Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:688

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
C/08/152022 / KG RK 14-638
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 36, geldigheid: 2014-02-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/152022 / KG RK 14-638 (SvE)

Beslissing van 13 februari 2013 van de wrakingskamer van de rechtbank Overijssel op het verzoek van:

[verzoekster],

wonende te [plaats 1],

verzoekster tot wraking,

verder ook te noemen “de verzoekster”,

advocaat: mr. M.H.H. Meulemeesters te Utrecht,

strekkende tot wraking van mr. C. Verdoold, in haar hoedanigheid van kinderrechter in deze rechtbank, verder ook te noemen “de kinderrechter”.

1 De procedure

1.1

Bij de sector civiel, team Personen- en Familierecht, van deze rechtbank is een procedure aanhangig tussen het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering, namens Bureau Jeugdzorg Overijssel, verder te noemen “LHJR”, en verzoekster onder zaaknummer C/08/151771 / JE RK 14-221, betreffende de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [plaats 2] op [geboortedatum 1] 2006, en

- [minderjarige 2], geboren te [plaats 3] op [geboortedatum 2] 2009.
Voornoemde kinderen zijn geboren uit de relatie van verzoekster en de heer [vader], verder te noemen “de vader”.

1.2

De kinderrechter, mr. J.D. Blomhert, heeft, op telefonisch verzoek van LHJR, op 6 februari 2014 mondeling en nadien bij beschikking van 6 februari 2014 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend van de minderjarige kinderen van verzoekster en de vader, ingaande op 6 februari 2014 tot 20 februari 2014. Iedere verdere beslissing is aangehouden tot de zitting van 12 februari 2014 te 12.00 uur.

1.3

Op 12 februari 2014 heeft de mondelinge behandeling bij de kinderrechter plaatsgehad, alwaar zijn verschenen, de verzoekster, bijgestaan door haar advocaat, en de vader. Namens LHJR zijn de heer [A] en mevrouw[B] verschenen.

1.4

Op voormelde zitting van 12 februari 2014 heeft verzoekster het verzoek tot wraking gedaan van mr. Verdoold in haar hoedanigheid van kinderrechter belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder C/08/151771 / JE RK 14-221. Mr. Verdoold heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst.

1.5

Op 12 februari 2014 is binnengekomen een reactie van de kinderrechter en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de kinderrechter van 12 februari 2014. Die reactie en dat proces-verbaal zijn door de griffie in afschrift toegezonden aan verzoekster.

1.6

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het procesdossier in eerste aanleg met zaaknummer C/08/151771 / JE RK 14-221.

1.7

Het wrakingsverzoek van verzoekster is behandeld ter openbare terechtzitting van 12 februari 2014. Ter zitting zijn verschenen: mr. Meulemeesters voornoemd namens verzoekster, en de heer [A] namens LHJR. De vader en de kinderrechter zijn, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet ter zitting verschenen.

1.8

De wrakingskamer heeft na sluiting van de behandeling bepaald zo spoedig mogelijk op het verzoek te zullen beslissen.

2 Het wrakingsverzoek

Verzoekster legt - kort weergegeven – het volgende aan haar verzoek tot wraking van mr. Verdoold ten grondslag. Zij stelt dat sprake is van vooringenomenheid van mr. Verdoold, althans de schijn daarvan, waardoor de procedure uit handen moet worden gegeven aan een andere rechter. Zij voert daartoe aan dat de kinderrechter in de procedure met zaaknummer C/08/135643 / JE RK 13-242 zich een oordeel heeft gevormd over het verzoek van de moeder tot plaatsing van de kinderen in het netwerkpleeggezin van de heer [C] en mevrouw [D] in plaats van in een voorziening voor pleegzorg. De kinderrechter heeft dit verzoek bij beschikking van 23 oktober 2013 afgewezen. Omdat de moeder zich hier niet in kon vinden heeft zij tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het hof heeft voormelde beschikking van de kinderrechter op formele gronden vernietigd, nu de uitspraakdatum van die beschikking niet was gelegen vóór de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, zodat de machtiging niet kon worden verlengd. Aan een beoordeling van de grief van de moeder omtrent de afwijzing door de kinderrechter van haar verzoek tot plaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin is het hof niet toegekomen. Verzoekster wil nog steeds dat de kinderen in een netwerkpleeggezin worden geplaatst, reden waarom zij dit verzoek thans weer aan de kinderrechter ter beoordeling wenst voor te leggen. Doordat dezelfde kinderrechter op dit verzoek zal moeten beslissen en de omstandigheden nadien nagenoeg niet zijn gewijzigd, lijkt haar verzoek daarom bij voorbaat kansloos. Zeker nu de kinderrechter in de beschikking van 23 oktober 2013 zich hierover uitgebreid heeft uitgelaten.

3 Het standpunt van mr. Verdoold

De kinderrechter heeft niet in de wraking berust. Zij stelt dat het verzoek niet gehonoreerd kan en moet worden, nu uit hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht met geen enkele mogelijkheid kan worden geconcludeerd dat zij als kinderrechter bevooroordeeld zou zijn in de procedure tussen verzoekster en LHJR. De kinderrechter erkent dat zij bij beschikking van 23 oktober 2013, na twee eerdere verlengingen van de machtiging tot uithuisplaatsing, de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg heeft verlengd, ingaande 31 oktober 2013 tot 31 maart 2014. De verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het hof heeft vervolgens bij beschikking van 6 februari 2014 de beschikking van de kinderrechter van 23 oktober 2013, voor zover die ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, vernietigd en het verzoek van LHJR tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog afgewezen. Het hof is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek, maar heeft de beschikking van de kinderrechter enkel vernietigd omdat de uitspraak niet tijdig, althans niet op de juiste wijze was gedaan. Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter zich in staat objectief te oordelen in de onderhavige kwestie. Dat door haar reeds eerder uitvoerig is gemotiveerd waarom op 23 oktober 2013 tot de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is gekomen, maakt dit niet anders.

4 De beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt dient te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de betreffende rechter vooringenomen is jegens één van de bij de procedure betrokkenen, althans dat de vrees van die partij voor zulke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

4.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv kan onderscheid gemaakt worden tussen subjectieve en objectieve aspecten van onpartijdigheid. Bij de subjectieve aspecten gaat het om de persoonlijke instelling van de rechter. Uit hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gebracht volgt, dat de subjectieve onpartijdigheid niet in het geding is. De wrakingskamer zal zich daarom beperken tot een beoordeling van de objectieve aspecten van onpartijdigheid.

4.3

Bij de objectieve aspecten gaat het om feiten of omstandigheden die, ongeacht de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. De verzoekster hoeft niet te bewijzen dat die feiten of omstandigheden ook werkelijk tot vooringenomenheid hebben geleid: "legitimate doubt" kan voldoende zijn. De feiten waarop de verzoekster zich beroept moeten aannemelijk zijn geworden. Zij moeten zwaarwegende redenen opleveren voor (objectiveerbare) twijfel aan de onpartijdigheid.

4.4

In de kern komt het wrakingsverzoek van verzoekster erop neer dat zij de vrees heeft dat de kinderrechter vooringenomen zal zijn bij de nog te nemen beslissing in de zaak met zaaknummer van de C/08/151771 / JE RK 14-221 omtrent de plaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin.

4.5

De wrakingskamer stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de kinderrechter in een voorgaande beschikking reeds een beslissing heeft gegeven op het verzoek van de verzoekster omtrent de plaatsing van haar kinderen in een netwerkpleeggezin en dat dezelfde vraag ook in de thans aanhangige procedure met zaaknummer C/08/151771 / JE RK 14-221 speelt, op zich geen grond voor wraking oplevert. Hiervoor zijn bijkomende omstandigheden noodzakelijk.

4.6

Vast staat dat de kinderrechter in de beschikking van 23 oktober 2013 het verzoek van de verzoekster tot plaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin heeft afgewezen. De kinderrechter heeft daartoe –kort en zakelijk weergegeven – onder meer overwogen dat plaatsing van de kinderen in het door de verzoekster voorgestelde netwerkpleeggezin, met name gelet op het feit dat dit netwerkpleeggezin zo dicht bij verzoekster staat, teveel risico’s met zich brengen om een langdurig stabiel woonadres in de toekomst te kunnen zijn. De kinderrechter was daarom van oordeel dat het in het belang van de minderjarigen is om geplaatst te blijven binnen neutrale pleeggezinnen, zodat de rust en stabiliteit voor de kinderen het best gewaarborgd zijn. De kinderrechter heeft daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd.

4.7

De verzoekster heeft van deze beschikking hoger beroep ingesteld. Door haar zijn in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Allereerst heeft zij aangevoerd dat de machtiging tot uithuisplaatsing van rechtswege is beëindigd op 31 oktober 2013, nu de beschikking waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd niet eerder rechtskracht heeft gekregen dan op 5 november 2013, terwijl de machtiging tot uithuisplaatsing reeds expireerde op 31 oktober 2013. De tweede grief van de verzoekster had, zoals door haar advocaat ter mondelinge behandeling van de wrakingskamer op 12 februari 2013 toegelicht, betrekking op de belangenafweging van de kinderrechter over de plaatsing van de minderjarigen in een netwerkpleeggezin.

4.8

Uit de door verzoekster bij de mondelinge behandeling overgelegde beschikking van het hof van 6 februari 2014 blijkt dat het hof de beschikking van de kinderrechter van 23 oktober 2013 op formele gronden heeft vernietigd. Het hof is van oordeel dat uit de door de verzoekster in hoger beroep gestelde feiten en omstandigheden ondubbelzinnig de onjuistheid van de in de beschikking van 23 oktober 2013 genoemde uitspraakdatum van 23 oktober 2013 blijkt. Het hof komt om die reden tot het oordeel dat de uitspraakdatum van de beschikking van 23 oktober 2013 niet is gelegen vóór de afloop van de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, zodat die machtiging niet meer door de kinderrechter kon worden verlengd. Omdat daarmee de eerste grief van de verzoekster in hoger beroep slaagde heeft het hof de beschikking van de kinderrechter van 23 oktober 2013, wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, vernietigd en het verzoek van LHJR tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.

4.9

LHJR heeft vervolgens op 6 februari 2014 mondeling en nadien schriftelijk verzocht om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van de ondertoezichtstelling (ofwel tot 31 juli 2014), welk verzoek bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank, mr. J.D. Blomhert, van 6 februari 2013 is toegewezen voor een periode van twee weken onder aanhouding van iedere verdere beslissing. Alle belanghebbenden zijn vervolgens opgeroepen om te worden gehoord bij de mondelinge behandeling van de kinderrechter op 12 februari 2014 om 12.00 uur.

4.10

Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt uit de beschikking van het hof van 6 februari 2014 dat het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de tweede grief van de verzoekster over het antwoord op de vraag of een plaatsing van de minderjarigen in een netwerkpleeggezin in het belang van de kinderen moet worden geacht, niet is toegekomen.

Het hof heeft -zoals hiervoor is overwogen- de beschikking van de kinderrechter van 23 oktober 2013 op formele gronden vernietigd. Dit zo zijnde is de kinderrechter bij de nog te nemen beslissing inzake zaaknummer C/08/151771 / JE RK 14-221 dan ook niet gebonden aan een oordeel van een hogere rechter voor wat betreft de plaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin of in een voorziening voor pleegzorg. Verwacht mag worden dat de kinderrechter vanuit haar professionaliteit objectief en zonder vooringenomenheid, op basis van alle thans voorhanden zijnde gegevens, de standpunten van de belanghebbenden en rekening houdend met de meest recente ontwikkelingen, een beslissing zal nemen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is niet aangetoond dat de kinderrechter in deze vooringenomen zou zijn dan wel dat de vrees van verzoekster voor zulke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Het enkele feit dat de kinderrechter in de onderhavige kwestie zich bij beschikking van 23 oktober 2013 heeft uitgelaten over het verzoek van de verzoekster tot plaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin, maakt dat niet anders.

4.11

Alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien komt de wrakingskamer tot de slotsom dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Evenmin is gebleken van enige schijn van vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking van mr. Verdoold zal daarom worden afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het wrakingsverzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Hangelbroek, mr. G. van Eerden en mr. M. Koopmans, in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2014.