Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6786

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
08/125490-12 en 05/800298-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is al bijna vijftien jaar verwikkeld in een conflict met de gemeente. Hij heeft beledigende teksten/brieven over de oud- burgemeester van zijn gemeente verspreid en een oud- wethouder beledigd. Met de bewezen verklaarde uitingen heeft verdachte telkens de door wettelijke strafbepalingen bepaalde grens overschreden.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het conflict het persoonlijk leven van verdachte en zijn gezin ingrijpend beïnvloedt. De rechtbank maakt zich zorgen om de psychische toestand van verdachte. Vanuit dat oogpunt zou de door de psychiater geadviseerde klinische opname van verdachte wenselijk zijn. Gebleken is echter dat verdachte een klinische opname resoluut afwijst. De rechtbank ziet, mede gelet op de aard van de bewezenverklaarde delicten en het tijdsverloop sindsdien, thans geen aanleiding om klinische opname als bijzondere voorwaarde op te leggen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op, met als doel om verdachte een prikkel te geven zich niet opnieuw aan vergelijkbare strafbare feiten schuldig te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/125490-12 en 05/800298-13

Datum vonnis: 19 december 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 augustus 2014 en 5 december 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Hermelink en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.D. Onland, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking onder parketnummer 08/125490-12 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling;

feit 2: [slachtoffer 1] heeft beledigd.

De verdenking onder parketnummer 05/800298-13 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich schuldig heeft gemaakt aan smaad jegens [slachtoffer 2];

feit 2: [slachtoffer 2] heeft beledigd.

Voluit luidt de tenlastelegging onder parketnummer 08/125490-12 aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 31 december 2011,

te Bentelo, in de gemeente Hof van Twente,

een persoon genaamd [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk

dreigend met een door hem bestuurde personenauto, met (zeer) hoge snelheid

en/of (hevig) accelererend op genoemde [slachtoffer 1] (lopende op de Suetersweg),

toegereden en/of ingereden;

2.

hij op of omstreeks 31 december 2011,

te Bentelo, in de gemeente Hof van Twente,

opzettelijk beledigend een persoon genaamd [slachtoffer 1], in diens

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Vieze vuile hond"

en/of "Vuile klootzak", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking.

Voluit luidt de tenlastelegging onder parketnummer 05/800298-13 aan de verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2012 tot en met 19 november 2012

te Stroe, gemeente Barneveld, opzettelijk, door middel van verspreiding van

(een) geschrift(en) en/of door openlijke tentoonstelling, de eer en/of de

goede naam van [slachtoffer 2] heeft aangerand door telastlegging van een of

meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te

geven, immers heeft verdachte

- brieven en/of stukken verspreid bij buren van die [slachtoffer 2] (te weten aan de

[familie 1], [familie 2], mw. [naam 1], mw. [naam 2] en/of familie

[familie 3], met daarin (o.a.) woorden, zoals "oplichter", "liegen", "misbruik",

"oplichterspraktijk", "misleiding" en/of "besotemieteren", althans woorden van

gelijke aard of strekking (waarbij dan (akties van die ) [slachtoffer 2] werd

bedoeld) en/of dat verdachte "sluitende bewijzen heeft dat die burgemeester

(in zijn functie van burgemeester, dus niet als prive-persoon) de zaken op

heeft zitten lichten." en/of dat die [slachtoffer 2] leugens verspreidt en/of

- voor, althans in de nabije omgeving van de woning van die [slachtoffer 2] borden

geplaatst, met daarop de tekst "gemeente Hof van Twente de crimineelste

gemeente van Nederland mede met dank aan [slachtoffer 2] uit Stroe" en/of "Al is de

leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt hem wel";

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2012 tot en met 19 november 2012

te Stroe, gemeente Barneveld, opzettelijk beledigend [slachtoffer 2], bij

geschrift "oplichter" genoemd en/of heeft aangegeven dat die [slachtoffer 2] had

gelogen en/of misleid, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 08/125490-12 en de feiten 1 en 2 onder parketnummer 05-800298-13 wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5.1

De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 08/125490-12

5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 1], die wordt ondersteund door de bij politie afgelegde verklaring van [getuige]. Verdachte heeft verklaard dat hij op die bewuste avond [slachtoffer 1] en zijn vrouw voorbij is gereden en daarna met zijn auto is gekeerd. Gelet op de gespannen verhouding tussen verdachte en [slachtoffer 1] is het goed denkbaar dat [slachtoffer 1] en zijn vrouw vreesden dat verdachte hen wat aan wilde doen.

De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrij te spreken. Verdachte heeft uitdrukkelijk gesteld dat hij uitsluitend op het voor auto’s bestemde deel van de weg heeft gereden en zich niet op het rode gedeelte van de weg, de fietsstrook, heeft bevonden. Daarnaast stelt hij dat hij niet te hard heeft gereden en dat zijn auto, een diesel, niet erg snel kan accelereren. Hierdoor is er geen bedreigende situatie voor [slachtoffer 1] en zijn vrouw ontstaan. Van opzet gericht op de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is evenmin sprake geweest. Wellicht dat [slachtoffer 1] en zijn vrouw geschrokken zijn toen zij verdachte die avond zagen, maar van gegronde vrees is geen sprake.

5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor bedreiging met één van de in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven is vereist dat de bedreiging heeft plaatsgevonden onder zodanige omstandigheden dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou kunnen worden gegeven en dat het opzet van verdachte op het teweegbrengen van deze indruk was gericht.

De rechtbank gaat gelet op de inhoud van het dossier en de door verdachte afgelegde verklaringen ter zitting uit van het volgende.

Verdachte is op 31 december 2011 [slachtoffer 1] en zijn vrouw met de auto achterop gereden. Verdachte is hen voorbij gereden. In het voorbijrijden is er verbaal contact tussen [slachtoffer 1] en verdachte. Even verderop is verdachte gestopt, heeft hij zijn auto gekeerd en is hij weer teruggereden. [slachtoffer 1] en zijn vrouw bevonden zich op dat moment aan de zijkant van de weg. [slachtoffer 1] en zijn vrouw zijn, toen zij zagen dat verdachte zijn auto keerde, achter het hek van de wijnhandel, die zich aan de Suetersweg bevindt, gaan staan. Verdachte benadrukt dat hij - bij het terugrijden in de richting van [slachtoffer 1] - alleen over het zwarte gedeelte van de weg is gereden. Hij heeft naar eigen zeggen niet gereden op de roodgekleurde fietsstroken die zich aan de beide buitenzijden van de weg bevinden. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij, gelet op de korte afstand van het keerpunt tot de plek waar het echtpaar [slachtoffer 1] zich bevond, geen hoge snelheid heeft kunnen bereiken. Ook [slachtoffer 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte op het zwarte gedeelte van de weg reed en dat hij niet is uitgeweken naar de rode fietsstrook om hem te kunnen raken. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat verdachte op het zwarte gedeelte van de weg is blijven rijden.

De rechtbank oordeelt aan de hand van de hierboven genoemde omstandigheden dat er geen sprake is geweest van een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Sr. Nu voldoende is komen vast te staan dat verdachte gedurende het tegemoet rijden van [slachtoffer 1] op het zwarte weggedeelte is gebleven, (mede gezien de breedte van de rode fietsstroken zoals die op de foto’s die zich in het dossier bevinden te zien zijn) en nu het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat verdachte met hoge snelheid in de richting van [slachtoffer 1] reed is er onvoldoende wettig bewijs dat de bedreiging onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat daardoor bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees is ontstaan dat aan die bedreiging uitvoering zou kunnen worden gegeven.

Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 08/125490-12

5.4

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 1], die wordt ondersteund door de bij politie afgelegde verklaring van [getuige]. Verdachte heeft verklaard dat hij op die bewuste avond een woordenwisseling heeft gehad met [slachtoffer 1]. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde woorden heeft gebruikt.

De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrij te spreken. Verdachte heeft ontkend de in de tenlastelegging genoemde woorden te hebben gebezigd. De raadsman verwijst in dit verband naar hetgeen verdachte hierover verklaard heeft ter zitting van 29 augustus 2014.

5.5

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangever [slachtoffer 1], op 31 augustus 2011 heeft beledigd. De rechtbank acht de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring authentiek en betrouwbaar. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring die [getuige] bij de politie heeft afgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaring van [getuige] te twijfelen. Ter zitting van 29 augustus 2014 heeft verdachte verklaard op de bewuste avond een woordenwisseling te hebben gehad met [slachtoffer 1], waarbij hij “geen leuke woorden” heeft gebruikt. Hij heeft verklaard dat hij zich de exacte bewoordingen niet kan herinneren, maar gelet op de verstoorde verhouding van verdachte met [slachtoffer 1] en de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige] acht de rechtbank bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde woorden heeft gebruikt.

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05/800298-13

5.6

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 2], die wordt ondersteund door de brieven die zich in het dossier bevinden en de verklaringen van de buren van [slachtoffer 2].

De raadsman verzoekt de rechtbank primair om verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrij te spreken. Volgens verdachte zijn de gedragingen in de tenlastelegging onvoldoende duidelijk omschreven. In de dagvaarding worden slechts algemene termen gebruikt en is er derhalve geen sprake van een voldoende geconcretiseerde gedraging. Bovendien kan niet bewezen worden dat verdachte ruchtbaarheid heeft willen geven aan de door hem geformuleerde “telastelegging” nu verdachte niet is overgegaan tot publicatie in kranten of vlugschriften.

5.7

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de periode van 15 oktober 2012 tot en met 19 november 2012 brieven heeft verspreid bij buren van [slachtoffer 2], waarin hij [slachtoffer 2] in verschillende bewoordingen voor leugenaar uitmaakt. Daarnaast heeft hij in de nabije omgeving van de woning van [slachtoffer 2] borden geplaatst met beledigende teksten aan het adres van [slachtoffer 2] gericht.

Door als hierboven genoemd te handelen is [slachtoffer 2] in zijn eer en goede naam aangetast. De rechtbank is van oordeel dat in de tenlastelegging voldoende feitelijk is omschreven welke gedraging verdachte [slachtoffer 2] verwijt. Bovendien gaat het om duidelijk te onderkennen concrete gedragingen, zodat de rechtbank het verweer van de raadsman op dit punt verwerpt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte door de brieven te verspreiden bij de buren van [slachtoffer 2] en door borden in de omgeving van de woning van [slachtoffer 2] te plaatsen, aan de openbare weg en dus voor iedereen zichtbaar, het doel heeft gehad om ruchtbaarheid te geven aan zijn uitlatingen over [slachtoffer 2].

Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 05/800298-13

5.8

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar de aangifte van de heer [slachtoffer 2], die wordt ondersteund door de brieven die zich in het dossier bevinden.

De raadsman verzoekt de rechtbank primair om verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrij te spreken. Verdachte betwist uitdrukkelijk dat hij de heer [slachtoffer 2] opzettelijk heeft willen beledigen. Bovendien is de tenlastelegging feitelijk onvoldoende omschreven. Het woord “oplichter” heeft [verdachte] mogelijk gebruikt, teneinde deze eigenschap/kwalificatie aan [slachtoffer 2] toe te dichten. In de visie van verdachte heeft hij naar waarheid verklaard.

Subsidiair beroept de raadsman zich naar analogie op hetgeen is bepaald in lid 3 van artikel 261 Sr.

5.9

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte in de periode van 15 oktober 2012 tot en met 19 november 2012 brieven heeft verstuurd naar de heer [slachtoffer 2], waarin hij de heer [slachtoffer 2] oplichter noemt en zegt dat die [slachtoffer 2] heeft gelogen en misleid.

Door als hierboven genoemd te handelen is [slachtoffer 2] in zijn eer en goede naam aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de telastelegging feitelijk voldoende is omschreven, zodat de rechtbank het verweer van de raadsman op dit punt verwerpt. Van de uitzonderingsgrond als genoemd in artikel 266 lid 2 Sr. is geen sprake aangezien de rechtbank van oordeel is dat de uitlating van verdachte niet is gedaan in de context van een maatschappelijke discussie ter behartiging van een openbaar belang.

5.10

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 onder parketnummer 08/125490-12 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 2 onder parketnummer 08/125490-12, het sub 1 en sub 2 onder parketnummer 05/800298-13 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 08/125490-12

sub 2

hij op 31 december 2011, te Bentelo, opzettelijk beledigend een persoon genaamd

[slachtoffer 1], in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Vieze

vuile hond" en "Vuile klootzak".

Parketnummer 05/800298-13

sub 1.

hij in de periode van 15 oktober 2012 tot en met 19 november 2012

te Stroe, gemeente Barneveld, opzettelijk, door middel van verspreiding van

geschriften en door openlijke tentoonstelling, de eer en de goede naam van [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte

- brieven en stukken verspreid bij buren van die [slachtoffer 2] (te weten aan de

[familie 1], [familie 2], mw. [naam 1], mw. [naam 2] en familie

[familie 3], met daarin woorden, zoals "oplichter", "liegen", "misbruik",

"oplichterspraktijk", "misleiding" en "besodemieteren", (waarbij dan (akties van die)

[slachtoffer 2] werd(en) bedoeld) en dat verdachte "sluitende bewijzen heeft dat die

burgemeester (in zijn functie van burgemeester) de zaken op heeft zitten lichten." en dat

die [slachtoffer 2] leugens verspreidt en

- voor, althans in de nabije omgeving van de woning van die [slachtoffer 2] borden

geplaatst, met daarop de tekst "gemeente Hof van Twente de crimineelste

gemeente van Nederland mede met dank aan [slachtoffer 2] uit Stroe" en "Al is de

leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt hem wel";

sub 2.

hij in de periode van 15 oktober 2012 tot en met 19 november 2012

te Stroe, gemeente Barneveld, opzettelijk beledigend [slachtoffer 2], bij

geschrift "oplichter" genoemd en heeft aangegeven dat die [slachtoffer 2] had

gelogen en misleid.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 2 onder parketnummer 08/125490-12, sub 1 en sub 2 onder parketnummer 05/800298-13 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd aan dat een beroep moet worden gedaan op de uitzondering als bedoeld in artikel 261 lid 3 Sr dan wel dat de vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 EVRM aan strafbaarheid van het feit in de weg staat. De gemeente heeft in strijd met de waarheid een volstrekt onjuiste voorstelling van zaken gegeven, ook tegen derden. Gezien deze omstandigheden zijn de uitlatingen die door verdachte zijn gedaan in brieven, zoals vermeld in de tenlastelegging, een schreeuw om hulp en juist niet bedoeld om de eer en goede naam van bepaalde personen aan te tasten. Op grond hiervan dient verdachte te worden ontslagen van rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 261 lid 3 Sr of het ontbreken van strafbaarheid van het feit op grond van de vrijheid van meningsuiting.

De rechtbank overweegt hierover dat de waarheid van de verwijten van verdachte aan [slachtoffer 2] niet gebleken is en dat evenmin is gebleken dat het algemeen belang de telastelegging eiste. Of de uitingen van verdachte ook gezien kunnen worden als een schreeuw om hulp is dan verder niet relevant. Verdachte had voldoende andere mogelijkheden om, als hij wilde, zaken ter discussie te stellen of om hulp te vragen, maar hij koos er voor om aangever met naam en toenaam in het publieke domein te beschuldigen op een manier waardoor [slachtoffer 2] in zijn eer en goede naam werd aangetast. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de rechtvaardigingsgrond van artikel 261, derde lid, Sr zich niet voordoet en dat de beperking van de vrijheid van meningsuiting van verdachte noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de goede naam en rechten van een ander, zodat ook van schending van artikel 10 EVRM geen sprake is.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 261 en 266 Sr. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

08/125490-12 sub 2 en 05/800298-13 sub 2:

telkens het misdrijf: eenvoudige belediging;

05/800298-13 sub 1:

het misdrijf: smaad.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte is al bijna vijftien jaar verwikkeld in een conflict met de gemeente. De rechtbank heeft geconstateerd dat het conflict het persoonlijk leven van verdachte en zijn gezin ingrijpend beïnvloedt. Verdachte is nog steeds boos op de bij het conflict betrokken gemeentefunctionarissen. Hij heeft die boosheid onder meer uitgedragen door beledigende teksten/brieven over oud- burgemeester [slachtoffer 2] te schrijven en te verspreiden en door het beledigen van oud- wethouder [slachtoffer 1]. De rechtbank overweegt dat iedere burger het recht op vrije meningsuiting toekomt. Maar dat recht is niet onbegrensd en kan, gezien artikel 10 lid 2, EVRM onder meer worden beperkt ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Met de bewezen verklaarde uitingen heeft verdachte telkens die door wettelijke strafbepalingen bepaalde grens overschreden.


Bij de beslissing over de straf en/of maatregel, die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte opgemaakte psychiatrisch rapport d.d. 3 december 2014 van drs. P. Boksan. Verdachte heeft slechts gedeeltelijk meegewerkt aan het psychiatrisch onderzoek. Ondanks de beperkte onderzoekbaarheid van verdachte komt de psychiater tot de conclusie dat er sprake is van psychopathologie bij verdachte. Er lijkt sprake van aanwezigheid van forse persoonlijkheidspathologie (dwangmatige en antisociale trekken) bij een 45-jarige man, vastgelopen op verschillende levensterreinen

(relatieproblemen met zijn vrouw en de uithuisplaatsing van hun dochter, als ook toegenomen sociaal isolement). Zijn agressieregulatie is gestoord. Ook is de frustratietolerantie bij verdachte zeer laag. In diagnostische zin zijn een autistische stoornis en een waanstoornis niet uit te sluiten.

De psychiater adviseert om verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde verspreiding van brieven en geschriften aan [slachtoffer 2] als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank neemt deze conclusie over. Gelet op de samenhang tussen de aan verdachte tenlastegelegde feiten zal de rechtbank verdachte ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

Ten aanzien van de strafoplegging adviseert de psychiater om gezien de complexiteit van de casus en de forse beperkingen van dit psychiatrisch onderzoek, een klinische opname met observatie te overwegen met als doel verdieping van de psychiatrische diagnostiek en behandeling om het risico op herhaling te verkleinen. Ten aanzien van een juridische kader zou deze klinische opname met observatie en behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke strafdeel kunnen passen, maar dan moet verdachte wel mee willen werken.

De rechtbank constateert dat psycholoog drs. J.P.M. van der Leeuw zijn onderzoek niet goed heeft kunnen verrichten omdat verdachte niet is verschenen op gemaakte afspraken. De psycholoog vermoedt dat verdachte lijdt aan een psychiatrische stoornis, maar onthoudt zich van een diagnose vanwege het gebrekkige onderzoek. Hij stelt voor om de zaak opnieuw aan te houden zodat een volledig psychologisch onderzoek kan worden afgenomen.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de reclassering van

3 december 2014 van mevrouw J. Niekamp. Uit het rapport komt naar voren dat de reclassering zich onthoudt van een strafadvies. Objectief beschouwd zijn er volgens de reclassering zeker aanknopingspunten voor een toezicht, maar verdachte zal gezien de eerdere ervaringen met hem naar verwachting geen medewerking verlenen waardoor een toezicht praktisch beschouwd niet uitvoerbaar is.

De rechtbank maakt zich gelet op het voorgaande zorgen om de psychische toestand van verdachte. Vanuit dat oogpunt zou de door de psychiater geadviseerde klinische opname van verdachte wenselijk zijn. Het verkrijgen van goede diagnostiek en een passend behandelaanbod voor verdachte zouden hem mogelijk handvatten kunnen bieden om het conflict met de gemeente niet langer zijn leven te laten beheersen. Gebleken is echter dat verdachte een klinische opname resoluut afwijst. De rechtbank ziet, mede gelet op de aard van de bewezenverklaarde delicten en het tijdsverloop sindsdien, thans geen aanleiding om klinische opname als bijzondere voorwaarde op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte dient te worden opgelegd een geldboete van € 1.000,00. De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een voorwaardelijke straf op zijn plaats is. De rechtbank acht in dit verband een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend, met als doel om verdachte een prikkel te geven zich niet opnieuw aan vergelijkbare strafbare feiten schuldig te maken. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van drie jaar verbinden, gelet op de verwachting dat de conflicten van verdachte met de gemeente Hof van Twente - en aan de gemeente verbonden (ex-)functionarissen - niet op korte termijn zullen eindigen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08/125490-12 sub 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 08/125490-12 sub 2, het onder parketnummer 05/800298-13 sub 1 en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 08/125490-12 sub 2, en onder parketnummer 05/800298-13 sub 1 en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    08/125490-12 sub 2 en 05/800298-13 sub 2:

telkens het misdrijf: eenvoudige belediging.

05/800298-13 sub 1:

het misdrijf: smaad;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder parketnummer 08/125490-12 sub 2, en het onder parketnummer 05/800298-13 sub 1 en sub 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro);

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.M. Bordenga, voorzitter, mr. E. Venekatte en

mr. F.C. Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann-Herber, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.

Mr. Bordenga is wegens uitstedigheid niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente, cluster Midden met nummer PL05GB 2012000349. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 2 onder parketnummer 08/125490-12

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] 2 januari 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik liep op 31 december 2011 samen met mijn vrouw op de Suetersweg te Bentelo. Een auto passeerde ons. Ik zag dat de auto tot stilstand afremde. Ik zag dat er een manspersoon met zijn hoofd en een arm uit het raam kwam hangen. Ik herkende de mans als [verdachte]. Ik hoorde dat [verdachte] in mijn richting riep: “vieze vuile hond” en “vuile klootzak” Ik zag dat [verdachte] toen hij deze woorden schreeuwde, in mijn richting keek. Ik voelde mij hierdoor ernstig beledig en aangetast.

2.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Op 31 december 2011 liepen mijn man en ik op de Suetersweg in Bentelo. Ik hoorde dat een auto met piepende remmen voor ons stopte. Ik zag dat de bestuurder zijn autoraam naar beneden deed en ik hoorde een mansperoon schelden en schreeuwen. Ik herkende de stem als zijnde [verdachte]. Ik hoorde hem zeggen, Godverdomme [slachtoffer 1], vuile hond. Dit herhaalde hij diverse keren. Ik hoorde [verdachte] weer schelden: Godverdomme [slachtoffer 1], vuile klootzak gore hond, of woorden van gelijke strekking.

3.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 29 augustus 2014, inhoudende, zakelijk weergegeven,:

[slachtoffer 1] en ik hadden juist hiervoor een woordenwisseling gehad. .Ik kan zeggen dat het geen leuke woorden waren.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente, cluster Midden met nummer PL0500 2012124405. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1 onder parketnummer 05/800298-13:

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 12 december 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik doe aangifte van smaad, laster en belediging. De feiten spelen zich af tussen 15 oktober 2012 en 19 november 2012 in Stroe, gemeente Barneveld. Op 17 oktober 2012 ontving ik post van de heer [verdachte] met daarin de nodige stukken waarin ook grove beledigingen tegen mij gericht waren. Deze beledigingen waren gericht tegen mijn functie als publiek persoon als waarnemend burgemeester. [verdachte] had diverse kopies van mediaberichten begeleid met notities waarin woorden aan mij gericht waren als: “een lulzak, een leugenaar was [slachtoffer 2], een oplichter”. Enveloppen met dezelfde inhoud zond hij ook naar mijn naaste buren, te weten: [naam 2], [familie 1], [familie 2], mw. [naam 1], [familie 3].

Op maandag 22 oktober 2012 en woensdag 7 november 2012 ontving ik weer enveloppen met de nodige inhoud. Idem op vrijdag 9 november 2012 en op 12 november 2012. In deze poststukken worden aan mijn adres woorden gebezigd als “Oplichter, liegen, misbruik, oplichterspraktijk, misleiding en besodemieteren. Het laatste poststuk werd ook weer gezonden aan de eerder genoemde vijf buren.

Op zaterdag 17 november 2012 constateerde de huisarts mevrouw [naam 2] dat om 12.45 uur een bord met tekst als opschrift geplaatst werd in het plantsoentje grenzend aan mijn voortuin. Op 17 november 2012 om 16.15 uur constateerde mijn overbuurman genaamd de heer [familie 1] dat een tweede bord met tekst geplaatst werd. Op 19 november 2012 constateerde de heer [familie 1] wederom een bord met tekst. De opschriften op deze borden zijn respectievelijk:

“Gemeente Hof van Twente de crimineelste gemeente van Nederland mede met dank aan [slachtoffer 2] uit Stroe.”

“Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel.”

[verdachte] heeft mij kennelijk opzettelijk in mijn eer en goede naam aangerand.

2.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 29 augustus 2014, inhoudende, zakelijk weergegeven:

De voorzitter houdt mij voor of ik de geschriften (opgenomen op pagina 9 tot en met 19 van het dossier) over [slachtoffer 2] als bedoeld in sub 1 van de tenlastelegging heb verspreid. Ik antwoord hierop dat ik de brieven geschreven en bij buren in de bus heb gedaan. Er stond wat in over oplichtingspraktijken. Ook heb ik in de nabije omgeving van de woning van [slachtoffer 2] borden geplaatst met daarop de tekst “gemeente Hof van Twente de crimineelste gemeente van Nederland mede met dank aan [slachtoffer 2] uit Stroe.

Feit 2 onder parketnummer 05/800298-13:

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 12 december 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Ik doe aangifte van smaad, laster en belediging. De feiten spelen zich af tussen 15 oktober 2012 en 19 november 2012 in Stroe, gemeente Barneveld. Op 17 oktober 2012 ontving ik post van de heer [verdachte] met daarin de nodige stukken waarin ook grove beledigingen tegen mij gericht waren. Deze beledigingen waren gericht tegen mijn functie als publiek persoon als waarnemend burgemeester. [verdachte] had diverse kopies van mediaberichten begeleid met notities waarin woorden aan mij gericht waren als: “een lulzak, een leugenaar was [slachtoffer 2], een oplichter”.

Op maandag 22 oktober 2012 en woensdag 7 november 2012 ontving ik weer enveloppen met de nodige inhoud. Idem op vrijdag 9 november 2012 en op 12 november 2012. In deze poststukken worden aan mijn adres woorden gebezigd als “Oplichter, liegen, misbruik, oplichterspraktijk, misleiding en besodemieteren.

[verdachte] heeft mij kennelijk opzettelijk in mijn eer en goede naam aangerand.

2.

De verklaring van verdachte, gehouden ter zitting van 29 augustus 2014, zakelijk weergegeven, inhoudende als volgt.

De voorzitter houdt mij voor of ik [slachtoffer 2] bij geschrift oplichter heb genoemd of bij geschrift heb aangegeven dat [slachtoffer 2] had gelogen en misleid. Ik antwoord hierop dat ik de brieven heb geschreven. Er stond wat in over oplichtingspraktijken.

3.

De op pagina 9 tot en met 19 van het dossier opgenomen geschriften.