Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:627

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
08/760129-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel ontslaat een 35-jarige Zwollenaar van rechtsvervolging wegens doodslag op een man in de Sumatrastraat in Zwolle. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van noodweer. Het slachtoffer overleed aan een aantal messteken in de borststreek die hij opliep bij een schermutseling tussen verdachte en slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht – Meervoudige Strafkamer

Locatie Zwolle

Parketnummer: 08/760129-13 (P)

Uitspraak: 11 februari 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2014 en 28 januari 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.E. Postma.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 juni 2013 te Zwolle, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in het (boven)lichaam en/of hart(streek) van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen ten laste is gelegd.

De officier van justitie heeft daartoe -kort samengevat- het volgende aangevoerd:

Op grond van de stukken is wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] door verdachte om het leven is gebracht. Verdachte heeft een mes in handen gehad, dat door hem was meegenomen, en heeft [slachtoffer] meermalen met dat mes in diens bovenlichaam c.q. hartstreek gestoken.

Ten aanzien van het vereiste opzet kan naar algemene ervaringsregels worden gesteld dat het drie keer steken in het bovenlichaam c.q. de hartstreek met een mes ter grootte van een A4-formaat en met een flinke punt, de aanmerkelijke kans op de dood van die persoon oplevert. Bovendien kunnen de gedragingen van verdachte, het tot drie keer insteken op het bovenlichaam c.q. de hartstreek van die [slachtoffer] met een mes, naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van degene op wie is ingestoken dat het -behoudens contra-indicaties die hier niet aannemelijk zijn geworden- niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] om het leven zou komen. Verdachte heeft aldus het opzet, in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] gehad.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken nu op grond van de stukken niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gestoken.

De raadsman heeft daartoe -kort samengevat- het volgende aangevoerd:

Op grond van de stukken is de werkelijke toedracht van het opgelopen letsel van [slachtoffer] onvoldoende vast komen te staan. Dat verdachte een mes in handen heeft gehad en [slachtoffer] heeft gestoken is niet bewezen, met name nu de in die zin belastende verklaringen van [getuige 1] van 3 december 2013 en van [getuige 2] van 9 juni 2013 onbetrouwbaar zijn en daarom niet tot het bewijs gebezigd dienen te worden. Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en dat hij dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen1, het navolgende.

Verdachte wordt verweten dat hij -kort samengevat- op 9 juni 2013 te Zwolle [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meerdere malen met een mes, dan wel een scherp voorwerp, in het bovenlichaam dan wel de hartstreek te steken tengevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in de voetnoten bedoelde bewijsmiddelen het volgende vast is komen te staan:

Op 9 juni 2013 rond 20.00 uur bevonden verdachte en [getuige 1] zich voor de woning van die [getuige 1] aan de [adres] te Zwolle, alwaar zij een sigaret aan het roken waren. Op een gegeven moment heeft een toenmalige vriendin van [getuige 1], [getuige 3], zich bij hen gevoegd. Rond bedoeld tijdstip zijn [slachtoffer] en [getuige 2] de straat in komen lopen. [slachtoffer] heeft toen in hun richting geroepen: “nu heb ik je” of “Jou moet ik spreken”, althans woorden van gelijke aard of strekking. Nadat [getuige 1] had gezien en gehoord dat [slachtoffer] zich naar haar woning begaf, heeft zij snel verdachte door de voordeur haar woning in geduwd. Vervolgens is zij zelf ook de woning binnengegaan en heeft zij de deur, voordat [slachtoffer] bij haar was, dicht kunnen trekken. [getuige 3] heeft niet op tijd de woning binnen kunnen komen en is achtergebleven. Zij is gelijk door [slachtoffer] aangevallen. [slachtoffer] heeft [getuige 3] bij haar keel gepakt en heeft haar richting de straat geduwd. [getuige 1] is vervolgens, om [getuige 3] ter hulp te komen, via de voordeur naar buiten gegaan en heeft daarna de deur dichtgetrokken. [slachtoffer] heeft zich direct tegen [getuige 1] gericht en heeft [getuige 1] met kracht meerdere malen geschopt, geslagen en knietjes gegeven. [getuige 1] heeft haar hoofd tegen het schoppen en het slaan beschermd door haar handen voor haar hoofd te houden. [getuige 3] is ondertussen naar de buren gelopen om hulp te halen. Verdachte heeft in de woning gezocht naar de alarmknop, die door de politie in verband met een mogelijke dreiging van [slachtoffer] ten opzichte van haar en verdachte aan [getuige 1] was verstrekt, en heeft deze ingedrukt. [getuige 2] heeft niets gedaan of kunnen doen om [slachtoffer] te stoppen. Terwijl [getuige 1] door [slachtoffer] werd aangevallen, heeft verdachte de voordeur geopend.2

Vaststaat dat er daarna een kortdurende confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] is geweest, dat [slachtoffer] kort daarna in elkaar is gezakt en dat hij uiteindelijk als gevolg van drie steekletsels links aan zijn borst, met steekkanalen van tussen de 4 tot 6 centimeter, is komen te overlijden.3 De steekkanalen zijn veroorzaakt door een vlak, deels eenzijdig snijdend scherp voorwerp zoals een mes. De vraag die thans voorligt, is wat er is gebeurd vlak voorafgaand aan en vanaf het moment dat verdachte de voordeur heeft geopend. Allereerst zal beoordeeld worden of bewezen kan worden dat verdachte op het moment dat hij de voordeur heeft geopend een mes in zijn handen heeft gehad dan wel of hij op enig moment tijdens de confrontatie met [slachtoffer] een mes heeft gepakt dat hij op dat moment bij zich heeft gedragen.

Verdachte heeft meerdere verklaringen bij de politie afgelegd.

Verdachte heeft op 11 juni 2013 -kort samengevat- het volgende verklaard4:

Verdachte heeft vanuit de woning gezien dat [slachtoffer] [getuige 1] bij de haren vast heeft gehad en haar een trap heeft gegeven. Verdachte heeft op de ramen gebonkt om de jongen die met [slachtoffer] mee was te bewegen iets te doen, maar die jongen heeft niets gedaan. [getuige 1] is door [slachtoffer] in een wurghouding gehouden. Verdachte is naar buiten gegaan maar heeft eerst nog vanuit de gang gekeken naar wat er gebeurde. Verdachte heeft pas actie ondernomen toen hij door het onderste raam van de voordeur had gezien dat [slachtoffer] een mes in zijn handen had. Verdachtes grootste angst was dat [slachtoffer] de woning in zou komen en toegang tot [naam 1], de dochter van [slachtoffer] en [getuige 1], zou krijgen. Nadat verdachte de deur heeft opengedaan, is [slachtoffer] naar hem toegekomen. Op het moment dat [slachtoffer] zich naar verdachte had omgedraaid, heeft verdachte gezien dat [slachtoffer] een mes in zijn rechterhand had. [slachtoffer] heeft verdachte met de rechterhand, waarin hij het mes had, naar buiten getrokken, waarbij [slachtoffer] verdachte bij de kraag heeft vastgehad. Verdachte heeft geprobeerd de hand van [slachtoffer] weg te drukken en dat is gelukt, maar [slachtoffer] heeft hem vervolgens met de andere hand weer vastgepakt. Verdachte heeft het mes vanaf dat hij in een worsteling met [slachtoffer] verwikkeld was geraakt, niet meer gezien.

Verdachte heeft geen tijd gehad om iets uit de woning mee te nemen, maar hij heeft een aansteker vastgehad waarmee hij een stoot aan [slachtoffer] heeft gegeven. Verdachte en [slachtoffer] hebben neus aan neus gestaan en er is geen ruimte geweest om met een mes uit te halen. Verdachte heeft geen mes in zijn handen gehad. Bij de auto heeft verdachte geprobeerd het mes bij [slachtoffer] uit zijn handen te krijgen. Verdachte heeft de arm en hand van [slachtoffer], waarin hij het mes vasthad, meermalen tegen de rail van de auto aangeslagen. Met de vrije hand heeft [slachtoffer] geprobeerd verdachte bij de strot te pakken. Verdachte is niet alleen gefocust op het mes geweest, maar heeft ook gelet op wat er nog meer gebeurde. Volgens verdachte moet het mes bij de auto zijn gevallen. Doordat het mes is gevallen, verdachte [slachtoffer] heeft weggeduwd en [slachtoffer] achteruit is gelopen, zijn ze losgekomen van elkaar. Verdachte denkt dat [slachtoffer] toen wel is geraakt. Verdachte denkt niet dat [getuige 1] [slachtoffer] heeft neergestoken. [slachtoffer] moet dus tijdens de worsteling tussen hem en [slachtoffer] zijn neergestoken. Verdachte heeft pas bloed bij [slachtoffer] gezien op het moment dat deze is ingestort. Verdachte heeft verklaard dat hij hierna eerst is weggelopen.

Verdachte heeft voorts op 21 juni 2013 een verklaring afgelegd -kort samengevat- inhoudende5:

Verdachte heeft het mes dat [slachtoffer] in handen had van zich afgedrukt en heeft het mes in de richting van [slachtoffer] omgedraaid. Dat was meteen toen verdachte mee werd gesleurd door [slachtoffer]. Verdachte heeft het mes met twee handen in de richting van [slachtoffer] geduwd. Ze zijn tegen de muur en tegen de auto gekomen. Het mes is meerdere keren in de richting van [slachtoffer] en ook één of twee keer in de richting van verdachte gekeerd. Verdachte heeft niet het idee gehad dat het mes ergens in is gegaan. Verdachte heeft zijn handen, toen hij en [slachtoffer] tegen elkaar aankwamen, op buikhoogte gehad. Het mes is op dat moment ter hoogte van het midden van het lichaam geweest. Het meest logische is volgens verdachte dat hij tijdens de worsteling het mes in de richting van [slachtoffer] heeft gedraaid en dat, toen zij tegen elkaar aankwamen, het mes in het lichaam van [slachtoffer] is gekomen. Dat het mes dan drie keer in het lichaam van [slachtoffer] terecht is gekomen, kan verdachte niet verklaren.

[getuige 2] is op die 9 juni 2013 ten tijde van het gebeurde bij [slachtoffer] en op de plaats delict aanwezig geweest. Hij heeft op 9 juni 2013 bij de politie -onder meer- het volgende verklaard, waarbij de rechtbank aanneemt dat met ‘[verdachte]’ de verdachte wordt bedoeld:6

“(..)Ik zag dat op dat moment de jongen die “[verdachte]” genoemd werd naar buiten kwam. Ik zag dat [verdachte] een voorwerp in zijn handen had. Ik zag dat hij dit voorwerp in zijn rechterhand vasthield. Ik kon niet zien wat het was. Ik schat dat het voorwerp ongeveer 25 centimeter was. Ik zag dat het object zilverkleurig was. Ik denk dat het een mes was maar dat heb ik niet kunnen zien en weet ik dus ook niet honderd procent zeker. Ik zag de deur van de woning opengaan en [verdachte] met dat voorwerp naar buiten rennen. Ik zag [verdachte] stekende bewegingen maken richting [slachtoffer]. Ik zag dat hij onderhands stak en zijn arm horizontaal hield. Ik zag dat [verdachte] daarbij zwaaiende bewegingen maakte. Ik zag dat [slachtoffer] daarbij twee of drie keer werd geraakt. Ik zag dat hij in zijn borst geraakt werd, in de rechterzijde van zijn borstkas. (..)Ik stond op een meter of twee toen ik dit zag gebeuren. Ik riep tegen [verdachte]: “Hey man, doe effe normaal! Ik probeer hem hier juist weg te halen”. Ik zag dat [verdachte] stopte met steken en een beetje afstand nam. (..) Ik zag dat [verdachte] de woning inrende (..) Ik zag dat hij het voorwerp waarmee hij stak nog in zijn handen had. Ik zag dat [verdachte] de deur van de woning dichtdeed, (..) We staken de straat over. [slachtoffer] liep met mij mee in de richting van waar we vandaag kwamen (..). Aan de overkant van de straat, voelde ik dat [slachtoffer] in elkaar zakte. Ik ondersteunde hem en zag bloed uit zijn borstkas komen. (..)”

[getuige 2] heeft vervolgens op 6 juli 2013 wederom een verklaring bij de politie afgelegd. [getuige 2] heeft als volgt verklaard:7

V= vraag verbalisanten

O=opmerking verbalisanten

A=antwoord getuige

V=We waren gebleven bij waar het blanke meisje was toen [verdachte] naar buiten kwam. Waar was zij toen?

(..)

V=Waar waren [slachtoffer] en het blanke meisje?

A=Hij liet haar los toen [verdachte] naar buiten kwam

V=Wat was je afstand ten opzichte van [slachtoffer]/[verdachte]?

A=Ik was toen in het midden van de straat op de rijbaan.

V= Had je goed zicht?

A=Ja, ik kon het best goed zien.

V= Kun je je nog herinneren of je zicht belemmerd werd door een geparkeerd staande auto?

A=Nee, ik kon alles zien.

V= Je ziet vervolgens dat ze naar elkaar toelopen en dat er dan een worsteling ontstaat. Hoe ging dat?

A=Ja, hoe ging dat? Er werden links en rechts klappen uitgedeeld. Dit gebeurde op de stoep. Naast de deur van de woning van het meisje.

(..)

V= Hoe lang duurt de worsteling voordat jij bloed ziet bij [slachtoffer]?

A=2 à 3 minuten. Misschien korter. Ze sloegen eerst de hele tijd op elkaar in. Ik zag dat er geslagen werd en gestoken.

V=Met welke hand sloeg [verdachte]?

A=Met de andere hand.

V=Wat is de andere hand?

A= Hij had het mes in zijn rechterhand dus dan sloeg hij met zijn linkerhand. Ik zag het mes pas toen ik riep dat [slachtoffer] bloed had en hij een stap naar achteren deed. Ik nam aan dat [verdachte] daarvoor het mes in zijn handen had, omdat hij stekende bewegingen maakte. Ik heb het mes toen echter nog niet gezien.

V=Hoeveel stekende bewegingen heb jij [verdachte] zien maken?

A=Ik geef daar liever geen antwoord op. Ik weet dat niet.

O= Je hebt in je eerdere verklaring gezegd: “Ik zag de deur van de woning opengaan en [verdachte] met het voorwerp naar buiten rennen”.

A=Hij kwam inderdaad wel zo naar buiten rennen. Ik zag hem al met het voorwerp naar buiten rennen. Ik had me er in eerste instantie niet zo op gefocust. Ik zag later pas dat het een mes was.

O= denk er eens goed over na of je gezien hebt dat [verdachte] toen hij naar buiten kwam al een voorwerp in zijn hand had.

A=Als ik er goed over nadenk. Nee dat heb ik niet gezien.

V=Je hebt eerder ook verklaard: ”ik zag dat [verdachte] daarbij zwaaiende bewegingen richting [slachtoffer] maakte”. Kun je dat nog eens beschrijven?

A=Dat was in het gevecht met [slachtoffer]. Ik zag hem toen zwaaiende bewegingen maken. Ik stond aan de overkant van de straat.

O=Getuige maakt wederom zwaaiende horizontale bewegingen met zijn rechterarm om voor te doen wat hij bedoelt.

V= Op welke hoogte is het mes op het moment dat [verdachte] deze zwaaiende bewegingen maakt?

A= dat weet ik niet.

V= Wat gebeurt er vervolgens?

A= [slachtoffer] bleef hem maar aanvallen en hij bleef [slachtoffer] maar aanvallen. Zoals ik al net zei, nam niemand afstand van elkaar.

V=Heb je bloed gezien?

A= Ja

V=Waar zag je bloed?

A= Aan de bovenkant van zijn borst

V= Wanneer was dat?

A= Na die zwaaiende bewegingen. Ik waarschuwde [slachtoffer] toen dat ik bloed zag.

V= Wat was de reactie van [slachtoffer] toen jij dat tegen hem zei?

A= Hij liep toen naar de overkant van de straat en zei tegen mij: [bijnaam] we gaan. (..)

De rechtbank constateert dat [getuige 2] ten aanzien van het hiervoor bedoelde mes en het moment dat hij het mes heeft gezien niet consistent heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de verklaring van 6 juli 2013 ervan uit dient te worden gegaan dat getuige [getuige 2], op het moment dat verdachte in de deuropening verscheen, niet heeft gezien dat verdachte een voorwerp in zijn handen had. Blijkens laatstbedoelde verklaring heeft [getuige 2] pas een mes bij verdachte gezien op het moment dat hij zag dat [slachtoffer] bloed op zijn kleding had, [slachtoffer] een stap naar achteren deed, en de stekende bewegingen die verdachte volgens getuige [getuige 2] had gemaakt, voorbij waren.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt de verklaring van [getuige 2] in het midden of verdachte of [slachtoffer] het mes bij zich had dan wel of verdachte dit mes mogelijk op enig moment tijdens de worsteling met [slachtoffer] in handen heeft gekregen.

De rechtbank constateert dat er zich bij de stukken een uitwerking van een getapt gesprek tussen de getuige [getuige 2] en een persoon, die volgens de politiesystemen [naam 2] blijkt te zijn, bevindt. Dit gesprek heeft op 12 juni 2013 plaatsgevonden. In dit gesprek heeft -kort samengevat- [getuige 2] tegen [naam 2] gezegd dat het mes niet van [slachtoffer] maar van de Nederlandse jongen is geweest8. Dit gesprek heeft vóór de door [getuige 2] op 6 juli 2013 afgelegde verklaring plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat [getuige 2] in het gesprek heeft gezegd dat het mes van verdachte is geweest, in het licht van hetgeen hiervoor over zijn op 6 juli 2013 afgelegde verklaring ten aanzien van de herkomst van het mes is vastgesteld, niet redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte degene is geweest die een mes bij zich heeft gehad.

[getuige 1] is in juni en juli 2013 meerdere malen bij de politie over het gebeurde gehoord. Bij de politie heeft [getuige 1] telkens verklaard -kort samengevat- dat zij vanaf het moment dat verdachte op die 9 juni 2013 in de deuropening verscheen en ook daarna niet heeft gezien dat verdachte een mes in handen heeft gehad, alsmede dat zij ten tijde van het gebeurde weinig heeft gezien van wat er zich tussen verdachte en [slachtoffer] heeft afgespeeld. Ze heeft wel verklaard dat zij, op het moment dat verdachte en [slachtoffer] tegenover elkaar stonden, heeft gezien dat [slachtoffer] bloed op zijn kleding, in de borststreek, had. Voorts heeft [getuige 1] bij de politie verklaard dat zij geen mes uit haar keukenla mist.9

[getuige 1] heeft vervolgens op 3 december 2013 een - ten opzichte van de in juni en juli 2013 afgelegde verklaringen- gewijzigde verklaring bij de politie afgelegd. Deze verklaring houdt, voor zover hier van belang, het volgende in10.

V=Vraag verbalisanten

A=Antwoord getuige

OVM=Opmerking verbalisant [verbalisant]

O: Opmerking

OVM: [getuige 1], je hebt mij vanmorgen gebeld omdat je informatie kwijt wilt. Dit heeft te maken met de steekpartij in juni van dit jaar waarbij jouw ex-partner [slachtoffer] [slachtoffer] dodelijk gewond is geraakt. Je vertelde mij in het telefoongesprek dat je toch een mes uit je keukenlade mist en dat je [verdachte] toch met een mes hebt gezien bij de ruzie tussen [verdachte] en [slachtoffer].

V: Wat was de reden dat je mij belde?

A: Ik heb er last van. Ik loop er tegenaan, ik merk dat ik het niet los kan laten wat ik weet.

V: Op welke manier dan?

A: Ik durf niet eens een keukenlade te openen. Vorige week besefte ik ineens dat ik wel degelijk een mes mis. Vorige week zag ik ineens een tie-ripje liggen in huis en toen dacht ik ineens dat aan het mes dat ik mis ook een tie-rip zat.

V: Wat voor soort mes mis je?

A; Een soort van vleesmes.

(..)

A: (..) Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat ik niet weet wat er gebeurd is maar ik heb wel dingen gezien die ik niet verteld heb. (…)

V: Vertel ons wat je op 9 juni 2013 hebt gezien. Wat heb jij gezien wat je niet verteld hebt?

A: Het is nog allemaal vaag, ik weet dat ik een mes mis maar wat er precies is gebeurd is nog vaag. Ik heb niet verteld dat ik na de ruzie tussen [verdachte] en [slachtoffer] gezien heb dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand had. Toen ik dat zag, zag ik ook al vlekken door de kleding van [slachtoffer] heen.

(..)

A: Ik zag al bloedvlekken door de kleding heen.

V: Je ziet dat [slachtoffer] gewond is geraakt en dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand heeft. En dan?

A: Dat weet ik niet meer.

V: Wat voor mes is het?

A: Dat weet ik niet.

V: Weet jij waar het mes gebleven is?

A; Ik weet niet waar het mes gebleven is.

(…)

V: Wat voor mes is het?

A:Een aantal jaren geleden kon je bij Super de Boer sparen voor een messenset. (..) Een van de messen is dus weg. (..) Het grootste mes heb ik nog en het mes dat daarna komt, ben ik kwijt.

O:Het handvat en mes zijn in totaal ongeveer 25 centimeter lang. Getuige wijst dit aan.

V: Dus dat je het mes mist in combinatie met hetgeen je gezien hebt tijdens het gebeuren op 9 juni 2013, kan het eigenlijk niet anders dan dat [verdachte] het mes gepakt heeft…

A: Ja, maar ik heb niet gezien dat [verdachte] het mes uit mijn keukenla gepakt heeft.

(..)

V: Je vertelde dat je hebt gezien dat [verdachte] het mes in zijn rechterhand had. Hoe had hij het mes vast?

A: Gewoon bij het handvat. Zijn arm hing langs zijn lichaam omlaag en in mijn beleving was de meskant in de richting van [slachtoffer]. (…)

[getuige 1] is ter terechtzitting van 21 januari 2014 gehoord en zij heeft ter zitting verklaard dat zij bij de door haar op 3 december 2013 afgelegde verklaring blijft.11

De rechtbank overweegt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de door [getuige 1] op 3 december 2013 afgelegde verklaring als volgt.

[getuige 1] heeft, zoals genoemd, in eerste instantie bij de politie verklaard dat zij na het gebeurde op 9 juni 2013 geen mes bij verdachte heeft gezien en dat zij geen mes uit haar keukenla miste. Op 3 december 2013 heeft [getuige 1] bij de politie en op 21 januari 2014 ter terechtzitting een andersluidende verklaring afgelegd in die zin dat zij op enig moment na 9 juni 2013 wist dat zij bij verdachte wel een mes heeft gezien, alsmede dat zij een week vóór 3 december 2013, bijna zes maanden na het gebeurde, concludeert toch wel een mes uit haar keukenla te missen. Ten aanzien van de vraag hoe deze nadere verklaring gewaardeerd dient te worden ten opzichte van de eerdere door [getuige 1] afgelegde verklaring acht de rechtbank de door [getuige 3] ter terechtzitting van 21 januari 2014 afgelegde getuigenverklaring en een aantal telefoongesprekken die [getuige 1] na 9 juni 2013 heeft gevoerd, en die zijn getapt, van belang.

[getuige 3] heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zij en [getuige 1] na 9 juni 2013 meerdere malen over het gebeurde hebben gesproken en dat [getuige 1] nooit tegen haar heeft gezegd dat zij had gezien dat verdachte een mes heeft vastgehad of dat zij daarover twijfelde. [getuige 3] heeft zelf zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij tijdens het gebeurde op geen enkel moment een mes heeft gezien. Volgens [getuige 3] hebben [getuige 1] en zij samen ‘gepuzzeld’ over hoe het kon dat [slachtoffer] was gestoken omdat zij beiden niet hadden gezien op welke wijze het was gebeurd. Voorts zou volgens die verklaring [getuige 1], in het bijzijn van [getuige 3], meerdere malen in de keukenla van [getuige 1] hebben gekeken of zij een mes miste en is telkens de conclusie van [getuige 1] geweest dat dit niet het geval was. Volgens [getuige 3] zou [getuige 1] zijn gaan twijfelen over wat ze wel en niet heeft gezien omdat vaststond dat [slachtoffer] met een mes was gestoken. Volgens [getuige 3] heeft [getuige 1] zelf ingevuld dat verdachte dit wel gedaan moest hebben.12

Voorts bevindt er zich, zoals genoemd, een uitwerking van een aantal getapte gesprekken in het dossier. De rechtbank constateert dat [getuige 1] in deze gesprekken, die ruim een week na 9 juni 2013 hebben plaatsgevonden, volhoudt dat ze niet heeft gezien dat verdachte een mes heeft gehad en ook niet aangeeft dat zij daaraan twijfelt.

[getuige 1] heeft op 18 juni 2013 gebeld met een persoon genaamd [naam 3], waarbij is gesproken over het gebeurde op 9 juni 2013. Dit gesprek houdt onder meer -kort samengevat- in13:

Volgens [naam 3] had er gewoon geen mes gebruikt moeten worden. [getuige 1] denkt dat ook maar wie zegt dat het mes van haar zwager was. Volgens haar is haar zwager echt geen messen iemand. [naam 3] vraagt of [slachtoffer] dan een mes had meegenomen. [getuige 1] is bang van wel, ze kan zich niet voorstellen dat haar zwager een mes bij zich zou dragen.

Voorts heeft [getuige 1] op 18 juni 2013 gebeld met [getuige 3] en hebben zij over het gebeurde op 9 juni 2013, en over de vraag of de kinderen een mes hebben gezien, gesproken. Dit gesprek houdt onder meer -kort samengevat- in14:

[getuige 1] (..) heeft toch het idee dat [slachtoffer] zelf een mes bij zich heeft gehad. [getuige 3] weet dat wel zeker. (..)Volgens [getuige 3] wist [verdachte] al veel eerder dan zij dat [slachtoffer] een mes had, natuurlijk want zij wisten het niet. (..)

Komt het gesprek weer op de kinderen. (..)

[getuige 1] kan zich niet voorstellen dat ze wat gezien hebben. Zij en [getuige 3] stonden er met de neus op en hebben niets gezien en zij door het raam wel. Dat kan toch niet, die hebben dingen gehoord en dat is gevaarlijk.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] van 3 december 2013 dat zij een mes in handen van verdachte heeft gezien, dient te worden getwijfeld omdat niet aannemelijk is geworden dat zij dit daadwerkelijk heeft gezien, en aldus uit eigen wetenschap heeft verklaard, of dat zij naderhand voor zichzelf heeft ingevuld dat zij dit heeft gezien. Ook wat betreft haar verklaring dat een mes uit haar keukenla zou ontbreken, is in het licht van het voorgaande niet vast te stellen of dit daadwerkelijk het geval is, of dat [getuige 1] voor zichzelf heeft geconcludeerd dat dit wel het geval moet zijn. De omstandigheid dat het mes waarmee [slachtoffer] is gestoken nooit gevonden is, dat niet vast is komen te staan dat er daadwerkelijk sinds 9 juni 2013 een mes uit de keukenla van [getuige 1] ontbreekt en dat ook niet is vastgesteld dat de steekwonden van [slachtoffer] door het door [getuige 1] bedoelde mes zijn toegebracht, kan de verklaring van [getuige 1] op dit punt ook niet ondersteunen.

De rechtbank ziet derhalve aanleiding om de verklaring van [getuige 1], zoals afgelegd op 3 december 2013, alsmede de door haar ter terechtzitting afgelegde verklaring, voor het bewijs buiten beschouwing te laten.

Voorts stelt de rechtbank vast dat [getuige 4] en [getuige 5], die zich ten tijde van het gebeurde in de woning van [getuige 1] bevonden, bij hun verhoor bij de politie niet hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte op enig moment een mes in zijn hand(en) heeft gehad.15 De overige getuigen die in deze zaak zijn gehoord hebben verder op dit punt niets verklaard of niet kunnen verklaren.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen niet vast is komen te staan dat verdachte een mes in zijn handen heeft gehad op het moment dat hij in de deuropening verscheen, dan wel dat hij een mes bij zich heeft gedragen en dat hij dit ten tijde van de confrontatie met [slachtoffer] tevoorschijn heeft gehaald.

De rechtbank overweegt daarbij wel dat verdachte niet altijd consistent is geweest in zijn verklaringen en dat zijn verklaringen op een aantal punten niet aannemelijk zijn geworden. Dat verdachte door het onderste raam van de voordeur zou hebben gezien dat [slachtoffer] een mes bij zich droeg, is onwaarschijnlijk gezien het feit dat na onderzoek is geconcludeerd dat verdachte dit, omdat het raam van matglas is gemaakt en bewerkt is, niet heeft kunnen zien.16 Daarbij is de verklaring van verdachte dat hij het mes uit de handen van [slachtoffer] heeft proberen te krijgen door met zijn handen en met de hand van [slachtoffer] waarin het mes zich bevond, tegen een auto aan te slaan, door geen van de getuigen ondersteund. Voorts heeft verdachte niet eenduidig verklaard over of hij al dan niet ten tijde van de worsteling met [slachtoffer] het mes heeft gezien.17

De rechtbank acht, ondanks dat op een aantal punten vraagtekens bij verdachtes verklaringen gezet kunnen worden, de mogelijkheid dat [slachtoffer] zelf een mes bij zich heeft gedragen dat ten tijde van of vlak voor de confrontatie tevoorschijn is gekomen, op grond van de bewijsmiddelen niet uitgesloten. De rechtbank zal derhalve voor de verdere beoordeling in het midden laten wie het mes bij zich heeft gedragen.

De rechtbank acht op grond van de stukken echter wel bewezen dat [slachtoffer] door toedoen van verdachte driemaal in zijn bovenlichaam cq de harststreek is gestoken.

De rechtbank acht op dat punt met name de door getuige [getuige 2] afgelegde verklaring van 9 juni 2013 van belang. [getuige 2] heeft namelijk verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte twee à drie maal een stekende beweging heeft gemaakt aan de rechterzijde van de borstkast van [slachtoffer] en dat [slachtoffer] vervolgens is gaan bloeden. Deze verklaring komt naar het oordeel van de rechtbank overeen met de bevindingen door het eerder aangehaalde NFI rapport dat [slachtoffer] drie steekletsels, te weten twee links op de borst en één aan de linker zijkant van zijn borstkast had. De rechtbank acht het daarbij aannemelijk dat [getuige 2], vanuit zichzelf geredeneerd, met de rechterkant van [slachtoffer] naar alle waarschijnlijkheid de linkerkant van [slachtoffer] heeft bedoeld. Daar komt bij dat verdachte zelf ook heeft verklaard, hetgeen hiervoor is weergegeven, dat hij het mes dat [slachtoffer] in zijn handen had van zich af heeft gedrukt en het mes met de punt in de richting van [slachtoffer] heeft omgedraaid, terwijl het mes ter hoogte van het midden van het lichaam was. De conclusie van verdachte dat het mes vervolgens in het lichaam van [slachtoffer] is gekomen doordat hij en [slachtoffer] tegen elkaar aan zijn gekomen acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu daarmee niet de drie afzonderlijke steekwonden kunnen worden verklaard. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat verdachte zwaaiende dan wel duwende bewegingen in de richting van het lichaam van [slachtoffer] heeft gemaakt waarbij die [slachtoffer] meermalen is geraakt met een mes.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte ten tijde van de confrontatie met [slachtoffer] het mes, dat hij en [slachtoffer] al dan niet gelijktijdig vast cq in bedwang hielden, zodanig heeft gemanipuleerd dat de punt van het mes in de richting van het bovenlijf van [slachtoffer] is gekeerd waarna verdachte zodanige zwaaiende dan wel duwende bewegingen heeft gemaakt dat het mes tot drie keer toe in het bovenlichaam cq de hartstreek van [slachtoffer] is gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door tijdens de worsteling met [slachtoffer] een mes, dat zich ter hoogte van het midden van het lichaam van het slachtoffer, en dus ter hoogte van vitale delen bevond, op de hiervoor bedoelde wijze te manipuleren en te bewegen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] met dat mes daadwerkelijk meerdere malen in het bovenlichaam zou steken waardoor [slachtoffer] zou komen te overlijden. De rechtbank acht aldus het voorwaardelijk opzet op de dood en daarmee de tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 9 juni 2013 te Zwolle, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes in het bovenlichaam en/of hart(streek) van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Bespreking verweer

Verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer, zoals is bepaald in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft daartoe aangevoerd - kort samengevat- dat hij heeft gehandeld uit de noodzaak om zichzelf, [getuige 1], [getuige 3] en de zich in de woning van [getuige 1] bevindende kinderen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] te verdedigen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen nu verdachte, hoewel wel van een noodweersituatie sprake is geweest, niet proportioneel heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer als volgt.

Artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht luidt:

Niet strafbaar is hij die een feit begaat geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van het beroep op noodweer uit wordt gegaan van de feiten zoals deze tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit hebben geleid.

Vast is komen te staan dat [slachtoffer] in de periode voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit meerdere malen bedreigingen in de richting van verdachte heeft geuit met de strekking dat hij verdachte wilde doden. Verdachte en ook [getuige 1], met wie [slachtoffer] een relatie heeft gehad waarin [slachtoffer] gewelddadig ten opzichte van die [getuige 1] is geweest, hebben van de politie in die periode een alarmkastje tot hun beschikking gekregen vanwege bedreigingen door [slachtoffer]. In de middag van 9 juni 2013 is [slachtoffer] reeds in de buurt van de woning van [getuige 1] en verdachtes woning geweest waarbij [slachtoffer] zich eveneens bedreigend ten opzichte van verdachte heeft uitgelaten.

Die bewuste avond, rond 20.00 uur, is [slachtoffer] op verdachte, [getuige 1] en [getuige 3], die zich voor de woning van [getuige 1] bevonden, afgelopen met daarbij de woorden roepend: “nu heb ik je” of “Jou moet ik spreken”, althans woorden van gelijke aard of strekking. Verdachte en [getuige 1] zijn net op tijd de woning binnengegaan voordat [slachtoffer] hen te pakken heeft kunnen krijgen. [getuige 3] die achter is gebleven, en die [slachtoffer] nauwelijks kent, is gelijk door [slachtoffer] aangevallen. Ze is door hem bij de keel gepakt en richting de straat geduwd. Nadat [getuige 1] vervolgens naar buiten is gegaan om [getuige 3] in deze benarde situatie te helpen, heeft [slachtoffer] zich tegen [getuige 1] gekeerd. [getuige 1] is vervolgens meerdere malen met kracht door [slachtoffer] geschopt en geslagen. Zowel [getuige 3] als [getuige 1] heeft verklaard dat zij beiden ontzettend bang zijn geweest. Daarbij heeft [getuige 1] verklaard dat zij nog nooit eerder op deze manier door [slachtoffer] is geschopt en geslagen. [getuige 3] heeft in haar verklaring bevestigd dat [slachtoffer] op dat moment exceptioneel geweld tegen [getuige 1] heeft gebruikt. De rechtbank concludeert dat er op dat moment sprake van een noodweersituatie is geweest. Verdachte heeft, door zich naar buiten te begeven en zich tot [slachtoffer] te richten, het lijf van [getuige 3] en van [getuige 1], die op dat moment door [slachtoffer] werd aangevallen, tegen de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] willen verdedigen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte op het moment dat hij zich naar buiten heeft begeven, aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldaan. Er bestond op dat moment geen minder ingrijpende mogelijkheid die soelaas zou bieden om de aanranding door [slachtoffer] van

-op dat moment- [getuige 1] te beëindigen. Verdachte had immers de alarmknop al ingedrukt, maar deze leek niet te werken. Daarbij heeft [getuige 2], die op dat moment bij [slachtoffer] stond, niets gedaan of niets kunnen doen. [getuige 2] heeft zelf bij de politie verklaard dat hij wel geprobeerd heeft wat te doen maar dat hij op een gegeven moment geen partij meer voor [slachtoffer] was. Nu tevens het door [slachtoffer] gebruikte geweld excessief was en ook niet leek af te nemen, er daarbij de reële angst bij verdachte bestond dat [slachtoffer] door de deur zou breken en zich tot hem en mogelijk de aldaar aanwezige kinderen zou richten, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank niet aan de situatie hoeven te onttrekken maar was hij gerechtigd zich tot [slachtoffer] te wenden.

Op het moment dat verdachte buiten is gekomen, is er een nieuwe noodweersituatie ontstaan doordat [slachtoffer] [getuige 1] heeft losgelaten en zich gelijk tot verdachte heeft gewend, waarbij verdediging van verdachtes eigen lijf tegen het door [slachtoffer] tegen hem uitgeoefende geweld in beginsel geboden was. De rechtbank stelt voorop dat, aangezien hiervoor is geconcludeerd dat verdachte ten aanzien van de verdediging van [getuige 1] en van [getuige 3] gerechtigd was zich tot [slachtoffer] te richten, er van ‘culpa in causa’ geen sprake kan zijn. Er kan aldus niet worden gesteld dat verdachte ten onrechte de confrontatie met [slachtoffer] heeft opgezocht.

Uitgaande van de omstandigheid dat de rechtbank in het midden heeft gelaten op welke wijze het mes waarmee [slachtoffer] uiteindelijk is gestoken, op de plaats delict terecht is gekomen, dient van de beoordeling van de vraag of verdachte [slachtoffer] met het mes uit noodweer heeft gestoken van die omstandigheid uit te worden gegaan. De rechtbank neemt daarbij in overweging, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat [slachtoffer] zich voorafgaand aan het gebeurde al meerdere malen bedreigend ten opzichte van verdachte had uitgelaten, [slachtoffer] zich op het moment voorafgaand aan de confrontatie met verdachte excessief gewelddadig ten opzichte van [getuige 3] en met name [getuige 1] heeft gedragen en zich ook gelijk, nadat verdachte de voordeur had geopend, op gewelddadige wijze tegen verdachte heeft gericht. De rechtbank concludeert op die gronden dat er bij verdachte een reële vrees heeft bestaan dat [slachtoffer] hem iets aan zou willen doen. Daarbij is er sprake van een voortdurende worsteling geweest. Volgens de getuige [getuige 2] zijn verdachte en [slachtoffer] elkaar blijven aanvallen en heeft geen van beiden afstand van elkaar genomen. De rechtbank kan onder de bedoelde omstandigheden niet anders concluderen dan dat in de ontstane worsteling tussen verdachte en [slachtoffer], waarbij een mes aanwezig is geweest waarvan voor verdachte niet uit te sluiten was dat [slachtoffer] het zou gebruiken, het manipuleren en bewegen van dit mes door verdachte op zodanige wijze dat hij niet zelf door [slachtoffer] met het mes zou worden gestoken, een geslaagd beroep op noodweer oplevert. Verdachte heeft met zijn handelen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden.

De rechtbank acht het feit derhalve niet strafbaar en zal verdachte van alle strafvervolging ontslaan.

VORDERING VAN DE BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij, [benadeelde partij], gemachtigde mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van

€ 10.555,00 vermeerderd met een bedrag aan reiskosten en wettelijke rente, gevoegd in het strafproces.

Aangezien verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en hem aldus geen straf of maatregel zal worden opgelegd, zal de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361 lid 2 aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

Beslissing

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven. Het bewezenverklaarde feit is niet strafbaar. De rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij], gemachtigde mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, in zijn vordering niet ontvankelijk is.

Aldus gewezen door mr. L.J.C. Hangx, voorzitter, mrs. F. van der Maden en V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, onder dossiernummer 2013047029 opgemaakt op (d.d.) 1 november 2013.

2 De door [getuige 1] ter terechtzitting van 21 januari 2014 afgelegde verklaring. De door [getuige 3] ter terechtzitting van 21 januari 2014 afgelegde verklaring. Proces-verbaal van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring, pagina 72, 8e t/m laatste alinea, en pagina 73 t/m 74, 1e t/m 6e alinea. Proces-verbaal van de door [getuige 2] bij de politie afgelegde verklaring, pagina 223 t/m 225, tweede alinea, eerste zin. Proces-verbaal van de door [getuige 2] bij de politie afgelegde verklaring, pagina 242, tiende alinea. Proces-verbaal van de door [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaring, pagina 284, 1e t/m 5e alinea en 6e alinea, 1e t/m 3e zin.

3 Rapport van het NFI, d.d. 13 juni 2013, opgemaakt door dr. B. Kubat, arts en patholoog, met bijlagen, pagina 180 t/m 194.

4 Proces-verbaal van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring, d.d. 11 juni 2013, pagina 102 t/m 120.

5 Proces-verbaal van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring, d.d. 21 juni 2013, pagina 152.

6 Proces-verbaal van de door [getuige 2] bij de politie afgelegde verklaring, d.d. 9 juni 2013, pagina 225.

7 Proces-verbaal van de door [getuige 2] bij de politie afgelegde verklaring, d.d. 6 juli 2013, pagina 244 t/m 245.

8 Uitwerking van een getapt gesprek, welke tussen [getuige 2] en [naam 2] op 12 juni heeft plaatsgevonden, pagina 588 t/m 590.

9 Proces-verbaal van de door [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaring, pagina 272 t/m 275. Proces-verbaal van de door [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaring, pagina 280. Proces-verbaal van de door [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaring, pagina 287 t/m 291.

10 Proces-verbaal van de door [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaring, d.d. 3 december 2013, nr. PL04RE 2013047029-101.

11 De door [getuige 1] ter terechtzitting van 21 januari 2014 afgelegde verklaring.

12 De door [getuige 3] ter terechtzitting van 21 januari 2014 afgelegde verklaring.

13 Uitwerking van een getapt telefoongesprek tussen [getuige 1] en [naam 3], pagina 558 t/m 559.

14 Uitwerking van een getapt telefoongesprek tussen [getuige 1] en [naam 4], pagina 561 t/m 562.

15 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 4], pagina 342 t/m 372. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 5], pagina 373 t/m 423.

16 Het proces-verbaal van de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring, d.d. 21 juni 2013, pagina 150, 1e t/m 6e alinea, met bijlagen, pagina 158 en 159.

17 Proces-verbaal van verhoor door de politie van verdachte, pagina 77, 6e t/m 8e alinea en pagina 108, 14e alinea.