Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6765

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
C-08-153443 - HA ZA 14-150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conservatoir derdenbeslag. Beslaglegger betwist de door de derde-beslagene gedane verklaring (artikel 476a lid 1 Rv). De beslaglegger eist aanvulling ex artikel 477a lid 2 Rv. De rechtbank oordeelt dat de door de derde beslagene afgelegde (gerechtelijke) verklaring onvolledig en onjuist is. Derde-beslagene wordt veroordeeld tot betaling van het juiste bedrag aan de beslaglegger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/153443 / HA ZA 14-150

Vonnis van 24 december 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MALIE HOTEL B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

eiseressen,

advocaat mr. E.J. Elferink te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SANDTON HOTELMANAGEMENT INTERNATIONAL B.V.,

statutair gevestigd te Deventer en kantoorhoudende te Rheden,

gedaagde,

advocaat mr. C.C.H. Wiekeraad te Kampen.

Partijen zullen hierna [A] B.V. c.s. en Sandton genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] B.V. c.s. zijn eigenaar van een hotel gelegen aan de Maliestraat 2 en 4 te Utrecht. Sandton (voorheen: Sandton Hotelmanagement BV) en Sandton Malie Exploitatie BV (hierna: Sandton Malie) zijn dochtervennootschappen van Sandton Hotels BV, een hotelketen met hotels binnen en buiten Nederland.

2.2.

Op 5 april 2013 hebben [A] B.V. c.s. uit hoofde van de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 4 april 2013 ten laste van Sandton Hotels BV onder Sandton conservatoir derdenbeslag laten leggen op alle vorderingen, in het bijzonder ter zake van gelden en/of geldswaarden, die de beslagene op de derde-beslagene mocht hebben of uit een op heden reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, alsmede op aan de beslagene toebehorende roerende zaken die geen registergoederen zijn, die onder de derde-beslagene mochten berusten, zulks tot zekerheid van verhaal voor de vordering van [A] B.V. c.s., begroot op € 150.000,00.

2.3.

Bij het tussen [A] B.V. c.s. en Sandton Malie gewezen vonnis in kort geding van 9 augustus 2013 (zaaknummer: 2192444 UV EXPL 13-313) heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland het volgende beslist:

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt Sandton (Sandton Malie, toevoeging rechtbank) om, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis,

- de bedrijfsruimte, zijnde een hotelbedrijf, gelegen aan de Maliestraat 2 en 4 te Utrecht te ontruimen met de haren en het hare,

- de bedrijfsruimte (het hotel) in goed onderhouden staat met de daarin aanwezige inventaris aan [A] en Malie Hotel ter vrije beschikking te stellen,

- de exploitatie van het Malie Hotel aan de Maliestraat 2 en 4 te Utrecht, waaronder de goodwill, inventaris en de handelsnaam “Malie Hotel” te staken,

3.2.

veroordeelt Sandton tot betaling aan[A] en Malie Hotel van € 187.565,29,

3.3.

veroordeelt Sandton tot betaling aan [A] en Malie Hotel van € 45.752,54 per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat Sandton de hiervoor bedoelde bedrijfsruimte nog niet heeft ontruimd of ontruimd houdt, vanaf 1 augustus 2013,

3.4.

veroordeelt Sandton tot betaling aan [A] en Malie Hotel van € 10.083,32 per maand, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat Sandton de hiervoor bedoelde bedrijfsruimte nog niet heeft ontruimd of ontruimd houdt, vanaf 1 augustus 2013,

3.5.

veroordeelt Sandton tot betaling van € 915,05 per maand of gedeelte daarvan telkens over elke vanaf 1 augustus 2013 nog openstaande huurtermijnen, tot de dag der voldoening,

3.6.

veroordeelt Sandton tot betaling aan [A] en Malie Hotel van € 100,83 per maand of gedeelte daarvan telkens over elke vanaf 1 augustus 2013 nog openstaande pachttermijnen, tot de dag der voldoening,

3.7.

veroordeelt Sandton tot betaling van de proceskosten aan de zijde van aan [A] en Malie Hotel, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.375,21, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen acht dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreken waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de negende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

2.4.

Bij het tussen [A] B.V. c.s. enerzijds en Sandton Malie en Sandton Hotels BV anderzijds gewezen vonnis van 18 december 2013 (zaaknummer: 2067250 UC EXPL 13-7327) heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, voor zover hier van belang, het volgende beslist:

De kantonrechter:

Ten aanzien van Sandton Malie

5.1.

veroordeelt Sandton Malie tot betaling aan[A] ter zake van schadevergoeding uit hoofde van tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst van een bedrag van € 274.521,24 te verminderen met de inkomsten van [A] uit hoofde van het ter beschikking stellen van het gehuurde aan een derde over de periode van 9 augustus 2013 tot 9 februari 2014, alsmede tot betaling van de overige door [A] geleden schade nader op te maken bij staat;

5.2.

veroordeelt Sandton Malie tot betaling aan Malie Hotel ter zake van schadevergoeding uit hoofde van tekortkoming in de nakoming van de pachtovereenkomst van een bedrag van € 60.499,92 te verminderen met de inkomsten van Malie Hotel uit hoofde van het ter beschikking stellen van het gepachte aan een derde over de periode van 9 augustus 2013 tot 9 februari 2014, alsmede tot betaling van de overige door Malie Hotel geleden schade nader op te maken bij staat;

5.3.

veroordeelt Sandton Malie tot betaling aan Malie Hotel van € 11.231,24 ter zake van niet terugbetaalde aanbetalingen (verminderd met het aanwezige kasgeld en de aanwezige voorraden) en tot een bedrag van € 5.239,57 ter zake van omboekingschade;

5.4.

veroordeelt Sandton Malie tot betaling aan [A] c.s. van € 4.235,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

5.5.

veroordeelt Sandton Malie tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [A] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 3.372,71, waarin begrepen € 2.400,- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

2.5.

Op 30 december 2013 hebben [A] B.V. c.s. aan Sandton de grosse van het vonnis in kort geding van 9 augustus 2013 en het exploot van conservatoir derdenbeslag van 5 april 2013 laten betekenen. Daarbij is Sandton voorts aangezegd dat door voormelde titel en de betekening en bevel hiervan aan Sandton op 9 augustus 2013 het hiervoor vermelde beslag van rechtswege executoriaal is geworden.

2.6.

Op 10 januari 2014 heeft Sandton een verklaring derdenbeslag afgelegd, inhoudende dat Sandton uit hoofde van een rekening courant vordering aan Sandton Malie per 5 april 2013 een bedrag van € 19.734,58 is verschuldigd. Sandton heeft dit bedrag aan de deurwaarder voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[A] B.V. c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Sandton zal veroordelen:

(1) een schriftelijke en door haar ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen met inachtneming van hetgeen [A] B.V. c.s. in de dagvaarding hebben gesteld, van hetgeen zij van Sandton Malie onder zich heeft en/of aan Sandton Malie verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van Sandton Malie zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan Sandton Malie verschuldigd zal worden;

(2) nadat die verklaring door Sandton zal zijn afgelegd en door de rechtbank zal zijn bepaald hetgeen Sandton onder zich heeft en/of aan Sandton Malie verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding van Sandton Malie zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan Sandton Malie verschuldigd zal worden – tot het ter tenuitvoerlegging af- en overdragen aan [A] B.V. c.s. van zodanige gelden en/of goederen, voor zover deze niet overtreffen het totale bedrag dat [A] B.V. c.s. ingevolge het vonnis van 9 augustus 2013 van Sandton Malie te vorderen heeft; en in het geval, dat de rechtbank de buitengerechtelijke verklaring van Sandton onjuist mocht achten met veroordeling van Sandton in de kosten gevallen op de verbetering van haar verklaring;

(3) in de kosten van de procedure.

3.2.

Sandton voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vatbaar voor verhaal door derdenbeslag zijn de tegenwoordige goederen van de executieschuldenaar en de vorderingen die de executieschuldenaar uit ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen (artikel 475 Rv).

4.2.

De derde-beslagene is zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, op de voet van artikel 476a lid 1 Rv verplicht verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. De verklaring is een met redenen omklede opgave of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of dat uit een ten tijde van het beslag bestaande rechtsverhouding zal worden dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft. Deze verklaring geschiedt door het invullen van een daartoe bestemd formulier en strekt ertoe vast te stellen welke vorderingen door het beslag worden getroffen. De verklaring dient zoveel mogelijk vergezeld te gaan van tot staving dienende stukken.

4.3.

De beslaglegger is bevoegd de aldus afgelegde buitengerechtelijke verklaring geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen. Dit dient ingevolge artikel 477a lid 2 Rv te geschieden door de derde binnen twee maanden nadat hij zijn buitengerechtelijke verklaring heeft afgelegd, te dagvaarden en te vorderen dat hij (thans) in rechte (een gerechtelijke) verklaring doet en dat hij zal worden veroordeeld tot betaling of afgifte van hetgeen hij volgens de vaststelling van de rechter aan de beslaglegger zal toekomen.

4.4.

In het systeem van de wet is het derhalve zo dat de derde, indien met zijn buitengerechtelijke verklaring geen genoegen wordt genomen, op de voet van artikel 477a lid 2 Rv ten overstaan van de rechter een gerechtelijke verklaring zal dienen af te leggen. Deze verklaring wordt gedaan ter rolle, in de vorm van een akte of geïncorporeerd in de conclusie van antwoord. In het onderhavige geval ligt de gerechtelijke verklaring van Sandton besloten in diens conclusie van antwoord. Zij bestaat uit een herhaling van haar buitengerechtelijke verklaring, waarin Sandton volhardt.

4.5.

Bestrijdt de beslaglegger ook deze verklaring, hetgeen doorgaans bij repliek zal geschieden, dan is het de rechter die vervolgens de juiste inhoud ervan vaststelt. Onderwerp van het debat is daarmee de inhoud van de gerechtelijke verklaring. Daarbij rust op de beslaglegger de bewijslast van zijn stelling dat de verklaring onjuist is. Van de derde-beslagene wordt evenwel verlangd dat hij alle feitelijke gegevens verstrekt ter staving van zijn verklaring (zie: HR 25 maart 1994, NJ 1995/638). Ook de gerechtelijke verklaring dient derhalve tenminste te voldoen aan de eisen van artikel 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv (zie: Gerechtshof Den Haag 16 april 1996, NJ 1998/41).

4.6.

Aan hun vorderingen leggen [A] B.V. c.s., samengevat, ten grondslag dat de door Sandton op 10 januari 2014 afgelegde verklaring derdenbeslag onvolledig is. Volgens [A] B.V. c.s. heeft Sandton haar verklaring ten onrechte niet met gegevens en bescheiden onderbouwd. Bovendien, aldus [A] B.V. c.s., is de hoogte van het verschuldigde bedrag onjuist.

4.7.

Sandton voert als verweer dat de door haar afgelegde verklaring derdenbeslag wel degelijk juist is. Daartoe stelt Sandton dat de stand van de rekening courant vordering per ultimo maart 2013 € 245.624,86 was. Volgens Sandton dient op dit bedrag de volgende posten in mindering te worden gebracht: € 140.000,00 (exclusief rente € 8.827,78) ter zake van een door [naam] Investments BV (hierna: [naam]) verstrekte geldlening d.d. 1 november 2011, € 42.145,83 en € 9.916,67 vanwege een schriftelijke schuldverklaring d.d. 29 maart 2013 van Sandton Malie aan Sandton en € 25.000,00 voor juridische kosten uit hoofde van een brief van 28 maart 2013 van de huisadvocaat van Sandton Hotels BV aan Sandton Malie. Ter staving van haar verklaring verwijst Sandton naar productie B t/m E bij de conclusie van antwoord.

4.8.

Bij conclusie van repliek betwisten [A] B.V. c.s. (de hoogte van) het rekening courant saldo van € 245.624,86 op de grond dat dit saldo niet met stukken is onderbouwd dan wel is voorzien van een accountantsverklaring. Ten aanzien van de lening van [naam] betwisten [A] B.V. c.s. voorts dat Sandton de leensom aan Sandton Malie heeft doorgeleend. Volgens [A] B.V. c.s. was het overleggen van een bankafschrift daartoe voldoende geweest. Daarnaast betwisten [A] B.V. c.s. dat deze lening is opgenomen in de jaarrekening van Sandton Malie (2011) en dat het voor deze vennootschap nodig was om geld te lenen, nu zij geen verlies draaide. Bovendien was de lening, gelet op artikel 4.1 aanhef en onder d van de geldleningovereenkomst, per datum beslag niet opeisbaar. Voor zover moet worden aangenomen dat de lening wel aan Sandton Malie is verstrekt, dan is er ten onrechte geen rekening gehouden met de maandelijkse aflossingsverplichting vanaf 1 mei 2012. Ook de opgevoerde rentepost van € 8.827,78 is niet door Sandton onderbouwd, aldus [A] B.V. c.s.. Ten aanzien van de beweerdelijke bankgaranties van € 42.145,83 en € 9.916,67 betwisten [A] B.V. c.s. eveneens dat Sandton deze bedragen daadwerkelijk voor 5 april 2013 (datum beslag) aan de bank heeft voldaan. In dit verband verwijzen [A] B.V. c.s. naar hun productie 10 waaruit zou blijken dat kort na voormelde datum Sandton Malie een bedrag van € 163.000,00 aan Sandton heeft betaald, zodat de bedragen van € 42.145,83 en € 9.916,67 reeds zijn voldaan en dus niet door Sandton op het rekening courant saldo in mindering kunnen worden gebracht. Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 25.000,00 aan advocaatkosten. Volgens [A] B.V. c.s. blijkt wederom uit niets dat Sandton dit bedrag (voor 5 april 2013) heeft voldaan.

4.9.

Sandton heeft de stellingen van [A] B.V. c.s., zowel in de conclusie van dupliek als tijdens het pleidooi, niet gemotiveerd weerlegd. Daartoe overweegt de rechtbank dat de enkele verwijzing naar de – volgens Sandton: gedeponeerde, gecontroleerde en goedgekeurde – jaarrekening van Sandton Holding BV (als uiteindelijk 100% aandeelhouder) daarvoor onvoldoende is. Het had op de weg van Sandton gelegen om ter staving van haar (gerechtelijke) verklaring, voor wat betreft de rekening courant saldo en de lening van [naam], deze jaarrekening in het geding te brengen. Wat er verder ook zij van deze lening, is de rechtbank van oordeel dat ook het bedrag van € 140.000,00 in elk geval niet in mindering kan worden gebracht op de rekening courant saldo, nu – zoals blijkt uit artikel 4.1 aanhef en onder d van de geldleningsovereenkomst – dit bedrag ten tijde van het beslag niet opeisbaar was. Ten aanzien van de bankgaranties van € 42.145,83 en € 9.916,67 heeft Sandton evenmin onderbouwd dat deze bedragen ten tijde van de beslaglegging daadwerkelijk door haar ten behoeve van Sandton Malie zijn gesteld. Anders dan Sandton betoogt, volgt uit gemelde vonnis van 18 december 2013 niet dat deze bankgaranties door Sandton Malie correct zijn gesteld. Daarentegen blijkt uit rechtsoverweging 2.5 van dat vonnis dat het stellen van de onder 2.2 en 2.4 genoemde bankgaranties (€ 42.145,83 respectievelijk

€ 9.916,67, toevoeging rechtbank) niet heeft plaatsgevonden, hetgeen heeft geleid tot nader overleg tussen [A] en Sandton Hotels. Tot slot heeft Sandton ook niet aangetoond dat zij ten tijde van de beslaglegging advocaatkosten ten bedrage van € 25.000,00 bij Sandton Malie in rekening heeft gebracht. De door Sandton overgelegde brief van haar advocaat aan Sandton Malie van 28 maart 2013 bevat slechts de bevestiging dat de opdracht om Sandton Malie juridisch bij te staan is geaccepteerd, waarbij is afgesproken dat de door de advocaat te maken kosten voor bestede tijd en eventuele andersoortige kosten zullen worden gedeclareerd bij Sandton tot een maximaal te factureren bedrag van € 25.000,00 (inclusief BTW). [A] B.V. c.s. betogen terecht dat op basis van die brief niet kan worden vastgesteld dat Sandton dit bedrag voor Sandton Malie heeft betaald.

4.10.

De slotsom is dat de door Sandton afgelegde (gerechtelijke) verklaring onvolledig en onjuist is. De rechtbank zal derhalve uitgaan van een bedrag van € 225.890,28

(€ 245.624,86 minus het reeds betaalde bedrag van € 19.734,58), zijnde het bedrag waarvan [A] B.V. c.s. stellen dat dit tenminste door Sandton aan Sandton Malie is verschuldigd, tot betaling van welk bedrag Sandton zal worden veroordeeld.

4.11.

Sandton zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] B.V. c.s. worden tot op heden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 80,17

  • -

    griffierecht € 608,00

  • -

    salaris advocaat € 1.808,00 (4 punten x tarief € 452,00)

Totaal € 2.496,17

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Sandton tot betaling van een bedrag van € 225.890,28 aan [A] B.V. c.s.;

5.2.

veroordeelt Sandton in de kosten van de procedure, aan de zijde van [A] B.V. c.s. tot op heden begroot op € 2.496,17;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.