Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:6363

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
03-12-2014
Zaaknummer
ak_14_392_486
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2361, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verleende omngevingsvergunning voor het toestaan van evenementen in en rondom hangar 11 op de voormalige militaire vliegbasis Twente; beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/392 en 14/486

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1 VOF H.J. Busscher en Zn, te Weerselo, eiseres 1

(gemachtigde: mr. I.C. Dunhof-Lampe),

2 Go Planet Expo Hall BV / Expo Twente B.V., te Nijverdal, eiseres 2

(gemachtigde: mr. A.A. Robbers),

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.

Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: Area Development Twente, te Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2014 (het primaire en tevens bestreden besluit) heeft verweerder aan Area Development Twente (hierna: ADT) een omgevingsvergunning verleend voor het toestaan van evenementen in en rondom hangar 11 op de voormalige militaire vliegbasis Twente, Vliegveldweg 333 te Enschede.

Eiseres 1 heeft bij brief van 13 februari 2014 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Go Planet Expo Hall BV (hierna: Go Planet) heeft bij brief van 26 februari 2014 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014. Eiseres 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door T.S.G. Busscher, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A. Hesselink-Wevers, R. Harmsen en J. Geerdink. ADT heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Aaken.

Ter zitting is gebleken dat Go Planet op 20 augustus 2014 failliet is verklaard. Gemachtigde Robbers van Go Planet heeft desgevraagd meegedeeld dat een overname/doorstart in voorbereiding is. De behandeling ter zitting is aangehouden. Gemachtigde is in de gelegenheid gesteld de rechtbank nader te informeren over de rechtspersoon die het beroep wenst voort te zetten en zijn bevoegdheid om als gemachtigde van die rechtspersoon op te treden. Verder is verweerder in de gelegenheid gesteld de rechtbank nader te informeren over de status van het inspreken door Go Planet bij de raadscommissie Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente (hierna: raadscommissie GLT).

Verweerder heeft bij brief van 10 september 2014 de gevraagde informatie verstrekt. Gemachtigde Robbers heeft op 1 oktober 2014 aan de rechtbank meegedeeld dat het beroep wordt voortgezet door de nieuwe exploitant, Expo Twente B.V. Op 7 oktober 2014 heeft Robbers een machtiging in het geding gebracht.

Partijen hebben vervolgens de rechtbank toestemming verleend om uitspraak te doen zonder dat er een nadere zitting plaatsvindt.

De rechtbank heeft op 24 oktober 2014 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De navolgende feiten zijn niet betwist en ook de rechtbank aanvaardt deze feiten.

Vliegbasis Twente is niet meer als zodanig in gebruik. De bestemming is thans nog geregeld in bestemmingsplan “Buitengebied 1996”. De gronden zijn aangewezen voor “Vliegveld”.

Vliegbasis Twente is opgenomen in bijlage II bij de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw).

Een nieuw bestemmingsplan voor de herinvulling van de vliegbasis is in voorbereiding. In dat bestemmingsplan zal het gebruiken van hangar 11 voor evenementen planologisch worden geregeld. Met de thans voorliggende omgevingsvergunning (projectafwijkingsbesluit) wordt vooruit gelopen op het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.

Eiseres 1 exploiteert de Weerselose markt. Dit betreft een antiek-, waren- en rommelmarkt die iedere zaterdag (en op enkele feestdagen) wordt gehouden op het perceel Bornsestraat 14 te Weerselo.

Eiseres 2 exploiteert een (evenementen)complex, gevestigd op het perceel Colloseum 70 te Enschede.

2. Bij aanvraag van 9 juli 2012 heeft ADT verweerder verzocht haar een

omgevingsvergunning te verlenen voor het toestaan dat, in strijd met het ter plaatse geldende

bestemmingsplan, hangar 11 op de voormalige vliegbasis Twente mag worden gebruikt als

locatie voor evenementen.

Het ontwerpbesluit inzake afwijking van het bestemmingsplan ex artikel 2.1, eerste lid,

aanhef en onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3º, van de Wet algemene

bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) heeft vanaf 6 juni 2013 gedurende zes weken

voor een ieder ter inzage gelegen. Eiseres 1 heeft bij brief van 15 juli 2013 een zienswijze

ingediend. Eiseres 2 heeft bij brief van 16 juli 2013 een zienswijze ingediend.

In haar vergadering van 16 december 2013 heeft de raad van de gemeente Enschede een

verklaring van geen bedenkingen (als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo juncto artikel 6.5,

eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening) afgegeven voor het verlenen van een

omgevingsvergunning voor het houden van evenementen in hangar 11 op het

luchthaventerrein.

Bij het bestreden besluit van 7 januari 2014 heeft verweerder de gevraagde

omgevingsvergunning verleend. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden.

Voor zover van belang zijn onder het kopje ‘Algemeen’ de volgende voorschriften

opgenomen:

  1. Het moet gaan om besloten bijeenkomsten, beurzen, tentoonstellingen, fairs, sportevenementen (behoudens gemotoriseerde sporten) en vergelijkbare activiteiten;

  2. Detailhandel is niet toegestaan;

5. Per jaar zijn maximaal 150.000 bezoekers toegestaan.

Dit besluit is op 16 januari 2014 ter inzage gelegd.

3. Alvorens het geschil inhoudelijk te beoordelen, dient de rechtbank ambtshalve te onderzoeken of eiseres 1 en eiseres 2 in hun beroep kunnen worden ontvangen. Meer specifiek dient de rechtbank te onderzoeken of eiseres 1 en eiseres 2 kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit is slechts het geval indien de betreffende ondernemer in hetzelfde marktsegment werkzaam is binnen hetzelfde verzorgingsgebied. De reikwijdte van het verzorgingsgebied hangt af van de betrokken activiteit en kan zich onder omstandigheden over een groot gebied uitstrekken.

Ten aanzien van eiseres 1 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in zijn uitspraak van 7 maart 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:1962, het navolgende geoordeeld:

“Ten aanzien van V.O.F. Busscher (hierna: Busscher) geldt dat deze stelt vanwege concurrentieoverwegingen als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. Dienaangaande oordeelt de voorzieningenrechter dat blijkens het verhandelde ter zitting het marktsegment van Busscher en het marktsegment van de vlooienmarkt verschilt. Bij Busscher betreft het voor een belangrijk deel de verkoop door handelaren, terwijl de vlooienmarkt conform de verleende vergunningen is bedoeld voor de verkoop door particulieren. Reeds hierom acht de voorzieningenrechter onvoldoende aangetoond dat Busscher rechtstreeks in haar belang wordt geraakt.”

Uit deze uitspraak noch uit het dossier blijkt wat wordt verstaan onder “een belangrijk deel”.

Eiseres 1 heeft in haar beroepschrift gesteld dat 30% van de verkopers bestaat uit particulieren, niet zijnde handelaren. Uitgaande van 600 kramen komt dit overeen met 180 kramen die worden gebruikt voor verkoop door particulieren. Het genoemde percentage van 30% is door verweerder niet bestreden, zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan. Het bestreden besluit ziet, onder meer, op het houden van vlooienmarkten. Dat ADT heeft meegedeeld dat de verwachting is dat er slechts twee vlooienmarkten per jaar zullen worden georganiseerd, neemt niet weg dat het bestreden besluit (veel) meer vlooienmarkten planologisch mogelijk maakt. Dat maximaal 150.000 bezoekers per jaar zijn toegestaan, zoals blijkt uit voorschrift 5 onder kopje ‘Algemeen’, betekent weliswaar dat het aantal te organiseren vlooienmarkten niet onbeperkt is maar dat een (ruim) aantal vlooienmarkten planologisch toelaatbaar is. Het feit dat het bestreden besluit voorziet in meer evenementen dan het organiseren van vlooienmarkten neemt niet weg dat er, voor wat betreft de vlooienmarkten, sprake is van hetzelfde marktsegment.

Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat niet zonder meer kan worden gesteld dat er sprake is van een verschillend marktsegment. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een relevante overlap in het marktsegment. Voorts oordeelt de rechtbank dat, alhoewel de afstand tussen hangar 11 en de locatie van de Weerselose markt (over de weg gemeten) 17,6 km bedraagt, er eveneens sprake is van hetzelfde verzorgingsgebied dan wel overlappende verzorgingsgebieden. Eiseres 1 kan dan ook worden aangemerkt als belanghebbende.

Ten aanzien van eiseres 2 overweegt de rechtbank dat er sprake is van hetzelfde marktsegment (het houden van evenementen) en dat er sprake is van hetzelfde verzorgingsgebied nu ADT en eiseres 2 beide opereren in de regio Enschede. Eiseres 2 kan dan ook worden aangemerkt als belanghebbende.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat het organiseren van evenementen in en rondom hangar 11 in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af te wijken van het bestemmingsplan door middel van het nemen van een projectafwijkingsbesluit ex artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3º, van de Wabo. De rechtbank onderschrijft deze gedeelde standpunten.

4.1.

Eiseres 1 en eiseres 2 stellen in hun beroepschriften dat verweerder in redelijkheid deze bevoegdheid niet heeft kunnen aanwenden. Daartoe hebben zij meerdere beroepsgronden ingebracht.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat een aantal beroepsgronden niet is aangevoerd in de zienswijze, zodat het beroep in zo verre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 6:13 van de Awb bepaalt dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7155, het navolgende geoordeeld.

“2.4.1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo heeft betrekking op het uitvoeren van een project dat uit verschillende activiteiten kan bestaan. Het ligt in de rede voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb elk van de in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bedoelde toestemmingen die in een omgevingsvergunning zijn opgenomen, als besluitonderdeel op te vatten.

2.4.2.

De Afdeling overweegt over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb op de beslissingen over de aanvaardbaarheid van de verschillende categorieën milieugevolgen, die in een omgevingsvergunning zijn vervat, als volgt.

Onder het recht dat voor de invoering van de Wabo gold, moest het bevoegd gezag ook bij beslissingen over een vrijstelling met het oog op de verlening van een bouwvergunning onder omstandigheden de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen voor het woon- en leefklimaat beoordelen. De rechtspraak vatte die beoordelingen voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet als besluitonderdelen op. Tekst noch geschiedenis van de Wabo geeft aanleiding die lijn te wijzigen. Dit betekent dat, als met betrekking tot een omgevingsvergunning - als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met c, van de Wabo - voor het bouwen in strijd met een bestemmingsplan eerst in beroep gronden over bijvoorbeeld geluid worden aangevoerd, er ook onder de Wabo geen aanleiding is het beroep ter zake van die toestemming in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.”

In casu betreft het bestreden besluit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie staat artikel 6:13 van de Awb niet in de weg aan het bespreken van beroepsgronden die niet in de zienswijze zijn aangevoerd.

5. Eiseres 1 heeft de navolgende beroepsgronden ingebracht.

5.1.

Eiseres 1 stelt dat de ruimtelijke onderbouwing zich niet verdraagt met de (provinciale) Ruimtelijke visie gebiedsontwikkeling luchthaven Twente en omgeving en de (gemeentelijke) Structuurvisie Luchthaven Twente e.o. Ter zitting heeft eiseres 1 desgevraagd meegedeeld dat deze provinciale en gemeentelijke visies bij het verlenen van een projectafwijkingsbesluit in acht moeten worden genomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3674, het navolgende geoordeeld.

“2.5.2. In de Wro wordt, wat betreft de doorwerking van beleid van het Rijk en de provincie, onderscheid gemaakt tussen algemene regels als bedoeld in de artikelen 4.3 en 4.1 enerzijds en structuurvisies als bedoeld in de artikelen 2.3 en 2.2 anderzijds. Bij het nemen van een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro dient het gemeentebestuur de algemene regels als bedoeld in de artikelen 4.3 en 4.1 in acht te nemen. Bij het nemen van een projectbesluit is het gemeentebestuur echter niet gebonden aan beleid van het Rijk en de provincie dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten. Wel dient het gemeentebestuur daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De Afdeling verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 27 oktober 2010 in zaak nr. 200909636/1/R3.”

De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat deze jurisprudentie niet onverkort van toepassing zou zijn op projectafwijkingsbesluiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3º, van de Wabo.

Gelet op deze jurisprudentie behoefde verweerder bij het nemen van het bestreden projectafwijkingsbesluit ‘slechts’ rekening te houden met de provinciale visie. Van een ‘in acht nemen’, zoals eiseres 1 stelt, is geen sprake.

In casu heeft verweerder in de ruimtelijke onderbouwing, pagina’s 9 tot en met 13, genoegzaam gemotiveerd dat het projectafwijkingsbesluit in overeenstemming is met de uitgangspunten, zoals verwoord in de genoemde provinciale en gemeentelijke visies.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.2.

Eiseres 1 stelt dat tijdens een op een eerder moment gehouden vlooienmarkt in hangar 11 is gebleken dat er stands zijn ingenomen door handelaren. Hierdoor zal er toch detailhandel plaatsvinden in hangar 11, ook al staat in de omgevingsvergunning verwoord dat detailhandel niet is toegestaan.

De rechtbank overweegt dat de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning voorligt. In de omgevingsvergunning is in de voorschriften opgenomen dat detailhandel niet is toegestaan. Indien detailhandelsactiviteiten worden ontplooid betreft dit een handhavingskwestie. Deze ligt thans niet in rechte voor.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.3.

Eiseres 1 stelt dat zij de stellige indruk heeft dat er sprake is van concurrentievervalsing omdat ADT zich niet aan de gedragsregels van de Wet markt en overheid houdt. Eiseres heeft de huurovereenkomst en de huurprijzen van ADT opgevraagd maar deze stukken zijn niet aan haar verstrekt. Eiseres vermoedt dat er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 25i, eerste lid, van de Mededingingswet.

De rechtbank volstaat met de constatering dat deze beroepsgrond geheel niet is onderbouwd. Deze beroepsgrond wordt dan ook gepasseerd.

5.4.

Eiseres 1 stelt dat de onderzoeken met betrekking tot geluidhinder/verkeerslawaai en luchtkwaliteit inhoudelijk niet juist zijn. Voorts betwijfelt eiseres 1 of alle milieugevolgen wel correct in beeld zijn gebracht.

De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt, zoals opgenomen in het verweerschrift, dat eiseres 1 geen belang heeft bij het aan de orde stellen van deze (milieu)aspecten. Gelet op het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, oordeelt de rechtbank dan ook dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

5.5.

Eiseres 1 heeft op 14 augustus 2014 een groot aantal stukken ingebracht. Indien en voor zover eiseres 1 hiermee heeft beoogd om nieuwe beroepsgronden in te brengen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Immers, nu de Chw van toepassing is, is het niet mogelijk om buiten de beroepstermijn nieuwe beroepsgronden in te brengen.

5.6.

Eiseres 1 heeft bij brief van 18 september 2014 gereageerd op verweerders brief van 10 september 2014. In die brief heeft verweerder de door de rechtbank ter zitting gevraagde informatie verstrekt. Deze informatie had de rechtbank gevraagd in het kader van de door eiseres 2 ingebrachte beroepsgrond met betrekking tot schending van haar processuele belangen.

De rechtbank constateert dat eiseres 1 een dergelijke beroepsgrond niet in haar beroepschrift heeft verwoord. Nu de Chw van toepassing is, is het niet mogelijk om buiten de beroepstermijn nieuwe beroepsgronden in te brengen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen eiseres heeft aangevoerd in haar brief van 18 september 2014.

5.7.

Gelet op vorenstaande is het beroep, ingesteld door eiseres 1, ongegrond.

6. Eiseres 2 heeft de navolgende beroepsgronden ingebracht.

6.1.

Eiseres 2 heeft in haar beroepschrift gesteld dat zij niet de beschikking heeft over alle bij het bestreden besluit behorende stukken. Ter zitting heeft zij meegedeeld dat zij (ondertussen) de beschikking heeft over deze stukken, zodat zij deze beroepsgrond niet (geheel) handhaaft. Ter zitting heeft eiseres 2 meegedeeld dat zij is gehoord door de raadscommissie GLT maar dat zij geen hoorzittingsverslag heeft ontvangen terwijl zij daar wel expliciet om heeft gevraagd. Eiseres 2 stelt dat zij hierdoor in haar processuele belangen is geschaad.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.

Verweerder heeft bij brief van 10 september 2014 een uitleg gegeven over de status van inspreken bij (en dus niet horen door) de raadscommissie GLT.

Eiseres 2 heeft niet gereageerd op deze uitleg.

De rechtbank oordeelt dat eiseres 2 niet is geschaad in haar processuele belangen. De beroepsgrond faalt.

6.2.

Eiseres 2 stelt dat de besluitvorming niet onbevooroordeeld is geweest omdat verweerder een financieel belang heeft bij vergunningverlening. Verder stelt eiseres 2 dat ADT wordt bevoordeeld omdat in hangar 11 meer typen evenementen zijn toegestaan dan bij haar. Hierdoor is er sprake van oneerlijke concurrentie, aldus eiseres 2.

De rechtbank volstaat met de constatering dat deze beroepsgrond niet is onderbouwd. Verder heeft de rechtbank eiseres 2 ter zitting expliciet gevraagd welk type evenement in hangar 11 door het bestreden besluit mogelijk is gemaakt en welke niet is toegestaan in het pand aan het Colloseum. Eiseres 2 heeft de gevraagde duidelijkheid niet verschaft.

De rechtbank passeert dan ook deze beroepsgrond.

6.3.

Eiseres 2 stelt dat de aanvraag niet duidelijk is omdat de omschrijving van de toegestane evenementen zeer algemeen is en de term ‘vergelijkbare activiteiten’ wordt genoemd.

De rechtbank overweegt dat een omgevingsvergunning is aangevraagd en verleend voor het toestaan van evenementen in hangar 11 op het perceel. De term ‘evenement’ is gedefinieerd in de Nota samenvatting en beantwoording zienswijzen, welke aan de omgevingsvergunning is gehecht. Door middel van algemene voorschriften 1 en 2 is een beperking aangebracht op het vergunde gebruik, waardoor, onder meer, sportevenementen met gemotoriseerde sporten en detailhandel zijn uitgesloten van dit op basis van de omgevingsvergunning toegestane gebruik.

Het is de rechtbank niet duidelijk wat er niet duidelijk zou zijn. De beroepsgrond faalt.

6.4.

Eiseres 2 stelt dat er tevens sprake is van andere activiteiten, zoals bouwen en brandveiligheid. Deze activiteiten hadden in dit vergunningstraject meegenomen moeten worden. Deze activiteiten zijn evenwel niet aangevraagd en dus ook niet vergund. Eiseres 2 heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat haar belang bij het aanvoeren van de aspecten ‘bouwen’ en ‘brandveiligheid’ zijn ingegeven door concurrentiemotieven. Immers, indien het pand van eiseres 2 aan meer bouwkundige eisen moet voldoen dan hangar 11, heeft ADT een financieel voordeel.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de toepassing van artikel 8:69a van de Awb bepalend is of de betrokken rechtsregel of het betrokken rechtsbeginsel strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1669).

In casu strekken de door eiseres 2 aangevoerde rechtsregels, onder meer, tot de veiligheid van de gebruikers van een bouwwerk. Deze rechtsregels strekken niet tot bescherming van concurrentieposities. Eiseres 2 heeft dan ook geen belang bij het aan de orde stellen van deze aspecten. Gelet op het relativiteitsvereiste, zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb, oordeelt de rechtbank dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Voor de volledigheid voegt de rechtbank hier het navolgende aan toe.

De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat eiseres 2 stelt dat er tevens een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo) en voor de activiteit ‘brandveiligheid’ (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo) is vereist en dat er sprake is van onlosmakelijke activiteiten als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo.

Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo luidt sinds 25 april 2013 als volgt. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

Met deze wijziging is het mogelijk gemaakt om de activiteit planologisch strijdig gebruik (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) en andere activiteiten waarop dat gebruik geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, achtereenvolgens vergund te krijgen. Dit betekent dat ADT, indien nodig, een afzonderlijke omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘brandveiligheid’ kan aanvragen. Van strijd met artikel 2.7 van de Wabo is dan ook geen sprake.

6.5.

Eiseres 2 stelt dat er bij de belangenafweging te weinig rekening is gehouden met haar belangen. Eiseres 2 stelt in dat kader dat een uitbreiding van het beschikbare vloeroppervlak met circa 7.000 m² nader onderzoek vereist. Verweerder volstaat enkel met de stelling dat er geen sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder andere de uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2345) strekt de Wro er niet toe bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau is doorslaggevend of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Dat betekent dat alleen een mogelijke ontwrichting ten aanzien van deze eerste levensbehoeften ruimtelijk relevant wordt geacht. De aantasting van het voorzieningenniveau van andere behoeften is op zichzelf geen reden om planologische medewerking aan een besluit te weigeren.

Nu het bezoeken van een evenement geen eerste levensbehoefte is, is een eventuele aantasting van het voorzieningenniveau niet ruimtelijk relevant.

De beroepsgrond faalt.

6.6.

Gelet op vorenstaande is het beroep, ingesteld door eiseres 2, ongegrond.

7. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af te wijken van het bestemmingsplan en dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. A.J.G.M. van Montfort en mr. J.M. Weststeijn, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.