Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6440

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
Awb 13/2070
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1245, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat de gemeente Zwolle in 2013 onterecht een omgevingsvergunning heeft afgegeven ten behoeve van het Hardshock Festival bij de Wijthmenerplas in Zwolle. Het hardcore-festival, met jaarlijks ongeveer 7.000 bezoekers, veroorzaakt naar het oordeel van de rechtbank ontoelaatbaar veel geluidsoverlast voor omwonenden. De gemeente heeft daar bij het afgeven van de vergunning onvoldoende rekening mee gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0282
Milieurecht Totaal 2015/5976

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer : Awb 13/2070

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats 1], eiser,

gemachtigde: P.H.A. Steinmetz, rentmeester te Hattem,

en

Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,

verweerder,

Hardshock B.V.,

gevestigd te Zwolle, derde partij.


Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan van gronden, gelegen ten oosten van het perceel [adres 1] te Zwolle, ten behoeve van het evenement Hardshock Festival, dat op 17 april 2013 zal plaatsvinden.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 19 juli 2013, verzonden op 22 juli 2013, ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 30 augustus 2013 beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 2 december 2013 behandeld.

Bij brief van 14 januari 2014 heeft de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend. De rechtbank heeft op 28 januari 2014 advies ingewonnen bij de Stichting advisering bestuursrechtspraak. De StAB heeft op 21 maart 2014 een verslag als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb aan de rechtbank doen toekomen. Partijen hebben vervolgens hun zienswijze met betrekking tot het verslag naar voren gebracht.

Het beroep op 5 september 2014 wederom ter zitting behandeld.

Bij brief van 8 september 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat gebleken was dat de vergunninghouder ten gevolge van een administratieve fout niet in de gelegenheid was gesteld om als derde partij deel te nemen aan dit geding.

De rechtbank heeft vervolgens Hardshock B.V. te Zwolle in de gelegenheid gesteld om als derde partij deel te nemen aan dit geding. Hardshock B.V, hierna te noemen derde partij, heeft aangegeven dat zij van deze gelegenheid gebruik wenst te maken.

Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om een nadere zitting achterwege te laten.

Overwegingen

Eiseres woont aan de [adres 2] te Zwolle. De woning van eiseres is vrijstaand en is gelegen in het landelijke buitengebied van de gemeente Zwolle, in de nabijheid van de Wijthmenerplas. Het terrein bij de Wijthmenerplas is ingericht als recreatieterrein en is eigendom van de gemeente Zwolle.

Naast drie kleinere evenementen die in het jaar 2013 georganiseerd zijn op het terrein bij de Wijthmenerplas, is drie maal een grootschalig muziekevenement georganiseerd op dit terrein. Een van deze grootschalige muziekevenementen is het Hardshock Festival, dat op 27 april 2013 heeft plaatsgevonden. Het Hardshock Festival is een jaarlijks terugkerend evenement.

Tijdens het Hardshock Festival worden hardcore en aanverwante muziekstijlen ten gehore gebracht. Het Hardshock Festival telde in 2013 ongeveer 7.000 bezoekers. Op het terrein waren vijf podia opgericht.

Op 19 maart 2013 heeft verweerder op grond van artikel 2.2.2 van de Algemene plaatselijke verordening van Zwolle (hierna: APV) een evenementenvergunning verleend ten behoeve van het organiseren van het Hardshock Festival

Op 19 maart 2013 heeft verweerder op grond van artikel 4.1.6 van de APV een ontheffing verleend voor het gebruik van geluidsversterkende apparatuur tijdens het Hardshock Festival op 27 april 2013, van 12.00 uur tot 24.00 uur. Aan deze ontheffing is het voorschrift verbonden dat het equivalente geluidsniveau LAeq, op de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen, veroorzaakt door de activiteiten tijdens het festival, niet meer mag bedragen dan 85 dB(A)/95 dB(C).

Voorts heeft verweerder op dezelfde datum een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, ten behoeve van het evenement Hardshock Festival 2013, op 27 april 2013, hieronder begrepen het opbouwen en afbreken van de voorzieningen ten behoeve van het evenement, in de periode van 22 april tot en met 30 april 2013.

Eiseres heeft enkel tegen de verleende omgevingsvergunning rechtsmiddelen aangewend. De omvang van het geding is daarom beperkt tot de vraag of verweerder de omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan heeft mogen handhaven bij het bestreden besluit van 19 juli 2013.

De rechtbank stelt vast dat het muziekevenement ten behoeve waarvan de omgevingsvergunning is verleend thans geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden. Aangezien sprake is van een jaarlijks terugkerend evenement, dat ook in 2014 heeft plaatsgevonden, is aannemelijk dat de derde partij voor het in 2015 geplande evenement opnieuw een omgevingsvergunning nodig zal hebben. Vanwege de reële kans op herhaling van het evenement heeft eiseres dan ook belang bij de beoordeling van dit beroep. Voorts is de afstand van de woning van eiseres ten opzichte van de plaats waar het evenement plaatsvindt zodanig, dat eiseres als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het beroep is daarom ontvankelijk.

Ten tijde van het nemen van het besluit in eerste aanleg was het terrein bij de Wijthmenerplas te Zwolle, waarop het Hardshock Festival georganiseerd werd, gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Buitengebied Zwolle” (hierna: het bestemmingsplan). Op 11 juli 2013 is de beheersverordening “Buitengebied-Herfte, Wijthmen” (hierna: de beheersverordening) in werking getreden voor dit gebied.

Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder voor wat betreft het planologisch regime waarvan wordt afgeweken getoetst aan het bestemmingsplan. Bij het verweerschrift van 25 september 2013 en bij brief van 20 november 2013 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit getoetst had moeten worden aan de beheersverordening, omdat deze toen inmiddels in werking was getreden. Verweerder heeft het bestreden besluit evenwel niet gewijzigd, zodat de rechtbank dient te beoordelen of verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit terecht heeft getoetst aan het bestemmingsplan als zijnde het planologisch regime waarvan is afgeweken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit terecht heeft getoetst aan het bestemmingsplan, als planologisch regime waarvan wordt afgeweken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de omgevingsvergunning betrekking had op een evenement dat op 27 april 2013 heeft plaatsgevonden en ook zag op een periode van enkele dagen daarvoor en daarna, in verband met de opbouw en afbraak van voorzieningen ten behoeve van dit evenement. Na 30 april 2013, toen de voorzieningen op het terrein bij de Wijthmenerplas uiterlijk verwijderd hadden moeten zijn, was de omgevingsvergunning uitgewerkt. Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit dan ook terecht getoetst aan het planologisch regime zoals dit gold tijdens de periode waarop de omgevingsvergunning betrekking had. Dat er, zoals hiervoor is overwogen, vanwege het terugkerende karakter van dit evenement nog wel belang is bij de beoordeling van het beroep, kan aan hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het planologisch regime niet afdoen. Voor vernietiging van het bestreden besluit op deze grond bestaat dan ook geen aanleiding.

Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank in dit verband nog op dat toetsing aan de beheersverordening als planologisch regime niet tot een andere uitkomst van deze zaak kan leiden, aangezien de beheersverordening een conserverend karakter heeft en daarin de voorheen bestaande planologische situatie is vastgelegd.

Blijkens de plankaart, behorend bij het bestemmingsplan, hadden de gronden waarop het Hardshock Festival heeft plaatsgevonden de bestemming ‘dagrecreatie’. Op gronden waaraan deze bestemming was toegekend was het bepaalde in artikel 24 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) van toepassing.

Op grond van het bepaalde in artikel 24, lid A, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor ‘dagrecreatie’ aangewezen gronden bestemd voor intensieve dagrecreatie met de daarbij behorende lig- en speelweiden, vis- en zwemvijvers, zandstranden, dagcampings, bosstroken, paden, toegangswegen, parkeervoorzieningen en gebouwen voor dienstverlening, onderhoud en beheer.

Vast staat dat het gebruik van het terrein voor een grootschalig muziekevenement, zoals het Hardshock Festival, in strijd is met het eveneens in de planvoorschriften neergelegde verbod om de gronden in strijd met hun bestemming te gebruiken. Om dit muziekevenement toch op dit terrein te mogen organiseren was daarom een omgevingsvergunning nodig voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Op grond van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening slechts worden verleend:

1º met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2º in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3º indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Vast staat dat de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking geen mogelijkheid bieden om ten behoeve van het organiseren van dit muziekevenement af te wijken van het bepaalde in de planvoorschriften. De omgevingsvergunning kon dan ook niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1º, van de Wabo, worden verleend.

Verweerder heeft de omgevingsvergunning met toepassing van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, van de Wabo verleend. De algemene maatregel van bestuur die de gevallen aanwijst waarin met toepassing van deze bepaling kan worden afgeweken van een bestemmingsplan of beheersverordening is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Artikel 2.7 van het Bor bepaalt dat als categorieën planologische gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

In artikel 4, aanhef en onder 8, van bijlage II bij het Bor is bepaald dat voor verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, van de Wabo in aanmerking komt: het gebruiken van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder begrepen.

De rechtbank zal eerst nagaan of het op grond van deze bepaling maximaal toegestane aantal van drie evenementen per jaar waarbij wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens het bestemmingsplan in dit geval niet wordt overschreden.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat in 2013 naast de drie grootschalige muziekevenementen op het terrein bij de Wijthmenerplas ook drie kleinere evenementen hebben plaatsgevonden, namelijk de nieuwjaarsduik, op 1 januari 2013, de jeugdwielerronde van Zwolle, op 20 april 2013 en een crossloop, op 10 november 2013.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 13 april 2005 (LJN: AT3708) en van 3 maart 2010 (LJN:BL6212), kan gebruik van een terrein in strijd met de daaraan toegekende bestemming onder omstandigheden toch niet in strijd zijn met het bestemmingsplan, indien sprake is van kortdurend en incidenteel afwijkend gebruik van een terrein. Voor de beoordeling of al dan niet sprake is van dergelijk kortdurend en incidenteel afwijkend gebruik moeten naast de tijdsduur van een evenement tevens de intensiviteit van het gebruik en het al dan niet terugkerende karakter van een evenement in aanmerking worden genomen.

Voor wat betreft de nieuwjaarsduik is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van van het bestemmingsplan afwijkend gebruik. Recreatieve zwemactiviteiten zijn, ook als deze plaatsvinden op 1 januari, in overstemming met de aan dit terrein toegekende bestemming.

Voor wat betreft de jeugdwielerronde en de crossloop is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van gebruik dat afwijkt van de bestemming van het terrein. Naar het oordeel van de rechtbank vallen dergelijke sportieve evenementen niet onder de recreatieve bestemming die in het bestemmingsplan aan het terrein is toegekend. Nu voor deze beide evenementen evenwel sprake was van incidentele, kleinschalige activiteiten met een kortdurend karakter en met slechts geringe effecten voor omwonenden, is naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de jeugdwielerronde en de crossloop geen sprake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik.

Nu voor wat betreft de drie kleinere evenementen op het terrein bij de Wijthmenerplas geen sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik, wordt het maximale aantal van drie evenementen waarvoor jaarlijks met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 8, van bijlage II bij het Bor, een afwijking van het bestemmingsplan kan worden toegestaan in dit geval niet overschreden.

Vast staat dat de derde partij de ten behoeve van het Hardshock Festival op het terrein gebouwde podia niet uiterlijk op 30 april 2013 heeft afgebroken, maar deze op het terrein heeft laten staan, zodat deze gebruikt konden worden voor het muziekfestival Fusion of Dance, dat op 20 mei 2013 op dit terrein heeft plaatsgevonden.

Uit de stukken die zich in het dossier bevinden kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet worden afgeleid dat verweerder voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning reeds wist dat de derde partij van plan was om de podia op het terrein te laten staan voor Fusion of Dance, op 20 mei 2013. Nu niet gebleken is dat verweerder hiermee bekend was, kan niet worden geoordeeld dat in dit geval uitgaande van de aangevraagde situatie sprake was van een evenement met een duur van langer dan vijftien dagen, inclusief de tijd die gemoeid is met het opbouwen en afbreken van de voorzieningen, waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 8, van bijlage II bij het Bor, geen omgevingsvergunning kan worden verleend.

Dat de derde partij de podia na afloop van het evenement feitelijk niet heeft verwijderd is een handhavingskwestie, die in het kader van de beoordeling van dit beroep niet voorligt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om met toepassing van artikel 12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van dit evenement. Het betoog van eiseres dat hiervoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk was, slaagt dus niet.

De rechtbank stelt vervolgens voorop dat verweerder in het kader van de beoordeling of een omgevingsvergunning diende te worden verleend alle betrokken ruimtelijk relevante belangen op zorgvuldige wijze tegen elkaar diende af te wegen. Deze afweging is een andere dan de belangenafweging in het kader van de beoordeling van de aanvraag om verlening van een evenementenvergunning en een geluidsontheffing op grond van de APV.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich bij de afweging van de betrokken ruimtelijke belangen terecht niet heeft beperkt tot de beoordeling of de aangevraagde omgevingsvergunning past binnen het gemeentelijk evenementenbeleid. Zo is in het bestreden besluit onder meer aandacht besteed aan de verkeersgevolgen van het evenement, aan de gevolgen van het evenement voor in de nabijheid van het terrein broedende vogels, aan geluidsoverlast en aan overige overlast voor omwonenden.

Bij het vergaren van de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de bij een dergelijk evenement betrokken belangen mag verweerder in beginsel uitgaan van de informatie die verweerder door middel van eigen onderzoek redelijkerwijs kan verkrijgen. Indien sprake is specifieke persoonlijke omstandigheden bij een of meer belanghebbenden ligt het op de weg van deze belanghebbende om deze persoonlijke omstandigheden zelf kenbaar te maken aan verweerder, zodat verweerder hiermee in het kader van de afweging van alle betrokken belangen rekening kan houden.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat voorafgaand aan het nemen van het gehandhaafde besluit een inventarisatie door [natuuradviesbedrijf] natuuradvies (hierna: [natuuradviesbedrijf]) heeft plaatsgevonden van de nestlocaties van vogels in de omgeving van het terrein waar het Hardshock Festival wordt gehouden. Langs de waterkant van de Wijthmenerplas zijn in de aanwezige rietkragen vier nesten in aanbouw van meerkoeten aangetroffen. Daarnaast zijn, niet al te ver van de woning van eiseres, een nest van een buizerd en een nest van een sperwer aangetroffen. Verder zijn enkele oude nesten aangetroffen, waarbij tijdens de inventarisatie door [natuuradviesbedrijf] evenwel geen activiteiten zijn waargenomen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen afgaan op de conclusie die getrokken zijn in het rapport van [natuuradviesbedrijf] van april 2013, te weten dat geen negatieve effecten worden verwacht op broedende vogels en hun verblijfplaatsen, mits mitigerende maatregelen worden getroffen. Blijkens het rapport van [natuuradviesbedrijf] moet hierbij met name gedacht worden aan afscherming van bosschages en rietkragen door middel van hekken en aan tijdelijke afsluiting van de parallelweg in het verlengde van de provinciale weg tijdens aankomst en vertrek van festivalbezoekers. Door de bepaling in het gehandhaafde besluit, dat de gewaarmerkte stukken deel uitmaken van de vergunning, is voldoende gewaarborgd dat de mitigerende maatregelen als genoemd in het rapport van [natuuradviesbedrijf] daadwerkelijk in acht worden genomen. In de aanwezigheid van nestlocaties van vogels in de omgeving van het terrein waar het evenement wordt gehouden heeft verweerder redelijkerwijs dan ook geen aanleiding behoeven te zien de gevraagde vergunning te weigeren.

Eiseres heeft ter zitting, op 5 september 2014, aangevoerd dat de geluidstrillingen tijdens de grootschalige muziekevenementen op het terrein bij de Wijthmenerplas, waaronder het Hardshock Festival, haar evenwichtsorgaan aantasten en dat zij ten gevolge hiervan niet in staat is om tijdens deze evenementen in haar eigen woning rechtop te lopen.

De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan dat eiseres de stelling dat zij ten gevolge van het muziekevenement niet in staat is om rechtop te lopen in haar eigen woning niet eerder dan tijdens de behandeling van het beroep ter zitting naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft hiermee dan ook geen rekening kunnen houden. Daar komt bij dat eiseres haar stelling niet met een medische verklaring heeft onderbouwd. De gestelde aantasting van het evenwichtsorgaan van eiseres kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Ten aanzien van de geluidsoverlast ten gevolge van het evenement overweegt de rechtbank als volgt.

Voor evenementen met een luidruchtig karakter bestaan, anders dan voor inrichtingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, geen landelijk geldende geluidsnormen. Wat aanvaardbaar wordt geacht, is ter beoordeling van het lokale gezag, dat belast is met het verlenen van vergunningen en ontheffingen. De rechtbank kan de door het lokale gezag gemaakte afweging met betrekking tot het geluidsniveau dat aanvaardbaar wordt geacht slechts marginaal toetsen.

Als uiterste grens bij beoordeling of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een omgevingsvergunning te verlenen voor een dergelijk evenement met een luidruchtig karakter geldt niettemin naar het oordeel van de rechtbank dat geen sprake mag zijn van onduldbare hinder voor belanghebbenden die in de directe omgeving wonen. Dat, zoals in het gebied rond de Wijthmenerplas, sprake is van een relatief dunbevolkt gebied, maakt dit niet anders.

Bij de invulling van het geluidsniveau dat voor een dergelijk luidruchtig evenement aanvaardbaar wordt geacht richten lokale bestuursorganen zich in de praktijk veelal naar de nota “Evenementen met een luidruchtig karakter”, van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg, van januari 1996. Ook in uitspraken van rechtbanken en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt regelmatig gerefereerd aan deze nota. In deze nota is aangegeven dat, rekening houdend met een gemiddelde gevelisolatie van 20 à 25 dB(A), om de grens van het optreden van “onduldbare hinder” niet te overschrijden, moet worden uitgegaan van een maximaal equivalent geluidsniveau (LAeq) op de gevel van woningen overdag en ’s avonds van 70 à 75 dB(A) en ’s nachts van 65 à 70 dB(A). Indien ook getoetst wordt aan slaapverstoring dient volgens deze nota voor de nachtperiode een lagere norm voor onduldbare hinder te worden aangehouden.

Voor het evenement waarvoor verweerder de gehandhaafde omgevingsvergunning heeft verleend, geldt op grond van de verleende ontheffing dat het equivalente geluidsniveau LAeq, op de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen, veroorzaakt door de activiteiten tijdens het festival, niet meer mag bedragen dan 85 dB(A) en/of 95 dB(C), gedurende de periode van 12.00 uur tot 24.00 uur. Dit geluidsniveau is beduidend hoger dan de in de bestuurlijke praktijk veelal aanvaarde normen zoals aangegeven in de hiervoor genoemde nota van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg.

De rechtbank heeft in hetgeen in beroep is aangevoerd aanleiding gezien de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) bij brief van 28 januari 2014 de volgende vragen te stellen:

  1. Wanneer is een geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A)’s en dB(C)’s, zodanig dat naar huidige wetenschappelijke inzichten moet worden aangenomen dat dit ook bij evenementen met een tijdelijk karakter als onduldbare hinder moet worden beschouwd?

  2. Is in dit geval, mede gelet op het tijdstip en de duur van het evenement, bij een geluidsniveau van 85 dB(A) en van 95 dB(C), sprake van onduldbare hinder?

  3. Is er, naar aanleiding van dit dossier, verder nog iets wat voor de rechtbank van belang kan zijn en dat u wilt opmerken?

De StAB heeft op 21 maart 2014 een schriftelijk verslag als bedoeld in artikel 8:47, vierde lid, van de Awb aan de rechtbank doen toekomen. Partijen hebben vervolgens hun zienswijze met betrekking tot het verslag naar voren gebracht.

De opsteller van het verslag, A.J. Verheijke, heeft op de zitting van 5 september 2014 als deskundige vragen van de rechtbank beantwoord.

Uit het verslag van de StAB en uit hetgeen de deskundige ter zitting heeft verklaard, komt naar voren dat naar huidige wetenschappelijke inzichten geen duidelijke grens kan worden getrokken vanaf wanneer hinder als onduldbaar moet worden beschouwd. Zo bevat de ISO-Recommendation R-1996 (hierna: ISO R-1996), waarin op basis van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek aanbevelingen worden gedaan over de aanbevolen waarden voor geluid, voor wat betreft de onduldbaarheid van geluidshinder geen duidelijke grens. Ter zitting is door de deskundige verklaard dat grootschalig wetenschappelijk onderzoek, waaruit zou kunnen worden afgeleid wat mensen intersubjectief als onduldbare geluidshinder ervaren, voor dit soort geluid niet heeft plaatsgevonden. Volgens het verslag van de StAB kan op basis van de ISO R-1996 wel de vraag worden beantwoord bij welke geluidsniveaus sprake is van verstoring van de spraakverstaanbaarheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is het te beperkt om, nu een harde wetenschappelijke norm voor onduldbare hinder niet kan worden gegeven, de beantwoording van de vraag wanneer moet worden aangenomen dat sprake is van onduldbare hinder te begrenzen tot de vraag wanneer sprake is van verstoring van de spraakverstaanbaarheid. Voor de beantwoording van de vraag wanneer geluidshinder door de gemiddelde mens als onduldbaar wordt ervaren zijn immers niet enkel het geluidsniveau, maar ook de duur en de intensiteit van het geluid van belang. Zo kan een zeer hoog geluidsniveau zeer wel duldbaar zijn als dit beperkt is tot een korte tijd, zoals bij het boren van een gat, terwijl een lager geluidsniveau toch als onduldbaar kan worden ervaren indien iemand hieraan langere tijd of tijdens uren die normaal gesproken bestemd zijn voor de nachtrust wordt blootgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vraag of in een concreet geval sprake is van onduldbare hinder dan ook mede worden beoordeeld aan de hand van het geheel van omstandigheden waarmee omwonenden worden geconfronteerd. Hierbij dienen de duur van de geluidshinder en de intensiteit van het geluid te worden betrokken.

Voor de toepassing van het voorgaande op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van eiseres stelt de rechtbank voorop dat ter zitting door de deskundige is toegelicht dat het menselijk gehoor rond 80 dB reageert volgens het C-filter. Het menselijk gehoor wordt dan gevoeliger voor bastonen. Het vergunde maximale geluidsniveau van 95 dB(C) komt ongeveer overeen met 81 dB(A). Omdat de dB(C)-norm in dit geval strenger is dan de norm van 85 dB(A) is de dB(C)-norm in dit geval bepalend voor de mate van overlast die het vergunde evenement in de woning van eiseres kan veroorzaken.

Ter zitting is door de deskundige opgemerkt dat de gevelisolatie van woningen varieert. Bij moderne woningen, zoals deze nu gebouwd worden, is de geluidwerende werking van de gevel vaak 25 dB, bij oudere woningen is dit vaak 20 dB en bij historische panden vaak niet meer dan 15 dB.

Uit het verslag van de StAB en uit de verklaringen van de deskundige ter zitting komt voorts naar voren dat bij een geluidsniveau van 81 dB(A) en een gevelwering van 25 dB in de woning van eiseres sprake is van een equivalent geluidsniveau van 56 dB(A). Om verstaanbaar te zijn in de woning zal circa 10 dB luider moeten worden gesproken. Het niveau van 66 dB(A) waarop dan gesproken moet worden om in de woning verstaanbaar te zijn komt overeen met spreken met forse stemverheffing.

Eiseres heeft ter zitting verklaard dat de geluidwering minder dan 25 dB bedraagt, omdat de woning van eiseres gebouwd is in een tijd dat de behoefte aan woningisolatie nog niet zo werd gevoeld.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet als duldbaar worden beschouwd dat eiseres gedurende de periode van 12.00 uur tot 24.00 uur, wordt geconfronteerd met een zodanig geluidsniveau in haar eigen woning, dat zij om verstaanbaar te zijn met forse stemverheffing moet spreken. Een dergelijke inbreuk op het woongenot van eiseres is naar het oordeel van de rechtbank zo groot dat in een zodanige situatie moet worden aangenomen dat sprake is van onduldbare hinder.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat de grens van onduldbare hinder wordt overschreden niet in het kader van een belangenafweging als hier aan de orde ter zijde kan worden geschoven om voorrang te verlenen aan andere belangen, zoals het maatschappelijk belang bij het organiseren van evenementen.

De rechtbank acht in dit verband van belang dat verweerder, ook bij navraag ter zitting, niet duidelijk heeft kunnen maken waar de gehanteerde norm van 85 dB(A) en 95 dB(C) voor dit soort evenementen op gebaseerd is. In de toelichting bij artikel 8 van de Beleidsregel evenementen in de openlucht 2012 van de gemeente Zwolle is hierover opgemerkt, dat deskundigen aangeven dat dit een redelijke norm is, die een redelijk evenwicht vormt tussen de beleving van de muziek door de bezoekers van het evenement en de beleving van de omwonenden. Om welke deskundigen het gaat, is echter door verweerder niet verduidelijkt. De rechtbank ziet in dit kader, gelet op het ontbreken van verdere onderzoeken ter zake en de omstandigheid dat de geraadpleegde deskundige daarover geen onderbouwde, andersluidende visie heeft verstrekt, geen aanleiding om de normen, zoals die in de genoemde nota van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg zijn opgenomen, terzijde te stellen.

Nu het bronvermogen blijkens de verleende geluidsontheffing niet is gemaximeerd en het equivalente geluidsniveau op de gevel van woningen 85 dB(A)/ 95 dbC mocht bedragen, werd niet uitgesloten dat eiseres onduldbare hinder als bovenomschreven zou kunnen ondervinden. Daarbij tekent de rechtbank nog aan, dat niet is onderzocht hoeveel dB de geluidwering van de woning van eiseres is.

Dat, zoals door verweerder naar voren is gebracht, tijdens het festival de in de vergunning opgenomen geluidsvoorschriften niet zijn overschreden, doet aan voorgaande niet af, nu dit een vaststelling achteraf betreft, wat daar verder van zij.

De rechtbank is gelet op bovenstaande van oordeel dat verweerder op deze wijze niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een omgevingsvergunning te verlenen voor een evenement dat het woongenot van eiseres in zo ernstige mate kan aantasten. Verweerder heeft de betrokken belangen, in strijd met het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb, niet op zorgvuldige wijze tegen elkaar afgewogen. Hierdoor ligt aan de beslissing op bezwaar een onvoldoende motivering ten grondslag.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Awb, te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om te volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit, nu het evenement al geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte van het te vergoeden bedrag wordt niet bepaald door de kosten die eiseres feitelijk heeft moeten maken, maar door de forfaitaire bedragen zoals genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere schriftelijke uiteenzetting na heropening van het onderzoek en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting, begroot op € 1461,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 1461,--, te betalen aan eiseres;

  • -

    gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, ten bedrage van

€ 160,-- , vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, mr. J.H.M. Hesseling en

mr. D. Hardonk-Prins, rechters, en door de voorzitter en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep