Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:665

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
2494056 CV EXPL 13-11151
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betalingsregeling achterstallige ziektekostenpremie. Van eiseres mag als professionele organisatie, zeker gelet op de voor leken in het algemeen ingewikkelde financiële boekhouding rondom zorgverzekeringen, verwacht worden dat zij bij het sluiten van betalingsregelingen gespecificeerd duidelijk maakt welke vorderingen op haar verzekerde daarin wel en niet zijn begrepen. Derhalve wordt het verzoek tot veroordeling in de buitengerechtelijke en/of proceskosten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 2494056 CV EXPL 13-11151

Uitspraak : 11 februari 2014

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap Menzis Zorgverzekeraar N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Wageningen,

eisende partij, hierna ook wel Menzis te noemen,

gemachtigde: GGN Tijhuis & Partners te Almelo,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij, hierna ook wel [gedaagde] te noemen,

schriftelijk procederend.

1 procedure

1.1

Deze blijkt uit de navolgende stukken:

- de dagvaarding van 24 oktober 2013;

- de schriftelijke reactie van [gedaagde], ontvangen ter griffie d.d. 4 november 2013,

aangemerkt als conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de schriftelijke reactie van [gedaagde] d.d. 13 december 2013, aangemerkt als een conclusie van dupliek.

1.2

Het vonnis is bepaald op heden.

2 feiten

2.1

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist, het navolgende vast.

2.2

[gedaagde] is met Menzis één of meerdere zorgverzekeringsovereenkomsten aangegaan betrekking hebbende op de basisverzekering conform artikel 3 van de per 1 januari 2006 geldende Zorgverzekeringswet en/of aanvullende verzekering.

2.3

[gedaagde] heeft uit hoofde van voormelde overeenkomst aan door hem te betalen premie, voor zowel de hoofd- als de aanvullende verzekering over de maanden februari en maart 2013, een bedrag van € 252,38 onbetaald gelaten.

2.4

Bij brief van 2 mei 2013 heeft de gemachtigde van Menzis [gedaagde] een sommatie verstuurd om het openstaande bedrag van € 252,38 te voldoen binnen
14 dagen na datum brief met daarbij de aanzegging dat als er niet betaald werd, buitengerechtelijke kosten in rekening worden gebracht.

Voorts is in deze brief aan het eind opgenomen

“Menzis Zorgverzekeraar N.V. verstrekt over deze zaak geen inlichtingen ! “

2.5

[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

2.6

[gedaagde] heeft met Menzis vervolgens een betalingsregeling getroffen, welke is bevestigd door Menzis bij schrijven van 6 juli 2013 (door [gedaagde] bij conclusie van antwoord in het geding gebracht). In dit schrijven is het volgende opgenomen:

“Onderwerp

aanvraag gespreid betalen

Geachte heer [gedaagde],

U heeft ons gevraagd de openstaande vordering voor de premie van € 489,66 in delen te mogen betalen. Wij gaan akkoord met dit verzoek.

De afspraak:

  • -

    U betaalt in 9 keer elke maand een bedrag van € 48,99.

  • -

    U betaalt 1 maand een bedrag van € 48,75.

  • -

    Vanaf juli 2013 schrijven we deze bedragen automatisch van uw rekeningnummer […] af, tot u het hele bedrag heeft betaald.

  • -

    Als u een termijn van de gespreide betaling niet op tijd betaalt dan kunnen we de gespreide betaling stopzetten. Het nog te betalen bedrag moet u dan in een keer betalen. Heeft u nog vragen? […].”

3 geschil

3.1

de vordering:

Menzis vordert - zakelijk weergegeven - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 305,82, vermeerderd met de wettelijke rente over € 252,38. Tevens vordert zij veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Menzis baseert haar vordering op de vaststaande feiten waarop zij ter aanvulling het navolgende heeft aangevoerd. Omdat van [gedaagde] geen betaling viel te verkrijgen, zag Menzis zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. De

kosten daarvoor bedragen € 48,40 incl. btw en komen, evenals de op voorhand tot 14 oktober 2013 berekende wettelijke rente ad € 5,04, voor rekening van [gedaagde].

Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] dat hij met Menzis een betalingsregeling heeft afgesloten, wijst Menzis erop dat die regeling geen betrekking heeft op onderhavige vordering. Indien [gedaagde] ten aanzien van onderhavige vordering een betalingsregeling had willen treffen, had hij contact moeten opnemen met de gemachtigde van Menzis en niet met Menzis zelf. Zulks staat duidelijk vermeld in de brieven van de gemachtigde.

3.2

het verweer:

[gedaagde] erkent de hoofdsom verschuldigd te zijn. Hij stelt evenwel met Menzis een betalingsregeling te hebben getroffen waarbij hij in de veronderstelling verkeerde dat daarin alle achterstanden waren opgenomen. [gedaagde] wijst erop dat hij na de ontvangst van de brief van 2 mei 2013 geen brieven of verdere berichtgeving ter zake van de onderhavige vordering meer heeft ontvangen.

4 beoordeling

4.1

[gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de hoofdsom niet. Dat deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed. [gedaagde] zal tot betaling van het bedrag van € 252,38, vermeerderd met de wettelijke rente, tot 2 mei 2013 een bedrag van € 1,59, worden veroordeeld.

4.2

De vraag is vervolgens of [gedaagde] ook veroordeeld dient te worden in de buitengerechtelijke en/of proceskosten.

4.2.1

Bij beantwoording van die vragen gaat het erom of [gedaagde] heeft mogen begrijpen dat, ondanks het schrijven van de incassogemachtigde van 2 mei 2013 waarin staat vermeld dat Menzis over die vordering geen inlichtingen verstrekt, ook die vordering (ten bedrage van € 252,38 in hoofdsom) in de betalingsregeling, bevestigd bij schrijven van Menzis van 6 juli 2013, was begrepen.

4.2.2

Het gaat bij de uitleg van een overeenkomst, en derhalve ook bij de uitleg van de betalingsregeling als bevestigd bij schrijven van 6 juli 2013, om hetgeen partijen over een weer jegens elkander hebben verklaard en uit elkanders verklaringen hebben begrepen en mogen begrijpen.

De schriftelijke bevestiging van 6 juli 2013 is voor een verzekerde zoals [gedaagde] niet duidelijk. Er staat niet in gespecificeerd over welke periode de vordering ter zake van de premie voor een totale bedrag € 489,66 betrekking heeft. Van Menzis mag als professionele organisatie, zeker gelet op de voor leken in het algemeen ingewikkelde financiële boekhouding rondom zorgverzekeringen, verwacht worden dat zij bij het sluiten van betalingsregelingen gespecificeerd duidelijk maakt welke vorderingen op haar verzekerde daarin wel en niet zijn begrepen. [gedaagde] heeft kennelijk begrepen dat, ondanks de laatste zinsnede in het schrijven van 2 mei 2013, ook de in dat schrijven genoemde hoofdsom van € 252,58 te vermeerderen met de rente van € 1,59 tot 2 mei 2013, onderdeel van de betalingsregeling was. Nu iedere specificatie inde bevestiging van de betalingsregeling ontbreekt heeft [gedaagde] zulks ook mogen begrijpen. Dit brengt met zich mee dat, nu gesteld noch gebleken is dat de incassogemachtigde na 2 mei 2013 [gedaagde] opnieuw heeft gesommeerd tot betaling van dit bedrag over te gaan, door welke sommatie het [gedaagde] duidelijk had kunnen worden dat dit bedrag niet in de betalingsregeling was begrepen, de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden afgewezen.

4.3

Menzis zal als de het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5 De beslissing:

Veroordeelt [gedaagde] om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan Menzis te betalen een bedrag van € € 253,97, vermeerderd met de wettelijke rente over
€ 252,38 vanaf 3 mei 2013 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt Menzis in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

Wijst de overige vorderingen af.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen te Enschede door mr. E.W. de Groot, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 11 februari 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.