Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6704

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
08/164516 / KG ZA 14-393
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding over dwangsommen met betrekking tot recht van overpad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 08/164516 / KG ZA 14-393

Vonnis in kort geding van 16 december 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, verder te noemen “[eiser]”,

advocaat mr. C.E. van Staveren,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, verder te noemen “[gedaagde]”,

advocaat mr. J.W. Both.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 november 2014 met negen producties

- de brief van [gedaagde] van 26 november 2014 met overlegging van vijf producties

- de brief van [eiser] van 26 november 2014, houdende de overlegging van productie 10

- de brief van [eiser] van 27 november 2014, houdende de overlegging van productie 11

- de brief van [gedaagde] van 28 november 2014, houdende overlegging van productie 6

- de mondelinge behandeling op 2 december 2014

- de pleitnota van [gedaagde], tevens voorwaardelijke eis in reconventie.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eiser] is eigenaar van een perceel in Kamperveen, dat kadastraal bekend is als gemeente IJsselmuiden [sectie en nummer]. Lokaal is het perceel bekend als [adres] te Kamperveen. [eiser] voert bedrijfsactiviteiten uit vanuit de opstallen op dat perceel. Het perceel dat ten opzichte van de [straat] ten zuidwesten van het perceel van [eiser] is gelegen, is eigendom van [gedaagde] en staat kadastraal bekend als gemeente IJsselmuiden [sectie en nummer]. Het betreft grond met onder meer een agrarische bestemming.

2.2

Op het perceel van [eiser] rust een erfdienstbaarheid ten behoeve van het perceel van [gedaagde] om te komen van en te gaan naar de [straat]. De erfdienstbaarheid is bij notariële akte gevestigd. Het betreft een geasfalteerd pad dat langs de erfgrens van het perceel van [eiser] loopt en ter hoogte van het toegangshek van [gedaagde] een haakse bocht maakt om uit te monden op het heersende erf.

2.3

In 2007 is een geschil ontstaan ten aanzien van deze erfdienstbaarheid. [gedaagde] heeft [eiser] gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] bij vonnis van 27 juni 2007 in het gelijk gesteld en voor zover van belang het volgende bepaald (hierna: de hoofdveroordeling):

‘7.1 gebiedt [eiser] om ongestoorde en onvoorwaardelijke toegang te verlenen op zijn dienend erf, ten behoeve van het heersende erf, door alle roerende goederen – meer in het bijzonder de in rechtsoverweging 2.3 genoemde twee betonnen palen, de coniferen haag, de bielsen, de daarachter/daaropliggende ongedefinieerde zaken en het dichtst bij het rijvlak staande boompje – van dat pad te verwijderen en verwijderd te houden;

7.2

verbiedt [eiser] om het dienend erf geheel of ten dele ter zake het recht van overpad af te sluiten of afgesloten te houden;

7.3

bepaalt dat [eiser] voor elke dag, een gedeelte daarvan daaronder begrepen, dat [eiser] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis met de bovengenoemde ge- en verboden in strijd handelt, een dwangsom verbeurt van EUR 500,- met een maximum van EUR 25.000,00;’.

Het vonnis is 4 juli 2007 aan [eiser] betekend.

2.4

Volgens het proces-verbaal van constatering van [naam], kandidaat gerechts-deurwaarder, bevonden zich op 17 oktober 2014 langs het hier in geschil zijnde pad roerende zaken (volgens de deurwaarder door [eiser] daar geplaatst), die een obstakel vormen in de uitoefening van de erfdienstbaarheid. Er stond een auto geparkeerd en over een lengte van tien tot vijftien meter lag bouwafval deels op de weg en deels in de berm. Verder bevonden zich een karretje met dakpannen en een blauwe rolcontainer bij het pad, die het maken van ‘de draai’ of het maken van een haakse bocht bemoeilijken dan wel onmogelijk maken.

2.5

[gedaagde] heeft de grosse van het vonnis van 27 juni 2007 van de rechtbank Zwolle-Lelystad opnieuw doen betekenen aan [eiser]. De gerechtsdeurwaarder heeft het hernieuwde bevel op 23 oktober 2014 op het adres van [eiser] achtergelaten. Daarbij is tevens bevel gedaan tot betaling van € 1.000,00 aan verbeurde dwangsommen.

2.6

Volgens het proces-verbaal van constatering van [naam] voornoemd van 30 oktober 2014 was sprake van belemmering van de erfdienstbaarheid. Er stonden twee auto’s in de berm geparkeerd en er lag bouwafval over een lengte van tien tot vijftien meter deels op de weg en deels in de berm.

2.7

De Belastingdienst heeft bij brief van 7 november 2014 aan [eiser] medegedeeld:

Op 31 oktober 2014 is door IJzerman Deurwaarders te Kampen, beslag gelegd op uw vorderingen op de Belastingdienst. Hierbij is door de beslaglegger de beslagvrije voet vastgesteld op € 0,00.

In verband met het gelegde beslag moet ik, voorzover u zelf geen openstaande schuld heeft bij de Belastingdienst welke ik kan verrekenen, uw voorlopige teruggaaf en eventuele andere teruggaven uitbetalen aan de beslaglegger.
(…)

3 Het geschil

3.1

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de bij vonnis van 25 juni 2007 (de rechtbank begrijpt: bij vonnis van 27 juni 2007) aan hem opgelegde dwangsommen op te heffen, dan wel de hoogte daarvan te verminderen tot nihil, althans tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

II. de invorderingsmaatregelen ongedaan te maken;

III. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van deze procedure, een bedrag aan nakosten daaronder begrepen.

3.2

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie voorwaardelijk, in het geval dat bij de beoordeling van de vordering in conventie wordt geoordeeld dat in het bestek van het kort geding niet vaststaat dat dwangsommen zijn verbeurd, - kort gezegd - nadere omschrijving van het gebod als bedoeld in het kort geding vonnis van 27 juni 2007 gevorderd met verhoging van dwangsommen, alsmede veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.3

[eiser] heeft de afwijzing van de voorwaardelijke vordering in reconventie bepleit.

4 De beoordeling

In conventie

4.1

Ingevolge artikel 611d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. [eiser] heeft niets gesteld waaruit in dit kort geding kan worden aangenomen dat hij blijvend of tijdelijk, geheel of gedeeltelijk niet in staat is te voldoen aan de hoofdveroordeling. Van die onmogelijkheid is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. De conclusie is dan ook dat er geen grond is komen vast te staan waarop een veroordeling als gevorderd in het petitum van de dagvaarding onder I., kan worden toegewezen.

4.2

[eiser] heeft voorts gevorderd dat ‘de invorderingsmaatregelen ongedaan worden gemaakt’. Ter zitting heeft [eiser] de grondslag van deze vordering aangevuld, op grond waarvan deze vordering door de voorzieningenrechter wordt aangemerkt als een vordering tot opheffing van executoriaal beslag. Uit de brief van de Belastingdienst van 7 november 2014 blijkt dat er beslag is gelegd op de voorlopige teruggaaf en eventuele andere teruggaven. Vastgesteld wordt dat andere stukken met betrekking tot dit beslag ontbreken.

4.3

Bij een vordering tot opheffing van executoriaal beslag heeft de executierechter slechts een beperkte taak. De vraag of daadwerkelijk dwangsommen zijn verbeurd dient door de executierechter vol te worden getoetst, waarbij de bewijslast rust op de executerende partij. Voor het overige zal de executierechter slechts in de executie mogen ingrijpen indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid (vgl. HR 22 december 2006, NJ 2007, 173).

4.4

[eiser] heeft zich vooreerst op het standpunt gesteld dat hij geen betaling van dwangsommen is verschuldigd, nu deze vordering tot betaling is verjaard.
De voorzieningenrechter kan [eiser] daarin niet volgen. Volgens artikel 3:324, eerste lid, BW verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een vonnis door verloop van twintig jaar – kort gezegd – na de dag van de uitspraak. [gedaagde] is dus nog altijd bevoegd het vonnis uit 2007 te executeren, ook wat betreft de dwangsommen. Voor zover [eiser] bedoelt dat sprake is van in 2007 verbeurde dwangsommen kan dit evenmin leiden tot enig gevolg. Deze liggen immers niet ten grondslag aan het onderhavig beslag.

4.5

Thans is ter beoordeling of sprake is van een overtreding van de hoofdveroordeling als gevolg waarvan [eiser] dwangsom(men) is verbeurd. Anders dan [gedaagde] stelt, is de enkele constatering door de deurwaarder dat sprake is van overtreding, onvoldoende om te oordelen dat een dwangsom is verbeurd. Het komt aan op wat (in dit geval) door de deurwaarder is waargenomen. Vervolgens is het aan partijen – en in geval van een geschil bijvoorbeeld aan de rechter – om te oordelen of sprake is van overtreding van de hoofdveroordeling. De deurwaarder heeft zijn waarnemingen verbaliseerd als vermeld onder overwegingen 2.4 en 2.6. Die waarnemingen zijn vastgelegd met behulp van een camera en de gemaakte foto’s zijn in het geding gebracht. Zij zijn door [eiser] ook niet bestreden, zodat de voorzieningenrechter van deze waarnemingen uit zal gaan.

4.6

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit hetgeen door de deurwaarder is geconstateerd en de foto’s van 17 oktober 2014 blijkt dat het aanwezige puin [gedaagde] hindert om te komen en te gaan vanaf de Wendigedijk naar zijn perceel, waarbij het met name voor grote tractors, die klei en compost brengen ter cultivering van zijn grond, problematisch is om het pad te begaan. Daarvoor ligt het puin te dicht en deels zelfs op het geasfalteerde pad, hetgeen ook blijkt ook uit de eerste foto die bij productie 2 door [gedaagde] is overgelegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee sprake van overtreding van het gebod ongestoorde en onvoorwaardelijke toegang te verlenen. Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd.

4.7

Vervolgens heeft [eiser] bepleit dat [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft gebruik te maken van het overpad met tractors van een omvang zoals op de foto’s zijn te zien. Dat betoog kan [eiser] niet baten. Het mag zo zijn dat smallere voertuigen op eenvoudigere wijze van het pad gebruik kunnen maken, dat doet niet af aan de verplichting die op [eiser] rust om ongestoorde toegang te verlenen tot dat pad welke verplichting zich, gelet op het kort geding vonnis van 27 juni 2007, ook uitstrekt over (in de afgelopen decennia groter wordende) landbouwvoertuigen.
Overigens heeft [eiser] voor het aanwezig hebben van dat puin uitgerekend op het litigieuze overpad ook geen in redelijkheid te respecteren belang aangevoerd. Ter terechtzitting heeft [eiser] uiteengezet dat hij het puin te gelegener tijd wil aanwenden voor het aanbrengen van een keerwand ten behoeve van een aan te leggen parkeerplaats, maar daarmee is nog geen reden gegeven voor de aanwezigheid van dit puin langs het pad in plaats van op een grote stapel op een plaats waar [gedaagde] niet in zijn recht van overpad wordt gehinderd.

4.8

Nu de conclusie luidt dat [eiser] de hoofdveroordeling heeft overtreden door het aanwezig hebben van het bouwafval langs het pad, behoeven de overige constateringen geen bespreking. Door overtreding van de hoofdveroordeling is een dwangsomvordering ontstaan. In hetgeen [eiser] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen reden om het executoriaal beslag op te heffen. Van een situatie waarin [gedaagde] – mede gelet op de belangen aan de zijde van [eiser] – misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot executie is niet gebleken.

4.9

De slotsom is dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

4.10

[eiser] is de partij die in het ongelijk is gesteld en wordt daarom veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze zijn vastgesteld op € 282,00 voor griffierecht en € 816,00 voor salaris gemachtigde.

In voorwaardelijke reconventie

4.11

De voorwaarde waaronder de eis in reconventie is ingediend, is niet vervuld. De voorzieningenrechter is immers in het bestek van het kort geding tot het oordeel gekomen dat vaststaat dat [eiser] een dwangsom is verbeurd aan [gedaagde]. De vordering in reconventie behoeft dan ook geen bespreking.

5 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

In conventie

5.1

wijst de vordering af;

5.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op
€ 1.098,00;

In reconventie

5.3

verstaat dat deze vordering geen bespreking behoeft.

Aldus gewezen door mr. J.N. Bartels, voorzieningenrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 16 december 2014, in tegenwoordigheid van de griffier. (CT)