Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6863

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/1141 en 14/1151
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:471, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat het beroep van omwonenden tegen de vergunning voor de bouw van het kunstwerk en woonhuis ‘Insecthuis’ in Albergen gegrond is. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/1141 en 14/1151

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1],

[eiser 2],

[eiser 3],

[eiser 4],

[eiser 5],

[eiser 6],

[eiser 7],

[eiser 8],

allen te Albergen, eisers,

(gemachtigde: mr. J.S. [eiser 3]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder

(gemachtigden: E.P. Stekelenburg en P.P.A.J. de Wit).

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij], te Albergen,

(gemachtigde: mr. B. Oudenaarden).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2014 heeft verweerder een projectbesluit genomen voor het bouwen van een kunstwerk met daarin een woonhuis op het perceel [adres 1] te Albergen.

Daarbij heeft verweerder aan de derde partij een bouwvergunning verleend.

Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld waarbij [eiser 7] en [eiser 8] tezamen een afzonderlijk beroepschrift hebben ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014.

Verschenen zijn [eiser 1], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 6], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 7], bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en M.G.H. Zeillemaker, architect.

Ter zitting zijn de beroepen met de procedurenummers 14/1141 en 14/1151 gevoegd behandeld.

Overwegingen

1. De derde partij is eigenaar van het perceel [adres 1] te Albergen.

Op 30 september 2010 heeft hij een bouwvergunning aangevraagd voor het realiseren van een kunstwerk in de vorm van een insect, met daarin een woonhuis (verder: insecthuis).

Het bouwplan past niet binnen de bepalingen van het bestemmingsplan “Buitengebied 2006, partiële herziening inhoudsmaat woningen”. Daarom heeft verweerder de aanvraag tevens aangemerkt als een aanvraag voor het nemen van een projectbesluit. Het project is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing en een stedenbouwkundige onderbouwing.

Op 17 januari 2011 heeft de welstandscommissie geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

Het ontwerpbesluit heeft vanaf 28 juli 2011 ter inzage gelegen. Eisers, met uitzondering van [eiser 7], hebben hun zienswijze daaromtrent kenbaar gemaakt.

Op 18 maart 2014 heeft verweerder het projectbesluit genomen en de bouwvergunning verleend. Aan beide besluiten is het voorschrift verbonden dat het verboden is het bouwwerk als woonhuis te gebruiken voordat het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Albergen, [adres 2]” rechtskracht heeft gekregen.

Met dit bestemmingsplan wordt beoogd de aanwezige woonbebouwing op het betreffende perceel een verblijfsrecreatieve functie te geven. De woonbestemming van dit perceel wordt verplaatst naar het perceel [adres 1], zodat er in het insecthuis kan worden gewoond. Op 6 oktober 2014 heeft de gemeenteraad besloten het bestemmingsplan niet vast te stellen, met als gevolg dat het insecthuis wel kan worden gebouwd, maar niet in gebruik kan worden genomen als woning.

2. Eisers hebben grote bezwaren tegen de komst van het bouwwerk in hun woonomgeving.

Alvorens de door hen aangevoerde beroepsgronden inhoudelijk te bespreken, zal de rechtbank zich uitlaten over de vraag of alle eisers kunnen worden ontvangen in hun beroep.

De rechtbank stelt daartoe in de eerste plaats vast dat [eiser 7] naar aanleiding van het ontwerpbesluit geen zienswijze heeft ingebracht.

Gesteld noch gebleken is dat hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan [eiser 7] dan ook niet worden ontvangen in zijn beroep.

Ten aanzien van de overige eisers is door de derde partij betoogd dat zij, hetzij als gevolg van de grote afstand tussen hun woning en het insecthuis, hetzij door aanwezige bebouwing en beplanting, geen of nauwelijks zicht zullen hebben op het insecthuis.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen de familie [eiser 3] niet als belanghebbende is aan te merken, gelet op het nabijheids- en zichtcriterium.

De rechtbank overweegt dat is gebleken dat de woningen van eisers zich op een afstand, variërend van circa 100 meter tot circa 400 meter, van het beoogde insecthuis bevinden. Hoewel denkbaar is dat het zicht vanuit de diverse woningen in meerdere of mindere mate wordt belemmerd door houtopstanden, andere bebouwing en afstand, is de rechtbank van oordeel dat de derde partij niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat geen der eisers belanghebbende is. Ook ten aanzien van de familie [eiser 3] komt de rechtbank niet tot dat oordeel. De rechtbank neemt daarbij mede in overweging dat het bouwplan

12 meter hoog wordt, 15 meter breed, 43 meter lang, met een inhoud van 1400 m3.

De rechtbank acht het beroep van eisers, met uitzondering van [eiser 7], dan ook ontvankelijk en zal hun beroep inhoudelijk behandelen.

3. Volgens eisers is het projectbesluit in strijd met zowel de Omgevingsverordening Overijssel als met gemeentelijke beleidsnota’s. Verder zijn de gevolgen voor flora en fauna onvoldoende in beeld gebracht en is het niet gelukt de verplaatsing van de woonfunctie van het perceel [adres 2] naar het insecthuis te regelen. Met betrekking tot de bouwvergunning hebben eisers aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het negatieve welstandsadvies is gepasseerd.

4. De aanvraag om een bouwvergunning dateert van vóór 1 oktober 2010, zodat niet de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is, maar de bepalingen van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zoals die toen luidden.

In artikel 3.10, eerste lid, van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een projectbesluit kan nemen ten behoeve van de verwezenlijking van een project. Het tweede en derde lid bepalen dat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project bevat en dat er voorschriften en beperkingen aan kunnen worden verbonden.

Ingevolge het vierde lid kan de raad de bevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

In artikel 44 van de Woningwet is onder andere bepaald dat een bouwvergunning moet worden geweigerd als deze in strijd is met een bestemmingsplan of een projectbesluit.

Ook moet een bouwvergunning worden geweigerd indien sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Vast staat dat het bouwplan niet past binnen de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan, zodat verweerder de vereiste bouwvergunning niet kon verlenen dan nadat er een projectbesluit was genomen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Aan zowel het projectbesluit als de bouwvergunning is de voorwaarde verbonden dat het bouwwerk niet als woonhuis mag worden gebruikt voordat het bestemmingsplan “Albergen, [adres 2]” rechtskracht heeft gekregen.

Op 6 oktober 2014 heeft de gemeenteraad besloten dit bestemmingsplan niet vast te stellen. Het gevolg daarvan is volgens verweerder dat de derde partij het insecthuis wel kan bouwen, maar alleen in de hoedanigheid van kunstwerk, nu daar onder deze omstandigheden niet in gewoond mag worden.

Het aan een projectbesluit of bouwvergunning verbinden van een voorwaarde is in beginsel mogelijk. Aan een bouwvergunning mogen op grond van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet (oud) alleen voorschriften of beperkingen worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de Woningwet strekt en waaraan het vergunde bouwwerk moet voldoen. Een bouwvergunning is immers een “gebonden beschikking”. Aan een projectbesluit kunnen ook voorschriften worden verbonden, maar het bestuursorgaan heeft in dat geval meer ruimte, nu een projectbesluit dient te worden voorzien van een (ruimtelijke) belangenafweging.

De rechtbank stelt vast dat de door verweerder aan de nu voorliggende besluiten verbonden voorwaarde ten aanzien van een essentieel onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing ziet op een onzekere toekomstige gebeurtenis, te weten een besluit dat door een ander bestuursorgaan dan verweerder moet worden genomen en waar verweerder als zodanig geen invloed op heeft. Eisers zijn hierdoor eveneens geconfronteerd met de afhankelijkheid van een toekomstige onzekere gebeurtenis, waar zij in het kader van de besluitvorming omtrent het projectbesluit en de bouwvergunning geen invloed op hebben kunnen uitoefenen, althans niet op de besluitvorming van de gemeenteraad omtrent het bestemmingsplan. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Daarbij komt dat als gevolg van de besluitvorming door de raad op 6 oktober 2014 de derde partij enkel zal kunnen gaan bouwen, maar is het beoogde gebruik van het insecthuis als woning onmogelijk geworden. Deze omstandigheid leidt tot het oordeel dat de aan de besluiten ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing niet voldoet. In de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder immers de ruimtelijke gevolgen van het bouwen van een woning in de vorm van een insect beoordeeld, overeenkomstig de aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de stukken in het dossier, niet gebleken dat het insecthuis (ook) enkel bedoeld of beoordeeld is om enkel als kunstwerk te fungeren. Nu er niet gewoond kan worden, is evenwel geen sprake meer van het bouwen van een woning in het buitengebied, maar van het oprichten van een kunstwerk in het buitengebied. De ruimtelijke betekenis en impact daarvan is naar het oordeel van de rechtbank dusdanig anders, dat niet gezegd kan worden dat de ruimtelijke onderbouwing in zijn huidige vorm toereikend is om aan het projectbesluit ten grondslag te kunnen worden gelegd. Dat geldt overigens eveneens ten aanzien van de Omgevingsverordening Overijssel en de andere relevante ruimtelijke regels en beleid.

De rechtbank overweegt dat het projectbesluit onder deze omstandigheden niet genomen had kunnen worden; het komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. Als gevolg daarvan kan de op het projectbesluit gebaseerde bouwvergunning evenmin in stand blijven.

De bestreden besluiten kunnen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb niet in stand blijven. Het daartegen ingestelde beroep is gegrond. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de aanvraag van de derde partij dienen te beslissen.

6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 3 punten (2 voor de beroepschriften en 1 voor het bijwonen van de zitting) toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van [eiser 7] (procedurenummer 14/1151) niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van [eiser 1] e.a. (procedurenummer 14/1141) en van [eiser 8] (procedurenummer 14/1151) gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op opnieuw op de aanvraag van de derde partij te beslissen, met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 330,-- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van in totaal € 1461,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en

mr. J.W.M. Bunt, leden, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.