Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6950

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
15-04-2015
Zaaknummer
ak_14 _ 1017 en ak_14_1018
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewuste keuze van wetgever dagloongarantie niet van toepassing te laten zijn indien werknemer overstapt van ene dienstbetrekking naar andere zonder tussenliggende werkloosheid; artikel 12 Dagloonbesluit verder niet in strijd met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM; beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/1017 en AWB 14/1018

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser][eiser] te Nijverdal, eiser

(gemachtigde: mr. E.J. Bek),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: L.A.P. ter Laak).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2013 heeft verweerder aan eiser met ingang van

25 november 2013 een uitkering toegekend op grond van de Werkloosheidswet (WW), waarbij het dagloon is vastgesteld op € 77,69.

Bij besluit van 26 maart 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat aan eiser een WW-uitkering wordt toegekend met een dagloon van € 104,29. Het hiertegen ingestelde beroep is geregistreerd onder AWB 14/1017.

Bij besluit van 26 maart 2014 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn WW-uitkering met ingang van 24 maart 2014 wordt voortgezet naar een dagloon van € 78,10.

Omdat verweerder was gebleken dat dit besluit niet juist was, heeft verweerder bij besluit van 3 april 2014 aan eiser medegedeeld dat zijn dagloon met ingang van 24 maart 2014 wordt vastgesteld op € 104,84.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 9 april 2014 ongegrond is verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is geregistreerd onder AWB 14/1018.

Verweerder heeft in beide beroepen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide beroepen heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014.

Eiser heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser was sinds 17 augustus 1998 werkzaam bij Nijhuis Toelevering B.V. voor

38 uur per week. Met ingang van 30 september 2013 is zijn dienstverband beëindigd door

middel van een beëindigings-/vaststellingsovereenkomst. Op 30 augustus 2013 heeft eiser

een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 3 september 2013 is aan eiser aanvankelijk met ingang van 1 oktober 2013 een WW-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op € 116,55. Bij besluit van

17 september 2013 is aan eiser medegedeeld dat hij geen WW-uitkering krijgt, omdat hij vanaf 9 september 2013 werkzaam is bij uitzendbureau Visscher Personeel B.V. In verband met de beëindiging van deze werkzaamheden per 25 november 2013 heeft eiser op 22 november 2013 opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag heeft geleid tot het (hierboven weergegeven) primaire besluit van 26 november 2013 en het besluit op bezwaar van 26 maart 2014.

Eiser heeft vervolgens meermalen uitzendwerk verricht, laatstelijk met ingang van

13 januari 2014. Gelet hierop is zijn uitkering beëindigd. Op 21 maart 2014 heeft eiser wederom een WW-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag heeft geleid tot de (hierboven genoemde) primaire besluiten van respectievelijk 26 maart 2014 en 3 april 2014 en het besluit op bezwaar van 9 april 2014.

2. De bestreden besluiten zijn gebaseerd op het met ingang van 1 juni 2013 in werking

getreden Dagloonbesluit. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het dagloon, waarop de uitkering van eiser per 25 november 2013 en 24 maart 2014 gebaseerd is, ingevolge artikel 12 van het Dagloonbesluit bepaald wordt aan de hand van de verdiensten van eiser bij Visscher Personeel B.V. en niet aan de hand van de hogere verdiensten bij Nijhuis Toelevering B.V.

3. Eiser voert – kort samengevat – het volgende aan.

Eiser is het niet eens met het door verweerder vastgestelde dagloon. Het gewijzigde Dagloonbesluit is volgens hem in strijd met het uitgangspunt dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet geven van het welvaartsniveau voor het intreden van werkloosheid. In artikel 45, eerste lid, van de WW is gekozen voor een referteperiode van een jaar. Op grond van de nieuwe dagloonregels kan dit uitgangspunt volledig teniet worden gedaan, doordat er sprake kan zijn van een referteperiode van één dag. Het Dagloonbesluit is daarom op dit punt in strijd met de bedoeling van de wetgever en daarmee onverbindend. Toepassing moet worden gegeven aan het algemene uitgangspunt van artikel 45, eerste lid, van de WW.

Uit de wetsgeschiedenis van het nieuwe Dagloonbesluit blijkt volgens eiser dat slechts is gestreefd naar een vereenvoudiging van de uitvoeringspraktijk en zijn er geen materiële wijzigingen beoogd.

Eiser wijst op de omstandigheid dat de minister heeft aangegeven voornemens te zijn het Dagloonbesluit te wijzigen, met name met betrekking tot de situatie waarin een werknemer overstapt van werk naar werk.

Door de gewijzigde dagloonregels wordt de dagloongarantie volgens eiser uitgehold.

Het nieuwe Dagloonbesluit is daarnaast in strijd met het discriminatieverbod zoals geformuleerd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu degene die erin slaagt om werkloosheid uit te stellen wordt benadeeld ten opzichte van degene die meteen werkloos wordt.

Eiser verzoekt in het geval van een (gedeeltelijk) gegrond beroep om verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de gemiste uitkering.

Verweerder is van mening dat het dagloon is vastgesteld in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving. De beoordeling van de innerlijke waarde en billijkheid van het Dagloonbesluit is niet aan verweerder. Volgens verweerder wijkt artikel 12 van het Dagloonbesluit ten gunste van de betrokkene af van de regeling die is opgenomen in het eerste lid van artikel 45 van de WW. Dat het Dagloonbesluit in strijd zou zijn met

artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM wordt door verweerder niet gevolgd. In dat kader wordt gewezen op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad (HR). Kort gezegd leidt verweerder hieruit af dat sprake is van een ruime beoordelingsmarge bij de toepassing van genoemde artikelen.

Er is volgens verweerder geen sprake van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling van personen voor en na de wijziging van de dagloongarantieregeling. Met een beroep op jurisprudentie van het EHRM voert verweerder in dit kader aan dat de verdragspartijen in de sociale zekerheid een grote vrijheid hebben bij de vaststelling van de ingangsdatum van een wetswijziging en de daardoor veroorzaakte onderscheiden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Per 1 juni 2013 is het Besluit dagloonregels ingetrokken en is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit, Staatsblad 2013, 185) in werking getreden.

Op grond van artikel 12, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt het dagloon van de werknemer die binnen 24 maanden na de dag van beëindiging van een eerdere dienstbetrekking, waaruit hij een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen, een andere dienstbetrekking is aangegaan, bij beëindiging van deze nieuwe dienstbetrekking binnen

36 maanden na die eerdere beëindiging, niet lager vastgesteld dan op het dagloon dat gold vanwege die eerdere dienstbetrekking.

4.2

Niet in geschil is dat eiser uit het beëindigen van zijn dienstverband bij Nijhuis Toelevering B.V. geen WW-uitkering heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat eiser met ingang van 9 september 2013 werkzaam was tegen een lager loon dan hij bij Nijhuis Toelevering B.V. verdiende. Op grond van de hiervoor genoemde bepaling uit het Dagloonbesluit komt eiser niet voor de garantieregeling in aanmerking.

4.3

Met betrekking tot het betoog dat dit niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest, verwijst de rechtbank naar de passage uit de Toelichting in het Staatsblad (2013, 185) die ziet op artikel 12 van het Dagloonbesluit:

“Deze bepaling geeft een garantie voor het dagloon bij herhaalde werkloosheid binnen een bepaalde tijd. De garantie geldt niet indien de werknemer na het einde van de eerdere dienstbetrekking van werk naar werk gaat. De garantie beoogt te stimuleren dat werknemers die al werkloos zijn en een werkloosheidsuitkering ontvangen een baan aanvaarden, ook als deze een lager loon oplevert dan de dienstbetrekking waaruit ze werkloos zijn geworden. Als iemand overstapt van de ene naar de andere dienstbetrekking zonder tussenliggende werkloosheid behoeft het niet te gaan om een keuze die noodzakelijk is om werkloosheid te voorkomen. Er kan ook sprake zijn van een vrijwillige keuze om een baan te accepteren tegen een lager loon. Ook als het loon lager is kunnen er andere arbeidsvoorwaarden of omstandigheden zijn waardoor de nieuwe dienstbetrekking voor betrokkene aantrekkelijker is. Tussenliggende werkloosheid is een indicatie dat betrokkene de nieuwe baan accepteert om (voortduring van de) werkloosheid te voorkomen. Indien mogelijk zal de werknemer eerder kiezen voor een rechtstreekse overstap omdat dit meer zekerheid biedt in zijn streven om werkloosheid te voorkomen. (…)”

4.4

Uit het voorgaande volgt dat de wetgever de bewuste keuze heeft gemaakt de dagloongarantie niet van toepassing te laten zijn, indien de werknemer overstapt van de ene dienstbetrekking naar de andere zonder tussenliggende werkloosheid, zoals eiser heeft gedaan. In hetgeen namens eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing te laten. Aan de omstandigheid dat in artikel 45, eerste lid, van de WW een referteperiode van één jaar wordt genoemd, ontleent de rechtbank geen strijd met de bedoeling van de wetgever.

Het argument dat de minister heeft aangegeven voornemens te zijn het Dagloonbesluit te wijzigen, treft geen doel, nu de rechtbank geen ruimte ziet om op een mogelijke wijziging van het Dagloonbesluit te anticiperen.

4.5

Ten aanzien van eisers stelling dat artikel 12 van het Dagloonbesluit in strijd is met artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM, in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel (zie EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378/05, EHRC 2008/80, paragraaf 60). Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is (vgl. onder meer EHRM 12 april 2006, Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 65731/01, RSV 2007/44, paragraaf 52, en EHRM 4 november 2008, Carson en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 42184/05, paragrafen 73 en 80). Dit laatste kan niet snel worden aangenomen.

De rechtbank stelt vast dat het in casu niet gaat om een verdacht onderscheid, zoals hierboven omschreven. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen, als gelijk moeten worden beschouwd en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn, zodat reeds hierom het beroep op artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM niet slaagt. Het verschil in behandeling vloeit voort uit het onderscheid tussen enerzijds gevallen waarin sprake is van een tussenliggende periode van werkloosheid en anderzijds gevallen waarin de werknemer van de ene dienstbetrekking overstapt naar de andere dienstbetrekking. Hetgeen ter zitting van de zijde van eiser is betoogd, maakt het vorenstaande niet anders.

5. De beroepen zijn daarom ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Banda, voorzitter, mr. D. Hardonk-Prins en

mr. S.H. Peper, leden, in aanwezigheid van mr. M.D. Moeke griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.