Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6682

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
ak_14 _ 2828
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omstandigheid dat verweerder de verbeurde dwangsommen hangende de procedure niet zal innen, staat los van het antwoord op de vraag of verweerder last onder dwangsom terecht heeft opgelegd; wel spoedeisend belang aanwezig bij verzoek om voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/2828

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in het geschil tussen

[verzoeker], te IJhorst, verzoeker,

gemachtigde: J. Benjamins,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder

gemachtigden: mr. R. Halfwerk en J. Popken.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2014 heeft verweerder verzoeker onder het opleggen van een dwangsom gelast de met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) strijdige situatie te beëindigen.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker is eigenaar van het perceel [naam 1] te IJhorst. Hij heeft verweerder op 12 augustus 2013 gevraagd om de op het perceel [naam 2] aanwezige schuur te mogen verplaatsen naar het perceel [naam 1]. Op 8 november 2013 heeft verweerder verzoeker laten weten dat hij niet bereid is hieraan medewerking te verlenen.

Op 3 februari 2014 heeft een toezichthouder van de Afdeling Samenleving vastgesteld dat er een schuur met overkapping op het betreffende perceel is gebouwd, zonder de benodigde omgevingsvergunning. Op 13 maart 2014 heeft verweerder verzoeker laten weten voornemens te zijn daartegen handhavend op te gaan treden. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hieromtrent kenbaar te maken; van die mogelijkheid heeft hij gebruik gemaakt op 28 maart 2014. Hierna heeft verweerder het primaire besluit van 14 juli 2014 genomen. In dat besluit heeft verweerder verzoeker onder het opleggen van een last onder dwangsom gelast de met het bestemmingsplan strijdige situatie op zijn perceel te beëindigen. Verweerder heeft verzoeker daarbij voor de keuze gesteld de paardenstal zodanig te veranderen die voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen of hem te verwijderen en verwijderd te houden. Op uiterlijk 3 oktober 2014 moet verzoeker aan de last hebben voldaan. Heeft hij daar niet aan voldaan, dan verbeurt hij een dwangsom van € 1000,-- per week met een maximum van € 10.000,--. Op 19 augustus 2014 heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Op 7 november 2014 heeft verzoeker de rechtbank gevraagd het primaire besluit te schorsen.

3. Verweerder heeft betoogd dat van een spoedeisend belang geen sprake is, nu verzoeker anderhalve maand heeft gewacht met het indienen van zijn verzoek. Ook heeft verweerder te kennen gegeven niet over te zullen gaan tot het innen van de inmiddels verbeurde dwangsommen gedurende de bezwaarprocedure. Mocht verzoeker in beroep gaan tegen de nog te nemen beslissing op bezwaar, dan zal verweerder ook hangende die procedure niet tot inning overgaan.

De voorzieningenrechter volgt verweerder op dit punt niet. De omstandigheid dat verweerder de verbeurde dwangsommen hangende de procedure niet zal innen, staat immers los van het antwoord op de vraag of verweerder de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd.

4. Het perceel van verzoeker ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied” en heeft daarin de bestemming “Wonen-1”. Op het perceel bevindt zich de woning van verzoeker en de in geding zijnde schuur met overkapping. De schuur is gebouwd teneinde twee paarden te kunnen stallen en hooi op te slaan. De paardenstal is 50m2 groot en 3m hoog. De overkapping is 30m2 groot.

In artikel 38.1 van de planvoorschriften is onder andere bepaald dat gronden met deze bestemming bestemd zijn voor wonen, met de daarbij behorende gebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen.

De inhoud van een hoofdgebouw, inclusief aangebouwde of vrijstaande bijgebouwen mag ten hoogste 1100 m3 bedragen, waarbij de gezamenlijke inhoud van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan de inhoud van het bestaande hoofdgebouw.

Voor vrijstaande bijgebouwen en overkappingen geldt dat op het bouwperceel ter plaatse van de aanduiding “bijgebouwen” het aantal bijgebouwen niet meer mag bedragen dan één en de oppervlakte van een bijgebouw niet meer dan 200m2. De oppervlakte aan overkappingen bedraagt niet meer dan 50m2, maar niet meer dan de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt.

Van een bouwperceel mag niet meer dan 50% worden bebouwd.

De oppervlakte van de oorspronkelijke woning was 65m2. Het bijgebouw achter de woning, dat in 2010 is vergund, is 122 m2 groot. De uitbouw aan de zijkant van de woning is ca. 33m2 groot.

In artikel 38.5 van de planvoorschriften zijn de gebruiksregels opgenomen. Hierin is onder andere bepaald dat in overeenstemming met de bestemming is: het gebruik van gronden en gebouwen voor hobbymatige agrarische activiteiten, waaronder het houden van paarden, mits niet meer dan 75m2 van het bebouwde oppervlak voor deze activiteiten wordt gebruikt.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6. Als gevolg van de bouw van de paardenstal en overkapping wordt de maximaal toegelaten te bebouwen oppervlakte zoals opgenomen in het bestemmingsplan overschreden. Ook worden de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan overtreden, nu de bebouwde oppervlakte ten behoeve van het houden van paarden meer is dan de maximaal toegelaten 75m2.

Gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zoals dat luidde vóór 1 november 2014, viel het bouwwerk in geding niet onder de categorieën van gevallen waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, omdat het een oppervlakte heeft van meer dan 30m2.

Op 1 november 2014 is het Bor gewijzigd. Het bepaalde in artikel 2, derde lid, van Bijlage II is aangepast. Als gevolg hiervan kan op het perceel van verzoeker 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken vergunningvrij worden gebouwd. Verweerder heeft gemotiveerd betoogd dat verzoeker op zijn perceel al (meer dan) 150m2 aan bijgebouwen heeft gerealiseerd. Het maximum aan vergunningvrij op te richten bebouwing is derhalve al bereikt.

Ter zitting is door verzoeker betoogd dat van strijdigheid met het bestemmingsplan geen sprake is. Verzoeker heeft deze stelling niet kunnen onderbouwen, anders dan met het betoog dat toepassing kan worden gegeven aan de Notitie Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Gemeente Staphorst (KGO). Dit staat echter los van de vraag of het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan en komt aan de orde bij de beoordeling of het bouwwerk al dan niet kan worden gelegaliseerd.

Nu sprake is van strijd met het bestemmingsplan, en voor het bouwen van de paardenstal en overkapping een omgevingsvergunning vereist was en deze is aangevraagd, noch verleend, was verweerder bevoegd daartegen handhavend op te treden.

7. Verzoeker heeft aangevoerd dat de bouwwerken kunnen worden gelegaliseerd door toepassing te geven aan de KGO.

Op grond van deze notitie kan verweerder toestaan dat er tot maximaal 1500 m2 kan worden gebouwd, mits daar een passende compensatie voor wordt geboden. Verweerder wil daar niet aan meewerken, nu een deel van de stallen in gebruik is ten behoeve van het bedrijf van verzoeker, en de regeling niet bedoeld is bedrijfsontwikkeling te faciliteren. Voorts vindt verweerder de bebouwing niet passen in het open landschap.

Ter zitting heeft verzoeker benadrukt dat het onbegrijpelijk is dat verweerder de stal niet wil legaliseren door middel van het KGO, terwijl aanpassing van de schuur niet zou leiden tot een ander, meer open, aanzicht. Verzoeker is ook bereid daar daarvoor benodigde tegenprestatie te leveren.

Uit de gedingstukken en hetgeen gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard, blijkt dat verweerder niet gehouden is toestemming als bedoeld in het KGO te geven; het is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat verweerder een ruime beoordelingsvrijheid heeft, die de voorzieningenrechter slechts terughoudend mag toetsen.

Verweerder heeft betoogd dat het de paardenstal en overkapping hebben geleid tot een forse vergroting van de oppervlakte van bijgebouwen op een locatie die daarvoor minder geschikt is als gevolg van de ligging van de woning van verzoeker. Deze woning is de laatste woning aan de Heerenweg en markeert derhalve het begin van de bebouwing aldaar. De schuur leidt tot verdere verstening in het buitengebied, hetgeen verweerder niet wenselijk acht, mede gelet op de directe nabijheid van het Reestdal, dat verweerder als waardevol landschap kwalificeert.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het Bor zoals dat luidde vóór 1 november 2014 stond vergunningvrij bouwen op het perceel van eiser nog slechts in zeer beperkte mate toe. Het gewijzigde Bor heeft dat onmogelijk gemaakt. Hierin heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien het gehele bouwwerk te legaliseren.

8. Tot slot heeft verzoeker betoogd dat hij erop mocht vertrouwen dat hij de stallen kon bouwen, nu de voormalige wethouder uitlatingen van die strekking heeft gedaan.

Hoewel voorstelbaar is dat verzoeker als gevolg van de uitlatingen van de voormalige wethouder in de veronderstelling verkeerde dat zijn paardenstal zou kunnen worden gelegaliseerd, leidt dit niet tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden gebruik heeft mogen maken.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan aan de toezeggingen van een wethouder geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, nu het niet aan hem, maar aan verweerder als bevoegde bestuursorgaan, is om te beslissen. Daar komt bij dat verzoeker de bebouwing heeft gerealiseerd nadat verweerder hem bij brief van 4 november 2014 heeft laten weten niet te willen meewerken aan verplaatsing van de schuur op de Oude Rijksweg naar zijn woonperceel. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt het bouwen van een bouwwerk zonder de vereiste vergunning voor rekening en risico van de bouwer.

In deze omstandigheid heeft verweerder derhalve evenmin reden hoeven zien om van handhavend optreden af te zien.

9. Gelet op voorgaande overwegingen overweegt de voorzieningenrechter, voorlopig oordelend, dat het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding.

10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.