Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6850

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
08.730516.14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige man uit Kampen is veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. De rechtbank Overijssel oordeelt dat hij schuldig is aan het drie keer mishandelen van zijn (ex)vriendin. Een keer gebruikte hij daarbij een honkbalknuppel. Hij krijgt een contactverbod opgelegd en moet 750 euro schadevergoeding betalen aan zijn ex. De man is licht zwakzinnig en verminderd toerekeningsvatbaar. De kans op recidive wordt ingeschat als hoog, behandeling is noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.730516.14

Datum vonnis: 23 december 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

nu verblijvende in de P.I. Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
9 december 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.C. van Harenen van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw

mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 17 september 2014 heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen, dan wel dat hij haar, zijn levensgezel, heeft mishandeld.

feit 2: hij tussen augustus 2013 en september 2014 meerdere malen [slachtoffer] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 17 september 2014, in de gemeente Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal bij de keel/halsstreek heeft

vastgegrepen en/of vastgehouden en/of de keel heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt heeft gehouden en/of die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal met kracht met zijn tot vuisten gebalde hand(en) in het gezicht en/althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of meermalen in elk geval eenmaal met een mes, althans met een scherp en/of snijdend voorwerp heeft gestoken naar en/of in de richting van het hoofd en/althans het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, dat

hij op of omstreeks 17 september 2014, in de gemeente Kampen zijn levensgezel, althans een persoon genaamd [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal bij de keel/halsstreek vast te grijpen en/of vast te houden en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden en/of door die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal in het gezicht en/althans tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam te stompen en/of te slaan;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2013 tot en met 16 september 2014, in de gemeente Kampen, meermalen in elk geval eenmaal (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer], meermalen, in elk geval eenmaal in het gezicht en/althans tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt en/of met een honkbalknuppel, althans een hard en/of lang voorwerp op de rug en/althans elders op tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden als vermeld in het reclasseringsadvies van 4 december 2014. Daarnaast is gevorderd de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen en daarbij te bepalen dat per overtreding van het contact- en locatieverbod zeven dagen vervangende hechtenis wordt opgelegd. Ten slotte heeft de officier gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 750,00 en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering voor het overige.

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bepleit dat uitsluitend kan worden bewezen dat verdachte tweemaal met de vlakke hand in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen, zoals door verdachte bij de politie en ter terechtzitting is bekend.

Voorts is door de raadsvrouw vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit, wegens het ontbreken van overtuigend bewijs. Daartoe is, kortgezegd, aangevoerd dat de verschillende verklaringen van zowel aangeefster als getuige [getuige 1] niet consistent zijn en dat de verklaringen van aangeefster bovendien afwijken van de verklaringen van de getuige.

De raadsvrouw heeft daarnaast bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het de materiële schade betreft en dat de vordering voor immateriële schade moet worden gematigd.

4.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank begrijpt het door de raadsvrouw gevoerde verweer als een betwisting van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] en getuige [getuige 1]. De rechtbank constateert met de raadsvrouw dat zowel de verklaringen van aangeefster als van de getuige niet volledig consistent zijn en dat zij niet op alle punten met elkaar overeenkomen,. Naar het oordeel van de rechtbank komen de verklaringen van aangeefster echter op - voor de beoordeling van de tenlastelegging - wezenlijke onderdelen overeen met de verklaringen van getuige [getuige 1] en worden deze verklaringen bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank heeft in zoverre geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van vorenbedoelde verklaringen te twijfelen en zal deze (voor die onderdelen) dan ook voor het bewijs gebruiken, op de hierna per feit nader toe te lichten wijze.

Overweging met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde.

De verklaring van aangeefster over hetgeen op 17 september 2014 is voorgevallen, houdt kortgezegd in dat zij meerdere malen met de vuist in het gezicht is geslagen, dat zij meerdere malen in een wurggreep is vastgehouden en dat zij met een mes is bedreigd. Deze verklaring wordt in de eerste plaats ondersteund door het zich in het dossier bevindende letselrapport. Daaruit blijkt dat aangeefster op 17 september meerdere verwondingen had aan haar gezicht, waaronder een bult op haar voorhoofd, een gezwollen en gebarsten lip en dat zij striemen had in de nek. Voor zover verdachte heeft verklaard dat hij op 17 september 2014 ruzie heeft gehad met aangeefster en haar daarbij heeft geslagen, biedt zijn verklaring eveneens steun voor de verklaring van aangeefster. De rechtbank overweegt dat het geheel aan verwondingen in het gelaat en in de halsstreek van aangeefster niet past bij de door verdachte voorgespiegelde toedracht, voor zover deze inhoudt dat hij (niet meer dan) twee klappen met de vlakke hand in het gezicht heeft gegeven. In het bijzonder de bult op het voorhoofd en de striemen in de nek van aangeefster laten zich daardoor niet verklaren. De rechtbank acht niet aannemelijk dat aangeefster zichzelf deze verwondingen heeft toegebracht. Daarvoor is in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden en de tijd om dit te bewerkstelligen ontbrak, nu getuige [getuige 1] het letsel kort na het incident heeft waargenomen, waarbij aangeefster bovendien in tranen was en vertelde dat verdachte haar geslagen en gewurgd had. De rechtbank merkt in dit verband op dat de door aangeefster en getuige genoemde tijdstippen niet alleen bij elkaar passen, maar ook bij de lezing van verdachte dat hij om 14.00 uur weer op terug op zijn werk was, zoals hij in eerste instantie ten overstaan van de politie heeft verklaard,1 uitgaande van een reistijd van de woning naar zijn werkplaats van ongeveer tien minuten.2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij al eerder de woning had verlaten en dat de getuige hem daarom niet kan hebben gezien, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Ook biedt de verklaring van de vader van aangeefster, die op 17 september 2014 om 14.00 uur telefonisch van zijn dochter hoort dat zij door verdachte is mishandeld en later die middag letsel bij haar waarneemt, steun aan de verklaring van aangeefster.

De in de letselrapportage genoemde verwonding aan de linker onderarm van aangeefster kan weliswaar zijn ontstaan door contact met een mes, maar naar het oordeel van de rechtbank valt niet uit te sluiten dat deze verwonding op een andere wijze is ontstaan gedurende de worsteling die heeft plaatsgehad. Aangeefster heeft bovendien niet verklaard dat zij door een mes is geraakt en zij is voor het overige de enige bron die over de aanwezigheid van een mes heeft verklaard, zodat de rechtbank niet op basis van de voorhanden bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat verdachte met een mes richting het hoofd of lichaam van aangeefster heeft gestoken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangeefster meerdere malen met de vuist in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en dat hij haar bij de keel heeft vastgepakt en vastgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze gedragingen, in onderlinge samenhang beziend, eenvoudige mishandeling van zijn levensgezel op. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het primair ten laste gelegde, nu geen overtuigend bewijs is voor het steken met het mes en het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaren, zoals hierna vermeld.

Overweging met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte in het onder 2 ten laste gelegde wordt verweten dat hij aangeefster binnen de periode van 1 augustus 2013 tot en met 16 september 2014 meerdere malen heeft mishandeld. Uit het dossier valt af te leiden dat de tenlastelegging daarbij kennelijk op verschillende incidenten ziet. De rechtbank is er bij de beoordeling van de tenlastelegging vanuit gegaan dat voor ieder van deze incidenten afzonderlijk voldoende wettig (steun)bewijs noodzakelijk is om tot een veroordeling te kunnen komen. De rechtbank overweegt omtrent vorenbedoelde incidenten als volgt:

Aangeefster heeft verklaard dat zij voor de eerste maal door verdachte is mishandeld in augustus 2013. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de vader van aangeefster, die heeft verklaard dat hij halverwege 2013 voor de eerste maal letsel heeft waargenomen bij aangeefster, die vervolgens aan hem heeft verteld dat zij door verdachte mishandeld was. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, kan de verklaring van de vader van aangeefster dat dit 'halverwege 2013' geweest is, zeer wel passen bij 'augustus 2013', waarover aangeefster heeft verklaard. Nu dit bovendien volgens aangeefster de eerste keer is geweest dat zij is mishandeld en het volgende incident volgens aangeefster in december 2013 heeft plaatsgevonden, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de vader van aangeefster over hetzelfde incident verklaart als aangeefster, te meer nu ook de vader aangeeft dat dit de eerste keer is dat hij letsel bij aangeefster heeft waargenomen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen en acht op basis daarvan bewezen dat verdachte zich in augustus 2013 heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van aangeefster.

Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij in december 2013 opnieuw door verdachte is mishandeld, waarbij zij onder meer op haar rug is geslagen met een honkbalknuppel. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1], die eveneens verklaart over een mishandeling waarbij verdachte met een honkbalknuppel op aangeefsters rug heeft geslagen. De getuige heeft verklaard dat dit na de zomervakantie in 2013 is voorgevallen. Hoewel dit weinig nauwkeurig is, sluit haar verklaring niet uit dat dit in december 2013 is geweest. Bovendien maakt de verklaring melding van een mishandeling door te slaan met een honkbalknuppel op de rug van aangeefster, hetgeen zodanig specifiek is, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat de getuige over hetzelfde incident verklaart als waarover aangeefster heeft verklaard. De rechtbank ziet voorts steun voor de verklaring van aangeefster in de verklaring van haar vader, die begin 2014 merkt dat aangeefster pijn heeft en vervolgens van haar verneemt dat zij door verdachte is mishandeld en waarneemt dat zij een grote blauwe plek heeft die van de onderkant tot de bovenkant van haar rug loopt. Naar het oordeel van de rechtbank past dit letsel bij de door aangeefster en getuige [getuige 1] beschreven toedracht. Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank ook deze mishandeling bewezen.

De overige incidenten die verdachte kennelijk in de tenlastelegging worden verweten, betreffen (onder meer) mishandelingen na een scooterongeval in Kampen en in de woning van verdachte aan de [adres 1] in april 2014. De rechtbank heeft niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte zich aan deze mishandelingen heeft schuldig gemaakt. Bij de strafoplegging zal derhalve voor wat betreft feit 2 uitsluitend rekening worden gehouden met de twee bewezenverklaarde mishandelingen die binnen de tenlastegelegde periode hebben plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Deze beslissing steunt op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair.

hij op 17 september 2014, in de gemeente Kampen zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer], heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen bij de keel vast te grijpen en/of vast te houden en door die [slachtoffer] meermalen, in het gezicht en tegen het hoofd te stompen;

2.

hij in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 16 september 2014, in de gemeente Kampen, meermalen opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer], meermalen, in elk geval eenmaal tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of getrapt en/of met een honkbalknuppel op de rug heeft geslagen, waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 300 juncto 304 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair:

Mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen zijn levensgezel;

feit 2:

Mishandeling, terwijl het feit is begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 22 oktober 2014;

een reclasseringsrapport over de persoon van verdachte d.d. 4 december 2014;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende verdachte, d.d. 26 november 2014;

de overige stukken in het persoonsdossier van verdachte.

Verdachte heeft zich tot driemaal toe schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin [slachtoffer], waarbij verdachte eenmaal een honkbalknuppel als slagwapen heeft gebruikt. Verdachte heeft zodoende de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op ernstige wijze geschonden. Daarnaast wordt het vertrouwen in anderen en de gevoelens van veiligheid die in een relatie mogen worden verwacht door dergelijk handelen ondermijnd. Ook voor het slachtoffer is dat het geval geweest, blijkens haar slachtofferverklaring, die ter terechtzitting is voorgehouden.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in het verleden meerdere malen is veroordeeld voor strafbare feiten, onder meer wegens poging tot doodslag.

Het psychologisch onderzoek naar verdachte schetst het beeld van een man met een waanstoornis en een persoonlijkheidsstructuur met narcistische en borderline trekken. Verdachte hanteert blijkens het rapport een buitensporig gunstig zelfbeeld, dat gepaard gaat met een grote kritiek- en oordeelsstoornis, die zijn oorsprong vindt in de lichte zwakzinnigheid van verdachte. Er is nauwelijks sprake van enige zelfkritiek en het zelfcorrigerend vermogen is uitermate beperkt. Deze factoren hebben een rol gespeeld bij de bewezenverklaarde feiten, doordat verdachte de dreigende relatiebreuk met het slachtoffer als krenking van zijn zelfgevoel moet hebben ervaren, hetgeen heeft geresulteerd in een diep gevoelde, hevige woede. Verdachte moet gelet op de hierboven beschreven problematiek verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. De kans op recidive, waarbij met name het gebrek aan vaste dagbesteding, een beperkt sociaal netwerk en stresserende omstandigheden negatieve factoren zijn, wordt ingeschat als hoog. Gelet op zijn problematiek wordt behandeling en begeleiding geadviseerd in de vorm van psycho-educatie. Aanbevolen wordt de begeleiding en behandeling via het SGLVG-circuit te laten verlopen in verband met verdachtes lichte zwakzinnigheid, waarbij te denken valt aan begeleiding en behandeling via Trajectum.

De reclassering heeft zich bij het advies van de psycholoog aangesloten en adviseert een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan als bijzondere voorwaarden te koppelen behandeling bij Trajectum, alsmede een meldplicht. Daarnaast wordt een contact- en locatieverbod met betrekking tot (het adres van) het slachtoffer geadviseerd in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, dan wel als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank kan zich verenigen met voornoemde conclusies en adviezen en acht het noodzakelijk dat verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde wordt behandeld, mede met het oog op vermindering van het recidiverisico. Alles afwegende acht de rechtbank voor de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden. Daarvan zal de rechtbank twee maanden voorwaardelijk opleggen, en stelt daarbij de bijzondere voorwaarde van een meldplicht en ambulante behandeling bij Trajectum of een soortgelijke zorginstelling. Daarnaast zal de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen, houdende een contact- en locatieverbod, om te voorkomen dat verdachte contact zal hebben met het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer].

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], wonende te[adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.211, 28 (twaalfhonderdelf euro en achtentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het onder 1 ten laste gelegde strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    schade aan een mobiele telefoon: € 244,00;

  • -

    schade als gevolg van verlies van verdienvermogen: € 217,28;

  • -

    immateriële schade: € 750,00.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk voor zover het de hiervoor genoemde materiële schade betreft. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Ten aanzien van dit deel van de vordering overweegt de rechtbank dat de schade aan de telefoon niet als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde kan worden aangemerkt. Voorts is onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij verlies van verdienvermogen heeft geleden.

Voor zover de vordering ziet op immateriële schade is de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering en is de vordering gegrond. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

8.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feiten 1 en 2 is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 38v en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

  • -

    bepaalt dat een gedeelte van de straf, groot twee maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, met een proeftijd van twee jaren, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde zich binnen 7 dagen volgend op de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland en zich blijft melden zo vaak en zolang de reclassering nodig acht;

  • -

    dat de veroordeelde zich laat behandelen voor de door het NIFP vastgestelde psychische problematiek bij Trajectum of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling c.q. behandelaar zullen worden gegeven.

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • -

    beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

  • -

    legt op de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    beveelt de verdachte zich gedurende twee jaren niet op te houden aan [adres 2] of bij een opvolgend woonadres van [slachtoffer];

  • -

    beveelt de verdachte zich gedurende twee jaren te onthouden van contact met [slachtoffer];

  • -

    beveelt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen, met een maximum van twee maanden;

  • -

    beveelt dat de op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer], wonende te Kampen, aan de Tormentil 59, voor een deel van € 461,28 niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 750,00 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2014);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,00 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 15 dagen zal worden toegepast, met dien verstande dat de toegepaste hechtenis de verplichting tot schadevergoeding niet opheft;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden;

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Leentjes, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en mr. M. van Bruggen , rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.

Buiten staat

Mr. Leentjes en mr. Van Bruggen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina's uit het dossier van de regiopolitie IJsselland met registratienummer PL0400-2014090215. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina's van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. De bewijsmiddelen worden gebruikt voor de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Ten aanzien van feiten 1 subsidiair en 2.

Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] d.d. 18 september 20143, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Ik ken mijn ex-vriendje [verdachte] ongeveer 2 jaar via het uitgaan in Kampen. Ongeveer een jaar geleden in augustus heeft hij me voor de eerste keer mishandeld. Hij woonde toen nog in de [adres 3] in Kampen. Tijdens de verhuizing naar de [adres 4] hielp ik hem en was hij al een beetje gestrest. Hij ging helemaal door het lint toen er een tas van hem kapot ging. Ik zag dat hij mij aanvloog in de woonkamer en met gebalde vuist naar mij uithaalde. Ik voelde dat hij mij op mijn lip raakte. Dit deed pijn en ik zag bloed dat afkomstig was uit mijn lip. Ik zag dat hij mij daarna meerdere malen met gebalde vuist sloeg over mijn gehele lichaam. Ik probeerde mijn hoofd af te schermen met mijn armen. Ik ben toen ook op de grond gevallen. Ik voelde en zag dat hij mij nog een paar keer een trap op mijn lichaam

gaf.

In december 2013 was de volgende keer dat ik mishandeld ben door [verdachte]. We waren in zijn bovenwoning in de [adres 4]. Ik voelde dat hij mij weer met gebalde vuist sloeg in liet halletje. Ik voelde pijn voelde dat hij mij verder mij trok naar het keukentje. Ik zag en voelde dat hij mij daar in de keuken nogmaals sloeg met gebalde vuist op mijn rug (…) Ik zag dat [verdachte] een honkbalknuppel pakte die bij de tv stond en zag dat hij mij hiermee een keer op mijn rug sloeg. Dit deed erge pijn bij mij.

Gisteren 17 september 2014 (…) wilde ik naar zijn huis gaan (…). Ik kwam [verdachte] tegen op de scooter. Hij had tegen mij gezegd dat hij voor het uitzendbureau moest werken. Samen zijn we toen naar huis gegaan te Kampen en daar ik vroeg aan hem waarom hij niet aan het werk was. Hij voelde zich op zijn teentjes getrapt. Ik zag dat dat hij naar mij uithaalde met gebalde vuist. Een daarvan trof mijn voorhoofd en ik voelde pijn. Hierop begon ik ook tegen hem te schreeuwen. Ik voelde dat hij mij van achteren benaderde en mij met een arm van achteren wurgde. Ik voelde dat de greep erg strak was en ik kon geen lucht meer krijgen. Op een gegeven moment voelde ik dat hij losliet. Uit angst ben ik naar boven naar de slaapkamer gegaan, daar wilde ik nog spullen pakken. Ik zag dat [verdachte] ook naar boven kwam. Ik voelde dat hij mij weer van achteren in de wurggreep nam. Ik ben toen op de grond gevallen. Toen hij mij liet ik opstaan, zag ik dat hij weer naar mij uithaalde. Ik voelde dat hij mij vol op mijn lip raakte. Dit deed erge pijn. Ik zag dat er bloed uit mijn lip kwam. Vervolgens voelde ik dat hij mij weer in een wurggreep pakte. Dit incident deed zich voor tussen 13.00 uur en 13.30 uur.

Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage betreffende [slachtoffer]4, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

datum letsel: 17 september 2014

toedracht:

Volgens slachtoffer is zij op 17 september 2014 mishandeld door ex-vriend. Hij heeft haar de keel dichtgeknepen met zijn arm terwijl hij achter haar stond. Daarnaast heeft zij met de vuist klappen in haar gezicht gehad.

letselbeschrijving:

hoofd:

Rechts op voorhoofd zwelling met bloeduitstorting 5x5 cm met daarin een oppervlakkige bloeduitstorting van 0,5 x 3 cm, rood, scherp begrensd.

Rechter wang rode plek 4 x 5 cm niet scherp begrensd met daarin diverse krassen. Bloeduitstorting rechter wang 0,5 x 1 cm scherp begrensd en 3 cm lager bloeduitstorting 0,5 x 0,5 cm scherp begrensd.

Bovenlip rechts + huid erboven diepe bloeduitstorting en zwelling, blauw, 4 x 2 onscherp begrensd.

Onderlip rechts diepe bloeduitstorting en zwelling 2,5 x 1 cm, blauw, matig scherp

begrensd.

Op kin rechts onder de lip aantal gegroepeerde oppervlakkige bloeduitstortinkjes van de huid, rood. Linker wang 3 krassen. 2 evenwijdige krassen 4 â 5 cm vanuit kaakkopje (oor) richting kin. Rechts hiervan 1 kras ca. 2 cm vanuit kaakhoek in de richting van li mondhoek. Hieronder bloeduitstorting geringe blauwverkleuring huid, 1 x 1,5 cm.

Linker neusvleugel oppervlakkige huidbeschadiging, streepvormig, 0,5 cm.

hals:

In nek rechts achter streepvormig oppervlakkige bloeduitstorting, rood, 6 cm.

3 cm lager diepere bloeduitstorting, blauw, 1 x 1 cm met hierom heen nog 3

streepvormige oppervlakkige bloeduitstortingen van ca. 3 cm, rood van kleur.

Links achter in de nek, net onder de haargrens, bloeduitstorting 7 x 2,5 cm matig

scherp begrensd, rood van kleur.

Hieronder diverse krassen van de huid.

In hals rechts boven sleutelbeen gegroepeerde kleine puntbloedinkjes, rood, over

gebied 3 x 4 cm.

letsel past bij toedracht:

Het geconstateerde letsel kan passen bij de door slachtoffer aangegeven toedracht.

Een proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 1]5, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ergens na de zomervakantie van 2013 was ik in mijn woning aan de [adres 4] in Kampen. [slachtoffer] was toen ook bij mij. [verdachte] woonde in die tijd tijdelijk in dezelfde woning als ik. (…) Ik zag dat [slachtoffer] de keuken binnen kwam rennen. Ik zag dat [verdachte] hier achteraan kwam. Ik zag dat [verdachte] naar zijn kamer toe liep en even later weer terug kwam met een zilverkleurige metalen honkbalknuppel. Ik zag dat hij met de honkbalknuppel met kracht op haar rug sloeg. Vervolgens zag ik dat [verdachte] over [slachtoffer] bukte en zag ik dat [verdachte] met zijn beide gebalde vuisten, om en om, met kracht [slachtoffer] in het gezicht sloeg.

Op woensdag 17 september 2014 omstreeks 13.40 uur kwam ik in de [adres 5] te Kampen aan. Toen ik daar liep zag ik [verdachte] lopen met een tas in de hand. (…). Vervolgens zag ik dat [verdachte] weer naar zijn woning toeliep. Toen ik bij de woning aan kwam, zag ik [slachtoffer] staan voor de woning. Ik zag dat [slachtoffer] tranen in haar ogen had. Ik zag dat [slachtoffer] een hele dikke bovenlip had. Ik zag dat ze een bloeduitstorting in haar lip had. Ook zag ik dat ze een dikke bult met een rode kras erdoorheen op het midden van haar voorhoofd had. Ik zag dat ze striemen in haar nek had. Ik zag dat er bloed uit de striemen kwam. (…) Ik liep met [slachtoffer] mee. [slachtoffer] vertelde mij dat [verdachte] haar had geslagen en gewurgd.

Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2]6, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik ben de vader van [slachtoffer] [slachtoffer]. Ik kom hier om een verklaring af te leggen tegen [verdachte]. [verdachte] heeft haar meerdere keren mishandeld in het verleden. Van de mishandelingen zelf ben ik geen getuige geweest. Ik heb wel de verhalen van de mishandelingen gehoord van mijn dochter [slachtoffer] en ik heb tevens meerdere keren het toegebrachte letsel gezien nadat zij mishandeld was door [verdachte]. De eerste keer dat ik zag dat er iets met mijn dochter gebeurd was, was ergens halverwege vorig jaar, 2013. [slachtoffer] woont bij mij en kwam toen thuis met letsel. Ik zag toen zij binnen kwam lopen dat zij een blauw oog had en ik zag dat zij meerdere striemen had over haar gezicht.De striemen leken

mij op verwondingen die je oploopt, als je met kracht met de vlakke hand geslagen wordt. (…) Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat ze door [verdachte] de hele kamer door geslagen was en dat ze daardoor letsel had opgelopen aan haar oog en op haar gelaat.

Op een gegeven moment, ik denk ergens begin dit jaar (2014), was ik thuis met [slachtoffer]. Wij waren wat aan het stoeien en ik pakte [slachtoffer] voor de gein stevig vast met mijn handen. Ik omklemde haar stevig en had mijn handen op haar rug. Ik hoorde [slachtoffer] toen meteen zeggen dat dit erg pijn deed. Ik hoorde haar meerdere keren ‘au’ roepen. Ik had meteen door dat er iets met haar rug moest zijn. Ik zag haar op dat moment echt ineen trekken en het leek of zij een flinke pijnscheut had. Ik vroeg [slachtoffer] wat er aan de hand was en ik hoorde haar zeggen dat zij een paar dagen hiervoor ruzie had gehad met [verdachte] en dat tijdens die ruzie [verdachte] haar op haar rug met forse kracht had geslagen met een honkbalknuppel. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat dit nu, na een aantal dagen, nog steeds heel erg veel pijn deed. Ik vroeg

[slachtoffer] of ik haar rug mocht zien. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer] haar shirt optrok om

haar letsel te laten zien. Ik zag op haar rug een hele grote blauwe plek. Ik zag

dat deze plek liep van onder op haar rug, helemaal naar boven toe. Ik kon niet zien

dat het van een voorwerp geweest moest zijn, maar ik zag wel dat het een hele grote

blauwe plek was, die niet kon zijn ontstaan door alleen een klap met een hand.

De laatste keer dat [slachtoffer] mishandeld is, was vorige week woensdag, 17 september

2014. (…) Ik denk dat ik rond 14:00 uur naar [slachtoffer] belde. Ik hoorde haar toen aan de telefoon zeggen dat het weer zover was. Ik hoorde haar zeggen dat ze weer helemaal in elkaar geslagen was. (…) Ik denk dat [slachtoffer] omstreeks 16:00 uur thuis kwam. Ik schrok enorm hoe ze er toen uit zag. Ik zag dat haar lip helemaal opgezwollen was. Ik zag dat de rechter onderzijde van haar lip helemaal opgezet was en ik zag dat de lip helemaal blauw verkleurd was. Ik zag ook dat er een klein scheurtje in de lip zat en ik zag dat hier bloed uit kwam. Ik zag verder dat [slachtoffer] allemaal striemen had over de rechterzijde van haar gezicht. Ik zag dat het diepe rode striemen waren. (...) Ik hoorde haar zeggen dat [verdachte] haar geslagen had in haar gezicht, met de vuist en met grote kracht. Hij had haar dus met de volle vuist geslagen. Dit was ook heel goed zichtbaar op haar gezicht.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 december 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 17 september 2014 heb ik in Kampen ruzie gehad met [slachtoffer] [slachtoffer]. Ik heb haar toen geslagen.

1 P-v verhoor verdachte, pagina 22 procesdossier, onderaan.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 9 december 2014.

3 Pagina 80 e.v.

4 Pagina 85 e.v.

5 Pagina 102 e.v.

6 Pagina 106 e.v.