Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6709

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
ak_14 _ 2564
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding als gevolg van een onrechtmatig besluit op grond van titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:88 e.v., geldigheid: 2014-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/46

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2564

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. V.G.A. Kellenaar).

en

de Raad van Toezicht van Stichting OSG Hengelo, verweerder

(gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen).

Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 18 juli 2014 verweerder verzocht om vergoeding van schade.

Verzoeker heeft bij brief van 29 september 2014 de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die hij heeft geleden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], [naam] en [naam], bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (gepubliceerd in Staatsblad 2013/50) is op 1 juli 2013 in werking getreden. Door deze wet is, onder meer, titel 8.4 aan de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toegevoegd.

Het overgangsrecht is neergelegd in artikelen IV en V van voornoemde wet.

Artikel IV, eerste lid, van voornoemde wet bepaalt dat op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing blijft.

De voor het geschil relevante artikelen van titel 8.4 van de Awb luiden als volgt.

Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.

Artikel 8:89, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is.

2. Bij besluit van 30 juli 2013 heeft verweerder verzoeker ontslag verleend in zijn functie van directeur/bestuurder van de Stichting Openbare Scholen Gemeenschap Hengelo (hierna: stichting OSG Hengelo) per 1 november 2013. Het hiertegen gerichte bezwaar is

bij beslissing van 15 november 2013 ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 maart 2014, zaaknummers 13/2086 en 13/2615, het hiertegen gerichte beroep gegrond verklaard voor zover dat ziet op het ontslag. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar in zo verre vernietigd en het ontslagbesluit van 30 juli 2013 herroepen. Het hiertegen door verweerder ingestelde hoger beroep is ingetrokken.

Het verzoek om schadevergoeding heeft betrekking op gestelde schade, beweerdelijk veroorzaakt door het ontslagbesluit van 30 juli 2013. De gevraagde schadevergoeding bedraagt € 60.000,-.

3. De rechtbank dient ambtshalve te onderzoeken of zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

3.1.

Het ontslagbesluit van 30 juli 2013 is door de rechtbank herroepen. Hiermee staat de onrechtmatigheid van dit besluit vast. Dit besluit kan derhalve worden geduid als een beweerdelijke schadeveroorzakend besluit in de zin van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Er is voorts sprake van een besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter open staat.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in hoogste aanleg oordeelt over het (herroepen) ontslagbesluit. De rechtbank onderschrijft dit gedeelde standpunt. Gelet op het bepaalde in artikel 8:89, eerste lid, van de Awb is er alsdan geen competentiegrens.

3.3.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden vanwege het ontslagbesluit van 30 juli 2013.

4. Ten aanzien van het inhoudelijke geschil overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit zoekt de CRvB aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan

met dat besluit dat zij aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (uitspraak van

28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

Nu de verzoekschriftprocedure de ‘opvolger’ is van onder meer de procedure van schadevergoeding middels een zelfstandig schadebesluit, stelt de rechtbank zich op het standpunt dat de jurisprudentie over het zelfstandig schadebesluit onverkort van toepassing is op de verzoekschriftprocedure.

4.1.

Ten eerste vraagt verzoeker om vergoeding van de door hem gemaakte kosten

voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De door de rechtbank in haar uitspraak van 12 maart 2014, zaaknummers 13/2086 en 13/2615, toegekende proceskosten-veroordeling van € 974,- is ontoereikend om de door hem betaalde kosten voor rechts-bijstand te vergoeden, aldus verzoeker. In dat kader heeft verzoeker verwezen naar de hardheidsclausule, zoals opgenomen in artikel 2, tweede lid (de rechtbank leest: derde lid), van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Verzoeker heeft hierbij gesteld

dat de gefactureerde kosten voor rechtsbijstand € 78.559,77 bedragen en dat de helft van deze kosten ad € 40.000,- is toe te rekenen aan verweerder. De andere helft is toe te rekenen aan de raad van de gemeente Hengelo, aldus verzoeker.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat deze rechtbank in de genoemde uitspraak van

12 maart 2014, onder meer, heeft geoordeeld dat verweerder de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 974,- dient te vergoeden. De grondslag voor deze proceskostenveroordeling is artikel 8:75 van de Awb juncto het Bpb. Indien verzoeker zich niet kon verenigen met dit oordeel van de rechtbank, had het op zijn weg gelegen om zijn standpunt, inhoudende dat, vanwege bijzondere omstandigheden, de rechtbank de hardheidsclausule had moeten toepassen, middels een hogerberoepschrift voor te leggen aan de CRvB. Dit heeft verzoeker nagelaten zodat het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de te vergoeden proceskosten onherroepelijk is.

De rechtbank voegt hieraan toe dat, volgens vaste jurisprudentie, uit de plaats en strekking van artikel 8:75 van de Awb moet worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor een vergoeding van deze kosten via de weg van een verzoek om een zuiver schadebesluit is dan ook geen plaats (onder meer de uitspraak van de CRvB van 6 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY9651).

Vorenstaande betekent dat in de verzoekschriftprocedure van titel 8.4 van de Awb niet

om vergoeding van kosten van rechtsbijstand kan worden verzocht. De gevraagde schadevergoeding, bestaande uit de gemaakte kosten voor rechtsbijstand, wordt dan ook afgewezen.

Ter informatie van partijen voegt de rechtbank aan vorenstaande toe dat de gevraagde vergoeding van € 40.000,- onvoldoende is onderbouwd wat betreft de toerekening aan (de voorbereiding van) het onrechtmatige ontslagbesluit van 30 juli 2013, de noodzakelijkheid van die kosten en de verdeling van de kosten over verweerder en de raad van de gemeente Hengelo.

4.2.

Ten tweede verzoekt verzoeker om vergoeding van de immateriële schade,

meer specifiek reputatieschade. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat er sprake is

van reputatieschade heeft verzoeker verwezen naar een aantal krantenartikelen, een aantal brieven en e-mails van verweerder en een onheuse bejegening door verweerder, zowel voor als na het nemen van het ontslagbesluit. Verzoeker stelt dat deze schade € 10.000,- bedraagt.

De rechtbank overweegt als volgt.

De CRvB heeft in zijn uitspraak van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348, overweging 4.8, het navolgende overwogen.

“Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak van de Raad ook zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (uitspraak van 21 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC9247). Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (CRvB 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (CRvB 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067).”

De rechtbank onderschrijft het standpunt van verzoeker dat het ontslagbesluit van 30 juli 2013 diffamerend is, zeker in dit geval waar het gaat om een directeur/bestuurder van een openbare scholengemeenschap. De onrechtmatigheid en de toerekening daarvan aan verweerder staan vast. Met de krantenartikelen heeft verzoeker ook onderbouwd dat de diffamerende werking van het onrechtmatige besluit externe werking heeft gehad. Deze externe werking is evenwel niet van toepassing op de brieven, e-mails en de gestelde onheuse bejegening door verweerder.

Het diffamerende karakter van het ontslagbesluit is echter weggenomen door het gegronde beroep, herroeping van het ontslagbesluit en het niet handhaven van het ingestelde hoger beroep door verweerder. Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er schade aan de reputatie is toegebracht die vergoed dient te worden. Uit de overlegde stukken blijkt onvoldoende van onrechtmatig of onbetamelijk handelen van verweerder wat betreft zijn uitingen in de voorbereiding, bij het ontslagbesluit en nadien. Wat betreft de berichten in de pers dient in aanmerking te worden genomen dat aan de functie van directeur/bestuurder van een openbare scholengemeenschap een bepaalde mate van afbreukrisico inherent is.

De gevraagde vergoeding van reputatieschade wordt dan ook afgewezen.

4.3.

Ten derde verzoekt verzoeker om vergoeding van immateriële schade, meer specifiek psychische en emotionele schade. Verzoeker heeft in dit verband aangevoerd dat er sprake is van psychische en emotionele schade als gevolg van stress veroorzaakt door de juridische strijd waarin hij door toedoen van verweerder is terechtgekomen. Verzoeker stelt dat hij ontredderd is geraakt, zijn zekerheid en structuur weg zijn, er schaamte is, de weerstand verminderd is en slapen problematisch is geworden. Ter onderbouwing heeft verzoeker stukken van de bedrijfsarts en een medewerker van de Arbodienst in het geding gebracht. Verzoeker stelt dat deze schade € 10.000,- bedraagt.

De rechtbank verwijst allereerst naar de bij overweging 4.2 aangehaalde uitspraak van de CRvB van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348, overweging 4.8.

De rechtbank voegt hier het navolgende aan toe.

Dat er sprake is van een arbeidsgeschil en een (sterk) verminderd welbevinden is niet in geschil en wordt door de rechtbank onderschreven. De aanwezigheid van psychische en emotionele voor vergoeding in aanmerking komende schade is door verweerder wel bestreden. De bewijslast van deze schade ligt bij verzoeker. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker zijn stelling, dat er sprake is van psychische en emotionele schade die voor vergoeding in aanmerking komt, onvoldoende onderbouwd met medische stukken.

De gevraagde vergoeding van psychische en emotionele schade wordt dan ook afgewezen.

5. Het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade wordt afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.