Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6484

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
08/730238-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan een diefstal in vereniging met (bedreiging met) geweld en vernieling van een Ipad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar, plus een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/730238-14

Datum vonnis: 9 december 2014

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats] aan de [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 november 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. L.J. Speijdel, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet in vereniging met een ander of anderen een diefstal met (bedreiging met) geweld heeft gepleegd, dan wel al dan niet in vereniging met een ander of anderen huisvredebreuk heeft gepleegd;

feit 2: een iPad heeft vernield;

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 23 april 2014 te [plaats], gemeente Tubbergen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [adres 2] heeft

weggenomen een notebook (merk Dell) en/of een notebook (merk Acer) en/of een IPad met oplader en/of een hoofdtelefoon (merk Beats by dr. Dre), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) naar voornoemde woning is/zijn gegaan en/of tegen de wil van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] die woning heeft/hebben betreden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] (met kracht) heeft/hebben weggeduwd en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben bedreigd door een vuist te ballen en/of die vuist op te heffen en/of naar achteren te bewegen en/of daarbij die [slachtoffer 2] mondeling dreigend toe te voegen "je kunt er zo één krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen haar gezicht heeft/hebben geslagen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 23 april 2014 te [plaats], gemeente Tubbergen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning, gelegen aan de [adres 2] en in gebruik bij [slachtoffer 3] en/of diens gezin, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s) wederrechtelijk is binnengedrongen en/of, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich met zijn/haar mededader(s), althans alleen, niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 t/m 28 april 2014 te [plaats], gemeente [gemeente 2], althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een iPad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door deze iPad te buigen en/of stuk te slaan;

3. De vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 primair en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van de door verdachte in verzekering doorgebrachte tijd en met een proeftijd van twee jaren. De civiele vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dienen geheel te worden toegewezen, beide te vermeerderen met de wettelijke rente en telkens met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman stelt zich wat betreft feit 1 primair op het standpunt dat de diefstal van de in de tenlastelegging vermelde goederen bewezen kan worden verklaard, mede gelet op de bekennende verklaring op dat punt van verdachte, maar dat niet bewezen kan worden, dat verdachte daarbij geweld heeft gebruikt of met geweld heeft gedreigd. De raadsman is van oordeel dat de verklaringen van beide aangevers op belangrijke onderdelen zodanig van elkaar verschillen dat zij niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Voorts merkt de raadsman op dat de verklaring van [slachtoffer 2] deels ongeloofwaardig is, bijvoorbeeld daar waar [slachtoffer 2] verklaart dat verdachte alle goederen meenam en tegelijkertijd – met al die goederen in zijn hand of onder zijn arm - een gevechtshouding aannam.

Dat er letsel zou zijn in het gezicht van [slachtoffer 1], zoals zij in haar schriftelijke slachtofferverklaring heeft vermeld, is niet aannemelijk, aangezien de verbalisant, die aangeefster zeer kort na het gebeuren heeft gesproken, daar niets over heeft verklaard.

De raadsman is van mening dat feit 2 bewezen verklaard kan worden.

Wat betreft de op te leggen straf verzoekt de raadsman geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, aangezien dat zeer waarschijnlijk tot gevolg zal hebben dat verdachte zijn bedrijf moet sluiten. De raadsman verzoekt een taakstraf op te leggen.

Wat betreft de civiele vorderingen is de raadsman van oordeel dat het immateriële deel voor beide slachtoffers dient te worden gematigd tot € 500,= en dat in de vordering van [slachtoffer 2] de post “verloren uren” niet nader is toegelicht of onderbouwd, zodat de vordering voor dat onderdeel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 april 2014 te [plaats], gemeente Tubbergen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres 2] heeft

weggenomen een notebook (merk Dell) en een notebook (merk Acer) en een IPad met oplader en een hoofdtelefoon (merk Beats by dr. Dre), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte naar voornoemde woning is gegaan en tegen de wil van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die woning heeft betreden en vervolgens die [slachtoffer 2] heeft weggeduwd en die [slachtoffer 2] heeft bedreigd door een vuist te ballen en die vuist op te heffen en naar achteren te bewegen en daarbij die [slachtoffer 2] mondeling dreigend toe te voegen "je kunt er zo één krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en die [slachtoffer 1] met kracht tegen haar gezicht heeft geslagen;

2.

hij in de periode van 23 tot en met 28 april 2014 te [woonplaats], gemeente [gemeente 2], opzettelijk en wederrechtelijk een iPad, toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft vernield, door deze iPad te buigen en stuk te slaan;

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 312 (feit 1) en 350 (feit 2) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;



feit 2 het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte is met zijn mededader op 23 april 2014 naar de woning gegaan van [slachtoffer 3], die de door verdachte geleverde goederen niet had betaald. Aldaar aangekomen bleek [slachtoffer 3] niet thuis te zijn, maar waren ‘slechts’ diens zoon en dochter aanwezig.

Die afwezigheid heeft verdachte er echter niet van weerhouden om, als een “opgewonden standje” – zo beschrijft zijn mededader de gemoedstoestand van verdachte op dat moment - en tegen de wil van de aanwezige kinderen, de woning binnen te gaan. Daarbij heeft verdachte de zoon weggeduwd om zich toegang tot de woning te verschaffen, heeft hij de zoon bedreigd, goederen uit de woning meegenomen en bij het verlaten van de woning de dochter in haar gezicht geslagen.

De wijze waarop verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de woning hebben verschaft, alsmede het wegnemen van goederen uit die woning en het gebruik van en dreigen met geweld door verdachte, hebben op de slachtoffers – die niets te maken hebben met de transacties van hun vader en daarvoor niet verantwoordelijk zijn - een grote impact gehad, zo blijkt onder meer uit hun schriftelijke slachtofferverklaringen. Verdachte heeft met zijn actie een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van beide personen. Een dergelijke vorm van eigenrichting is onacceptabel. Ook de volstrekt zinloze vernieling van de door hem weggenomen iPad en de wijze waarop hij deze per post heeft teruggestuurd naar de slachtoffers rekent de rechtbank verdachte aan.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Omtrent verdachte is op 30 april 2014 een reclasseringsrapport opgemaakt door W.G.J. Kroeze. Bij de vaststelling van de op te leggen straf heeft de rechtbank ook acht geslagen op de inhoud van dat rapport.

Alles afwegend acht de rechtbank een straf als na te melden passend en geboden.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 2], wonende te [plaats] aan de [adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.071,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    verloren uren € 81,72

  • -

    vernielde iPad € 479,00

  • -

    ontvreemde hoofdtelefoon € 311,00

  • -

    immateriële schade € 1.200,00

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

De gestelde immateriële schade is voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade voor een deel van € 500,00 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag recht doet aan de ernst van het gepleegde feit en de impact die het heeft gehad op betrokkene. Voor het overige deel acht de rechtbank de post immateriële schade onvoldoende onderbouwd.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betreft de weggenomen en vernielde iPad acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, aangezien die iPad blijkens de bijgevoegde factuur is gekocht door de Stichting Good Choice, zodat niet vaststaat dat deze iPad aan [slachtoffer 2] toebehoorde.

De gestelde schade voor wat betreft de post ‘verloren uren’ acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Met betrekking tot de post ‘ontvreemde hoofdtelefoon’ heeft de rechtbank vastgesteld dat uit het ambtsedige proces-verbaal van 30 april 2014 (blz. 7) blijkt dat de weggenomen hoofdtelefoon (inclusief twee laptops en een toetsenbord) in overleg met de hulpofficier van justitie worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat deze hoofdtelefoon is of wordt teruggegeven aan betrokkene, zodat die schadepost niet vaststaat; in ieder geval is die post thans onvoldoende onderbouwd.

[slachtoffer 1], wonende te [plaats] aan de [adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.993,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank merkt daarbij op dat in kolom 4b van het ingevulde voegingsformulier als totaal bedrag is vermeld € 1.983,64 maar dat, gelet op de vier gevorderde posten, sprake is van een kennelijke telfout, aangezien het totaal van die vier posten € 1.993,64 bedraagt.

Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    beschadigde laptop € 425,00

  • -

    medicijnen € 15,16

  • -

    reiskosten € 53,48

  • -

    immateriële schade € 1.500,00

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost medicijnen is voldoende onderbouwd en aannemelijk, terwijl de opgevoerde schadeposten reiskosten en immateriële schade deels voldoende onderbouwd en aannemelijk zijn.

De opgevoerde schadepost immateriële schade is voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De rechtbank zal het gevorderde voor een deel van € 750,00 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag recht doet aan de ernst van het gepleegde feit en de impact die het heeft gehad op betrokkene. Voor het overige deel acht de rechtbank de post immateriële schade onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 818,64, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betreft de weggenomen laptop acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Het betreft een vier jaar oude laptop en er zijn onvoldoende gegevens bijgevoegd om een reële waarde van die laptop vast te kunnen stellen, zodat betrokkene voor die post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De gestelde gevorderde ‘reiskosten naar het Canisius College te Almelo’ zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als rechtstreekse schade, zodat betrokkene voor dat deel van die opgevoerde post niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partijen om hun stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partijen ten aanzien van deze schadeposten

niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij telkens de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 2 het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [plaats] aan de [adres 2], van een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2014;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit sub 1 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,00 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer 2], met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2], voor een deel van € 1.571,72

niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [plaats], [adres 2], van een bedrag van € 818,64, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2014;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit sub 1 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 818,64 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer 1], met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 16 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor een deel van € 1.175,--

niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, mr. G.J. Stoové en mr. C.C.S. Koppes, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014.