Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6976

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
2495372 WM VERZ 13-1832
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft op 15 juni 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:2534) twee cumulatieve vereisten gegeven voordat kan worden geoordeeld dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kantonrechter oordeelt dat daarnaast nog een derde criterium van belang kan zijn. De kantonrechter is van oordeel dat het verzinnen en gebruiken van onware feitenrelazen zich niet verhoudt met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Kantonnr.: 2495372 WM VERZ 13-1832

CJIBnr.: 169039383

De kantonrechter;

gezien het door

[gemachtigde],

wonende te [woonplaats], [adres],

namens

[betrokkene]

hierna te noemen betrokkene,

ingediende beroepschrift dat zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Almelo d.d. 31 juli 2013 op het door betrokkene ingestelde beroep tegen de op 13 februari 2013 opgelegde sanctie ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV);


gezien voormelde beslissing van de officier van justitie, alsmede de overige op de zaak betrekking hebbende stukken;

gehoord mr. J. Meerdink namens de officier van justitie ter openbare zitting van 22 januari 2014 op welke zitting betrokkene niet is verschenen en gehoord gemachtigde [gemachtigde] namens betrokkene en mr Bontekoe namens de officier van justitie ter zitting van 23 april 2014.

Overweegt:

Het beroep is tijdig ingesteld en betrokkene heeft binnen de bij de WAHV bepaalde termijn zekerheid gesteld, zodat het beroep ontvankelijk is.

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 178,--, vermeerderd met € 7,-- administratiekosten, terzake van een bij de WAHV omschreven gedraging die in strijd is met een op het verkeer betrekking hebbend voorschrift, te weten: “Overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 21 km/h ”, gepleegd op 4 februari 2013 in de gemeente Hof van Twente.

Bij fax van 27 februari 2013 heeft betrokkene beroep ingesteld tegen deze sanctie. Betrokkene ontkent te hard te hebben gereden. Betrokkene ontkent de betrouwbaarheid van de meting. Voorts stelt betrokkene beroep in tegen de in rekening gebracht administratiekosten. Het is onwettig om betaling te eisen en te blijven heffen.

De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Die beslissing is gemotiveerd met het argument dat het beroep te laat is ingediend.

Bij beroepschrift van 30 juli 2013 is tegen deze beslissing beroep ingesteld. Betrokkene weerspreekt dat zij het beroepschrift te laat heeft ingediend. Betrokkene ontkent bovendien de gedraging te hebben gepleegd met daarbij een verhaal over een konijn dat in het donker over de weg schoot waardoor betrokkene schrok en even geen gas gaf, direct voordat zij langs een flitsset reed, waardoor het onmogelijk is dat zij te hard reed. Verder is aangevoerd dat de officier van justitie zich moet houden aan het zorgvuldigheidsbeginsel. “Van bovenstaand beginsel is geen sprake, er is derhalve onzorgvuldig te werk gegaan en dit is reden tot seponatie van deze zaak”. De hoorplicht is geschonden. Op de foto staan twee auto’s. De officier van justitie moet aantonen welke auto te hard reed. De officier van justitie heeft geen beslissing genomen op het bezwaar tegen de administratiekosten.

Tenslotte verzoekt betrokkene om een vergoeding van de proceskosten “in verband met dit bezwaar.”

De officier van justitie heeft voorgesteld de beslissing van de officier van justitie te vernietigen, nu het beroep tegen de inleidende sanctie ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Er is dan ook grond voor het toekennen van proceskosten.

Wel dient volgens de officier van justitie de initiële sanctie in stand te blijven, nu uit de foto blijkt dat het betrokkene is die te hard heeft gereden. Een foto is aan het dossier toegevoegd. Daarop staan inderdaad twee auto’s. In de gegevens boven de foto staat een “v” die aangeeft dat de snelheid is gemeten van de tegemoetkomende auto. Dat is de auto van betrokkene waarvan ook het kenteken is uitvergroot. In het zaakoverzicht van het CJIB bevindt zich een op ambtsbelofte opgemaakte verklaring van de verbalisant waaruit blijkt dat de snelheid van het voertuig van betrokkene is gemeten met een geijkte snelheidsmeter en dat de gemeten snelheid conform de daarvoor geldende aanwijzingen is gecorrigeerd. De officier van justitie stelt voorts dat betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord en dat blijkens vaste jurisprudentie administratiekosten mogen worden doorberekend. Er is volgens de officier van justitie geen reden tot matiging van de sanctie.

De kantonrechter overweegt het volgende.

Het beroepschrift tegen de inleidende sanctie was tijdig ingediend, zoals kan worden afgeleid uit de hierboven aangehaalde data van de sanctie en van het indienen van administratief beroep. De beslissing van de officier van justitie was dan ook onjuist nu ook tijdig zekerheid was gesteld. Het beroep tegen die beslissing moet daarom gegrond verklaard moet worden de beslissing vernietigd. Wat is gesteld omtrent het niet horen in de fase van het administratieve beroep en dat ten onrechte niet is geoordeeld over de administratiekosten, behoeft daarmee niet meer beoordeeld te worden.

De kantonrechter zal nu beoordelen wat de officier van justitie had behoren te beslissen naar aanleiding van het administratief beroep tegen de opgelegde sanctie.

Zoals de gemachtigde ter zitting op 23 april 2014 ook heeft erkend is het relaas over het konijn een door hem verzonnen relaas. Gemachtigde heeft (geconfronteerd met in meerdere door hem ingediende beroepschriften voorkomende identieke relazen) erkend dat hij een aantal verhaaltjes heeft die hij bij afwisseling bezigt ter onderbouwing van een ontkenning namens zijn clienten.

Voor wat betreft de inleidende sanctie stelt de kantonrechter vast dat uit de gegevens op de foto blijkt dat de meting betrekking had op het tegemoetkomende voertuig. Dat is het voertuig op naam van betrokkene. Hetgeen naar voren is gebracht en erkend is een verzonnen verhaaltje te zijn, brengt de kantonrechter niet tot twijfel over de juistheid van de waarnemingen en vaststellingen van de verbalisant.

De kantonrechter overweegt dat in zaken als deze de gegevens in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling van de schuld van de betrokkene bieden. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Bij de stukken bevindt zich een foto waaruit blijkt dat betrokkene te snel heeft gereden. Gegevens op de foto als tijd, verbalisantcode, filmnummer en gemeten snelheid zijn klein weergegeven maar leesbaar en komen overeen met de gegevens op het zaakoverzicht van het CJIB. Ook blijkt uit de gegevens bovenaan de foto, ofschoon er twee auto’s op de foto voorkomen, dat de meting betrekking heeft op het voertuig op naam van betrokkene.

Betrokkene voert daartegen onvoldoende specifieke omstandigheden aan op grond waarvan getwijfeld dient te worden aan de op ambtsbelofte opgemaakte verklaring in het zaakoverzicht, alsmede aan de op de foto afgebeelde gegevens. Naar de overtuiging van de kantonrechter is komen vast te staan dat de gedraging is verricht en is er geen reden aangevoerd en onderbouwd om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting.

Voor wat betreft de administratiekosten overweegt de kantonrechter dat het Gerechtshof te Leeuwarden op 15 juni 2012 (LJN: BW8480) in een gelijksoortige zaak het tegendeel heeft geoordeeld. Daarmee was de gemachtigde van betrokkene bekend. Hij voert geen nieuwe argumenten aan.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de WAHV worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven omtrent de inning van de administratieve sanctie en hebben deze voorschriften in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de administratieve sanctie, de administratiekosten, de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.

Onder de artikel 22, tweede lid, van de WAHV aan de lagere regelgever gegeven opdracht tot het geven van voorschriften omtrent de inning van sancties, vallen ook voorschriften die betrekking hebben op de administratiekosten.

Artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 luidt als volgt: “Degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, is administratiekosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling. De administratiekosten worden samen met de administratieve sanctie in rekening gebracht”.

Artikel 1 van de Regeling vaststelling administratiekosten 2012 luidt als volgt: “De administratiekosten, bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994, bedragen per administratieve sanctie € 7.”

Het Hof heeft geoordeeld dat het samen met de administratieve sanctie in rekening brengen van administratiekosten op een deugdelijke wettelijke grondslag berust. De kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel van het gerechtshof en maakt het tot het zijne. Niet gebleken is dat de Regeling de door de wet gestelde grenzen overschrijdt. Het standpunt van betrokkene dat administratiekosten ten onrechte in rekening worden gebracht, kan, gelet op het bovenstaande, niet slagen.

Het beroep tegen de inleidende sanctie kan op grond van een en ander niet slagen.

Ten aanzien van het verzoek om een vergoeding van proceskosten overweegt de kantonrechter het volgende.

Alleen in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is gevraagd om een proceskostenveroordeling. De kantonrechter vat het verzoek ook zodanig op dat het geen betrekking heeft op de fase van het administratief beroep. Voor een ander oordeel is eens te minder aanleiding nu de gemachtigde ter zitting van 23 april 2014, geconfronteerd met het in meerdere van zijn beroepschriften voorkomen van identieke en erkend verzonnen relazen, heeft gesteld dat hij inmiddels wel voldoende geschoold en beroepsmatig als rechtsbijstandverlener actief is maar ook dat dat nog niet gezegd kon worden ten tijde van de fase van het administratief beroep.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van werkzaamheden verricht in de fase van het administratief beroep is gelet op het oordeel ten aanzien van de gegrondheid van dat beroep en geoordeeld naar het niet beroepsmatig en voldoende geschoold geven van rechtsbijstand dan ook geen aanleiding.

Voor wat betreft proceskosten gemaakt in de fase van het beroep bij de kantonrechter overweegt de kantonrechter het volgende.

Ingevolge artikel 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

a. Kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

[b.-f.]

Gelet op het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 15 juni 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:2534) moet cumulatief zijn voldaan aan twee vereisten voordat kan worden geoordeeld dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtsbijstand moet een vast onderdeel zijn van een duurzame op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening en bovendien moet blijken dat de gemachtigde dusdanige scholing heeft genoten dat deze geacht kan worden rechtsbijstand te verlenen.

Speciaal met het oog op dit punt heeft in deze en andere zaken van deze gemachtigde een zitting plaatsgevonden.

Zoals hiervoor al vermeld heeft de kantonrechter geconstateerd en aan de gemachtigde voorgehouden dat in veel van zijn beroepschriften dezelfde relazen herhaald worden als onderbouwing van de onmogelijkheid dat een snelheidsovertreding is begaan en de gemachtigde heeft erkend dat deze relazen verzonnen zijn. Gemachtigde heeft daarbij aangegeven dat hij in de administratieve fase nog niet beroepsmatig actief was maar inmiddels wel. Hij relateert het gebruiken van fictieve, niet anders dan onware relazen, aan de noodzaak dat standpunten onderbouwd moeten worden.

De kantonrechter is van oordeel dat naast de door het gerechtshof genoemde criteria waaraan beroepsmatigheid van rechtsbijstand moet worden beoordeeld nog een derde criterium van belang kan zijn. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat het verzinnen en gebruiken van onware feitenrelazen zich niet verhoudt met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.

Bovendien en los hiervan verhoudt het zich niet met het recht, is het niet passend, dat de kantonrechter een vergoeding zou toekennen voor documenten waarin ter overtuiging van de kantonrechter door een rechtsbijstandverlener bewust onware feitenrelazen naar voren worden gebracht die deze rechtsbijstandverlener nota bene zelf verzonnen heeft.

Nu het geschrift waarmee het beroep voor de kantonrechter werd ingeleid een dergelijk relaas bevat kan de kantonrechter niet tot het oordeel komen dat ten tijde van de opstelling en indiening ervan sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ook is het niet passend dat voor dat document een vergoeding wordt toegekend.

Blijft over dat de gemachtigde bij de zitting van 22 januari 2014 niet en 23 april 2014 wel aanwezig was en dus ook de vraag of voor die aanwezigheid op 23 april een vergoeding moet worden toegekend.

De kantonrechter heeft ter zitting op 23 april 2014 van de gemachtigde begrepen dat hij bezig is zich juridisch te scholen. Hij volgt aan de Saxion Hogeschool de juridische opleiding. De kantonrechter heeft certificaten gezien van tentamens waarvoor de gemachtigde is geslaagd van negen vakken, tezamen ter waarde van 48 punten, terwijl 50 punten volgens hem de tentamens van een volledig geslaagd studiejaar zouden vertegenwoordigen. Daarnaast wijst betrokkene op de door hem opgebouwde ervaring in Mulderzaken.

Deze kantonrechter ziet al zeker twee jaar met enige regelmaat Mulderzaken voorbij komen waarin deze gemachtigde procedeert namens talloze betrokkenen. De kantonrechter heeft navraag gedaan bij zijn griffie en uit de automatiseringssystemen blijkt hem dat deze gemachtigde in 2012 in Enschede tenminste twee keer als gemachtigde optrad, in 2013 tenminste zeven keer en in de eerste vier maanden van 2014 tenminste zes keer. In Almelo zijn de cijfers tenminste als volgt: in 2012 trad gemachtigde tenminste zes keer op, in 2013 tenminste vier keer, in de eerste vier maanden van 2014 tenminste 25 keer. Ambtshalve is de kantonrechter ermee bekend dat gemachtigde ook in Zwolle Mulderzaken aanbrengt.

De kantonrechter is van oordeel dat de gemachtigde in elk geval op 23 april 2014 geacht moet worden voldoende kennis en ervaring te hebben opgebouwd om in Mulderzaken rechtsbijstand te kunnen verlenen.

Uit de frequentie van optreden als gemachtigde in de eerste vier maanden van 2014 tezamen met het feit dat betrokkene staat ingeschreven bij de kamer van koophandel als verlener van rechtsbijstand, kan de kantonrechter ook geen andere conclusie trekken dan dat gemachtigde de rechtsbijstand verleent als een vast onderdeel van een duurzame op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening.

De conclusie is dat de gemachtigde op 23 april 2014 beroepsmatig rechtsbijstand verleende.

De daaruit vervolgens te trekken conclusie is dat het namens betrokkene gedane verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor het optreden ter zitting op 23 april 2014 wordt één punt toegekend, ter waarde van € 472. Het gewicht van dat optreden in deze zaak na heropening voor informatie over de resterende vraagpunten wordt als zeer licht beoordeeld, factor 0,25, te meer nu dat optreden ook voor een aantal andere zaken die tegelijkertijd werden behandeld dienstig was.

Beslist:

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het administratief beroep ontvankelijk.

verklaart dat beroep tegen de inleidende sanctie ongegrond.

Veroordeelt de officier van justitie tot het voldoen van proceskosten aan betrokkene tot een bedrag van € 118.

Aldus gegeven te Almelo door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van M. Grijzen, griffier, uitgesproken ter openbare zitting van 7 mei 2014.

Afschrift toegezonden aan betrokkene en de officier van justitie op:

Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen zes weken vanaf bovengenoemde datum van toezending hoger beroep instellen bij het gerechtshof te

Arnhem-Leeuwarden, doch alleen indien:

a. a) de bij deze beslissing opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of

b) het beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld of omdat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener wat dat betreft redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Het beroepschrift moet tijdig worden ingediend bij de rechtbank, sector straf, locatie Almelo (postadres: postbus 323, 7600 AH Almelo) en dient door degene die het beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift om een zitting wordt gevraagd om uw standpunt mondeling toe te lichten.