Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6657

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
C/08/160070 / HA RK 14-113 (sr)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Ongeval tussen racefietser en automobilist in Borne. Racefietser stelt automobilist en gemeente Borne aansprakelijk. Rechtbank wijst verzoek af. Aansprakelijkheidsvraag is te groot voor een (snelle) oplossing via een deelgeschilprocedure.

Voor het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag zal naar het zich laat aanzien (uitgebreide) bewijsvoering noodzakelijk zijn. Van een snelle beantwoording zal dan ook geen sprake kunnen zijn. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van deze deelgeschilprocedure.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 954
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 15
Wegenverkeerswet 1994 185
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019z
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/32
VR 2015/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: C/08/160070 / HA RK 14-113 (sr)

Beschikking van 15 december 2014

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

verder te noemen [verzoeker],

advocaat: mr. M.J. de Witte te Amersfoort

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Borne,

zetelend te Borne,

verder te noemen de gemeente,

advocaat: mr. M.A. Bosman te Rotterdam,

2. de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verder te noemen Achmea,

advocaat: mr. M.A. Bosman te Rotterdam,

3. de naamloze vennootschap

Generali Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen Generali,

advocaat: mr. R.A.I. Thuys te Diemen.

1 Het procesverloop

1.1

[verzoeker] heeft een verzoekschrift met producties ingediend ex artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

1.2

De gemeente en Achmea hebben een gezamenlijk verweerschrift met producties ingediend. Generali heeft ook een verweerschrift ingediend.

1.3

Bij brief van 10 november 2014 heeft Generali een aanvullende productie ingediend.

1.4

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 november 2014. Ter zitting zijn verschenen: [verzoeker] vergezeld van mr. M.J. de Witte en mr. G.M. Spinoza (buitengerechtelijk belangenbehartiger van [verzoeker]), namens de gemeente de heer W. Ott, de heer J.A. Wissink en de heer B.B.H. Nijhuis, vergezeld van mr. M.A. Bosman die tevens namens Achmea is verschenen en namens Generali is verschenen de heer H.R. van Melick, vergezeld van mr. R.A.I. Thuys.

1.5

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1

Op 16 juli 2013 heeft een ongeval plaats gevonden op de Bornsche Beeklaan te Borne, waarbij [verzoeker] en [naam] betrokken waren. [verzoeker] was met zijn racefiets net door een chicane in het fietspad gefietst en wilde de Bornsche Beeklaan oversteken. Er vond echter een aanrijding plaats met [naam], die met zijn auto over de Bornsche Beeklaan reed.

2.2

[naam] was ten tijde van het ongeval verzekerd bij Generali. Generali heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval niet erkend.

2.3

De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer en het onderhoud van de berm ter plaatse van het ongeval. De gemeente was ten tijde van het ongeval verzekerd bij Achmea. Achmea heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval evenmin erkend.

2.4

Tussen partijen bestaat verschil van mening over de vraag wie aansprakelijk is voor de gevolgen het ongeval.

3 Het deelgeschil

3.1

[verzoeker] verzoekt de rechtbank -kort gezegd- om, uitvoerbaar bij voorraad,

- te beslissen dat gemeente, Achmea en/of Generali volledig (hoofdelijk) aansprakelijk is/zijn voor de gevolgen van het ongeval dat hem op 16 juli 2013 is overkomen;

- de kosten van de rechtsbijstand van [verzoeker] te begroten op grond van hetgeen [verzoeker] in zijn verzoekschrift bij punt 72 heeft aangegeven en te beslissen dat de gemeente, Achmea en/of Generali in deze kosten wordt(en) veroordeeld.

3.2

[verzoeker] stelt daartoe dat hij op 16 juli 2013 niet kon zien of er verkeer van rechts aan kwam. Het zicht aan de rechterzijde van het hek van de chicane werd geblokkeerd door hoogstaand gras en/of onkruid. Deze strook met onkruid was minstens zo breed als de chicane en stond meters langs de weg. [verzoeker] heeft ook geen auto horen aankomen. Toen [verzoeker] met geringe snelheid de kruising opreed, kwam hij in botsing met de door [naam] bestuurde personenauto. Vervolgens is [verzoeker] gevallen en is hij met zijn rechterschouder op het asfalt terecht gekomen. [verzoeker] brak zijn rechterschouder en zijn arm was uit de kom. [verzoeker] is aan zijn rechterhand en -schouder geopereerd. Als gevolg van dit letsel heeft [verzoeker] blijvende beperkingen opgelopen. [verzoeker] stelt primair dat de gemeente jegens hem aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 lid 1 jo lid 2 jo lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW), omdat de Bornsche Beeklaan ten tijde van het ongeval niet voldeed aan de inrichtingseisen die aan een veilige weg mogen worden gesteld. De gemeente is op grond van artikel 15 lid 3 Wegenwet verplicht tot onderhoud van de berm. De gemeente is tekortgeschoten in het beheer en onderhoud van de berm. Subsidiair stelt [verzoeker] dat sprake is van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen en/of nalaten van de gemeente jegens hem.

De gemeente is voor de hieruit voortvloeiende schade aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW en Achmea op grond van artikel 7:954 BW. Daarnaast stelt [verzoeker] dat [naam] jegens hem aansprakelijk is op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet, omdat [naam], rijdend op een openbare weg, als eigenaar/houder van de auto betrokken is geraakt bij een verkeersongeval waardoor schade werd toegebracht aan [verzoeker], terwijl niet aannemelijk is dat het ongeval te wijten is aan overmacht. Op grond van artikel 6 WAM heeft [verzoeker] jegens Generali een eigen recht op schadevergoeding.

3.3

De gemeente, Achmea en Generali hebben de verzoeken van [verzoeker] gemotiveerd betwist. In het navolgende zal de rechtbank voor zover nodig nader op deze verweren ingaan.

4 De beoordeling

4.1

Het primaire verweer van de gemeente, Achmea en Generali is dat het verzoek van [verzoeker] zich niet leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure nu de door [verzoeker] aan zijn verzoek ten grondslag gelegde feiten niet vast staan. Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt.

4.2

Uit de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdenschade blijkt dat de ratio van de regeling is om partijen tijdens de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een instrument te bieden een rechterlijke beslissing te verkrijgen op een geschilpunt dat aan het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst in de weg staat. De rechtbank stelt daarbij voorop dat een geschil over de aansprakelijkheidsvraag, zoals thans aan de orde, een deelgeschil betreft.

4.3

Gezien de ratio van de deelgeschillenprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter vervolgens ingevolge artikel 1019z Rv te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van de minnelijke regeling kan leveren.

4.4

Partijen zijn op een groot aantal punten verdeeld over de feiten ten aanzien van het onderhavige ongeval. Zonder daarbij uitputtend te zijn, overweegt de rechtbank dat partijen het niet eens zijn over de hoogte van de begroeiing in de berm (aan de linkerzijde van [naam], aan de rechterzijde van [verzoeker]). Evenmin zijn partijen het eens over de breedte van de gemaaide strook tussen deze begroeiing en de Bornsche Beeklaan c.q. het fietspad waar [verzoeker] vandaan kwam. Ook twisten partijen over de ooghoogte van [verzoeker] op zijn racefiets, zowel in voorovergebogen racehouding als in enigszins opgerichte houding en over de snelheid waarmee [verzoeker] de Bornsche Beeklaan wilde oversteken. Daarnaast zijn partijen verdeeld over de ooghoogte van [naam] in zijn auto, de positie van Kuipers auto op de Bornsche Beeklaan en de snelheid waarmee [naam] reed. Ook verschillen partijen van mening over de vraag of de auto van [naam] zich reeds bevond op het kruisingsvlak op het moment dat [verzoeker] de rijbaan overstak.

4.5

Op grond van de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, kan de rechtbank op dit moment onvoldoende feiten, die van belang zijn voor het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag, vaststellen. Aan de schriftelijke verklaring van [naam] dat

hij in verband met de begroeiing ter plaatse [verzoeker] niet eerder heeft kunnen zien dan op het moment dat hij al met zijn auto op het kruisingsvlak was, kan gelet hierop thans geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, zoals [verzoeker] heeft betoogd. Voor het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag zal naar het zich laat aanzien (uitgebreide) bewijsvoering noodzakelijk zijn. Van een snelle beantwoording zal dan ook geen sprake kunnen zijn. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van deze deelgeschilprocedure. Het verzoek van [verzoeker] zal daarom op grond van het bepaalde in artikel 1019z Rv worden afgewezen.

4.6

Afwijzing van het verzoek als zodanig staat niet in de weg aan het begroten van de kosten op de voet van artikel 1019aa Rv. Daarbij dient de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.7

Voor de kosten van het deelgeschil maakt [verzoeker] in zijn verzoekschrift aanspraak op een bedrag van € 7.155,00 (27 uren x € 265,00, 6% kantoorkosten en 21% BTW). [verzoeker] heeft ter zitting een urenspecificatie overgelegd met een totale uurbesteding van 35,22 uren, maar heeft verklaard voor nu aan te willen haken bij de begroting zoals genoemd in zijn verzoekschrift. De gemeente, Achmea en Generali hebben bezwaar gemaakt tegen het aantal bestede uren en tegen het gehanteerde uurtarief.

4.8

Deze zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de omvang en complexiteit daarvan een beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee niet in overeenstemming. Voorts acht de rechtbank het gehanteerde uurtarief bovenmatig, nu uit de overgelegde urenspecificatie blijkt dat mr. L.C. Roelofs, kantoorgenoot van mr. De Witte, de meeste uren aan het onderhavige verzoek heeft besteed en niet is onderbouwd dat zij als een gespecialiseerd letselschadeadvocaat kan worden aangemerkt. De rechtbank acht het redelijk om het uurtarief te matigen tot € 220,00 en het aantal aan de zaak bestede uren tot 20 in totaal.

4.9

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten begroten op een bedrag van € 4.400,00 (20 uur x € 220,00) exclusief 6 % kantoorkosten en exclusief 21% BTW. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet tevens een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken.

5 De beslissing


De rechtbank:

- wijst het verzochte af;

- begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.400,00 exclusief 6 % kantoorkosten en exclusief 21% BTW.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.