Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6642

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
ak_zwo_14_1984
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Weigering openbaarmaking concessieovereenkomst en leveringsakte aandelen Exploitatiemaatschappij Vliegveld Twente. Beroep gegrond. Weigering openbaarmaking leveringsakte onvoldoende gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2014-12-16
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2014-12-16
Wet gemeenschappelijke regelingen 23, geldigheid: 2014-12-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/1984

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Hart van Twente, te Oldenzaal, eiseres,

(gemachtigde: mr.drs. J. Glazenburg),

en

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om de concessieovereenkomst inclusief bijlagen, zoals deze op 26 september 2013 is getekend door het consortium Reggeborgh-Aviapartner enerzijds en de Gemeenschappelijke regeling Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente, zich noemende ‘Area Development Twente (hierna: ADT)’ anderzijds en de akte waarbij aandelen zijn geleverd aan Aviapartner (hierna: de leveringsakte), openbaar te maken.

Bij besluit van 30 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder besloten om de leveringsakte gedeeltelijk openbaar te maken.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit bij brief van 5 augustus 2014 beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [bestuurslid], bijgestaan door mr. Glazenburg. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Feitsma.

Overwegingen

1. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting een kopie van de aandelen-overeenkomst voor wat betreft het kapitaal van de Exploitatiemaatschappij Vliegveld Twente B.V. aan de rechtbank doen toekomen. Verweerder heeft hierbij verzocht om op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat alleen de bestuursrechter kennis zal mogen nemen van deze stukken.

De rechtbank heeft, conform het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013, gehandeld alsof het verzoek om beperking van de kennisneming is ingewilligd.

Bij brief van 15 oktober 2014 heeft eiseres de rechtbank toestemming verleend om mede op grondslag van het stuk ten aanzien waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht uitspraak te doen.

2. De rechtbank stelt voorop dat ADT een gemeenschappelijke regeling is, in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Volgens deze gemeenschappelijke regeling werken de provincie Overijssel en de gemeente Enschede samen met het oog op de herontwikkeling van het terrein van de voormalige luchtmachtbasis Twente ten behoeve van toekomstbestendige bestemmingen die een bijdrage zullen leveren aan de economie, ecologie en leefbaarheid van de regio.

Eiseres heeft op 31 januari 2014 met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking en toezending van de concessieovereenkomst met alle bijlagen, die op 26 september 2013 gesloten is tussen ADT en het consortium Reggeborgh Invest N.V. en de leveringsakte. De gesloten concessieovereenkomst heeft betrekking op de ontwikkeling en de exploitatie van de Luchthaven Twente en het bijbehorende bedrijventerrein voor een periode van 49 jaar.

3. Ten aanzien van het standpunt van verweerder, dat het geheimhoudingsbesluit van 24 mei 2013 in de weg staat aan openbaarmaking van de concessieovereenkomst overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 23, eerste lid, van de Wgr bepaalt dat het algemeen bestuur in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 10 van de Wob, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd, geheimhouding kan opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 23 van de Wgr moet worden aangemerkt als een uitputtende regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding, welke als bijzondere regeling voorrang heeft boven de Wob. De vraag of belangen als genoemd in artikel 10 van de Wob tot geheimhouding van een stuk kunnen leiden wordt beoordeeld in het kader van dat besluit. Nu ten aanzien van de concessieovereenkomst een geheimhoudingsplicht gold op grond van artikel 23 van de Wgr, stond deze aan de toepassing van de Wob in de weg.

De namens eiseres aangevoerde stelling dat het geheimhoudings-besluit niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen omdat niet voldaan was aan het quorum voor het nemen van een dergelijk besluit, is op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de rechtsgeldige totstandkoming van het geheimhoudingsbesluit.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het geheimhoudingsbesluit van 24 mei 2013 tevens betrekking heeft op de bijlagen bij de concessieovereenkomst. Uit onderdeel 2 van het besluit van 24 mei 2013 blijkt dat de bijlagen bij de concessieovereenkomst voor wat betreft de werking van dat besluit geacht moeten worden hiertoe te behoren.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het geheimhoudingsbesluit van 24 mei 2013 ook betrekking heeft op eventuele wijzigingen van de concessieovereenkomst van na deze datum. Duidelijk is immers dat de bedoeling van het geheimhoudingsbesluit is geweest dat de in dit besluit genoemde stukken geheim blijven. Niet nodig is dat iedere keer dat een wijziging plaatsvindt een nieuw geheimhoudingsbesluit wordt genomen.

Gelet hierop heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het geheimhoudingsbesluit van 24 mei 2013 in de weg staat aan openbaarmaking op grond van de Wob van de op 26 september gesloten concessieovereenkomst.

Het beroep, voor zover gericht tegen dit besluitonderdeel, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

4. Verweerder heeft geweigerd om de leveringsakte openbaar te maken, omdat de absolute weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob zich voordoet. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat openbaarmaking eveneens geweigerd kon worden op grond van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Wob.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

De rechtbank overweegt dat om een beroep te kunnen doen op het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, niet vereist is dat door de partij die de gegevens als bedoeld in deze bepaling aan het bestuursorgaan ter beschikking heeft gesteld, expliciet een beroep is gedaan op het vertrouwelijke karakter van deze gegevens. Voldoende is dat aannemelijk is gemaakt dat dit de klaarblijkelijke bedoeling is geweest. In dit geval is in het overleg tussen verweerder en de partijen met wie deze overeenkomst is gesloten expliciet overeengekomen dat de leveringsakte vertrouwelijk zou blijven.

Het voorgaande laat echter onverlet dat voor een geslaagd beroep op het bepaalde in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob vereist is dat sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens, als bedoeld in deze bepaling. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval geen sprake. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO5702) kunnen stukken met betrekking tot onderhandelingen tussen een bestuursorgaan en een andere partij niet als bedrijfs- en fabricagegegevens worden aangemerkt. De leveringsakte valt hiermee op een lijn te stellen.

De absolute weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob doet zich dan ook niet voor.

In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat de economische of financiële belangen van verweerder zich tegen openbaarmaking van de leveringsakte verzetten. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat het aanvankelijke plan om op het terrein van de voormalige luchtmachtbasis Twente een burgerluchthaven te realiseren geen doorgang zal vinden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat evenmin sprake is van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken personen dan wel van derden. De privacy van de bij de leveringsakte betrokken partijen is naar het oordeel van de rechtbank niet in geding, aangezien bij de gesloten overeenkomst enkel rechtspersonen betrokken zijn. Anders dan natuurlijke personen hebben rechtspersonen geen recht op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Ook overigens is niet gebleken dat een of meer van de betrokken rechtspersonen onevenredig benadeeld wordt door openbaarmaking van de leveringsakte.

De weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob doen zich dan ook niet voor.

De omstandigheid dat, naar verweerder heeft gesteld, sprake is van kabinetsplannen tot het instellen van een centraal aandeelhoudersregister, waardoor informatie als hier bedoeld slechts beperkt toegankelijk zal worden, kan, wat hiervan ook zij, evenmin leiden tot het oordeel dat verweerder openbaarmaking op grond van het thans geldende recht heeft mogen weigeren.

Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 5 maart 2014, voor zover hierbij geweigerd is om de leveringsakte openbaar te maken, te herroepen en verweerder op te dragen om de leveringsakte openbaar te maken.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de weigering om de leveringsakte openbaar te maken is gehandhaafd ;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,-- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, tot een bedrag van € 974,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.