Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6970

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
08.770060.14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door zijn toenmalige vriendin meerdere malen met kracht in het gezicht te stompen. Het slachtoffer heeft daardoor letsel opgelopen in het gezicht en veel pijn gehad.

Aan verdachte is in 1996 een TBS-maatregel opgelegd. Sindsdien zijn er nog enkele veroordelingen voor geweldsdelicten gevolgd en de TBS-maatregel is anno 2014 nog altijd van kracht.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de omstandigheid dat verdachte reeds binnen het kader van de TBS-maatregel met de consequenties van zijn handelen is geconfronteerd. Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.770060.14

Datum vonnis: 30 december 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] (Marokko),

thans verblijvende in de FPC Simon van Mesdag te Groningen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 december 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Grooters en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. R. Lonterman, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 augustus 2014 te Deventer, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (veelvuldig) met kracht met gebalde vuist en/of met de vlakke hand tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweerexces. Voor wat betreft het beroep op noodweer is, zakelijk weergegeven, het volgende bepleit. De eerste klap die verdachte aangeefster heeft gegeven, is direct gevolgd op een klap die aangeefster aan verdachte gaf toen zij tijdens een ruzie haar zelfbeheersing verloor. Verdachte heeft zich derhalve verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, zodat aan de eerste klap van verdachte de wederrechtelijkheid komt te ontvallen. Nu in de delictsomschrijving van mishandeling de wederrechtelijkheid als bestanddeel moet worden ingelezen, dient voor de eerste klap die verdachte heeft uitgedeeld vrijspraak te volgen.

4.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte meerdere malen met kracht en met gebalde vuist in het gezicht en tegen het lichaam van aangeefster heeft geslagen. Uit de verklaringen van zowel aangeefster als verdachte valt af te leiden dat aangeefster daaraan voorafgaand gedurende een ruzie haar zelfbeheersing heeft verloren en verdachte een klap in het gezicht heeft gegeven. Deze door aangeefster uitgedeelde klap levert weliswaar een wederrechtelijke aanranding van het lichaam van verdachte op, maar in aanmerking genomen dat uit de stukken niet blijkt dat er voor verdachte grond was te vrezen voor verdere agressie in zijn richting, betrof dit een dermate lichte aanranding dat deze niet noopte tot verdediging van eigen lijf. Bij dat oordeel heeft de rechtbank betrokken dat verdachte zich zonder veel moeite op ieder moment aan de situatie had kunnen onttrekken, hetgeen ook nadat hij een klap had gekregen van hem kon worden gevergd. Dat verdachte mogelijk de eerste klap in een reflex heeft uitgedeeld, doet daaraan niet af. Het beroep op noodweer met betrekking tot deze eerste klap, zo deze al los van de opvolgende klappen kan worden gezien, wordt derhalve door de rechtbank verworpen. Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 03 augustus 2014 te Deventer, opzettelijk mishandelend [slachtoffer], veelvuldig met kracht met gebalde vuist in het gezicht en tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

Mishandeling.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de klappen die verdachte na zijn eerste klap heeft uitgedeeld op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweerexces.

De rechtbank heeft hiervoor met betrekking tot het beroep op noodweer overwogen dat de door aangeefster gegeven klap niet noopte tot zelfverdediging. Dat brengt mee dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door zijn toenmalige vriendin meerdere malen met kracht in het gezicht te stompen. Het slachtoffer heeft daardoor letsel opgelopen in het gezicht en veel pijn gehad. Door zijn handelen heeft verdachte de grenzen van de lichamelijke integriteit van een ander op onaanvaardbare wijze overschreden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 24 september 2014. Daaruit blijkt dat verdachte in 1996 een TBS-maatregel is opgelegd. Sindsdien zijn er nog enkele veroordelingen voor geweldsdelicten gevolgd en de TBS-maatregel is anno 2014 nog altijd van kracht.

De raadsman van verdachte heeft, in het geval de rechtbank tot een strafoplegging komt, toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepleit, nu verdachte reeds grote gevolgen van zijn gedrag heeft ondervonden. Als gevolg van de verdenking van het onderhavige feit zijn alle TBS-verloven van verdachte ingetrokken, terwijl verdachte vrijwel aan het eind van het traject was gekomen en zicht had op beëindiging van de maatregel. Dit betekent dat vanuit de kliniek het gehele traject van proefverloven opnieuw moet worden aangevangen en afgelegd. Naar schatting is verdachte hierdoor drie jaren teruggeworpen in zijn behandeling.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde mishandeling, kan naar het oordeel van de rechtbank vanuit een oogpunt van normbevestiging in de richting van de verdachte en de maatschappij, in de onderhavige zaak niet worden volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van een sanctie. De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening houden met de omstandigheid dat verdachte reeds binnen het kader van de TBS-maatregel met de consequenties van zijn handelen is geconfronteerd. Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden. Aangezien de proeftijd pas zal ingaan op het moment dat verdachte niet langer rechtens van zijn vrijheid is beroofd, acht de rechtbank het niet opportuun deze langer dan één jaar te laten duren.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand;

  • -

    bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van één jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. F. van der Maden en

mr. L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2014.

Mr. van Bruggen voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland met registratienummer PL04DD-2014064992. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] d.d. 4 augustus 20141, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Ik doe aangifte tegen mijn vriend [verdachte]. Afgelopen zaterdagavond was hij tegen 23.30 uur bij mij. Wij raakten in discussie, waarbij ik mijn zelfbeheersing verloor en hem een klap in zijn gezicht gaf. Toen gingen bij [verdachte] de stoppen door. Ik heb in heel korte tijd heel veel klappen gehad. Ik denk wel tussen de tien en vijftien. Hij sloeg opzettelijk en keihard op mijn gezicht, mijn hoofd en mijn lichaam. Ik had heel veel pijn.

Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], d.d. 3 augustus 20142, zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

U heeft mij uitgelegd dat ik word gehoord naar aanleiding van de mishandeling op mijn moeder [slachtoffer]. Gisteravond was ik thuis. Toen ik in de huiskamer kwam bij de keuken, zag ik [verdachte] tegenover mijn moeder staan. Ik zag dat [verdachte] met beide tot vuisten gebalde handen met kracht uithaalde in de richting van mijn moeder. Ik zag dat hij haar opzettelijk vol op het gezicht raakte en in haar buik. Ik zag dat hij heel vaak sloeg. Het was in ieder geval vaker dan zes keer.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 20143, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten, dan wel één hunner:

Op zondag 3 augustus kregen wij de melding om te gaan naar de [adres] te [plaats]. Aldaar zou de moeder mishandeld zijn door haar vriend. Ter plaatse zagen wij het slachtoffer op de grond liggen. Dit bleek te zijn: [slachtoffer]. Ik, verbalisant [verbalisant], zag dat het slachtoffer een opgezet gezicht had. Ik zag dat de vrouw diverse rode plekken in haar gelaat had. Ik zag dat de vrouw rood/blauwe plekken had op haar beide jukbeenderen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting4, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik ben op 2 augustus 2014 naar [slachtoffer] in Deventer gegaan. (…) Ik heb haar toen meerdere malen in het gezicht geslagen.

1 Pagina 18-20.

2 Pagina 32-33.

3 Pagina 16.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting van 17 december 2014.