook dat heeft niet geleid tot enige betaling.

Op 12 november 2013 heeft [X] per brief aan [gedaagde] laten weten dat de overeenkomst van geldlening wordt opgezegd. Tevens werd hierbij de boete ex artikel 1 van de Voorwaarden en Bedingen per 19 november 2013 aangezegd.

2.5.

[eisers] hebben de vordering uit handen moeten geven. Daardoor zijn buitengerechtelijke incassokosten ontstaan. Conform de wet Normering Buitengerechtelijke incassokosten, maken [eisers] aanspraak op € 1.475,00.

2.6.

De variabele rente was de eerste jaren 6,5%. Vanaf 2008 is de rente verhoogd tot 11,38% omdat [gedaagde] geen betalingen meer deed op de lening en derhalve een boeterente van 1,5% per maand verschuldigd zou zijn. Per 19 november 2013 wordt de boeterente daadwerkelijk opgeëist.

3. het verweer

3.1.

[gedaagde] zet vraagtekens bij de namens haar onder de geldleningsovereenkomst gezette handtekening.

3.2.

Er bestaat grote twijfel omtrent de rechtsgeldigheid van de geldleningsconstructie.

3.3.

[gedaagde] heeft geen geld geleend van [eisers]. Ze heeft nooit enig geldbedrag ontvangen en [eisers] hebben ook nooit aanspraak gemaakt op betaling van de hoofdsom of nakoming van enige rentebetaling.

3.4.

Voor zover er wel een overeenkomst van geldlening bestaat, is een vordering op grond daarvan verjaard (artikel 3:307 BW). Reeds op 1 oktober 2002 moest de eerste rente zijn betaald. Bij niet-betaling werd het gehele bedrag ineens opeisbaar. De vordering is dus per 1 oktober 2007 verjaard.

3.5.

Voor zover de vordering niet is verjaard, valt niet in te zien waarom de lening pas voor het eerst in januari 2014 is opgeëist. Het pas na 12 jaar opeisen van de vordering stuit af op artikel 6:89 BW.

3.6.

Indien de hoofdsom nog wel verschuldigd is, geldt dat in elk geval niet voor de rente. De rente was immers door partijen overeen te komen. Gesteld noch gebleken is echter dat de rente is overeengekomen. De rentevordering mist dus een contractuele grondslag. Bovendien heeft [gedaagde] nooit rente-overzichten ontvangen, evenmin als enige (aangetekende) brief. Zelfs als die wel zouden zijn verstuurd en ontvangen, bewijst dat nog niet dat er overeenstemming is bereikt over de rente. [gedaagde] heeft nooit ingestemd met een rente van 11,38%.

3.7.

Om laatstgenoemde reden heeft [gedaagde] de overeenkomst op 14 februari 2014, dus voor het uitbrengen van de dagvaarding, vernietigd wegens dwaling.

3.8.

Voor zover er wel een variabele rente is overeengekomen, en/of [X] die zelfstandig mocht bepalen, is ook die na vijf jaar verjaard (artikel 3:308 BW). Er is nooit aanspraak gemaakt op enige rentebetaling. De door [eisers] genoemde e-mailadressen kloppen niet. Bovendien blijkt niet dat [X] op het moment van het versturen van die e-mails al gemachtigd was door [eisers] Dat geldt ook voor mevrouw [Z].

3.9.

De e-mailcorrespondentie bevat geen ingebrekestelling of sommatie. Bovendien valt niet in te zien waarom [gedaagde] betalingen zou moeten doen aan [X]. Niet blijkt dat zij daarmee bevrijdend zou kunnen afbetalen op de lening.

3.10.

[gedaagde] maakt bezwaar tegen toewijzing van de boeterente, en betwist de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

4. de overwegingen van de rechtbank

4.1.

De rechtbank stelt in deze kwestie voorop dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening is gesloten. [gedaagde] zet blijkens de conclusie van antwoord vraagtekens bij de handtekening, maar tijdens de comparitie van partijen is erkend dat de heer [E] (hierna: [E]), als enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde], de handtekening onder de overeenkomst heeft gezet.

4.2.

De stelling dat er twijfels zijn over de rechtsgeldigheid van de geldleningsconstructie, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan uit de stellingen van [gedaagde] niet opmaken wat er dan niet rechtsgeldig is aan de overeenkomst en waarom dat zo is. Het enkel uiten van algemene twijfel, volstaat niet.

4.3.

Voor het overige voldoet de overeenkomst van geldlening aan de daaraan te stellen eisen zodat van de rechtsgeldigheid daarvan moet worden uitgegaan.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat het geleende bedrag ad € 70.000,00 afkomstig is van [eisers], en ten goede is gekomen aan [gedaagde]. Dat blijkt uit het volgende.

[gedaagde] heeft ter zitting erkend dat er € 70.000,00 door haar is ontvangen (in twee delen: € 37.472,98 op 25 september 2002 voor de financiering van een auto, en € 32.527,02 op 27 september 2002).

Beide bedragen zijn afkomstig van [B]. (productie 22 en 23 van [eisers]). Volgens [X] had [eisers] daar nog geld staan, hetgeen door [gedaagde] niet is betwist.

De rechtbank baseert haar oordeel dat het geld afkomstig is van [eisers] voorts op het volgende. De lening van [eisers] is een zogenaamde “Agaathlening”, ofwel “durfkapitaal”. Bij de overschrijving van het tweede deel van de geldsom staat als omschrijving: “durfkapitaal 585”. Uit de overgelegde stukken blijkt voldoende dat [gedaagde] er immer vanuit is gegaan dat de Agaathlening of het durfkapitaal (met nummer 585) afkomstig is van [eisers] Productie 7 en 18 van [eisers] betreft een e-mail correspondentie van juni/juli 2006 tussen [X] en [E] over (een achterstand in betaling van) lening 585. In de mail van [X] van 12 juni 2006 staat:

“overmaken voor betaling rente durfkapitaal [eisers]:

euro 10.000 naar rekening (…) met omschrijving: rente 40.585 voor [eisers]”

[E] heeft deze mail op 20 juni 2006 beantwoord. Hij vraagt met betrekking tot de rentebetaling aan [eisers] om een berekening van de verschuldigde rente en het bankrekeningnummer van [eisers]. [X] reageert op 3 juli 2006 met de mededeling dat bedragen kunnen worden overgemaakt op een daar genoemd rekeningnummer onder vermelding van “40.858 [eisers]”. Dat [E] ook deze e-mail heeft ontvangen blijkt uit het feit dat hij op 11 juli 2006 de mail heeft beantwoord met de vraag naar een meer gespecificeerde berekening van de schuld (productie 18 van [eisers]).

In een e-mail van 29 augustus 2007 (productie 19 van [eisers]) van [E] aan [X] wordt gesproken over “rekening met nummer 40.585 (agaathlening t.n.v. [gedaagde] BV)” die [gedaagde] wil inlossen. Op 13 september 2007 stuurt [E] nogmaals een mail hierover aan [X].

4.5.

Uit het voorgaande volgt ook dat [gedaagde] bevrijdend kon betalen aan [X].

4.6.

Ten aanzien van de stelling van [gedaagde] dat de vordering is verjaard (artikel 3:307, lid 1 BW), overweegt de rechtbank het volgende.

4.6.1.

[gedaagde] stelt dat, omdat zij op 1 oktober 2002 verzuimd heeft de eerste rente-termijn te voldoen, de lening reeds op dat moment in zijn geheel opeisbaar is geworden. Dat volgt uit artikel 2, sub c, van de “Voorwaarden en Bedingen”. Op dat moment is volgens [gedaagde] de verjaringstermijn begonnen.

4.6.2.

Om deze stelling te kunnen beoordelen, moet eerst een oordeel worden gegeven over de stelling van [gedaagde] dat er helemaal geen rente is overeengekomen. Als er geen rente is overeengekomen, kan [gedaagde] immers ook niet in verzuim zijn met betaling van die rente.

In de geldleningsovereenkomst staat dat de geldlener zich heeft verbonden om de nader overeen te komen variabele rente, maandelijks per de eerste van de maand te voldoen. [gedaagde] stelt dat er nooit een rentepercentage is overeengekomen.

De heer [X] heeft ter zitting verklaard dat [naam], derhalve in feite de heer [X], de hoogte van de rente op deze lening bepaalde. Beide partijen hebben zich daaraan geconformeerd, aldus [X].

4.6.3.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit hetgeen [X] ter zitting heeft verklaard, volgt dat de gevorderde rente niet tussen partijen is overeengekomen. De rente is bepaald door [X] zelf. Uit niets blijkt echter dat partijen zijn overeengekomen dat [X] de hoogte van de rente mocht bepalen.

Ook uit de jaarrekening 2003 kan niet worden afgeleid dat partijen in overleg een rentepercentage (van 6%) zijn overeengekomen, of dat partijen zijn overeengekomen dat [X] het rentepercentage mocht vaststellen. Uit de jaarrekening blijkt zelfs niet dat er met een percentage van 6% is gerekend1.

De stelling dat [gedaagde] nooit heeft geprotesteerd, is in de eerste plaats niet juist, maar zelfs als het wel juist zou zijn, betekent het niet dat daarmee een rentepercentage tussen partijen is overeengekomen, of dat is overeengekomen dat [X] het rentepercentage eenzijdig mocht vaststellen. [gedaagde] heeft in verschillende e-mails gevraagd om uitleg over de rente en de berekening van de verschuldigde bedragen2. Daarin kan niet worden gelezen dat [gedaagde] het door [X] genoemde rentepercentage accepteerde dan wel accepteerde dat [X] dat zelfstandig mocht vaststellen.

4.6.4.

De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen rente is overeengekomen en dat [gedaagde] dus ook niet verzuim kon zijn om de rente maandelijks te voldoen. De vordering is derhalve niet per 1 oktober 2002 ineens opeisbaar geworden en de verjaring is dan ook niet eerder gaan lopen dan vanaf het moment dat de vordering wel in zijn geheel opeisbaar was. Dat was blijkens de overeenkomst per 1 oktober 2010. Vast staat dat de verjaringstermijn van vijf jaar op het moment van dagvaarden nog niet was voltooid.

De vordering is niet verjaard.

4.7.

Het door [gedaagde] genoemde artikel 6:89 BW, dat bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd, is hier niet van toepassing. Dit artikel ziet alleen op ondeugdelijke nakoming. Als in het geheel niet is gepresteerd, is deze bepaling niet aan de orde.

4.8.

De rechtbank komt op grond van al het bovenstaande tot de tussenconclusie dat [gedaagde] het bedrag van de geldlening dient terug te betalen aan [eisers]

4.9.

Als overwogen heeft [gedaagde] vervolgens aangevoerd dat, als zij de hoofdsom al verschuldigd zou zijn, dat in elk geval niet geldt voor de gevorderde rente omdat er nooit een rentepercentage is overeengekomen. De rechtbank heeft reeds overwogen dat dit verweer terecht is gevoerd (r.o. 4.6.2 – 4.6.4). Er kan niet vanuit worden gegaan dat tussen partijen een bepaalde rente is overeengekomen.

4.10.

De rechtbank begrijpt de vordering onder II aldus dat [eisers] subsidiair een rentepercentage vorderen als door de rechtbank in goede justitie te bepalen. De rechtbank kan echter geen rentepercentage vaststellen, omdat dat tussen partijen overeengekomen had moeten worden. Nu dat niet is gebeurd, is het niet aan de rechtbank dan maar een percentage te bepalen.

De enige rente die wel toewijsbaar is, omdat dat in de wet wordt geregeld, is de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. De wettelijke rente is echter niet gelijk te stellen aan een rente op een lening. Wettelijke rente is de (forfaitair vastgestelde) vergoeding van schade die wordt geleden door de te late betaling van een geldsom. Dat betekent dat wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf het moment dat de hoofdsom terugbetaald had moeten worden, derhalve 1 oktober 2010.

De vordering voor zover die ziet op betaling van rente over het geleende bedrag, kan derhalve slechts worden toegewezen in de vorm van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 oktober 2010.

4.11.

[eisers] vordert ook toewijzing van de contractuele boete vanaf, naar de rechtbank uit het onder I gevorderde begrijpt, 19 november 2013.

[gedaagde] heeft hiertegen ingebracht dat, nu er geen contractuele basis is om eenzijdig door [X] vastgestelde rente op te eisen, er evenmin sprake kan zijn van het toewijzen van boeterente (over rente).

De rechtbank overweegt hierover dat er inderdaad geen boeterente over rente kan worden toegewezen nu er geen rente is overeengekomen. In de “Voorwaarden en Bedingen” staat echter dat de (direct opeisbare) boete van 1,5 % per maand verschuldigd is indien enige termijn van aflossing en/of rente niet op de overeengekomen verschijndag is voldaan, of als de gehele aflossing van de lening niet op de overeengekomen datum is geschied. Derhalve is de boete ook verschuldigd als gevolg van het niet in zijn geheel aflossen van het geleende bedrag per 1 oktober 2010.

Dit onderdeel van de vordering is derhalve toewijsbaar vanaf 19 november 2013, waarbij blijkens de overeenkomst een ingetreden maand voor een volle maand wordt gerekend.

4.12.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij de overeenkomst op 14 februari 2014 heeft vernietigd wegens dwaling. De rechtbank overweegt hierover dat [gedaagde] in de conclusie van antwoord een koppeling maakt met de door [eisers] gevorderde rente. Nu de rechtbank heeft overwogen dat geen rentepercentage is overeengekomen en dus ook niet is verschuldigd, houdt de rechtbank het ervoor dat [gedaagde] zich dan niet op het standpunt stelt te hebben gedwaald en de overeenkomst te hebben vernietigd. In de brief zelf (productie 2 bij conclusie van antwoord), koppelt [gedaagde] de vernietiging wegens dwaling aan het geval er geen sprake is van een eigenlijke lening. De rechtbank heeft overwogen dat er wel sprake is van een eigenlijke lening, althans dat sprake is van een lening (r.o. 4.1 – 4.3) zodat de rechtbank ook wat dit betreft het ervoor houdt dat [gedaagde] zich niet op het standpunt stelt dat zij heeft gedwaald.

4.13.

Het verweer dat in de e-mails geen ingebrekestelling of sommatie is te lezen en dat [X] en mevrouw [Z] geen machtiging hadden van [eisers], behoeft geen behandeling voor zover dat ziet op de gevorderde contractuele rente. Contractuele rente wordt immers afgewezen.

4.14.

[eisers] maken aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden.

De rechtbank stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1405) is het versturen van één enkele sommatiebrief in casu voldoende om aanspraak te kunnen maken op buitengerechtelijke incassokosten. Door [eisers] zijn sommatiebrieven overgelegd.

[gedaagde] stelt dat niet blijkt dat enig bedrag ter zake door [eisers] wordt gedragen en dat het gevorderde bedrag op geen enkele manier wordt gespecificeerd of gemotiveerd. De rechtbank overweegt dat het Besluit die eis ook niet stelt. De wetgever heeft de kosten willen normeren aan de hand van een forfaitair percentage dat uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.15.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten worden aan de zijde van [eisers] als volgt berekende:

  • -

    salaris van de advocaat: 2 procespunten (dagvaarding en bijwonen comparitie van partijen) à € 894,00 (tarief IV) = € 1.788,00;

  • -

    verschotten: griffierecht ad € 1.519,00 plus kosten uitbrengen dagvaarding ad € 77,52 = € 1.596,52

4.16.

Op grond van al het bovenstaande, wordt als volgt beslist.

De beslissing

De rechtbank:

I. Veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 70.000,00 (zegge: zeventigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de contractuele boete over de hoofdsom ad 1,5 % per maand vanaf 19 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

II. Veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag ad € 1.475,00 uit hoofde van de verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten.

III. Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 1.788,00 wegens het salaris van de advocaat en € 1.596,52 wegens verschotten, en bepaald dat indien niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de proceskostenveroordeling zal zijn voldaan, nadien wettelijke rente daarover is verschuldigd.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Bottenberg – van Ommeren en is op 17 december 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Onder het kopje “lang vreemd vermogen” staat genoemd: durfkapitaal. Zowel onder 31-12-2003 als onder 31-12-2002 staat een bedrag van € 71.568,00. Onder 31-12-2003 staat bij “mutatie” een bedrag van € 3.306,00 genoemd. Dit komt niet overeen met 6%.

2 Mail van 20 juni 2006 (productie 7 bij dagvaarding) en mail van 11 juli 2006 (productie 18 van [eisers])